Bijlage Bp. Buitengebied, Haarbrinksweg 62 Geesteren - regels en toelichting.pdf
Tekst van het document
5
2 Huidige situatie Het plangebied is te midden van de dekzandvlakten gelegen. Er is sprake van minimale hoogteverschillen. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. Aanvankelijk door de wind, maar later vooral door de grootschalige ontginning van de heide, ruilverkavelingen en de modernisering van de landbouw.
gebleven die nu de landschappelijke dragers van het gebied vormen. Wel is de openheid van de kamp verstoord door de aanleg van een houtsingel. Dat is ten koste gegaan van de herkenning van het kampenlandschap. Door het rationele karakter van de houtsingel lijkt het landschap iets meer de aansluiting te hebben gezocht bij de ontginning.
Jonge heideontginning / kampenlandschap Het plangebied is op kaarten aangegeven als ontginning, maar behoort tot de uiterste grens van het kampenlandschap. Voor de landbouw waren de heidevelden aanvankelijk niet interessant vanwege het - in eerste instantie - ontbreken van voldoende kennis om arme gronden om te zetten in vruchtbare landbouwgronden. Wel was er een functionele verbinding met het kampenlandschap. De heideplaggen werden gebruikt in het potstalsysteem. Na vermenging met mest verdeelden boeren het over de kampen en essen. Daardoor konden gewassen beter groeien en kwamen kampen wat hoger in het landschap te liggen. Daarom lagen boerderijen vaak gunstig aan een kamp en direct nabij een heideveld.
Nieuwe elementen Het plangebied is gelegen in een landschap dat past bij de karakteristieken van de ontginning met een gesloten karakter, maar ook zijn er aanwijzingen voor de herkenning van het kampenlandschap. Feitelijk zou de houtsingel die over de kamp is gelegen geveld moeten worden. Hier is echter geen kadastraal eigendom. Voor de overige situatie moet vooral ingezet worden op behoud van de landschapselementen. De voorgenomen ontwikkeling zou plaats kunnen vinden mits het erf zorgvuldig ingepast blijft.
Pas vanaf de jaren ‘30 werden steeds meer heidegebieden in gebruik genomen. Het landschap veranderd in een grootschaliger en rationeler landschap. Het landschap Het landschap direct rondom de planlocatie is altijd relatief kleinschalig geweest. Direct nabij het plangebied lag het open heideveld. Ondanks de ontwikkelingen in de landbouw is de herkenbaarheid van het gebied nog altijd redelijk gaaf. De meeste oorspronkelijke landschapselementen zijn behouden 6
Huidige erfindeling Het erf heeft een gebruikelijke en cultuurhistorische opzet. De voormalige boerderij staat met de kopgevel richting het landschap gesitueerd met daarachter / daaromheen de schuren op het erf. De schuren worden gesloopt in het kader van de rood voor rood regeling. Voor de nieuwe ontwikkeling moet gelet worden op een goede erfcompositie. Dat wil zeggen dat de nieuwe gebouwen ondergeschikt zijn en samen met de boerderij een mooi erf vormen.
Planlocatie omstreeks 1905. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied ten zuiden van Geesteren. (Bron: geo.overijssel.nl)
Plangebied. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
3 Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.
reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleidsen kwaliteitsambities leidend zijn. Alle plangebieden zijn aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral
Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag
8
Ontwikkelingsperspectief: plangebied is aangemerkt als lichtgroen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
9
van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag van de laag van de beleving zijn niet opgenomen; deze zijn niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkelingen. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. Het plangebied is gelegen te midden van de dekzandvlakte. De locaties kent enig reliëf door de aanwezige kamp (dekzandwelving). In de jaren zijn de hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik (essen en eenmansesjes) en weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden.
De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. De heideplaggen kwamen van de heideontginningen die meestal erg open waren, zoals dat het geval was ten westen van het plangebied. Later
10
zijn die gebieden ontgonnen en ontstonden de rationele landschappen met rechte wegen en grote percelen. Het plangebied ligt precies op de grens van de ontginning met het kampenlandschap. Het heeft de kleinschaligheid van het kampenlandschap en het rationele karakter van de ontginning. Bij de essen- en kampenlandschap is er vaak sprake van grillige wegenpatronen met een aaneenschakeling van landschapselementen rondom de kampen of essen en verspreid liggende erven. Bij de ontginning was er vaak sprake van (robuuste) houtopstanden langs de wegen en ook, maar minder voorkomend, tussen de percelen. De ontwikkelingen moet bijdragen aan de herkenning van de betreffende landschappen. Omdat in alle gevallen er sprake is van een goede herkenning moet vooral in worden gezet op behoud en/of versterking van het bestaande. 3.2 Rood voor rood Tubbergen De gemeente Tubbergen heeft in 2014 haar vernieuwde rood voor rood beleid vastgesteld. Absolute doelstelling van de regeling is het verminderen van de steeds meer vrijkomende oppervlaktes landschap ontsierende opstallen en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Steeds meer agrarische bedrijven stoppen en zonder nieuwe bestemming raken zij in verval. De rood voor rood regeling is een methodiek om tenminste 1000 m2 landschap ontsierende stallen te slopen in ruil voor een bouwrecht onder voorwaarden.
De gemeente stelt nadere eisen zodat de oppervlakte daadwerkelijk gesloopt wordt, de bestemming wordt aangepast en de omgeving landschappelijk wordt ingepast. De initiatiefnemer voldoet met opgesteld plan in combinatie
Links: natuurlijke laag, plangebied is omschreven als “dekzandvlakten en -ruggen”. Rechts: laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als: “Jonge Heideontginning”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
11
met het bestemmingsplan door BJZ.nu opgesteld aan de voorwaarden van de gemeente Tubbergen. In dit geval worden alle vergunde en landschap ontsierende schuren aan de Haarbrinksweg gesloopt. In totaal gaat het om 1012 m2. De agrarische activiteiten zijn al langer gestaakt. De woonboerderij blijft behouden. Onder hoofdstuk 5 is de financiële onderbouwing terug te vinden. 3.3 Casco benadering Noordoost Twente De gemeente Tubbergen hanteert, vooral ter bescherming van het bestaande landschap, het casco beleid. Door het casco beleid is het mogelijk om via een kaart te achterhalen of een ontwikkeling wel of niet in strijd is met elementen welke tot de casco behoren. Elementen als onderdeel uitmakend van de Casco zijn in principe niet te verwijderen (roze en blauwe lijnen / vlakken op de kaart). De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bestaande casco elementen en daarmee zijn er geen consequenties voor het cascobeleid. Opgemerkt moet worden dat de casco kaart mogelijk per abuis de houtsingel over de kamp als niet te verplaatsen heeft weergegeven. Dat lijkt onjuist, echter door eigendomsposities is het al dan niet verplaatsen voor nu geen discussiepunt.
12
Fragmenten van de cascokaart behorende bij de casco benadering. (Bron: geo.overijssel.nl)
13
4 Nieuwe situatie Het huidige erf is gelegen op de overgang van de heideontginning naar het kampenlandschap. Het heeft een kleinschalige karakter met een compacte uitstraling. Door het verdwijnen van de agrarische functie raken de schuren echter in verval. In het kader van de rood voor rood regeling worden alle landschap ontsierende schuren gesloopt. In ruil daarvoor kan een extra woning worden gebouwd. Om een compact erf te houden is ervoor gekozen om de gebouwen wederom met een geringe onderlinge afstand te situeren aan de achterzijde van de woonboerderij (A) welke behouden blijft evenals het bijbehorende bijgebouw (B). De nieuwe woning (C) krijgt de typologie van een schuur en wordt vergezeld door 2 kleine bijgebouwen van elk maximaal 100 m2. De bestaande infrastructuur (G) blijft grotendeels behouden evenals alle bestaande houtopstanden (J). Er is vooral wat achterstallig onderhoud noodzakelijk. De houtsingel over de kamp (K) is niet in eigendom en kan daarom niet mee worden genomen in dit plan. In het plan worden nabij de nieuwe woning een nieuwe walnotenboom (M) aangeplant en een bomengroep met zomerlinde (L). Rondom de woning is er ruimte voor de aanleg van gazon en een tuin direct nabij de woning. Schuttingen zijn niet toegestaan en de nieuwe inrit naar de woning wordt uitgevoerd met een gebakken klinker vanaf de Haarbrinksweg.
Dat betekent ook dat het bestaande asfalt wordt verwijderd. Maatregelen ruimtelijke kwaliteit: - Slopen van alle voormalige agrarische bebouwing (E); 14
- Nieuwe aanplant van bomen(groepen) (L/M); - Aanbrengen gebakken klinkers richting nieuwe woning vanaf de Haarbrinksweg; - Uitvoeren achterstallig onderhoud. Met de genoemde inpassing wordt voldaan aan het gestelde beleid.
K E J E E
D
M
C
A:
Best aande woonboerderij.
B:
Best aand bijgebouw bij A.
C:
Nieuw te bouwen (schuur)woning .
D:
Nieuw te bouwen bijgebouwen.
E:
Te slopen opst allen.
F:
Gazon/gras/tuin.
G:
Inrit / erfverharding . Rondom nieuwe woning met gebakken klinkers.
D
F J
B
E
A
I H
L
F
G N
H:
Weiland.
I:
Best aande haag.
J:
Best aande houtopst anden. Achterst allig onderhoud wordt weggewerkt.
O H
K:
Best aande houtsingel (niet in eigendom).
L:
Nieuw aan te planten bomengroep met zomerlinde. Aanplant in de maat 20-25 (stamomtrek in cm) en elke
J
boom voor zien van 3 boompalen.
J M:
Nieuw aan te planten boom. Soort: walnoot. Aanplant in de maat 20-25 (st amomtrek in cm) en voor zien van 3 boompalen.
J N:
(Aangepaste) woonbestemming .
O:
Te herstellen oprit. Asfalt wordt ver vangen door gebakken klinkers.
Fragment uit 1905 (topotijdreis.nl)
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Rood voor rood
Getekend:
NH
St atus:
DO
Adres:
Haarbrinksweg 62
Datum:
27-01-2022
Aant al pag .:
1
Woonplaats:
Geesteren (ov.)
Gecontroleerd:
-
Formaat:
A3
Schaal:
1:750
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
15
5 Financiële onderbouwing Vanuit het rood voor rood beleid 2014 van de gemeente Tubbergen bestaat de mogelijkheid voor herstructurering door middel van Rood voor Rood, waarbij in ruil voor de sloop van schuren en andere investeringen in de ruimtelijke kwaliteit een woning gebouwd mag worden. Er moet daarvoor een aanzienlijke reductie van het bouwoppervlak en bouwvolume plaats vinden en er moet geïnvesteerd worden de ruimtelijke kwaliteit. Dit moet blijken uit het ruimtelijke kwaliteitsplan.
kwaliteit als het landschappelijk inpassen van een erf mee worden gerekend als investering in de ruimtelijke kwaliteit.
Als uitgangspositie geldt de waarde van de bouwkavel waarbij de huidige waarde van de ondergrond in mindering mag worden gebracht. Daarnaast mag 30 % van de gecorrigeerde vervangingswaarde en de sloopkosten á € 25,-- per m2 worden afgetrokken. In het geval van asbest mogen kosten separaat opgevoerd worden. In dit geval is er uitgegaan van een gemiddelde prijs voor sanering van asbestcementgolfplaten. De kostenpost voor asbest is verwerkt in de tabel. In dit geval betekent dat de investering in de ruimtelijke kwaliteit € 96.829,00 is (zie tabel rechterpagina).
Met de eerder genoemde investering wordt voldaan aan de voorwaarden vanuit het rood voor rood beleid.
Voor de investering mogen de kosten van de taxatie worden afgetrokken. De kosten voor het opstellen van het Rood voor Rood plan alsmede de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken mogen ook worden afgetrokken tot een maximum van € 25.000,--. De onderzoekskosten, inclusief taxatiekosten, bedragen in dit geval € 20.882,06. De kosten voor het kwaliteitsteam en de kosten die door de gemeente in rekening worden gebracht voor de rood voor rood overeenkomst mogen evenwel worden afgetrokken. Ten einde mogen investeringen in de ruimtelijke
16
De kostenpost voor maatregelen voor de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bedraagt € 45.966,--. Op de volgende pagina is de kostenbegroting opgenomen. Met de kosten is er sprake van een evenwicht. Er is geen extra investering benodigd.
Links: berekening investering rood voor rood. Rechts: investering / landschappelijke maatregelen Haarbrinksweg. (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
17
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl
Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan Rood voor Rood
bestemmingsplan Buitengebied, Haarbrinksweg 62 Geesteren
75
jong
landschap
landschap
Landschapstype
oud
Kampen
Essen
Maten/Flier
Veen
Heide
Erftype
Criterium: één hoofdgebouw per erf; de overige gebouwen zijn (vormgegeven als) bijgebouwen en ondergeschikt gepositioneerd; veldschuren zijn landschapsgerelateerd en staan vrij van de bebouwing op het erf
oud erf
(weggekeerd)
oud erf
(landschapsgekeerd)
aan de weg
van de weg
aan de weg
(dwars)
(weggericht)
aan de weg
van de weg
(haaks)
(weggericht)
van de weg
(landschapgericht)
Kies een erftype dat aansluit op het landschapstype en de specifieke kenmerken van de omgeving (V. = voorhuis; A. = achterhuis). Erfinrichting en beplanting versterken de erfopzet.
Ambitie
In dit gebied wordt geadviseerd een iets conservatievere insteek te kiezen dan in de jongere landschapstypes. Dit heeft betrekking op situering, volume, kapvorm, detaillering en kleurgebruik. In dit gebied zijn de grote pannen gedekte zadelkappen (met name rood) en rechte topgevel (eventueel bekleed met hout) kenmerkend. Woningen hebben een duidelijke voor- en achterzijde. Waarbij de achterzijde grenst aan het erf, en de voorzijde naar het landschap gericht is. Bij de oudere erven komt incidenteel een gevelbeëindiging door middel van een wolfseind voor. In dit gebied wordt aandacht besteed aan de detaillering, waarbij daken vaak beëindigd worden met een windveer. Nieuwe type bouwvormen en retro-types zoals notariswoning verdragen zich slecht met de kenmerken van dit gebied.
Er kunnen zowel traditionele als meer moderne architectonische types gerealiseerd worden. De bebouwing is vooral heel eenvoudig van vorm. Het belangrijkste kenmerk is de grote, met pannen gedekte zadelkap in antraciet of (oud) rood, met rechte topgevelbeëindiging. Woningen hebben een duidelijke voor- en achterzijde, waarbij de achterzijde grenst aan het erf, en de voorzijde naar de weg of het landschap gericht is. De detaillering is met name heel sober en strak, waarbij in het veenontgingenlandschap van oudsher meer aandacht voor gevelindeling en detail is.
Criterium: eenduidige hoofdvorm met zadeldak
woning
bijgebouw
bijgebouw
woning
Aan- en uitbouw aan woningen
Hoofdvorm
Criterium: eenduidige hoofdvorm met zadeldak incidenteel wolfseind
Criterium: aan- en uitbouwen aan woningen ondergeschikt aan de hoofdvorm en/of in lijn met de architectuur van het geheel vormgegeven
dwars
gekoppeld
gesleept uit de kap
geschakeld
afwijkende helling
erker
uitgebouwde kamer
Transformatie
Criterium: hoofdvorm als uitgangspunt nemen en transformaties ondergeschikt
snedes
loggia en onderschoer
hoog voorhuis
Gevelopbouw en Detail
Criterium: evenwichtige gevelopbouw die gebaseerd is op de karakteristieken van de locatie (landschapstype en erf), een sobere detaillering en onderscheid tussen de uitstraling van hoofd- en (vrijstaand) bijgebouw.
Traditionele uitwerking: principe rijke detaillering (alleen in oud landschap)
principe sobere detaillering (in oud- en jong landschap)
Eigentijdse uitwerking: inspiratie gevelopeningen
Materialen
principe: voor- en achterhuis (in oud- en jong landschap)
eigentijdse architectuur (gebaseerd op traditie) is altijd mogelijk
Criterium: toepassen van natuurlijke materialen (uitgezonderd riet) in een gedekte kleurstelling, passend bij de gekozen architectuur en de karakteristieken van het buitengebied
gevelmaterialen (voor woningen en bijgebouwen): diverse aardtinten metselwerk (uitgezonderd lichte tinten), hout (naturel of een donkere kleur); zink (mat)
glas kan op diverse manieren worden toegepast
dakbedekking: alleen matte dakbedekking; gebakken pannen en zink voor woningen; gebakken pannen, zink en golfplaten voor bijgebouwen
De afbeeldingen zijn ter inspiratie en kunnen als bouwstenen genomen worden voor een ontwerp. Ze geven ook principes weer waarbinnen de oplossingsrichting dient te worden gezocht. 7 februari 2014
Inspiratiefolder als handvat voor ontwikkeling in het kader van de Rood voor Roodregeling
Hoe kunt u deze inspiratiefolder gebruiken?
U wilt uw erf veranderen met behulp van de rood voor rood regeling. Hiervoor sluit u met de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst af. Daarin staan de afspraken om ‘hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit’ op uw erf en in de directe omgeving te krijgen. Na sloop en nieuwbouw moet de omgeving er nog beter uitzien!
In het buitengebied van de gemeentes Dinkelland en Tubbergen komen verschillende landschapstypen en erftypen voor. De gemeentes maken bij de nieuwe ontwikkelingen die gebruik maken van de rood voor rood regeling onderscheid tussen:
Voor uw nieuwe plan moeten het welstandbeleid en bestemmingsplan tegelijk worden aangepast. Waarom moet het welstandsbeleid worden aangepast voor uw plan? De ‘gebiedsgerichte criteria’ in de welstandsnota van de gemeente gaan uit van de bestaande toestand. Met nieuwe ontwikkelingen wordt geen rekening gehouden. En als wel sprake is van een nieuwe ontwikkeling wordt ervan uitgegaan dat deze moeten samenhangen met de bestaande (bedrijfs-)bebouwing op het erf. In het geval van Rood voor rood verdwijnt die bebouwing juist! De gebiedsgerichte criteria zijn bovendien onvoldoende geschikt om de gewenste hoogwaardige kwaliteit te bereiken, die in de privaatrechtelijke overeenkomst is vastgelegd. Daarom zal zowel dit welstandsbeleid als het bestemmingsplan voor uw perceel door de gemeenteraad moeten worden vastgesteld. In deze folder vindt u inspiratie: hoe ziet dat er dan uit? De gemeente drukt de mogelijkheden van nieuwbouw op een erf in criteria uit. Deze criteria zijn op ontwikkeling gericht. De welstandstoets vindt plaats op grond van deze criteria. Als uw bouw- en erfinrichtingsplan voldoen aan de gewenste hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit wordt de vergunning verleend. In uitzonderlijke gevallen kan het college van Burgemeester en Wethouders afwijken van het advies van de stadsbouwmeester door de toepassing van de hardheidsclausule in de welstandsnota van de gemeente.
Veel succes met uw plannen!
Oud landschap: kampenlandschap, essenlandschap en maten- en flierenlandschap; Jong landschap: heide- en veenontginningenlandschap. In welk gebied uw woning wordt gebouwd, kunt u in onderstaande kaart bepalen. Deze folder geeft zowel voor het oude als het jonge landschap weer welke erftypen daar voorkomen, wat de bedoeling (ambitie) van de gemeente is en hoe de bebouwing eruit mag zien. Om een volledig overzicht krijgen van uw mogelijkheden is het verstandig de volgende stappen te doorlopen: 1. Bekijk op de kaart in welk landschapstype uw ontwikkeling zich bevindt. 2. Bekijk het schema en bepaal welk erftype u kiest voor uw ontwikkeling. 3. Neem kennis van de ambitie van de gemeente voor het landschapstype waarin uw erf zich bevindt. 4. Stem het uiterlijk van uw woning af op de afbeeldingen bij de onderwerpen hoofdvorm, aan- en uitbouwen, transformatie, gevelopbouw en detail. 5. Gebruik materialen die worden getoond bij het onderwerp materialen. Opgemerkt wordt dat elke locatie en elke opgave anders is waardoor maatwerk per locatie van groot belang is. Deze folder is toepasbaar wanneer één woning wordt toegevoegd. Bij twee of meer woningen is aanvullend locatiespecifiek welstandsbeleid denkbaar.
Het verdient aanbeveling om in een zo vroeg mogelijk stadium, voordat u een aanvraag om omgevingsvergunning indient, gebruik te maken van het spreekuur van de stadsbouwmeester bij de gemeente. Dit kan al met een eerste schets van het gekozen erftype en hoofdvorm van de gebouwen aan de hand van de inspiratiebeelden in deze folder. U kunt hiervoor een afspraak maken bij de publieksbalie van de gemeente.
OUDlandschap JONGlandschap
Voor zonnepanelen en/of -collectoren op daken, voor zover vergunningplichtig, gelden in het hele gebied de onderstaande criteria. Als geen vergunning nodig is zijn dit aanbevelingen. De panelen- of collectoren: - liggen plat op het dakvlak; - worden evenwichtig geplaatst in een regelmatig patroon; - hebben rondom (ook ter plaatse van elementen op het dak) nog een ruime strook dakvlak; - zijn qua kleur, inclusief de randen, zoveel mogelijk afgestemd op het dakvlak. Wanneer een groot oppervlak van het dak wordt voorzien van zonnepanelen- of collectoren verdient het de voorkeur om het dakvlak in zijn geheel uit te voeren als (een dakvlak gelijkend type) zonnepaneel- of collector.
7 februari 2014
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
78
bestemmingsplan Buitengebied, Haarbrinksweg 62 Geesteren
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740, NEN5707 en NEN5897 Haarbrinksweg 62 - Geesteren
Opdrachtgever: De heer T.A. Schröder Locatie: Haarbrinksweg 62 7678 RT Geesteren September 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport verkennend (asbest)bodemonderzoek conform NEN5740, NEN5707 en NEN5897 Haarbrinksweg 62 - Geesteren
Opdrachtgever: De heer T.A. Schröder Lutkeberg 23 7678 AJ Geesteren Locatie: Haarbrinksweg 62 7678 RT Geesteren Projectcode: 21025216 Rapportagedatum: 14 september 2021 (versie 2) Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 6 7 8
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Bespreking resultaten asbestanalyses
9 9 9 13 14 14
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
16
6
Literatuur en bronvermelding
19
2
3
4
Bijlagen I Regionale ligging locatie Schets toekomstige situatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2021 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses en concentratieberekeningen V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van de heer T.A. Schröder op een terreindeel aan de Haarbrinksweg 62 in Geesteren door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van 3 woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Tevens is inzicht gewenst in de kwaliteit met betrekking tot asbest van de puinverharding. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er 7 asbestverdachte druppelzones en een voormalige bovengrondse dieseltanklocatie op de onderzoekslocatie aanwezig waren. Deze worden beschouwd als verdachte deellocaties. De bovengrond van het erf wordt beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater worden beschouwd als onverdacht voor chemische componenten.
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN5897+C2, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte (deel)locaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden.
De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in september 2021 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018 waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 1 van 19
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Haarbrinksweg 62, op circa 1.7 kilometer ten zuiden van de bebouwde kom van Geesteren. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 246.333 en y = 491.266 en is kadastraal bekend als: gemeente Tubbergen, sectie K, nummers 9664 (ged.), 9990 en 10012 (ged.). De Haarbrinksweg bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is bebouwd met 4 te slopen agrarische schuren. Op de daken van de schuren zijn asbesthoudende golfplaten aanwezig. Het onbebouwde terreindeel is deels verhard met asfalt, beton en gebroken puin. De onverharde delen van het erf zijn braakliggend (deels begroeid met gras). Onderzoekslocatie In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van 3 woningen is een bodemonderzoek noodzakelijk. Het bodemonderzoek richt zich op de volgende terreindelen: - Overig terrein: erf (4950 m2 ); - Puinverharding (450 m2). - Deellocatie A tot en met G: asbestverdachte druppelzones (circa 10 tot 40 m2); - Deellocatie H: voormalige bovengrondse dieseltanklocatie van 1200 liter (15 m2). Er is sprake van een druppelzone wanneer hemelwater via asbestverdachte dakplaten afwatert op onverhard terrein.
In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven, de ontwikkelingsplannen en is het boorplan van Kruse Milieu BV van september 2021 opgenomen. 2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en de gemeente Tubbergen. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft al jaren de agrarische bestemming. Momenteel heeft de onderzoekslocatie de woon bestemming. - De te slopen schuren dateren van 1956, 1966, 1972 en 1974 (bron: BAG-viewer). - Voor het agrarische bedrijf met bovengrondse dieseltank van 1200 liter (deellocatie H) is op 2 januari 1974 een Hinderwetvergunning verleend. - De onderzoekslocatie is, met uitzondering van de voormalige bovengrondse dieselopslag, voor zover bekend nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Op de schuren liggen asbesthoudende golfplaten en is er plaatselijk zwerfasbest en asbesthoudende vlakke platen op het maaiveld aangetroffen (bron: rapport asbestinventarisatie Kruse Milieu BV van 6 september 2021 met projectnummer 21025391). Er zijn 7 asbestverdachte druppelzones aanwezig (deellocaties A tot en met G). - Een deel van het onbebouwde terrein is verhard met gebroken puin (circa 450 m2).
De herkomst van dit puin is onbekend. - Er zijn geen eerdere bodemonderzoeken bekend van de huidige onderzoekslocatie of in de nabij omgeving. Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 2 van 19
2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - Het maaiveld bevindt zich ongeveer 14 meter boven NAP. - De deklaag bestaat tot circa 3.0 meter diepte uit matig fijn tot grof zand dat behoort tot de Formatie van Drente. Het doorlatend vermogen is naar schatting 25 - 50 m²/dag. - Tot circa 8 meter diepte is een ondoorlatende kleilaag van de Formatie van Drente, laagpakket Gieten, aanwezig. - Het tweede watervoerende pakket tot circa 20 m-mv met matig fijn zand behoort tot de formaties van Drente en Oosterhout. Het doorlatend vermogen is naar schatting 25 - 100 m²/dag. - De basis wordt gevormd door ondoorlatende kleilagen van de formaties van Breda, Rupel en Van Dongen. - De grondwaterspiegel bevindt zich op circa 1.5 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in westzuidwestelijke richting. - Op circa 660 meter ten zuidoosten stroomt de Hunzerbeek. - Op circa 6 kilomter ten noordoosten bevindt zich het grondwaterbeschermingsgebied Manderveen. - De invloed van de beek en het grondwaterbeschermingsgebied op het freatische grondwater is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 3 van 19
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016. NEN5897; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017; - NEN5897+C2, “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017 In de norm NEN5740 en NEN5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en de uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Het bodemonderzoek richt zich op de volgende terreindelen: - Overig terrein: erf (4950 m2 ); - Puinverharding (450 m2). - Deellocatie A tot en met G: asbestverdachte druppelzones (circa 10 tot 40 m2); - Deellocatie H: voormalige bovengrondse dieseltanklocatie van 1200 liter (15 m2).
Overig terreindeel (4950 m2) en puinverharding Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch gebruik van de locatie als erf, wordt de bovengrond van het erf als verdacht voor zware metalen, minerale olie, PAK en asbest beschouwd. De hypothese "verdachte locatie" uit NEN5740 (VED-HE) en NEN5707 (VED-HE) wordt voor de bovengrond van het erf gebruikt. Beide strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN5740 (ONV-NL) wordt voor de ondergrond en het grondwater op de locatie gebruikt. De laatste hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. De puinverharding op het erf wordt als verdacht voor asbest beschouwd. In verband met het eventueel herbruik van de puinverharding is inzicht in de kwaliteit met betrekking tot asbest gewenst. De werkzaamheden worden gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek. Om te voldoen aan de NEN5897, waarbij 4 gaten zijn voorgeschreven bij een oppervlakte tot 500 m2, wordt 1 extra inspectiegat gegraven. Deellocatie A tot en met G: asbestverdachte druppelzones (circa 10 tot 40 m2) De druppelzones worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest.
De hypothese “verdachte locatie" uit NEN5707 wordt voor de druppelzones gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocaties is gebaseerd op de NEN5707 (VED-HE: een verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verspreiding). Bij een druppelzone van 10 - 100 m2 dienen 3 inspectiegaten gegraven te worden. Per druppelzone wordt één extra gat gegraven om een beter beeld te vormen van de bodemsamenstelling en bodemkwaliteit. De inspectiegaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 x 0.3 meter. Alleen de toplaag (0-0.1 m-mv) wordt bemonsterd.
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 4 van 19
Deellocatie H: voormalige bovengrondse dieseltank (15 m2) De bovengrond wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de grond en van minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen in het grondwater. De hypothese “verdachte locatie” uit NEN5740 (VEP) wordt voor deze deellocatie gebruikt. De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de NEN5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40).
Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Overig terrein (erf) en puinverharding Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 4950 m², worden in totaal 18 inspectiegaten verricht met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter. Waarvan 3 inspectiegaten in de puiverharding worden gegraven om de onderliggende bodem te beoordelen. Er wordt 1 extra gat gegraven in de puinverharding om aan de voorschriften van de NEN5897 te voldoen. Er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. Vier inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters op de locatie wordt één diepe boring overeenkomstig NEN 5766 afgewerkt tot peilbuis. De inspectiegaten worden gecodeerd als 1 tot en met 19. Deellocaties A tot en met G: asbestverdachte druppelzones Per druppelzone worden er 4 inspectiegaten gegraven.
De inspectiegaten worden gecodeerd als A1, A2, A3, A4, B1, B2, B3, B4, C1, C2, C3, C4, D1, D2, D3, D4, E1, E2, E3, E4, F1, F2, F3, F4, G1, G2, G3 en G4. Alleen de toplaag tot 0.1 m-mv wordt bemonsterd.
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 5 van 19
Deellocatie H: voormalige bovengrondse dieseltank Bij de voormalige dieseltanklocatie worden totaal 3 boringen verricht, waarvan er 1 wordt doorgezet in de diepere ondergrond. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt de diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis. De boringen worden gecodeerd als boring H1, H2 en H3. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740, NEN5707 en NEN5897 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster Monster
Analysepakket Overig terrein (erf) en puinverharding
Bovengrond (3x) Ondergrond (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Bovengrond (3x) Puinverharding (1x)
Asbest en droge stof
Grondwater (1x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocaties A, B, C, D, E, F en G - druppelzones
Toplaag (7x)
Asbest en droge stof Deellocatie H: voormalige bovengrondse dieseltanklocatie
Bovengrond (1x)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Grondwater (1x)
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, pH, EC en troebelheid.
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 6 van 19
3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging.
tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde.
De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Tijdelijk Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie 2 juli 2020) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de sinds 5 maart 2020 door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 7 van 19
3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht.
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is bij een verkennend asbestonderzoek een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 8 van 19
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. In paragraaf 4.5 worden de analyseresultaten van de asbestanalyses weergegeven. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in september 2021 uitgevoerd door de heren J. Hartman, R. Veltmaat, B. Dierink en N. Pepping. De veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). Overig terrein (erf) en puinverharding Er is op 2 september 2021, ten behoeve van het plaatsen van de peilbuis, 1 boring verricht met behulp van een Edelmanboor (PB 1). Er zijn geen grondmonsters genomen uit boring 1 in verband met de conserveringstermijn van enkele te onderzoeken parameters. Boring 1 is op een later tijdstip opnieuw geplaatst voor het nemen van grondmonsters (gecodeerd als 1A). Op 8 en 9 september september 2021 zijn er, na maaiveldinspectie, in totaal 19 inspectiegaten gegraven met behulp van een schop. Vier boringen zijn doorgezet tot circa 2.0 m-mv en 4 inspectiegaten zijn in de puinverharding (gebroken puin) gegraven. Boring 7 is op 0.8 m-mv op baksteen gestaakt. Boring 9 is op 0.8 m-mv gestaakt op een onbekend hard voorwerp. Boring 14 is op 1.2 m-mv op een onbekend hard voorwerp gestaakt. Deellocaties A tot en met G: druppelzones Op 8 en 9 september zijn, na maaiveldinspectie, in totaal 28 inspectiegaten tot maximaal 0.1 m-mv gegraven. Ter plekke van deellocatie C is er sprake van een puinverharding. Van de toplaag (0 - 0.1 m-mv) van deellocatie C is 25 kilo fijne fractie verzameld. Boring G1 is op 0.3 m-mv op baksteen (fundering) gestaakt.
Deellocatie H: voormalige bovengrondse dieseltank Er is op 2 september 2021, ten behoeve van het plaatsen van de peilbuis, 1 boring verricht met behulp van een Edelmanboor (PB H1). Er zijn geen grondmonsters genomen uit boring H1 in verband met de conserveringstermijn van enkele te onderzoeken parameters. Boring H1 is op een later tijdstip opnieuw geplaatst voor het nemen van grondmonsters (gecodeerd als H1A). Op 7 september 2021 zijn in totaal 3 boringen verricht tot 1.0 m-mv. Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van klinkers, asfalt, beton, puin en gras, niet (goed) geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren matig (goed zicht, geen neerslag). Plaatselijk (bij de noordelijk gelegen schuren) zijn diverse kleine stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II.
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 9 van 19
De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit met matig fijn, zwak siltig zand. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen waargenomen. Deze zijn opgenomen in tabel 2. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen in de bodem of in de puinverharding waargenomen. Er zijn bij de voormalige dieseltank geen waarnemingen gedaan, die duiden op een olieverontreiniging. Tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming Overig terrein (erf) en puinverharding
1A
0.6 - 0.9
Sporen baksteen
2
0 - 0.5
Zwak puinhoudend
3
0 - 0.5
Zwak puinhoudend
7
0 - 0.8
Matig puinhoudend (gestaakt op baksteen)
8
0 - 0.3 0.3 - 0.8
Volledig gebroken puin Sporen puin
9
0 - 0.3 0.3 - 0.8
Volledig puin Sporen puin (gestaakt op onbekend hard voorwerp)
11
0 - 0.25 0.25 - 1.0
Volledig gebroken puin Sporen puin
14
0.2 - 0.6 1.21
Volledig gebroken puin Gestaakt op onbekend hard voorwerp
16
0 - 0.4
Zwak puinhoudend
19
0 - 0.2
Volledig gebroken puin Deellocaties A tot en met G - druppelzones
B1
0 - 0.1
Matig puinhoudend
B2
0 - 0.1
Matig puinhoudend
B3
0 - 0.1
Matig puinhoudend
B4
0 - 0,1
Matig puinhoudend
C1
0 - 0.2
Volledig gebroken puin
C2
0 - 0.3
Volledig gebroken puin
C3
0 - 0.4
Volledig gebroken puin
C4
0 - 0.25
Volledig gebroken puin
D1
0 - 0.1
Zwak puinhoudend
D2
0 - 0.1
Zwak puinhoudend
E2
0 - 0.1
Sporen baksteen
E3
0 - 0.1
Sporen baksteen
E4
0 - 0.1 0.1 - 0.45
Sporen baksteen Sporen puin
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 10 van 19
Vervolg tabel 2: Weergave bodemvreemde materialen. Boring
Diepte (m-mv) Waarneming Deellocaties A tot en met G - druppelzones
G1
0 - 0.3
Sporen puin
G2
0 - 0.1 0.1 - 0.6
Sporen puin Sporen puin en sporen plastic
G3
0 - 0.6
Sporen puin
G4
0 - 0.6
Sporen puin
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven. Tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Overig terrein (erf) BG I (sporen puin/baksteen)
1A 8 9 11
0.40 - 0.90 0.30 - 0.60 0.30 - 0.80 0.25 - 0.75
NEN5740standaardpakket
BG II (zwak/matig puin)
2, 3 en 7 16
0 - 0.50 0 - 0.40
NEN5740standaardpakket
BG III (zintuiglijk schoon)
4 5 10 18
0 - 0.20 0 - 0.30 0 - 0.50 0.30 - 0.50
NEN5740standaardpakket
OG I (zintuiglijk schoon)
1A en 1A 2 3 3 4 14
0.90 - 1.40 1.40 - 1.90 0.50 - 0.90 0.50 - 1.00 1.00 - 1.50 0.20 - 0.70 0.70 - 1.20
NEN5740standaardpakket
MM FF - 01
2, 3, 7 16
0 - 0.50 0 - 0.40
Asbest
MM FF - 02
8 9 11
0.30 - 0.60 0.30 - 0.80 0.25 - 0.50
Asbest
MM FF - 03
4 5 6 10 12 17 18
0 - 0.20 0 - 0.30 0 - 0.40 0 - 0.50 0.10 - 0.40 0.07 - 0.40 0.07 - 0.30
Asbest
FF - Gat 14 (puin)
14
0.2 - 0.5
Asbest
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 11 van 19
Vervolg tabel 3: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Puinverharding 8 en 9 11 19
MM FF - puin
0 - 0.3 0 - 0.25 0 - 0.2
Asbest
Deellocaties A, B, C, D, E, F en G - druppelzones A - MM FF
A1, A2, A3 en A4
0 - 0.1
Asbest
B - MM FF
B1, B2, B3 en B4
0 - 0.1
Asbest
C - MM FF (puin)
C1, C2, C3 en C4
0 - 0.1
Asbest
D - MM FF
D1, D2, D3 en D4
0 - 0.1
Asbest
E - MM FF
E1, E2, E3 en E4
0 - 0.1
Asbest
F - MM FF
F1, F2, F3 en F4
0 - 0.1
Asbest
G - MM FF
G1, G2, G3 en G4
0 - 0.1
Asbest
Deellocatie H - voormalige bovengrondse dieseltanklocatie H - BG
H1A H2 H3
0 - 0.4 0.1 - 0.45 0.25 - 0.5
Minerale olie
De boringen 1 en H1 zijn doorgezet tot 3.3 m-mv en 2.9 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 9 sepember 2021 zijn de peilbuizen bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
PB 1
2.30 - 3.30
1.80
6.0
160
55
Goed
PB H1
1.90 - 2.90
1.35
6.3
110
<0.1
Goed
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
EC Troebelheid Toestroming (μS/cm) (NTU)
Pagina 12 van 19
De waarden voor de pH, de EC en de troebelheid in PB H1 worden normaal geacht. In het grondwatermonster van peilbuis PB 1 is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. 4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In het grondwater (PB 1) is een verhoogde concentratie aangetoond. Deze is weergegeven in tabel 5. In de bovengrond BG I, BG II en BG III, in de ondergrond OG I zijn geen verhoogde gehalten gemeten. De bovengrondse dieseltank heeft geen aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwalilteit; de bovengrond (H - BG) en het grondwater (PB H1) zijn niet verontreinigd. Tabel 5: Verhoogde concentratie (μg/l). Monster
Component
Gemeten concentratie
GSSD
Streefwaarde
Interventiewaarde
50
625
Overig terrein (erf) Peilbuis 1 1
Barium
72
72 *
AW2000
In de vierde kolom van tabel 5 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I.
Kruse Milieu BV
Project: 21025216
Pagina 13 van 19
4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, is er een verontreiniging aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Grondwater - PB 1 - Barium Het zeer licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater is waarschijnlijk te wijten aan een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde. In de boven- en ondergrond zijn oeren roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.5
Resultaten en toetsing van de asbestanalyses
In bijlage IV zijn de analyserapporten en de concentratieberekeningen van het asbestonderzoek opgenomen. De gewogen asbestgehalten zijn in tabel 6 weergegeven. Tabel 6: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Inspectiegat