Bijlage Bp. Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.0183.BUIBPSTROVELD21-VG01
Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Geldend bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer
7 7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Landschappelijke aspecten 2.2 Huidige situatie plangebied
11 11 11
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Gewenste ontwikkeling 3.2 Verkeer en parkeren
13 13 14
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
15 15 16 24
Hoofdstuk 5
27
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9
Milieu- en omgevingsaspecten
Geluid Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Geur Ecologie Archeologie & cultuurhistorie Besluit milieueffectrapportage
27 27 28 29 30 31 32 35 37
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Vigerend beleid 6.2 Waterparagraaf
39 39 39
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels
41 41 41 42
Hoofdstuk 8
45
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 9.1 Vooroverleg 9.2 Inspraak 9.3 Zienswijzen
47 47 47 47
Bijlagen bij de toelichting
49
2
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
50
Bijlage 2
Quickscan Ecologie
67
Bijlage 3
Standaard waterparagraaf
101
Regels
105
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
107 107 118
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Agrarisch - 2 Groen Waarde - Archeologie 4
119 119 128 129
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12
Algemene Regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
131 131 132 133 134 135 136 137
Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
139 139 140
Bijlagen bij regels
141
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
142
Bijlage 2
Ondergeschikte tweede tak of een deeltijdfunctie
144
Bijlage 3
Lijst van toegestane evenementen
146
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het agrarische bedrijfsperceel aan de Stroveldsweg 21 in Reutum. Op het perceel wordt een melkveehouderij geëxploiteerd. In 2017 heeft een bestemmingsplanherziening plaats gevonden waarbij het bouwvlak is vergroot ten behoeve van de uitbreiding van het melkveebedrijf. Ten tijde van de bestemmingsplanherziening was een waterschapssloot van het waterschap Vechtstromen ten noordoosten van het perceel een beperkende factor. De sloot betrof een harde grens waardoor het perceel een schuine hoek heeft gekregen. In 2015 is in Reutum op initiatief van LTO Noord en onder de vlag van de Stichting Coördinatie Kavelruil Overijssel (CKO) een kavelruilproject gestart. In het kader van dit project zijn Staatsbosbeheer, de Provincie Overijssel, een aantal agrariërs en het Waterschap Vechtstromen tot een concrete invulling van de genoemde afspraken gekomen. Als gevolg van een vrijwillige kavelruil wordt de sloot omgeleid. Hierdoor wordt de melkveehouderij niet langer belemmerd door de sloot en kan tot een passend bouwvlak worden gekomen wat beter aansluit op de landschapskenmerken en wensen van de melkveehouderij. De omvang van het bouwvlak blijft in de nieuwe situatie gelijk.
Voorliggend initiatief zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, sluit beter bij de wensen van het melkveebedrijf aan en zorgt voor een betere aansluiting met het omliggende landschap. Middels een herziening van het bestemmingsplan kan het voornemen mogelijk gemaakt worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw planologisch kader, waarmee de gewenste uitbreiding gerealiseerd kan worden. Daarnaast wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening'.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt aan de Stroveldsweg 21 in het buitengebied van de gemeente Tubbergen, ten zuiden van de kern Reutum. In afbeelding 1.1 zijn respectievelijk indicatief de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Reutum en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied ten opzichte van Reutum en ten opzichte van de directe omgeving (Bron: PDOK)
1.3 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.0183.BUIBPSTROVELD21-VG01); regels (met bijbehorende bijlagen) Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
7
opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan, maar maakt geen onderdeel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4 Geldend bestemmingsplan 1.4.1
Algemeen
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen "Stroveldsweg 21 Reutum" (vastgesteld op 10 juli 2017) en "Tubbergen Buitengebied 2016" (vastgesteld op 23 mei 2016) van de gemeente Tubbergen. Op onderdelen is het bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 vervallen door inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan" (vastgesteld op 15 december 2020) Hierna is een uitsnede van de verbeelding van de geldende bestemmingsplannen opgenomen. De begrenzing van het plangebied is indicatief met de rode omlijning aangegeven.
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding geldende bestemmingsplannen (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) 1.4.2
Beschrijving bestemmingen
Agrarisch - 2 De voor 'Agrarisch - 2' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van één agrarisch bedrijf. In dit geval mag het agrarisch bedrijf 263 stuks vee houden en een maximale emissie van 1.937,4 kg NH3 per jaar. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor afschermende beplanting en bebossing, met daaraan ondergeschikt: wegen en paden, nutsvoorzieningen en water. Water - 2 De voor 'Water - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor beken, sloten, en daarmee gelijk te stellen 8
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
waterlopen ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden en de waterberging. Waarde - Archeologie 4 Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van archeologische waarden. Binnen deze dubbelbestemming worden nadere eisen gesteld aan bodemroerende activiteiten. Overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan De voor 'overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van het gebruik van de gronden ten behoeve van sierteelt, boomteelt, houtteelt of overige opgaande teeltvormen, niet zijnde boom- en sierteelt binnen de bouwpercelen. Vrijwaringszone - radarverstoringsgebied De voor 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim. 1.4.3
Strijdigheid
Zoals in de aanleiding is beschreven is het vanuit bedrijfstechnisch en landschappelijk oogpunt wenselijk om het bouwvlak opnieuw te situeren. Dit bestemmingsplan voorziet in een gewijzigde situering van het bouwvlak wat beter aansluit bij de wensen van het melkveebedrijf en zorgt voor een betere aansluiting met het omliggende landschap. Middels een herziening van het bestemmingsplan kan het voornemen mogelijk gemaakt worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw planologisch kader, waarmee de gewenste uitbreiding gerealiseerd kan worden. Daarnaast wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening'.
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 3 is de beschrijving van het voorgenomen plan opgenomen. Hoofdstuk 4 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 6 worden de wateraspecten behandeld. Hoofdstuk 7 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 8 wordt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht, gevolgd door de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 9.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 2
Huidige situatie
2.1 Landschappelijke aspecten De gemeente Tubbergen behoort tot het oostelijk dekzandgebied. In de geologische perioden Saalien, Weichselien en Holoceen is in dit gebied materiaal van verschillende samenstelling en afkomst afgezet en/of gevormd. Ook is de mens bepalend geweest voor het huidige landschapspatroon. Onderhavig plangebied is gelegen in het maten en flierenlandschap. Dit landschapstype bevindt zich in de vochtige laaggelegen gronden van de beekdalen. De oorspronkelijke opbouw van natte weilanden en hooilanden omringd door hakhout of singels was kleinschalig. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. De verkaveling van dit landschapstype is vaak onregelmatig en grillig maar kent soms een strookverkaveling. In de omgeving van het plangebied aan de Stroveldsweg is de situatie de afgelopen eeuw aanzienlijk gewijzigd. Vooral de wegenstructuur is de afgelopen eeuw aangepast. Daarnaast hebben de natte weilanden en hooilanden, door verbeterde waterafvoer en waterpeilverlaging, ruimte gemaakt voor andere agrarisch grondgebruik.
Perceelscheidingen zijn deels verdwenen, waardoor de ruimtes groter van schaal zijn geworden.
2.2 Huidige situatie plangebied De omgeving van het plangebied kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van agrarische bedrijven en verspreid liggende burgererven. Het plangebied wordt aan noordoostzijde begrensd door een watergang. Aan de overige zijden zijn de bij het agrarisch bedrijf behorende cultuurgronden gelegen. Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt op korte afstand het woonperceel aan de Stroveldsweg 17. Opgemerkt wordt dat op het perceel tevens een autobedrijf wordt geëxploiteerd. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto opgenomen van het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is indicatief met rood omkaderd.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
11
Afbeelding 2.1 Luchtfoto huidige situatie omgeving (Bron: Google maps, bewerkt) Het huidige erf aan de Stroveldsweg 21 kent een vrij traditionele opbouw. De woning heeft aan de voorzijde een bescheiden siertuin. Het achtererf kenmerkt zich door de functionele indeling om zo efficiënt mogelijk de agrarische bedrijfsactiviteiten te kunnen uitvoeren. Het huidige bouwvlak zorgt voor een scherpe hoek in het agrarische bedrijfsperceel. Hierdoor wordt er geen gebruik gemaakt van een optimale situering om zo efficiënt mogelijk de bedrijfsactiviteiten uit te voeren. De bebouwing op het perceel bestaat uit een ligboxenstal en drie agrarische bijgebouwen. Ten oosten van de bebouwing zijn enkele kuilvoerplaten gelegen. Het perceel wordt middels twee in- en uitritten ontsloten aan de Hondenveldsweg en twee in- en uitritten op de Stroveldsweg.
12
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
3.1 Gewenste ontwikkeling Initiatiefnemer eploiteert al jaren een melkveehouderij op het perceel aan de Stroveldsweg 21. Zoals in de aanleiding is beschreven heeft in 2017 een bestemmingsplanherziening plaats gevonden waarbij het bouwvlak is vergroot ten behoeve van de uitbreiding van het melkveebedrijf. Ten tijde van de bestemmingsplanherziening was een waterschapssloot van het waterschap Vechtstromen ten noordoosten van het perceel een beperkende factor. De sloot betrof een harde grens waardoor het perceel een schuine hoek heeft gekregen. Door middel van een vrijwillige kavelruil is de waterschapssloot verplaatst. Voor het dempen van de waterschapssloot is op 5 mei 2021 een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheid een vergunning verleend. Hierdoor is de initiatiefnemer in gelegenheid gekomen om het bouwvlak opnieuw te situeren. Met het opnieuw situeren van het bouwvlak wordt tegemoet gekomen aan een duurzaam toekomstperspectief en efficiëntere bedrijfsvoering. Door de vervorming van het bouwvlak kan het bedrijf ook ruimtelijk beter worden ingepast. Deze ruimte ontbrak in eerste instantie. De omvang van het bouwvlak blijft in de nieuwe situatie gelijk. Naast een efficiëntere bedrijfsvoering is het vanuit landschappelijk oogpunt ook gewenst om het bouwvlak opnieuw te situeren.
Voorliggend initiatief zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, sluit beter bij de wensen van het melkveebedrijf aan en zorgt voor een betere aansluiting met het omliggende landschap. Van belang is dat bij het opnieuw situeren van het bouwvlak het geheel op adequate wijze wordt ingepast in het landschap. Daarom is voor dit bestemmingsplan een erfinrichtingstekening opgesteld, waarin de landschapsmaatregelen zijn opgenomen om te komen tot een goede landschappelijke inpassing. In dit geval is door Hannink Landschapsvormgeving een erfinrichtingsplan opgesteld welke is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Landschappelijke inrichting Ten opzichte van de eerdere plannen is de verandering niet ingrijpend. De zijden langs de Stroveldsweg en de Hondenveldsweg blijven ongewijzigd. Met name aan de noord- en oostzijde wordt het plan logischerwijs gewijzigd vanwege het dempen van de watergangen (P en Q op tekening). Door het dempen van de sloot is er meer ruimte voor de aanleg van kuilvoerplaten. De verdere inrichting is om die reden daarom heen aangepast. Dit geldt vooral voor de omliggende houtsingel (G). De houtsingel wordt robuust en past het bedrijf op de meest essentiële plekken in. Ook aan de zuidzijde wordt een landschapsbosje (F) aangeplant om de kuilvoerplaten stevig in te passen.
Door het dempen van de sloten kan het erf een vorm aannemen die veel beter in dit landschap past. De min of meer merkwaardige driehoekige vorm (R op tekening) komt te verdwijnen. Met de inpassing is er sprake van een situatie die aansluit bij de kenmerken van de overgang van de open jonge heideontginning naar het matenlandschap. Door de houtsingels is er sprake van een meer kleinschalig landschap. Maatregelen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit: Aanplant van robuust landschapsbosje (F); Aanplant van robuuste houtsingel (G); Versterken / verbreden van bestaande houtsingel (H). Met de voorgestelde inpassing wordt voldaan aan het gesteld beleid.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
13
Afbeelding 3.1 Landschappelijke inpassing (Bron: Hannink landschapsvormgeving)
3.2 Verkeer en parkeren Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In voorliggend geval wordt het bouwvlak van het agrarische bedrijfsperceel opnieuw gesitueerd waarbij het oppervlakte gelijk blijft. Er vinden als gevolg van dit bestemmingsplan geen fysieke ontwikkelingen plaats die nadelige gevolgen hebben voor de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie ter plaatse van het plangebied. De ontsluiting van het perceel wijzigt niet en blijft via de bestaande in- en uitrit plaatsvinden. Qua aantallen verkeersbewegingen wordt opgemerkt dat er geen sprake is van een toename. Het parkeren zal op eigen erf blijven plaatsvinden. Hier biedt het erf voldoende ruimte voor. Het erf biedt hier voldoende ruimte voor (zie afbeelding 3.1). Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit plan besloten ontwikkeling.
14
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 4
Beleidskader
4.1 Rijksbeleid 4.1.1
Nationale omgevingsvisie
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen wordt ingezet op de ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
15
4.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. 4.1.2
Toetsing aan het rijksbeleid
Het betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Met het voornemen wordt een extra woning toegevoegd in een bestaand stedelijk gebied. Hierdoor wordt er zorgvuldig met de ruimte omgegaan. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen herontwikkeling. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Voorgenomen ontwikkeling betreft het opnieuw situeren van het bouwvlak van een agrarisch bedrijfsperceel. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen groter bouwvlak mogelijk dan in de bestaande situatie het geval is. De bebouwingsoppervlakte van het agrarische bedrijfsperceel neemt dan ook niet toe. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
4.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. 4.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
16
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
4.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 4.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. 4.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.
Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. 4.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden.
Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. 4.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
17
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Figuur 4.1 geeft dit schematisch weer.
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 4.2.4
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.4.1 Of- Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name de artikelen 2.1.3 (lid 2), 2.1.5 en 2.1.7 van belang. Op de betreffende artikelen wordt hierna nader ingegaan. Artikel 2.1.3
Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2)
lid 2 Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Voorliggend plan voorziet in een gewijzigde situering van het bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf ten behoeve van de efficiëntere bedrijfsvoering en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De situering van het agrarische bouwvlak wordt hierbij gewijzigd, maar niet vergroot. Van belang is dat bij het opnieuw situeren van het bouwvlak het geheel op adequate wijze wordt ingepast in het landschap. Het agrarische bedrijf zal daarnaast op een verantwoorde wijze worden ingepast in het landschap (zie afbeelding 3.1). Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voldoet aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 2.1.5
18
Ruimtelijke kwaliteit (leden 1, 2, 3 en 5)
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Zoals blijkt uit de beschrijving in hoofdstuk 3 wordt het erf landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken. De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken.
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.5, lid 1, 2, 3 en 5. Artikel 2.1.7
Kwaliteitsimpuls Agro en Food
Lid 1 Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen. Lid 4 In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van de bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel in beperkte mate worden aangepast en/of uitgebreid als: is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.7 van de Omgevingsverordening De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het opnieuw situeren van het agrarische bouwvlak ten behoeve van een efficiëntere bedrijfsvoering en verbetering van de ruimtlelijke kwaliteit. Er is geen sprake van uitbreiding van gebouwen. Van belang is dat bij het opnieuw situeren van het bouwvlak het geheel op adequate wijze wordt ingepast in het landschap. Het agrarische bedrijf zal daarnaast op een verantwoorde wijze worden ingepast in het landschap (zie afbeelding 3.1). Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voldoet aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening.
4.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Zone ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland'. Figuur 4.2 is een uitsnede van de overzichtskaart ontwikkelingsperspectieven met daarbij het plangebied gearceerd met de rode ster.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
19
Afbeelding 4.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 'Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland' Er zijn gebieden binnen de 'Zone Ondernemen met Natuur en Water' die buiten het natuurnetwerk liggen. In deze gebieden is ruimte voor groen ondernemerschap, voor initiatieven en functies die de economische en maatschappelijke dragers zijn van de kwaliteit van natuur, water en landschap én ruimte voor continuïteit van de aanwezige landbouwfunctie. Initiatieven van bewoners en ondernemers zijn hier leidend: zij zijn eigenaar en vormgever van de omgevingskwaliteit. De na te streven kwaliteitsdoelen voor natuur en water zijn daarbij het uitgangspunt. 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' In dit plan worden geen bouwmogelijkheden van het agrarisch bedrijfsperceel verruimd maar wordt enkel het bouwvlak opnieuw gesitueerd in verband met bedrijfstechnische redenen. De ontwikkeling wordt met een erfinrichtingsplan (zie paragraaf 3.1 en Bijlage 1 bij deze toelichting) landschappelijk ingepast. Dit resulteert per saldo in een kwaliteitsverbetering van het cultuurlandschap.
4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen is van belang dat de locatie is gelegen in het landelijk gebied. Dit betekent dat de 'stedelijke laag' buiten beschouwing kan blijven. 1.
De 'Natuurlijke laag'
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.
20
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. De ligging van het plangebied is weergegeven met de rode ster.
Afbeelding 4.3 Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) 'Dekzandvlakte en ruggen' De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk - door de wind gevormd - zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' Binnen het plangebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar vanwege het feit dat de gronden in het verleden zijn ontgonnen ten behoeve van de landbouw. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, de ontginning en de ontwikkeling in de landbouw verminderd. Geconcludeerd wordt dat de 'Natuurlijke laag' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, aangezien ter plaatse van de uitbreiding geen hoogteverschillen meer waarneembaar zijn.
In voorliggend geval is bij het opstellen van het erfinrichtingsplan rekening gehouden met het natuurlijke landschap. Er is onder andere gekozen om het erf zo compact mogelijk te houden om de impact op de omgeving zo minimaal als mogelijk te houden. Op deze plek wordt kortheidshalve verwezen naar het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1). 2.
De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'
De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met het gebiedstype 'Maten en flierenlandschap'. Figuur 4.4 is een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het agrarische cultuurlandschap”. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven met de rode ster.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
21
Afbeelding 4.4 Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) 'Maten en flierenlandschap' Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden. Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open 'kamers' en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water. Inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In het geval van voorliggend initiatief is geen sprake van onevenredige aantasting van de landschapswaarden. Voorgenomen initiatief gaat enkel uit van het wijzigen van het bouwvlak waarbij de oppervlakte gelijkblijft. De voorgenomen ontwikkeling wordt voor zover landschappelijk verantwoord, ingepast in de omgeving. Gezien het vorenstaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”. 3.
De 'Laag van de beleving'
In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander 22
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van de beleving' aangeduid met het gebiedstype 'Donkerte'. In afbeelding 4.5 wordt dit weergegeven.
Afbeelding 4.5 De laag van de beleving (Bron: Provincie Overijssel) 'Donkerte' Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden,zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van de beleving” Het plangebied bevindt zich in een gebied dat is aangemerkt als "donkerte" gebied. Er zal daarom terughoudend om moeten worden gegaan met het aan brengen van verlichting. In voorliggend geval is van belang dat er geen nieuwe agrarisch bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de bestaande situatie. Daarnaast wordt het nieuwe bouwvlak landschappelijk ingepast met houtsingels, waardoor de lichtuitstraling op de omgeving wordt beperkt. Geconcludeerd wordt dat de "Laag van de beleving" geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
23
4.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
4.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder behandeld. 4.3.1
Omgevingsvisie Tubbergen
4.3.1.1 Algemeen De gemeenteraad van de gemeente Tubbergen heeft op 16 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Tubbergen, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Tubbergen en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld. 4.3.1.2 Vier kernprincipes De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Tubbergen' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We wentelen niet af op volgende generaties; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. 4.3.1.3 Speerpunten Buitengebied in balans De gemeente Tubbergen wil een economische sterk buitengebied met veel verschillende functies, waarin alle bewoners en gebruikers aan hun trekken komen. Het Twentse landschap van Tubbergen is een uniek coulisselandschap met houtwallen, singels, essen, ontginningen, natuurgebieden en landgoederen. Dit landschap draagt in grote mate bij aan de identiteit van de streek. De houtwallen en singels vormen verbindingen van natuurgebied naar natuurgebied die voor veel planten en dieren belangrijk zijn.
Kortom zowel mensen als dieren voelen zich hier thuis. Het is voor iedereen belangrijk om een sterk en mooi buitengebied te behouden. In het buitengebied van Tubbergen komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Zoals landbouw, natuur, toerisme en bedrijvigheid, recreatie en ook wonen. Daarnaast vragen nieuwe functies om ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld de hernieuwbare opwekking van energie en de vraag naar voldoende waterberging. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. De gemeente Tubbergen streeft naar een buitengebied met een mooie balans tussen het landgebruik, de leefbaarheid en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht. Dat maakt het buitengebied sterker en is gunstig voor de leefbaarheid. Dit wordt gedaan samen met de inwoners, partners en de gebruikers. De speerpunten voor het buitengebied zijn: toekomstgerichte agrarische sector waarbij duurzamere landbouw wordt gestimuleerd; goede staat van landschap en biodiversiteit waarbij we samenwerking zoeken met de landbouw; kwalitatief toerisme waarbij groei mogelijk is met respect voor landschap en natuur.
4.3.1.4 Toekomstbestendige agrarische sector Het is belangrijk dat in het buitengebied gezonde en toekomstgerichte agrarische bedrijven blijven. De gemeente ziet dat de huidige landbouw tegen grenzen aanloopt en daar zelfs over heen gaat. Zo is de kwaliteit van het landschap en de natuur afgenomen. Ook is verdroging een steeds groter probleem. De kwaliteit van de bodem gaat achteruit. Broeikasgassen zorgen voor opwarming van de aarde. Dit alles wordt door onderzoekers aangegeven. De gemeente is verantwoordelijk voor een overgang naar meer duurzame vormen van landbouw. Er wordt kennis uitgewisseld en wordt nieuwe vormen van samenwerking gestimuleerd. Gezonde bedrijfsvoering De gemeente zet de komende jaren in op gebiedsprocessen waarbij een economisch gezonde bedrijfsvoering uitgangspunt is. Dit kan door de landbouw te verbinden met andere functies en opgaven. De gemeente bekijkt de 24
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
veranderingen in de landbouw, de energietransitie, klimaatopgaven en de stikstof- en natuuropgaven in samenhang. De gemeente geeft ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en innovaties. Er moet slim worden gecombineerd met oog voor balans tussen economische voordelen, de leefbaarheid, voorkomen van leegstand en de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Gebiedspassende bedrijvigheid In het buitengebied ontwikkelen zich nieuwe bedrijfstypen met nieuwe bedrijfstakken. Dit zijn bedrijven die vanouds door hun aard in het buitengebied passen. Maar die ook passen bij de huidige (nieuwere) opgaven die in het buitengebied spelen. Voorbeelden van deze opgaven zijn opslag van CO2, waterberging of onderhoud van landschap en/of natuur. Maar we hebben het ook over een boerderijwinkel of een agrariër met een toeristische tak. De gemeente stimuleert deze ontwikkelingen en biedt een wenkend perspectief. Wordt een agrarische bedrijf beëindigd? Ook dan biedt de gemeente perspectief. Het vrijkomende gebouw kan gebruikt worden voor bedrijven die een bijdrage leveren aan de leefbaarheid en goed in te passen zijn in het buitengebied. 4.3.1.5 Toetsing initiatief aan de MijnOmgevingsvisie Tubbergen Naar aanleiding van het voorliggende bestemmingsplan wordt het bestaande agrarische bedrijfsperceel aan de Stroveldsweg 21 opnieuw ingericht.
Het bouwvlak wordt hiervoor opnieuw gesitueerd waardoor er een efficiëntere bedrijfsvoering en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door het landschappelijk inpassen van het perceel. Opgemerkt wordt dat er geen bedrijfsuitbreiding plaats vindt. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het de omgevingsvise MijnOmgevingsvisie Tubbergen doordat een agrarisch bedrijf wordt voorzien in passende planologische kaders waardoor de bedrijfsefficiëntie wordt verbeterd. 4.3.2
Casco-benadering in Noordoost-Twente
4.3.2.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
4.3.2.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen); Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen); Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom; Boomgaarden; Bos groter dan 0,5 hectare. Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren
Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
25
Elementen die niet tot het casco behoren
Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In afbeelding 4.6 is een uitsnede van de casco-kaart opgenomen, waarin de diverse casco elementen te zien zijn.
Figuur 4.6 Uitsnede Casco-kaart (Bron: Provincie Overijssel) 4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de "Casco-benadering in Noordoost-Twente" Voorliggende ontwikkeling heeft geen invloed op de casco-kaart. De casco elementen blijven behouden en worden om sommige plaatsen versterkt. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 wordt de locatie landschappelijk ingepast waarmee de ruimtelijke kwaliteit verder wordt versterkt. Geconcludeerd wordt dat met de uitvoering van het erfinrichtingsplan volledig wordt voldaan het Casco-beleid. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
26
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.
5.1 Geluid 5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de wijziging van het bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk. Gelet op het vorenstaande zijn de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai dan ook niet van toepassing. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt aan de hand van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' nader ingegaan op de milieubelasting van het project op de omgeving. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het opnieuw situeren van het bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf. Middels voorliggend bestemmingsplan worden geen extra bouwmogelijkheden mogelijk gemaakt. De delen die toegevoegd worden hebben nu de bestemming agrarisch. Zij maakten tot 2013 geen deel uit van het boerenerf en waren akker of weiland. Er is hierover geen informatie beschikbaar. Ze kunnen beschouwd worden als onverdacht. Voor het bestemmingsplan kan worden volstaan met het verwijzen naar de bodemkwaliteitskaart, waarin dit gebied de kwaliteit achtergrondwaarde (AW) heeft. 5.2.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
bestemmingsplan Buitengebied, Stroveldsweg 21 Reutum
27
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2