CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage BP Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen VG01.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 16 maart 2021, gemeente TubbergenBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a, Fleringen.25.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Tevens worden omliggende (agrarische) bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

28

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

5.6 Geur 5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij en activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Beoordeling

In voorliggend geval worden geen geurgevoelige functies toegevoegd of verplaatst. Het woon- en leefklimaat van bestaande functies wordt dan ook niet aangetast. Tevens worden omliggende agrarische bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering belemmerd. 5.6.3

Conclusie

Op basis van de Wgv en een goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

5.7 Ecologie 5.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

29

5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. De deelgebieden Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a liggen op respectievelijk 4,5 en 5,3 kilometer van dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek'. Gelet op deze aanzienlijke afstand, het feit dat op deze locaties enkel geringe sloop- en bouwwerkzaamheden plaats gaan vinden, er geen sprake is van een verkeersaantrekkende werking en er sprake is van barrièrewerking van tussenliggende infrastructuur wordt verwacht dat er geen van toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Er is dan ook geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Alle deelgebieden liggen buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dichtstbijzijnde gronden die tot het NNN zijn bestemd bevinden zich op circa 160 meter van deelgebied Essenhuisweg 5-5a. De overige deelgebieden liggen op grotere afstand van het NNN. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en het feit dat er geen sprake is van areaalverlies, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.7.3.2 Situatie plangebied Ten aanzien van de deelgebieden Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a wordt opgemerkt dat ter plaatse sloop- en bouwwerkzaamheden uitgevoerd gaan worden. In het kader van deze sloopwerkzaamheden heeft Natuurbank Overijssel een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is als Bijlage 2 bijgevoegd. In de komende paragraaf worden de belangrijkste conclusies van dit onderzoek uiteengezet. 5.7.3.3 Onderzoeksresultaten De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.

Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. De gebouwen in het plangebied worden mogelijk benut als nestplaats door vogels. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Mogelijk foerageert incidenteel een enkele gewone dwergvleermuis rond de bebouwing, maar het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied vormt een ongeschikt functioneel leefgebied voor andere beschermde diersoorten. 30

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. 5.7.4

Conclusie

Er worden geen significante negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Beoordeling Gronden binnen het plangebied zijn op basis van het geldende bestemmingsplan 'Tubbergen Buitengebied 2016' voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' (Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a gedeeltelijk) en/of 'Waarde - Archeologie 4' (Fleringerveldweg 9-9a gedeeltelijk).

Binnen deze dubbelbestemmingen geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 ('Waarde - Archeologie 3) of 5.000 m2 ('Waarde Archeologie 4') en dieper dan 0,40 m onder maaiveld plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling gaat niet gepaard met bodemingrepen boven de genoemde oppervlaktegrenzen. De archeologische dubbelbestemmingen worden in voorliggend bestemmingsplan overgenomen. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is in het kader van voorliggende bestemmingsplanherziening niet benodigd. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Beoordeling Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat archeologisch onderzoek niet benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

31

5.9 Wateraspecten 5.9.1

Vigerend beleid

5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.

De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.9.1.4 Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren.

In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 5.9.2

Waterparagraaf

5.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

32

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

5.9.2.2 Watertoetsprocedure Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). In voorliggend geval is een watertoets voor beide deelgebieden uitgevoerd. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'paragraaf geen waterschapsbelang' van de watertoets van toepassing is (zie Bijlage 3 en Bijlage 4). Het waterschap Vechtstromen is akkoord met de voorgenomen ontwikkeling.

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

33

34

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.

6.2 Opzet van de regels 6.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

6.2.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 6.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is het strijdig gebruik geregeld en de voorwaardelijke verplichting opgenomen; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven gebruiksmogelijkheden; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

35

hier is geregeld voor welke werken, geen bobuwwerken zijnde of werkzaamheden omgevingsvergunningsplichtig zijn en wanneer geen omgevingsvergunning benodigd is; Wijzigingsbevoegdheden: onder welke voorwaarden mag de bestemming worden gewijzigd. In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. 6.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om ten aanzien van geluidsgevoelige objecten een bepaalde afstand tot wegen te garanderen. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene aanduidingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven ter plaatse van het plangebied liggen de aanduidingen 'overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan' en 'Vrijwaringszone - radarverstoringsgebied'. Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

Algemene wijzigingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van het bestemmingsplan te wijzigen. Overige regels (Artikel 13) In dit artikel worden de parkeerregels beschreven. 6.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch - 1' (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van deelgebied Fleringerveldweg 9-9a voor de gronden die niet tot het toekomstige woonerf gaan behoren. De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor het agrarisch gebruik. Ter plaatse mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. 'Wonen' (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het toekomstige woonerf aan de Fleringerveldweg 9-9a en ter plaatse van het bestaande woonerf aan de Essenhuisweg 5-5a.

36

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken, al dan niet in combinatie met en in ondergeschikte mate ruimte voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf, dan wel een vrij beroep, mantelzorg en bed and breakfast. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor ondergeschikte voorzieningen en daarbijbehorende tuinen, erven en terreinen, paardrijbakken, parkeervoorzieningen en andere bouwwerken. In de bouwregels is onderscheidt gemaakt tussen hoofdgebouwen en aangebouwde bijbehorende bouwwerken, vrijstaande bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken. Daarnaast zijn een aantal afwijkingsregels, specifieke gebruiksregels en wijzigingsregels opgenomen. Ter plaatse van deelgebied Essenhuisweg 5-5a is opgenomen dat de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken 360 m2 mag bedragen. Ter plaatse van deelgebied Fleringerveldweg is opgenomen dat de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken 300 m2 mag bedragen. 'Waarde - Archeologie 3 (Artikel 5) Deze bestemming is uit het geldende bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 overgenomen. De gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden. 'Waarde - Archeologie 4' (Artikel 6) Deze bestemming is uit het geldende bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 overgenomen. De gebieden met een lage en middelmatige archeologische verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' gekregen. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze dubbelbestemming is gekoppeld aan een plicht van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden alsmede aan bouwwerkzaamheden.

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

37

38

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval zijn er geen te verhalen kosten, zodat er geen exploitatieovereenkomst is afgesloten. De gemeentelijke kosten, waaronder leges, komen voor rekening van de aanvrager. Met de aanvrager wordt daarnaast een overeenkomst gesloten waarin tevens de planschade is afgedekt.

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

39

40

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

Hoofdstuk 8 zienswijzen

Vooroverleg, inspraak en

8.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 8.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat de gewenste ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Overijssel

Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. De provincie Overijssel heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en een zogenoemde 'Uitzonderingslijst vooroverleg ruimtelijke plannen' opgesteld. Hierin is opgenomen dat indien de gemeente over een eigen kwaliteitskader beschikt dat in lijn is met het Werkboek KGO en de Omgevingsvisie er geen vooroverleg gevoerd hoeft te worden. De provincie Overijssel biedt gemeenten de gelegenheid om een eigen beleidsinvulling te gegeven aan het KGO-beleid. De gemeente Tubbergen heeft hier gebruik van gemaakt en de beleidsnota "Gemeentelijk beleidskader Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)" vastgesteld. Deze beleidsnota is in lijn met het Werkboek KGO en de Omgevingsvisie, de provincie heeft dit bevestigd. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van dit beleid. Geconstateerd wordt dat voorliggende ontwikkeling passend is binnen het gemeentelijke kwaliteitskader. Voor het overige worden geen provinciale belangen geraakt. Provinciaal vooroverleg is niet noodzakelijk. 8.1.3

Waterschap Vechtstromen

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben geleid dat er geen sprake is van een waterschapsbelang. Waterschap Vechtstromen is akkoord met de planvorming.

8.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, is afgezien van een voorontwerpbestemmingsplan.

8.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 2 december 2020 tot en met 12 januari 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan wordt ongewijzigd vastgesteld.

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

41

42

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringervel dweg 9-9a in Fleringen

43

Bijlage 1

44

KGO-plan

bestemmingsplan Buitengebied, Essenhuisweg 5-5a en Fleringerveldweg 9-9a in Fleringen

KGO & KFA PLAN Oude Lenferink b.v. Oldenzaalseweg 134-136 7666 LH FLERINGEN

Opdrachtgever: Gebr. Oude Lenferink b.v. Oldenzaalseweg 134-136 7666 LH FLERINGEN Lichtenvoorde, september 2020 (versie 6) Uitvoerende: De heer ing. B.H. Wopereis VanWestreenen, Adviseurs voor het buitengebied te Lichtenvoorde

2

INHOUDSOPGAVE Uitwerking van KGO & KFA plan voor het fokzeugenbedrijf, biogasinstallatie incl. digestaatverwerking / compostering en agrarische dienstverlening van Oude Lenferink b.v. gelegen aan de Oldenzaalseweg 134-136 te Fleringen.

1 2

ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER ........................................................ 4 INLEIDING .............................................................................................. 4 2.2 Aanleiding ........................................................................................................... 4 2.2 Inhoud................................................................................................................. 5

3

HUIDIGE SITUATIE .................................................................................... 6 3.1 Ligging, omgeving en ruimtelijke structuur ........................................................... 6 3.2 Bestemmingsplan ................................................................................................ 9

4

GEWENSTE SITUATIE ................................................................................11 4.1 Uitbreiding ........................................................................................................ 11 4.2 Inspanning......................................................................................................... 12

5

BELEID .................................................................................................15 5.1 Omgevingsvisie & Omgevingsverordening Overijssel .......................................... 15 5.2 Gemeentelijk beleid .......................................................................................... 16

6

UITWERKING KGB ..................................................................................19 6.1 Generiek beleid ................................................................................................. 19 6.2 Evenwicht ontwikkelingsruimte en kwaliteitprestaties ....................................... 19 6.3 KGO-berekening ................................................................................................ 20 6.4 Totaaloverzicht inspanning en KGO berekening ................................................. 26

7 8

UITWERKING KFA...................................................................................27 CONCLUSIE ............................................................................................30

BIJLAGEN ............................................................................................................

3

1

ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER

Naam Adres inrichting Kadastrale ligging Soort activiteit

KvK Telefoonnummer

2

INLEIDING

2.2

Aanleiding

: Oude Lenferink b.v. : Oldenzaalseweg 134-136 7666 LH FLERINGEN : gemeente Tubbergen, sectie G, nummer 1945, 3185, 3204 en 3206 : agrarisch bedrijf (het houden van varkens), productie van duurzame energie (biogasinstallatie) & mest- & digestaatverwerking / compostering en agrarische dienstverlening : 06083192 : 0541-670665

Oude Lenferink b.v. is gevestigd aan de Oldenzaalseweg 134-136 te Fleringen. Binnen deze locatie wordt een agrarisch bedrijf met enkele nevenfuncties geëxploiteerd. Het agrarisch bedrijf bestaat uit een varkenshouderij in de vorm van een gespecialiseerd fokzeugenbedrijf. De nevenfuncties bestaan uit de productie van duurzame energie met behulp van een biogasinstallatie en agrarische dienstverlening (distributie). Voor de locatie Oldenzaalseweg 134-136 heeft de Gemeenteraad van Tubbergen in het verleden een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan, waarvoor destijds een Plan- en Besluit-MER is opgesteld, is de locatie bestemd als “intensieve veehouderij // ster-locatie” met een bouwvlak van 2,7 hectare en een nevenbestemming in de vorm van “mest- en biomassavergistingsinstallatie” met een bouwvlak van 1 hectare. Het geldende bouwvlak is inmiddels volledig bebouwd. Oude Lenferink is voornemens om ter plaatse de nevenfunctie te vergroten ten behoeve van de compostering en de verwerking van digestaat. In de gewenste situatie wordt de omvang van het fokzeugenbedrijf (2,7 hectare bouwperceel) niet gewijzigd. De heer Oude Lenferink is voornemens om binnen de inrichting vrijkomend bladafval en berm- en slootmaaisel in te zamelen.

Het bermmaaisel wordt binnen de inrichting gebruikt als coproduct voor de biogasinstallatie (ter vervanging van maïs). Het slootmaaisel en bladafval wordt binnen de inrichting samen met vaste mest en/of de dikke fractie uit het vergistingsproces worden gecomposteerd. Daarnaast wordt de dunne fractie uit vergistingsproces verwerkt tot schoon water. Om voornoemde inzameling en verwerking & compostering met een afdoende capaciteit te kunnen bewerkstelligen is het wenselijk om op het achtererf een nieuwe hal en enkele opslagsilo’s voor de reiniging van de genoemde dunne fractie te realiseren.

4

Om de gewenste bedrijfsopzet te kunnen realiseren dient het bouwvlak t.b.v. de nevenactivitieiten te worden vergroot van 1,0 naar 1,73 hectare. Voor deze vergroting is in juli 2016 een verzoek ingediend bij het college van B&W van Tubbergen. Het college van B&W van Tubbergen heeft op 7 oktober 2016 besloten om in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de gewenste uitbreiding van het bouwvlak. In navolging van het voornoemde is een aanvullend verzoek ingediend voor de realisatie van een afvalwaterbehandeling. Nu het vrijkomende proceswater, na overleg met het Waterschap, niet mag worden geloosd op de gemeentelijke riolering, moet deze worden geloosd op het oppervlaktewater / naastgelegen beek. Hiertoe dient een aanvullende waterzuivering te worden geplaatst (denitrificatie). Voor de realisatie van deze aanvullende waterzuivering en de bijbehorende vergroting van het bouwvlak tot in totaal 1,73 hectare is op 6 juli 2017 een aanvullend verzoek ingediend. De provincie Overijssel biedt ruimte aan grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, onder de voorwaarde dat er wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Deze voorwaarde is neergelegd in de regeling Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) en is van toepassing op ontwikkelingen die niet in het geldende bestemmingsplan passen.

Door deze regeling wordt aantasting van de omgevingskwaliteit en een verlies aan ecologisch en landschappelijk kapitaal als gevolg van de nieuwe ontwikkeling voorkomen of gecompenseerd. De provincie biedt ruimte om op gemeentelijk niveau beleidskaders uit te werken. De gemeente Tubbergen heeft hier gebruik van gemaakt en samen met de gemeente Dinkelland het beleidsdocument ‘Beleidskader voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving’ opgesteld. In dit beleidskader wordt aangegeven bij welke ontwikkelingen de kwaliteitsimpuls van toepassing is en wanneer de investeringen in evenwicht zijn. Voorliggend plan voorziet in een nadere concretisering / kwantificering van het KGO-beleid, specifiek voor de gewenste uitbreiding van Oude Lenferink b.v. in Fleringen. Op basis van dit plan wordt beoogd om aan te tonen dat de geboden ontwikkelingsruimte en investering in de ruimtelijke kwaliteit in evenwicht zijn. Daarnaast heeft het college van GS van Overijssel de Omgevingsvisie Overijssel 2017 vastgesteld en deze is per 1 mei 2018 van kracht. In deze Omgevingsvisie wordt ingezet in op een verduurzaming van de Agro & Food sector. Voor deze sector is in de Omgevingsvisie een kwaliteitsimpuls Agro & Food opgenomen. In de deze rapportage wordt het beoogde plan eveneens getoetst aan deze kwaliteitsimpuls Agro & Food.

2.2

Inhoud

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van de huidige situatie gegeven. In dit hoofdstuk komt ook de huidige planologische situatie aan bod. Hoofdstuk 4 bevat een omschrijving van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt het relevante beleid beschreven. In hoofdstuk 6 wordt een verdiepingsslag gemaakt en zal het concrete plan aan de hand van het gemeentelijk KGO beleid worden uitgewerkt. Dit hoofdstuk bevat onder andere een gespecificeerde KGO berekening.

5

3

HUIDIGE SITUATIE

3.1

Ligging, omgeving en ruimtelijke structuur

De locatie van Oude Lenferink b.v. is gelegen aan de Oldenzaalseweg 134-136 te Fleringen in het agrarische buitengebied van Tubbergen. De locatie is gelegen op ongeveer 800 meter ten zuidoosten van de bebouwde kom van Fleringen. Belangrijke structuurdrager is de Oldenzaalseweg (N343), een waterloop en enkele groenstructuren. De functionele structuur is divers. In de directe omgeving is sprake van in hoofdzaak agrarische bedrijvigheid en enkele verspreid liggende woningen. Luchtfoto’s van de locatie en de omgeving zijn hieronder weergegeven.

Figuur 1: Luchtfoto locatie Oldenzaalseweg 134-136 & omgeving (bron Globespotter)

Het plangebied bestaat uit het huidige erf, inclusief de benodigde oppervlakte die nodig is voor de geplande uitbreiding. Op het erf staan diverse stallen voor het houden van varkens en een biogasinstallatie met bijbehorende voorzieningen. Aan de zuidoostzijde grenst het plangebied aan een grasland en aan de westzijde grenst het aan bouwland, waarbij het zuidelijke bouwland is gelegen op een oude kamp. De houtwal met daarop enkele oude zomereiken aan de zuidzijde van het erf is nog een relict van het oude kampenlandschap dat ten zuiden van het plangebied lag. Deze houtwal omzoomde vroeger de kamp, zoals op de historische topografische kaart nog te zien is.

6

Aan de oost- en zuidzijde grenzen twee kleine elzen bosjes aan het plangebied, gescheiden van het plangebied door een diep ingesneden beek. Aan de voorzijde van het erf zijn reeds lijnvormige beplantingselementen met zomereiken aangelegd.

Figuur 2: Luchtfoto bestaande erf + elementen omgeving (bron Globespotter)

Het erf ligt in een smalle strook jong ontginningslandschap dat omgeven wordt door een kampenlandschap. De achterzijde van het bedrijf grenst aan een es. De houtwal die nu de erfgrens vormt is een relict van dit oude agrarische cultuurlandschap en vormde vroeger de grens tussen het cultuurlandschap en de ‘woeste gronden’. Door ruilverkavelingen is deze grens tussen het oude- en het jonge ontginningslandschap in het omringende landschap grotendeels vervaagt.

Figuur 3: Uitsnede historische kaart

7

Het huidige landschap rondom het plangebied is een half open agrarisch cultuurlandschap. Verspreid in het landschap liggen loofhoutbosjes, veelal bestaand uit elzenbosjes. Het grondgebruik is agrarisch en grotendeels ten dienste aan de melkveehouderij. De ecologische waarde van dit agrarische cultuurlandschap is niet bijzonder hoog. Slechts in bosjes en in goed beheerde (verschraalde) wegbermen treffen we sporen aan van de oude vegetatie van voedselarme en matig voedselarme milieus. Het huidige erf ligt in het heideontginningslandschap, op de overgang naar een kampenlandschap. Het kampenlandschap kenmerkt zich onder andere door de es ten zuiden van het huidige erf. Het overgrote deel van historische kavelgrensbeplanting is reeds tijdens eerdere ruilverkavelingen verloren gegaan. De beek die aan de noordoostzijde aan het plangebied grenst, is diep ingesneden in het landschap. Deze beek wordt lokaal gevoed door ijzerhoudende kwel, getuige de roestvormige verkleuringen en neerslag van ijzeroxide op de bodem. De westzijde van het huidige bedrijf (aanzicht vanaf dorp Fleringen) is niet landschappelijk ingepast en is goed zichtbaar in het landschap. Het erf wordt aan de oost-, zuid- en noordzijde al deels goed ingepast door aanwezige beplanting in de vorm van bosjes, houtsingel op aarden wal en solitaire bomen.

Ten aanzien voor voornoemde is gedeeltelijk uitvoering gegeven aan het plan voor de landschappelijke inpassingsplan uit 2012. De aanvullende / gewijzigde landschappelijke inpassing ten behoeve van het uitbreidingsplan is dan ook met name gericht op de oost- en westzijde van de locatie.

8

Figuur 4&5: Luchtfoto met aanzicht bestaande erf (bron Globespotter)

3.2

Bestemmingsplan

Voor de locatie Oldenzaalseweg 134-136 heeft de Gemeenteraad van Tubbergen in 2012 een herziening van et bestemmingsplan vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan, waarvoor destijds een Plan- en Besluit-MER is opgesteld, is de locatie bestemd als “intensieve veehouderij // ster-locatie” en een nevenbestemming in de vorm van een biogasinstallatie”. Vervolgens is de locatie opgenomen in de algemene herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2016 zoals vastgesteld op 25 maart 2016. Op grond van dit bestemmingsplan is de locatie bestemd als agrarisch met de aanduiding “intensieve veehouderij // ster-locatie” met een bouwvlak van 2,7 hectare en een nevenbestemming in de vorm van “mest- en biomassavergistingsinstallatie” met een bouwvlak van 1,0 hectare. De uitsnede van de plankaart behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied 2016 is hierna opgenomen.

9

Figuur 6: uitsnede plankaart BP (bron ruimtelijkeplannen.nl)

Om de gewenste uitbreiding te kunnen bewerkstellingen is het wenselijk om op het achtererf / zuidelijk deel van het terrein een nieuwe hal en enkele opslagsilo’s voor de reiniging van de genoemde dunne fractie te realiseren. Om de gewenste bedrijfsopzet te kunnen realiseren dient het bouwvlak t.b.v. de nevenactivitieiten te worden vergroot van 1 naar 1,73 hectare. Deze gewenste uitbreiding vindt plaats in de bestemming “agrarisch” (cultuurgrond). Het college van B&W van Tubbergen heeft op 7 oktober 2016 besloten om in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de beoogde uitbreiding en het vegroten van het bouwvlak op het zuidelijke deel van het terrein. Op 6 juli 2017 is ten aanzien van voornoemde een aanvullend verzoek ingediend voor de eerder genoemde afvalwaterzuivering.

10

4

GEWENSTE SITUATIE

4.1

Uitbreiding

Het geldende bouwvlak van de locatie Oldenzaalseweg 134-136 te Fleringen is inmiddels volledig benut. Het benodigde bassin voor de opslag van (schoon) proceswater op het zuidelijke deel van het perceel is recentelijk buiten het geldende bouwvlak gerealiseerd. Hiervoor is een aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan ingediend bij de gemeente Tubbergen. Oude Lenferink b.v. is voornemens om ter plaatse de nevenfunctie te vergroten ten behoeve van de compostering en de verwerking van digestaat afkomstig uit de biogasinstallatie. In de gewenste situatie wordt de omvang van de hoofdfunctie (fokzeugenbedrijf / bouwvlak 2,7 hectare bouwperceel) niet gewijzigd. De heer Oude Lenferink is voornemens om binnen de inrichting vaste mest en/of de dikke fractie uit het vergistingsproces (digestaat) te verwerken. Deze dikke fractie wordt gedroogd en de dunne fractie wordt verwerkt tot schoon water. Om voornoemde verwerking met afdoende capaciteit te kunnen bewerkstelligen is het wenselijk om op het achtererf op het zuidelijke deel van het terrein een nieuwe hal t.b.v. de verwerking van digestaat alsmede enkele opslagsilo’s voor de reiniging van de genoemde dunne fractie te realiseren. Om de gewenste bedrijfsopzet te kunnen realiseren dient het bouwvlak t.b.v. de voornoemde nevenactivitieiten te worden vergroot van 1,0 naar 1,73 hectare.

Voor deze vergroting is in juli 2016 (inclusief aanvulling juli 2017) een verzoek ingediend bij het college van B&W van Tubbergen. Het college van B&W van Tubbergen heeft op 7 oktober 2016 besloten om in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de gewenste uitbreiding. De beoogde uitbreiding van het bouwvlak heeft een omvang van 7.300 m2. De beoogde bedrijfsopzet inclusief het benodigde bouwvlak is weergegeven op de navolgende situatieschets. Deze situatieschets is ook als bijlage 1 aan dit plan toegevoegd.

11

Figuur 7: situatieschets gewenste bedrijfsopzet incl. bouwvlak

4.2

Inspanning

Uitgangspunt van het gemeentelijk KGO-beleid is dat voor iedere ontwikkeling het hoofduitgangspunt van ruimtelijke kwaliteit geldt (basisinspanning). Voor grootschalige ontwikkelingen moet naast de kwaliteit van de locatie ook geïnvesteerd worden in omgevingskwaliteit (aanvullende inspanning). De basisinspanning bestaat uit de landschappelijke inpassing van het gehele bedrijfsterrein. In het verleden is door Oude Lenferink b.v. op basis van het plan voor de landschappelijke inpassing de nodige inspanning geleverd ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het terrein. De gerealiseerde inpassing wijkt echter, als gevolg van de bedrijfsontwikkeling en nieuwe inzichten, af van het landschappelijke inpassingsplan uit 2012. Ten behoeve van de gewenste bedrijfsopzet is door Natuurbank Overijssel een nieuw gewijzigd en aanvullend plan opgesteld voor de landschappelijke inpassing. De westzijde van het huidige bedrijf (aanzicht vanaf dorp Fleringen) is nog niet landschappelijk ingepast en goed zichtbaar in het landschap. Het erf wordt aan de zuid- en noordzijde al goed ingepast door aanwezige beplanting in de vorm van bosjes, houtsingels op aarden wallen en solitaire bomen. De landschappelijke inpassing ten behoeve van het uitbreidingsplan is dan ook met name gericht op de oost- en westzijde van de locatie.

12

Aan beide zijden wordt een nieuwe robuuste houtsingels op aarden wallen en wadi’s met natuurlijk begroeiing aangelegd. De beoogde (gewijzigde) landschappelijke inpassing is weergegeven in de navolgende figuur en de volledige rapportage is als bijlage 2 aan dit plan toegevoegd.

Figuur 8: plan landschappelijke inpassing

In dit plan zijn de adviezen van het Q-team, zoals besproken tijdens het bedrijfsbezoek d.d. 23 november 2017 en de navolgende adviesmemo d.d. 25 juli 2018 (bijlage 3) + opmerkingen d.d. september 2018, verwerkt en overgenomen. In onderhavige situatie is sprake er van een grootschalige ontwikkeling. Naast de basisinspanning dient er een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving plaats te vinden (aanvullende inspanning).

13

De verplichte extra inspanning bestaat uit de sloop van bestaande stallen binnen de gemeente Tubbergen en een investering in maatschappelijke doeleinden. De lokale voetbalvereniging VC Fleringen heeft de wens om een nieuw duurzaam kunstgrasveld aan te leggen. Oude Lenferink is voornemens om bij te dragen in de kosten voor de aanleg van dit kunstgrasveld. Het relevante provinciale als gemeentelijke beleid voorzien in een ontwikkelingsgerichte aanpak die voortkomt uit de ambitie om ontwikkelingen in het buitengebied samen te laten gaan met een impuls in de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij dient per geval aangetoond te worden dat er sprake is van een balans tussen de geboden ontwikkelingsruimte en investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. De sturing op dit evenwicht is vastgelegd in het gemeentelijke ‘Beleidskader voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving’. In de volgende hoofdstukken worden de kaders van het relevante beleid geschetst en zal de balans tussen de geboden ontwikkelingsruimte en investeringen in de ruimtelijke kwaliteit geconcretiseerd c.q. gekwantificeerd worden.

14

5

BELEID

5.1

Omgevingsvisie & Omgevingsverordening Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. Recentelijk heeft PS van Overijssel de nieuwe Omgevingsvisie en -verordening 2017 vastgesteld. De Omgevingsvisie en -verordening is op 12 april 2017 vastgesteld door Provinciale Staten en is op 1 mei 2017 in werking getreden. De provincie wil ontwikkelingen in de Groene omgeving samen laten gaan met een impuls in kwaliteit. Daarom is de ‘Kwaliteitsimpuls Groene omgeving’ ontwikkelt. Er is een eenvoudige werkwijze ontwikkeld om principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar te maken voor sociaal-economische ontwikkelingen in de Groene omgeving. Dit is verankerd in artikel 2.1.6. van de Omgevingsverordening: Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen - met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. - voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Overijssel investeert €12 miljoen in een vitale en duurzame Agro & Food sector. Daarmee worden ondernemers uitgedaagd om, samen met overheden, onderwijs en onderzoeksinstellingen, te werken aan economische oplossingen voor actuele vraagstukken. Oplossingen die relevant zijn voor Overijssel, voor Nederland en voor alle dichtbevolkte gebieden in de wereld. De Agro & Food sector is belangrijk voor de Overijsselse economie en de werkgelegenheid. De sector is verantwoordelijk voor 10% van onze inkomsten, 15 % van de werkgelegenheid en 70% van het grondgebruik. Via het Uitvoeringsprogramma agro&food in Overijssel 2016-2019 werkt Overijssel aan verduurzaming van de Agro & food sector. Het programma gaat over de hele Overijsselse Agro & Food sector, van grond tot mond. De bedrijven in de Agro & Food sector zijn actief in een dichtbevolkte, veeleisende en kritische omgeving. Ze hebben te maken met revolutionaire nieuwe ontwikkelingen (precisielandbouw, ontwikkeling van kweekvlees, kritische consument) in snel veranderende markten (handelsblokkades van Rusland, dalende olieprijzen). Ook maatschappelijke vraagstukken als biodiversiteit, bodemvruchtbaarheid, klimaatverandering en gezondheid van mens en dier zijn van grote invloed op de bedrijfsvoering.

Ook in het Ruimtelijke Beleid wordt ingezet op verduurzaming van de Agro & food sector, door middel van de Kwaliteitsimpuls Agro & Food (KFA). Dit is verankerd in artikel 2.1.7. van de Omgevingsverordening:

15

Artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls Agro en Food Lid 1 Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen. Lid 5 In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel grootschalig worden aangepast en/of uitgebreid als: a. is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; b. het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; c. aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit.

De provincie Overijssel biedt gemeenten de gelegenheid om een eigen beleidsinvulling te gegeven aan het KGO-beleid. De gemeente Tubbergen heeft de toepassing van de KGO uitgewerkt in de Beleidslijn toepassing Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, welke is geaccordeerd door de provincie.

5.2

Gemeentelijk beleid

De gemeente Tubbergen en de gemeente Dinkelland hebben gezamenlijk een beleidsdocument genaamd ‘Beleidskader voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls groene omgeving’. Deze beleidsregels zijn op 7 oktober 2013 vastgesteld door de Gemeenteraad van Tubbergen. Op 14 maart 2016 heeft de Gemeenteraad van Tubbergen besloten om het KGO beleid te wijzigen c.q. aan te vullen met een bepaling dat sloopkosten kunnen worden ingezet als investering in de groene omgeving Tubbergen. Het generieke beleid voorziet in een zuinig gebruik van ruimte. In dit onderhavige gemeentelijke beleid wordt vastgesteld dat afwijking van bestaande regels mogelijk is ten behoeve van economische ontwikkelingen die naar aard en omvang passend zijn op de locatie, mits passend binnen het provinciaal- en rijksbeleid (zoals zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), deze passen bij de gebiedskenmerken en bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Is er sprake van een bestaande locatie dan wordt deze als passend aangemerkt. Dit betekent dat de geldende bestemming ter plekke als qua aard passend wordt beschouwd. Er is een basis gevonden voor het bereiken en meten van het evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing: vorm en situering van gebouwen, erfbeplantingen.

16

Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn drie variabelen te hanteren: 1. is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd; 2. wat is de schaal van de impact op de omgeving; 3. vervult het initiatief een eigen belang of ook een algemeen belang. Als er sprake is van een niet functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling, dient 100% van de waardevermeerdering (van de gronden als gevolg van aanpassing van de bestemming) te worden geïnvesteerd (naast de basisinspanning). Van het voorgenoemde percentage van 100% kan in bepaalde omstandigheden worden afgeweken. Dit is de maatwerkclausule. Als er sprake is van specifieke omstandigheden die een verlaging van het toe te passen percentage rechtvaardigen, dan kan het college hiertoe een besluit nemen. Alsdan gelden aspecten als sociale kwaliteit, werkgelegenheid, veiligheid, ruimtegebrek en logistiek als items ter onderbouwing om (per item) het percentage te verlagen met 5 (met een maximum van 25%). Als er sprake is van een functioneel aan het buitengebied gebonden grootschalige ontwikkeling zal er naast de basisinspanning 25% moeten worden geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit. Indien er geen mogelijkheid is om het gehele bedrag te investeren, zal het bedrag gestort worden in het KGO-fonds.

De percentages zijn ingegeven door het feit dat bij een niet aan het buitengebied gebonden activiteit de impact groot is, omdat deze functies feitelijk in de kernen thuishoren. Gelet hierop dient er een volledige tegenprestatie geleverd te worden. Het zogenoemde weegschaalmodel komt in evenwicht door de waardevermeerdering volledig te compenseren in ruimtelijke kwaliteit. Waardevermeerdering Bij het bepalen van de hoogte van de kwaliteitsimpuls voor de groene omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van de gronden die door de planologische verandering zal ontstaan. Er wordt uitgegaan van basisbedragen. Dit zijn in overleg met erkende taxateurs bepaalde waarden. Het gemeentelijk KGO-beleid bevat een tabel waarin deze bedragen zijn opgenomen. Daar waar dat lastiger is vanwege de invloed van de mogelijkheden binnen een specifieke bestemming (bijvoorbeeld indien veel meer bouwmogelijkheden worden geboden binnen een bestemming), zal een taxatie nodig zijn. Opgemerkt wordt hier dat bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een negatieve waardeontwikkeling, geen verrekening plaats vindt.

Waardevermindering Waardevermindering als gevolg van de herziening van het bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld van agrarische grond naar bos en natuur of landschap dan wel van bedrijfsterreingrond naar bos en natuur of landschap, mogen worden meegenomen in de berekening, voor zover het gaat om het veranderen van de bestemming ten behoeve van de basisinspanning.

17

Ten aanzien van de investering van de berekende KGO bijdrage, mogen reële, werkelijke kosten voor het opstellen van het KGO-landschapsplan tot een percentage van 10% van het berekende KGObedrag met een absoluut maximum van €15.000,-, worden meegenomen, in die zin, dat deze mogen worden toegerekend aan de investering in ruimtelijke kwaliteit (voorwaarde is hierbij wel dat niet op een andere wijze een bijdrage mag zijn ontvangen voor het opstellen van het landschapsplan). Ook de kosten voor de inzet van de kwaliteitsgroep landelijk gebied kunnen hierbij worden betrokken.

18

6

UITWERKING KGB

6.1

Generiek beleid

De gewenste ontwikkeling betreft de aanpassing van het bestemmingsplan, die voorziet in de planologische kaders om het bouwvlak van Oude Lenferink b.v. uit te breiden. Het huidige bouwvlak is in 2012 / 2016 reeds bestemd conform het bedrijfsmatige gebruik (zie ook hoofdstuk 3). Omdat het een bestaande & bestemde bedrijfslocatie betreft voor het houden van varkens (agrarisch) en de nevenactiviteit ten aanzien van de “mest- en biomassavergistingsinstallatie”, wordt de activiteit op basis van het KGO-beleid naar aard passend gevonden op de locatie Oldenzaalseweg 134-136 te Fleringen.

6.2

Evenwicht ontwikkelingsruimte en kwaliteitprestaties

1: Is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd? Een gebiedseigen functie past in de beleidsdoelstellingen ofwel het ontwikkelingsperspectief van een gebied. In dit geval is sprake van de uitbreiding van een agrarisch bedrijf met bestaande aanverwante nevenactiviteiten in de vorm van de productie van duurzame energie met behulp van een biogasinstallatie, de verwerking & compostering van vrijkomende digestaat en agrarische dienstverlening. In de gewenste situatie wordt de neventak ten behoeve van de verwerking van het vrijkomende digestaat en compostering uitgebreid. De bedrijfsvoering van Oude Lenferink b.v. kan derhalve worden getypeerd als een gebiedseigen ontwikkeling. 2: Wat is de schaal van de impact op de omgeving? In dit geval is sprake van een ontwikkeling met een relatief grote impact (uitbreiding bouwvlak = 7.300 m2). Het perceel ligt in een agrarisch cultuurlandschap in een smalle strook jong ontginningslandschap dat omgeven wordt door een kampenlandschap. De beoogde activiteiten en gewenste uitbreiding zijn logisch vervolg op de reeds bestaande activiteiten van Oude Lenferink b.v . en leiden naar verwachting niet tot een afbreuk van de landschapstypologie en waarden. De beoogde ontwikkelingen vinden plaats op het achtererf c.q. achter de reeds bestaande bebouwing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/629/documents/13148