Bijlage BP Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen VG01.pdf
Tekst van het document
De impact van deze ontwikkeling is, mede gelet op de beoogde landschappelijke inpassing, gering en de beoogde uitbreiding en ontwikkeling past in een agrarisch / multifunctioneel cultuurlandschap. 3: Vervult het initiatief een eigen belang of ook een algemeen belang? De nevenactiviteit van Oude Lenferink b.v. omvat in hoofdzaak de productie van duurzame groene energie (biogas / groen stroom / warmte) afkomstig uit mest en biomassa. Door deze productie wordt bijgedragen aan het behalen van de duurzame energiedoelstellingen en de reductie van CO2. Daarnaast draagt het voornemen bij aan het sociaal en economisch vitaal houden van het buitengebied van Fleringen // Tubbergen. Het bedrijf draagt bij aan de werkgelegenheid in de gemeente Tubbergen (toename van ongeveer 4-5 FTE).
19
Tevens wordt met de aanvullende kwaliteitsprestaties geïnvesteerd in het landschap en de sociale / maatschappelijke ontwikkeling van het dorp Fleringen. Gelet op voornoemde kan de gewenste ontwikkeling worden beoordeeld als een combinatie van maatschappelijk belang en eigen belang.
6.3
KGO-berekening
Waardevermeerdering geboden ontwikkelingsruimte Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. De aan te houden (standaard) bedragen zijn opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 9: tabel vastgestelde standaardbedragen KGO
20
De beoogde ontwikkeling en bedrijfsopzet met bijbehorende planologische veranderingen leiden tot het volgende overzicht: Van bestemming 'Agrarisch gebied' naar 'Bedrijf' De uitbreiding van het bouwvlak waar in de beoogde bedrijfsopzet de ontwikkeling / bebouwing wordt gesitueerd, heeft een oppervlakte van 7.300 m2. De betreffende gronden zijn nu in gebruik en bestemd als agrarisch gebied (cultuurgrond). De wijziging van agrarisch gebied naar een agrarisch bestemming / bouwblok leidt tot een waardevermeerdering van € 16,- per m2. Waardevermeerdering => € 116.800,Procentuele waardevermindering Aangezien er sprake is van een functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling, dient 25 % van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd (naast de basisinspanning). De locatie is gelegen in de directe omgeving van de bebouwde kom van Fleringen. De situering kan naar verwachting echter niet worden beschouwd als een ontwikkeling in de zogenaamde “kernrand-zone”, waardoor een maximale reductie van 25% dient te worden toegepast. Waardevermeerdering na reductie 25% => € 116.800,- x 25% = € 29.200,Kosten De kosten voor het opstellen KGO-landschapsplan en het kwaliteitsteam mogen worden meegenomen in de berekening.
Ten aanzien van deze aftrekpost wordt een bedrag van € 2.500,- als uitgangspunt gehanteerd voor het opstellen / aanpassen van het KGO-landschapsplan voor het Kwaliteitsteam (bijeenkomst) + bedrijfsbezoek. Aftrekpost => € 2.500,Maatschappelijke investering Op grond van het KGO-beleid mag maximaal 20% van het te investeren bedrag worden ingezet ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit in de kernen. Het gaat hierbij om investeringen in maatschappelijk rood / voorzieningen in de vorm van bijvoorbeeld een kultuurhuus, een sportvoorziening, inrichting van pleinen etc. De lokale voetbalvereniging VC Fleringen heeft de wens om een nieuw duurzaam kunstgrasveld aan te leggen. Oude Lenferink b.v. is voornemens om een financiële bijdrage te leveren voor de aanleg van dit multifunctionele kunstgrasveld. Bijdrage kunstgrasveld VC Fleringen => € 29.200,- x 20% = € 5.840,Schuur voor schuur (gemeente Tubbergen) Het doel van de schuur voor schuur-regeling is meervoudig. Enerzijds is het bedoeld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door de sloop van leegstaande schuren. Anderzijds is het de bedoeling om ontwikkeling van economische activiteiten (bij zowel bedrijfslocaties als particuliere locaties) te faciliteren en te voorzien in uitbreidingsbehoefte bij particuliere erven.
21
Bovendien willen we graag stimuleren/faciliteren dat asbesthoudende schuren worden verwijderd. Het schuur voor schuur-beleid is van toepassing op locaties waar een woonbestemming geldt en op VAB-locaties waarop het KGO-beleid niet van toepassing is. Bij de totstandkoming van het schuur voor schuur-beleid is een aantal uitgangspunten gehanteerd: •
Leegstaande schuren zijn een primaire verantwoordelijkheid van de eigenaren;
•
Het gaat om een extra mogelijkheid voor leegstaande schuren, naast bestaand instrumentarium als rood voor rood en functieverandering;
•
De gewijzigde economische omstandigheden, de gewijzigde rol, functie en omvang van de agrarische sector leiden tot meer functiemenging in het buitengebied
•
Ontstening: er moet vanaf een toename bebouwing van meer dan 100 m² een veelvoud gesloopt worden dan er elders wordt teruggebouwd;
•
Stimulans om vooral asbestschuren te slopen
•
Stimulans om te slopen
Extra investeringsdoel KGO Naast de bestaande investeringsdoelen (natuur, landschap, water, recreatief medegebruik, cultuurhistorie en gedeeltelijk in maatschappelijk rood in de kern) wordt er een bestedingsdoel aan toegevoegd, namelijk: sloop elders. Hieraan worden de volgende spelregels gekoppeld: •
De volgende normbedragen worden gehanteerd om de investering te kunnen bepalen:
•
Er wordt geen rekening gehouden met de aanwezigheid van kelders;
•
Sloop- en bouwlocaties die betrekking hebben op hetzelfde plan, bevinden zich in de gemeente Dinkelland of Tubbergen, in het buitengebied.
•
Sloop van een deel van het erf is mogelijk.
•
Schuren moeten in het geheel worden ingezet in de Schuur voor schuur-regeling. Enkel schuren waarvoor vergunning voor bouwen is verleend en welke daadwerkelijk aanwezig zijn, komen in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuur-regeling.
•
Schuren met een cultuurhistorische waarde komen niet in aanmerking voor deelname aan de schuur voor schuurregeling.
•
De planologische bouwmogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie.
Oude Lenferink b.v. heeft sloopmeters verworven op de volgende locaties binnen de gemeente Tubbergen:
22
Essenhuisweg 5/5a te Fleringen (fam. Oude Lenferink) De locatie Essenhuisweg 5/5a te Fleringen is in het bestemmingsplan Buitengebied van Tubbergen bestemd als “wonen”. Op deze locatie was is in het verleden een varkenshouderij aanwezig. In onderstaande figuur is een uitsnede van de plankaart behorende bij het bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 10: uitsnede plankaart BP (bron ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen deze locatie is een oude varkensstal aanwezig. Voor deze stal is in het verleden bouwvergunning verleend. Het betreffen hier een stal met een oppervlakte van: •
stal 1 => 14 m. x 30 m. = 420 m2 Totaal = 420 m2
De dakbedekking van de stal bestaat uit asbesthoudende golfplaten. De stal is aangegeven op onderstaande luchtfoto. Deze stal wordt gesloopt en niet herbouwd. In totaal wordt er 420 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt. De familie Oude Lenferink acht het wenselijk om ten behoeve van de woonfunctie nog een nieuw bijgebouw á 75 m2 te herbouwen. Hierdoor komt (420 – 75 = ) 345 m2 aan sloopmeters beschikbaar voor een compensatie. De stal staat aangegeven op onderstaande luchtfoto. De stal wordt volledig gesloopt en hiervoor wordt op het erf een nieuw bijgebouw á 75 m2 herbouwd.
23
Figuur 11: luchtfoto Essenhuisweg 5/5a Fleringen (bron globespotter)
Waardebepaling =>
(345 m2 x € 25,- =) € 8.625,-
Fleringerveldweg 9 te Fleringen (fam. Hollink) De locatie Fleringerveldweg 9 te Fleringen is in het bestemmingsplan Buitengebied van Tubbergen bestemd als “agrarisch” met de nadere aanduiding “intensieve veehouderij”. Op deze locatie wordt het agrarisch bedrijf beëindigd en de locatie wordt in gebruik genomen voor “woondoeleinden”. In onderstaande figuur is een uitsnede van de plankaart behorende bij het bestemmingsplan opgenomen.
Figuur 12: uitsnede plankaart BP (bron ruimtelijkeplannen.nl)
24
Binnen deze locatie zijn, naast de bestaande woning 9/9a, 4 bedrijfsgebouwen / stallen aanwezig. 1. Kapschuur => deze kapschuur blijft in tact en wordt in gebruik genomen als bijgebouw t.b.v. de woonfunctie (rode pijl) 2. Varkensstal => deze oude varkensstal (239 m2) met asbestdakbedekking wordt gesloopt (blauwe pijl) 3. Oude woonhuis => deze voormalige woning / boederij (261 m2) zonder asbest wordt gesloopt (groene pijl) 4. Oude melklokaal => dit voormalige melklokaal (40 m2) zonder asbest wordt gesloopt (gele pijl) In totaal wordt er 540 m2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt. De familie Hollink acht het wenselijk om ten behoeve van de woonfunctie nog een nieuw bijgebouw á 100 m2 te herbouwen. Hierdoor komt 440 m2 aan sloopmeters beschikbaar voor een compensatie (239 m2 incl. asbest // 201 m2 excl. asbest). De gebouwen staan aangegeven op onderstaande luchtfoto. De gebouwen 2, 3 en 4 worden gesloopt en hiervoor wordt op het erf een nieuw bijgebouw á 100 m2 herbouwd.
Figuur 13: luchtfoto Fleringerveldweg 9 te Fleringen (bron globespotter)
Waardebepaling =>
239 m2 x € 25,- + 201 m2 x € 20,- => € 9.995,-
25
6.4
Totaaloverzicht inspanning en KGO berekening
Uitgangspunt van het gemeentelijk KGO-beleid is dat voor iedere ontwikkeling het hoofduitgangspunt van ruimtelijke kwaliteit geldt (basisinspanning). Voor grootschalige ontwikkelingen moet naast de kwaliteit van de locatie ook geïnvesteerd worden in omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning). De basisinspanning bestaat uit de landschappelijke inpassing van het gehele bedrijfsterrein. Hiervoor is een plan opgesteld voor de landschappelijke inpassing. Deze basisinspanning omvat in hoofdzaak de aanleg van een nieuwe robuuste houtsingel aan de west- en zuidzijde van het terrein. De aanvullende inspanning / kwaliteitsimpuls bestaat uit de volgende aspecten: •
Een financiële bijdrage voor de aanleg van een multifunctionele kunstgrasveld bij voetbalvereniging VC Fleringen
•
De sloop van oude stallen met asbest in het buitengebied van Tubbergen op de locaties Essenhuisweg 5/5a te Fleringen (345 m2) en Fleringerveldweg 9 te Fleringen (440 m2). Totaal: 785 m2
Waardebepaling en verantwoording investering in ruimtelijke kwaliteit Uitbreiding bouwvlak: Waardevermeerdering: Compensatie 25% (buitengebied gebonden): Totaal:
7.300 m2 7.300 x € 16,- => € 116.800,€ 29.200,€ 29.200,-
Kosten KGO-plan: Bijdrage kunstgrasveld VC Fleringen (20%): Sloop 345 m2 Essenhuisweg 5/5a Fleringen: Sloop 239 m2 Fleringerveldweg 9 Fleringen: Sloop 201 m2 Fleringerveldweg 9 Fleringen: Totaal:
€ 2.500,€ 5.840,345 x € 25,- = € 8.625,239 x € 25,- = € 5.975,201 x € 20,- = € 4.020,€ 26.960,-
Dit betekent dat de te verrichten KGO investering in hoofdzaak wordt bewerkstelligd door de extra inspanning / kwaliteitsimpuls. Het resterende bedrag á € 2.240,- wordt gestort in het KGO fonds.
26
7
UITWERKING KFA
In de toelichting op de Omgevingsvisie / Omgevingsverordening wordt door de provincie Overijssel ten aanzien van de Food en Agro sector het volgende aangegeven: De komende jaren zal nog heel veel bestaande agrarische bebouwing haar functie voor de landbouw verliezen. In veel gemeenten geldt dat er te weinig programma is om voor alle vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) een geschikte vervolgfunctie te vinden. Dit zal leegstand op grote schaal tot gevolg hebben en het risico op verrommeling van de Groene Omgeving. De provincie wil voorkomen dat er onnodig ruimtebeslag wordt gelegd op de Groene Omgeving zodat er ruimte blijft voor agrarische bedrijven die wel toekomstperspectief hebben en groeien in omvang. Daarom is in de Omgevingsverordening een bepaling opgenomen die verplicht om zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande en voormalige agrarische bouwpercelen. Gelet op de impact van agrarische bedrijfsvoering op de omgeving, gaan wij uit van het principe dat ondernemers ruimte voor ontwikkeling moeten verdienen door te investeren in aanvullende kwaliteitsvoorwaarden op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit.
Als het in redelijkheid niet mogelijk is om een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel te benutten voor bedrijfsontwikkeling of verplaatsing, dan kan onder voorwaarden een nieuw agrarisch bouwperceel worden aangewezen of een bestaand agrarisch bouwperceel worden uitgebreid. Een belangrijke voorwaarde is dat nieuwvestiging gepaard gaat met sloop van een evenredige omvang aan agrarische bebouwing elders in de Groene Omgeving. Daarmee wordt voorkomen dat het overaanbod aan agrarische bedrijfsbebouwing nog verder toeneemt en door het toevoegen van het nieuwe agrarische bouwperceel extra verstening van de Groene Omgeving ontstaat. Bij grootschalige uitbreiding en nieuwvestiging wordt verder de eis gesteld dat niet alleen de basisinspanning ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd zoals vereist op grond van artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening. Er zal ook een extra investering in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van het agrarische bedrijf moeten worden gedaan om het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden te compenseren.
Ook voor deze specifieke vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving geldt dat aangetoond moet worden dat er een balans is tussen de geboden ontwikkelingsruimte en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit Tenslotte wordt bij grootschalige uitbreiding en nieuwvestiging aanvullend op de eis van extra ruimtelijke kwaliteit de voorwaarde gesteld dat aannemelijk gemaakt moet worden dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit. Daarmee wordt bijgedragen aan onze ambities ten aanzien van de rode draden zoals wij die in de Omgevingsvisie hebben geformuleerd. Wij gaan samen met onze partners een handreiking opstellen waarmee gemeenten en initiatiefnemers kunnen bepalen wat gelet op de beoogde bedrijfsontwikkeling de kwaliteitswinst moet zijn om de uitbreiding van het bestaande agrarische bouwperceel of het leggen van een nieuw agrarisch bouwperceel ruimtelijk aanvaardbaar te maken.
27
Voor wat betreft de kwaliteitswinst die op het gebied van duurzaamheid geleverd zou kunnen worden moet gedacht worden aan: • verbetering van de kwaliteit van (grond)water, bodem, lucht, natuur en landschap; • klimaatadaptatie (zoals omgang met toenemende droogteperiodes en wateroverlast); • bijdrage aan de energietransitie en productie van hernieuwbare energie en materialen; • sluiten van kringlopen/ketenoptimalisatie; • verbetering van dierenwelzijn en verkleinen van gezondheidsrisico’s voor mens en dier; • en waar relevant aan de bijdrage aan de drinkwaterbescherming. Voor wat betreft de kwaliteitswinst die geboekt zou kunnen worden op het gebied van sociale kwaliteit kan gedacht worden aan: • vroegtijdige dialoog met omwonenden over bedrijfsontwikkeling; • maatschappelijke wensen incorporeren in de bedrijfsvoering; • in harmonie met de omgeving ondernemen; • versterken identiteit en recreatieve aantrekkelijkheid en toegankelijkheid. In hoofdstuk 6 is ten aanzien van onderhavig uitbreidingsplan reeds uitgebreid ingegaan op de KGO. Met betrekking tot de door de provincie aangegeven aanvullende aspecten ten aanzien van de KAF kan, nu de genoemde handreiking nog niet is opgesteld, het volgende worden opgemerkt: Duurzaamheid De genoemde (milieukundige) aspecten worden uitgebreid getoetst in de aanvraag omgevingsvergunning Wabo milieu.
De aanwezige varkenshouderij voldoet, mede door het toepassen van (gecombineerde) luchtwassystemen aan alle geldende wet- en regelgeving incl. milieunormen. De beoogde uitbreiding omvat onder meer een hal voor het verwerken mest en digestaat. Deze hal wordt volledig gesloten uitgevoerd en voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem, zodat de emissies (geur, stof, ammoniak, geluid etc.) zoveel mogelijk worden beperkt. Binnen de inrichting is een biogasinstallatie aanwezig. Met behulp van deze installatie wordt duurzame energie in de vorm van groene stroom & groen gas geproduceerd. Het geproduceerde groene gas wordt onder meer via een recent geopend gasleidingsysteem gebruikt om de huishoudens van Almelo te voorzien van groen gas. Het digestaat dat vrijkomt uit de biogasinstallatie wordt verder duurzaam verwerkt tot schoon (loosbaar) water en een droge organische meststof (mineralen). De productie van deze duurzame energie met behulp van de biogasinstallatie (covergisten biomassa) leidt tot een aanzienlijke reductie van de CO2 emissie en draagt hierdoor bij aan de landelijke klimaat- / CO2 doelstellingen. Het vrijkomende proceswater uit de digestaatverwerking kan niet worden geloosd op de gemeentelijke riolering. De Waterschap acht het wenselijk dat dit water wordt geloosd op de naastgelegen beek. Hiertoe wordt het water gezuiverd (o.a.
onttrekken mineralen N en P) met behulp van onder meer een denitrificatie. Het water heeft vervolgens een dusdanige goede kwaliteit dat deze voldoet aan de gewenste doelstellingen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.
28
Nu meststoffen en biomassa worden ingezet voor de productie van duurzame groene energie en vervolgens de vrijkomende stroom (digestaat) compleet wordt verwerkt, is er sprake van een gesloten kringloop. Het vrijkomende schone water wordt geloosd op de beek (oppervlaktewater) en de mineralen worden vrijgemaakt en elders ingezet voor een doelmatige bemesting van akkerbouwgronden. Eveneens wordt de transport van mest in de regio / provincie aanzienlijk verminderd. Door de mest (90-95% water) regionaal / in het gebied te verwerken, behoeft deze aanzienlijk minder te worden afgevoerd naar het buitenland of akkerbouwgronden in het Noord-Nederland. Door de waterfractie uit de mest / digestaat te halen, behoeft deze niet meer per as te worden afgevoerd. Alleen de droge fractie (ong. 80% droge stof) wordt nog per as afgevoerd. Door deze toepassing worden grote hoeveelheden transportbewegingen aanzienlijk gereduceerd hetgeen tot een grootschalige reductie van het dieselolie-verbuik en bijbehorende CO2 emissie leidt. De locatie wordt voorzien van een doelmatige landschappelijke inpassing met streekeigen beplanting en wadi’s. Daarnaast wordt de uitbreiding gerealiseerd op het achtererf / achter de bestaande bebouwing. De impact van de beoogde ontwikkeling op de omliggende omgeving, natuur en het landschap is hierdoor gering.
Tot slot kan worden opgemerkt dat ook de beoogde en voorgestelde KGO (hoofdstuk 6) bijdraagt aan de gewenste doelstellingen.
Kwaliteitswinst Gebr. Oude Lenferink b.v. hecht veel waarde aan een goede relatie met de omgeving / omwonenden en de leefbaarheid van het dorp Fleringen. Diverse dorpsactiviteiten en -verenigingen worden door hun ondersteund. Daarnaast is er altijd veel contact met de omwonenden, zoals dit gebruikelijk is bij een goed “noaberschap”. Ontwikkelingsplannen, het gebruik van gronden, opzetten van naastgelegen maïsdoolhof etc. worden met de betreffende omwonenden gezamenlijk besproken en afgestemd. Dat er sprake is van een goed “noaberschap” blijkt ook wel uit het feit dat er tot op heden nog nooit klachten en/of bezwaren ten aanzien van de bedrijfsvoering van Gebr. Oude Lenferink b.v. zijn ingediend. Wensen die uit de omgeving ten aanzien van bijv. gewenste beplanting / gebruik van gronden kenbaar zijn gemaakt worden, indien mogelijk, altijd ingewilligd. Ook ten aanzien van onderhavig uitbreidingsplan zullen de omwonenden in kennis worden gesteld. De omwonenden zijn / worden door de heren Oude Lenferink persoonlijk bezocht en hierbij worden de plannen en gewenste uitvoering kenbaar en toegelicht. Van deze bezoeken zal een kort verslag worden gemaakt en hierbij zullen tevens de (revelante) opmerkingen en wensen worden genoteerd.
Het verslag van deze bezoeken zal aan de gemeente Tubbergen worden overgelegd en kan als zodanig bij het bestemmingsplan // Omgevingsvergunning worden gevoegd. Gelet op bovenstaande wordt naast de KGO en fysieke kwaliteitswinst ook de benodigde aandacht besteed aan het maatschappelijk aspect en de leefbaarheid in de omgeving en het dorp Fleringen.
29
8
CONCLUSIE
De kwaliteit van het Overijsselse landschap en de sociaaleconomische ontwikkeling van het landelijk gebied gaan steeds meer hand in hand. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk onder voorwaarde dat ze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De gewenste uitbreiding van Oude Lenferink b.v. in combinatie met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit sluit uitstekend aan bij deze beleidsambitie. Resumerend kan worden gesteld dat in voorliggend document is aangetoond dat de geboden ontwikkelingsruimte en investering in de ruimtelijke kwaliteit in evenwicht zijn. Het bedrag dat in het kader van KGO geïnvesteerd moet worden bedraagt € 29.200,-. Naast de basisinspanning ten aanzien van de landschappelijke inpassing van het perceel wordt een extra inspanning / kwaliteitsimpuls bestaat geleverd door een financiële bijdrage voor de aanleg van een multifunctionele kunstgrasveld bij voetbalvereniging VC Fleringen (€ 5.840,-) en de sloop van oude stallen met asbest in het buitengebied van Tubbergen (785 m2 op de locaties Essenhuisweg 5/5a te Fleringen en Fleringerveldweg 9 te Fleringen). De totale investering incl. kosten omvat € 26.960,- . Dit betekent dat de te verrichten KGO investering in hoofdzaak wordt bewerkstelligd door de extra inspanning / kwaliteitsimpuls. Het resterende bedrag á € 2.240,- wordt gestort in het KGO fonds.
Daarnaast wordt voldaan aan de doelstellingen van de provincie Overijssel ten aanzien van Food & Agro sector zoals opgenomen in de Omgevingsverordening & -visie. Naast de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid en kwaliteitswinst wordt ook de benodigde aandacht besteed aan het maatschappelijk aspect en de leefbaarheid in de omgeving en het dorp Fleringen. Hierdoor wordt voldaan aan de Kwaliteitsimpuls Food & Agro (KFA).
Lichtenvoorde, september 2020 VanWestreenen Adviseurs b.v.
Ing. B.H. (Barry) Wopereis
BIJLAGEN: 1. 2. 3.
Situatieschets gewenste bedrijfsopzet/ bouwvlak (A3) Plan landschappelijke inpassing (Natuurbank Overijssel) Advies / memo Q-team 30
BIJLAGEN
31
BIJLAGE 1 Situatieschets gewenste bedrijfsopzet / bouwvlak (A3)
32
BIJLAGE 2 Plan Landschappelijke inpassing
33
BIJLAGE 3 Memo Q-team
34
Bijlage 2
Quickscan flora en fauna
bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen
79
Quickscan natuurwaardenonderzoek Essenhuisweg 5a & Fleringerveldweg 9 te Fleringen In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Essenhuisweg 5a & Fleringerveldweg 9 te Fleringen
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever: Contactpersoon:
VanWestreenen B.V. B. Wopereis Varsseveldseweg 65d 7131 JA Lichtenvoorde
Projectnummer en versie: 2177 versie 1.0 Veldmedewerker(s): P.Leemreise Ligging projectgebied: Essenhuisweg 5a & Fleringerveldweg 9 te Fleringen
Auteur: P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 09-10-2019
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700
1
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de sloop van voormalige agrarische bebouwing op twee erven in het buitengebied van Fleringen. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het onderzoeksgebied is op 24 september 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot beschermd (natuur)gebied.
In verband met de ligging van het plangebied op enige afstand van het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnet Nederland geen externe werking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied, is een negatief effect op Natura2000-gebied uitgesloten. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. De gebouwen in het plangebied worden mogelijk benut als nestplaats door vogels. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Mogelijk foerageert incidenteel een enkele gewone dwergvleermuis rond de bebouwing, maar het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied vormt een ongeschikt functioneel leefgebied voor andere beschermde diersoorten.
Samenvattende conclusie: Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging van het plangebied op enige afstand van beschermd (natuur)gebied, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied, zoals het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.
2
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 2 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 4 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 5 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten ....................
7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 7 4 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 8 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 8 4.3 Natura2000 ............................................................................................................................................ 10 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 11 5 Soortenbescherming; het onderzoek ............................................................................................................ 12 5.1 Verwachting en bureauonderzoek .........................................................................................................
12 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 14 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 18 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 20 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 20 6 Conclusies ...................................................................................................................................................... 21
3
1 Inleiding Er zijn concrete plannen voor de sloop van voormalige agrarische bebouwing op twee erven in het buitengebied van Fleringen. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (Natuurnetwerk Nederland, geconsolideerd 27-2-2019).
4
2 Het plangebied 2.1 Situering Beide deelgebieden zijn gesitueerd in het buitengebied van Fleringen. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van beide deelgebieden weergegeven op een topografische kaart.
Deelgebied Essenhuisweg
Deelgebied Fleringerveldweg
Globale ligging van beide deelgebieden. De ligging van de deelgebieden wordt met de cirkel aangeduid (bron kaart: PDOK).
2.2 Beschrijving van het plangebied Deelgebied Essenhuisweg Dit deelgebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf en bestaat volledig uit bebouwing. In het plangebied staat een voormalige varkensstal. Het gebouw is gebouwd van bakstenen en is gedekt met golfplaten. Het gebouw heeft een geïsoleerde spouw, maar geen dakisolatie. De stal was tijdens de inspectie niet in gebruik en stond leeg. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Detailopname van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok).
5
Deelgebied Fleringerveldweg Dit deelgebied vormt een deel van een voormalig agrarisch erf en bestaat volledig uit bebouwing en erfverharding. In het plangebied staan een voormalige varkensstal, een oude boerderij en een klein bijgebouwtje. Alle gebouwen zijn gebouwd van bakstenen, maar alleen de voormalige varkensstal is gedekt met golfplaten. De oude boerderij en het kleine gebouwtje zijn gedekt met dakpannen. Alleen de varkensstal beschikt over een geïsoleerde spouw en PIR-dakisolatie. De gebouwen waren tijdens de inspectie niet in gebruik en stonden leeg. Van de boerderij en het bijgebouwtje waren pannen verwijderd om de gebouwen ongeschikt te maken als verblijfplaats voor vleermuizen en uilen. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing. Voor een impressie van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage.
Detailopname van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok).
6
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om alle bebouwing in beide deelgebieden te slopen en de erfverharding te verwijderen. De deelgebieden worden nadien bij de naastgelegen woonerven aan getrokken en gebruikt als tuin. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Slopen bebouwing; Verwijderen erfverharding;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het slopen van bebouwing en het verwijderen van erfverharding. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
7
4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.
De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v.
het Natuurnetwerk Nederland De deelgebieden Fleringerveldweg en Essenhuisweg liggen respectievelijk op 525 en 136 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
8
525 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot het NNN behoren
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van deelgebied Fleringerveldweg. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de donkergroene kleur op de kaart aangeduid. De groengestippelde gronden behoren tot de ‘Zone Ondernemen met natuur en water buiten de NNN’. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: geo.overijssel.nl)
136 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot het NNN behoren
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van deelgebied Essenhuisweg. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de donkergroene kleur op de kaart aangeduid. De groengestippelde gronden behoren tot de ‘Zone Ondernemen met natuur en water buiten de NNN’. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: geo.overijssel.nl)
Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Wettelijke consequenties Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
9
4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Deelgebied Fleringerveldweg en Essenhuisweg liggen respectievelijk op 6 en 5,9 kilometer afstand van gronden die tot Natura2000 behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
6 km tussen het plangebied en de gronden die tot Natura2000 behoren
Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van deelgebied Fleringerveldweg. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natura2000 behoren worden met de gele en lichtgroene kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl).
5,9 km tussen het plangebied en de gronden die tot Natura2000 behoren
Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van deelgebied Essenhuisweg. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natura2000 behoren worden met de gele en lichtgroene kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl).
10
Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’.
Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het stopzetten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Er wordt door de landelijke overheid momenteel gewerkt aan een nieuwe methode om plannen, die leiden tot een verhoogde depositie, mogelijk te maken. Effectbeoordeling De deelgebieden liggen op minimaal 5,9 kilometer afstand van een voor verzuring gevoelig Natura2000gebied. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten (sloop van de opstallen), is het uitgesloten dat de ontwikkel- en gebruiksfase leidt tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura2000-gebied. De emissie NOx/NH3 als gevolg van de sloop van de opstallen is zeer gering en in de nieuwe situatie wordt er geen NOx of NH3 uitgestoten. Er is geen berekening uitgevoerd m.b.v. Aerius Calculator.
Vanwege de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied en de aard van de voorgenomen activiteiten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot andere negatieve effecten op Natura2000-gebied. Wettelijke consequenties De voorgenomen activiteit leidt niet tot een verhoogde stikstofdepositie (NOx/NH3) in Natura2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Wet natuurbeschermingsvergunning aangevraagd te worden.
4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natur2000-gebied. In verband met de ligging van het plangebied op enige afstand van het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnet Nederland geen externe werking kent. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied, is een negatief effect op Natura2000-gebied uitgesloten.
11
5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Beide deelgebieden vormen een deel van een voormalig agrarisch erf. De inrichting en het gevoerde beheer maken de deelgebieden tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Gelet op de aard van het plangebied is het niet aannemelijk dat het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige zeer kritische en/of zeldzame diersoorten behoort. Het is het niet uitgesloten dat het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen behoort: vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen.
Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 24 september 2019 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: veldbezoek door ervaren ecoloog;1 aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog (na regen), temperatuur 15⁰C, wind 3-5 Bft
1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 Quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 12
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogelsoorten geen territorium meer bezetten en geen territorium-indicerend gedrag vertonen zoals zang of balts. Slechts enkele vogelsoorten kunnen een bezet nest hebben in deze tijd van het jaar, zoals Turkse tortel, houtduif en holenduif. Sommige standvogels kunnen aanwezig zijn in de buurt van de nestplaats (zoals steen- en kerkuil en huismus), maar de meeste trekvogelsoorten hebben de broedplaats reeds verlaten. Huismussen hebben geen bezette nesten meer in deze tijd van het jaar, maar bevinden zich wel in de buurt van de nestplaats. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren.
De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. De meeste grondgebonden zoogdiersoorten hebben geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Muizen, zoals huismuizen vormen daarop een uitzondering. De meeste van de in dit voorjaar geboren jongen, zijn zelfstandig en hebben de nestplaats al verlaten en kunnen in hun zoektocht naar een eigen leefgebied soms op vreemde plekken opduiken. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Sommige vleermuissoorten beginnen de zomerverblijfplaatsen in te ruilen voor de winterrustplaats. Gewone- en ruige dwergvleermuizen zijn nog wel actief in deze tijd van het jaar waarbij mannetjes de paarverblijven bezetten en actief baltsen op geschikte avonden (>10 gr, geen harde regen of harde wind). In de afgelopen weken hebben gewone dwergvleermuizen de massa-winterverblijfplaatsen bezocht tijdens het zogenaamde middernachtzwermen. Dergelijke zwermplaatsen zijn herkenbaar aan de uitwerpselen op de muren en de grond onder de invliegopening.
Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het plangebied duiden. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de voortplantingswateren verlaten en beginnen zich terug te trekken in hun winterrustplaats. Amfibieën kunnen nog wel actief zijn op relatief ‘warme’ dagen, vooral in beschutte habitats zoals bossen. Amfibieën schuilen overdag voor direct zonlicht en zitten dan weggekropen in holen en gaten in de grond, in de dichte vegetatie, onder boomstammen, stenen, takkenbossen of onder opgeslagen goederen en (groen)afval. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten.
Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. 13
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied niet als foerageergebied, maar kunnen er wel nestelen. In deelgebied Essenhuisweg is een oud nest van de merel aan de buitenzijde van de stal vastgesteld en in deelgebied Fleringerveldweg zijn aanwijzingen gevonden dat de kauw in de schoorsteen heeft genesteld. Deze nestplaats is vermoedelijk inmiddels verlaten. Er zijn tijdens het bezoek geen huismussen aangetroffen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat steen- of kerkuil de gebouwen benut als vaste rust- of nestplaats. In het bijgebouwtje in deelgebied Fleringerveldweg is een enkele braakbal van de steenuil gevonden. Dit duidt erop dat er ooit een steenuil in het gebouw heeft gezeten, vermoedelijk een zwervende jonge vogel, op zoek naar een eigen territorium. De gebouwen in het plangebied zijn ongeschikt om benut te worden als nestplaats voor de steenuil, kerkuil of huismus.
Foto links: oude nest van de merel. Foto rechts: oud nest van de kauw in de schoorsteen van het bijgebouwtje.
Andere vogelsoorten die de gebouwen mogelijk benutten als nestplaats zijn witte kwikstaart en winterkoning (deelgebied Essenhuisweg). Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied. Vanwege de aard van het plangebied (bebouwing en erfverharding) wordt het als een ongeschikt foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, worden geen grondgebonden zoogdieren verwond of gedood, en worden gen vaste rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;
14
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied. De oude stallen beschikken over een (geïsoleerde) spouw, maar er zijn geen potentiële invliegopeningen (zoals open stootvoegen) in de buitengevels van de stallen waargenomen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de spouw. Ook zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een windveer, gevelbetimmering, loodslab, dakpan, vensterluik of zonwering. Ervaring heeft geleerd dat (oude) varkensstallen doorgaans niet benut worden als verblijfplaats voor vleermuizen. In de overige gebouwen (deelgebied Fleringerveldweg) zijn ook geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. De gebouwen zijn bewust ongeschikt gemaakt als verblijfplaats voor vleermuizen. Zo zijn delen van het dak verwijderd om inregenen en tocht te creëren. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en worden geen rust- of verblijfplaatsen beschadigd of vernield.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Mogelijk foerageert een enkele gewone dwergvleermuis incidenteel en kortstondig rond de bebouwing. Gelet op aard van het plangebied, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen gering. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten komt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk te vervallen. Indien de ondergrond beplant wordt met bomen en struiken, wordt de functie mogelijk zelfs versterkt. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute.
Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;
15
Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, en gelet op de inrichting en het gevoerde beheer van het plangebied, wordt het plangebied als ongeschikt functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd. De buitenruimte vormt een ongeschikt foerageergebied (erfverharding) en geschikte (winter)rustplaatsen ontbreken, evenals geschikt voortplantingsbiotoop. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen amfibieën verwond of gedood en worden geen (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als functioneel leefgebied wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
16
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Overijssel van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten.
Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.