Bijlage Bp. Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a18b Manderveen
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.0183.BUIBPBVNBRKSWEG18AVG01
Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime 1.5 Leeswijzer
5 5 5 7 7 8
Hoofdstuk 2
9
Huidigesituatie
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Gewenste ontwikkeling 3.2 Verkeer en parkeren
11 11 15
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
17 17 19 27
Hoofdstuk 5 Milieu-en omgevingsaspecten 5.1 Geluid 5.2 Bodemkwaliteit
33 33 33
5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
34 34 36 38 40 40
Luchtkwaliteit Externe veiligheid Milieuzonering Ecologie Archeologie & cultuurhistorie Besluit milieueffectrapportage
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Vigerend beleid 6.2 Waterparagraaf
43 43 43
Hoofdstuk 7 Juridischeaspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels
45 45 45 46
Hoofdstuk 8
49
Economischeuitvoerbaarheid
Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen 9.1 Vooroverleg 9.2 Inspraak 9.3 Zienswijzen
2
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
51 51 51 51
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het bedrijfsperceel en een aangrenzend agrarisch perceel aan de Bovenbroeksweg 18-18a-18b te Manderveen, in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Ter plaatse van het bedrijfsperceel bevindt zich een loon- en grondverzetbedrijf. Het bedrijf is vele jaren gevestigd op de huidige locatie. Vanwege de groei van het bedrijf is er momenteel sprake van ruimtegebrek op eigen terrein. Het ruimtegebrek leidt onder andere tot buitenopslag van voertuigen en tot een gebrekkige veiligheid op het bedrijfsperceel. Hierdoor bestaat het voornemen om de bedrijfsbestemming uit te breiden ten behoeve van de bouw van een extra machineberging. Voor de realisatie van de machineberging is het wenselijk een aangrenzend agrarisch perceel aan te wenden. De te realiseren machineberging heeft een oppervlakte van circa 1.300 m². Voorliggende ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan, aangezien de gronden ten behoeve van de uitbreiding een agrarische bestemming hebben. Ter plaatse is de bouw van de bedoelde machineberging en het gebruik ten behoeve van het bedrijf niet toegestaan. De bedrijfsbestemming zal dan ook moeten worden vergroot. Op de ontwikkeling is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) van toepassing.
Met de uitbreiding van het loon- en grondverzetbedrijf is er namelijk sprake van een niet functioneel aan het buitengebied gebonden functie in het buitengebied. Hiertoe dient door initiatiefnemer ter compensatie geïnvesteerd te worden in maatregelen ten aanzien van KGO. Hiervoor worden op 5 verschillende locaties in het buitengebied van de gemeente Tubbergen KGO-investeringen gedaan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch-planologisch kader om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Daarbij wordt aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is en in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging van het plangebied Dit bestemmingsplan heeft betrekking op in totaal 6 percelen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. In afbeelding 1.1 is de ligging van het bedrijfsperceel aan de Bovenbroeksweg 18-18a-18b (hierna: plangebied) ten opzichte van de kern van Manderveen weergegeven. In afbeelding 1.2 is het plangebied (blauwe marker) en zijn de 5 KGO-locaties (blauwe sterren) opgenomen. In paragraaf 3.1.3 wordt nader ingegaan op de KGO-locaties.
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
5
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Manderveen (Bron: PDOK)
Afbeelding 1.2: Ligging plangebied en KGO-locaties (Bron: plattekaart.nl)
6
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
1.3 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (NL.IMRO.0183.BUIBPBVNBRKSWEG18A-VG01) en een renvooi; regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4 Huidig planologisch regime 1.4.1
Algemeen
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen “Tubbergen Buitengebied 2016” en "Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan". Deze bestemmingsplannen zijn op respectievelijk 23 mei 2016 en 15 december 2020 vastgesteld door de gemeenteraad van Tubbergen. 1.4.2
Bestemmingen
In afbeelding 1.3 is een uitsnede opgenomen van de verbeelding behorende bij het bestemmingplan "Tubbergen Buitengebied 2016". Het plangebied is indicatief weergegeven met de rode omlijning. Opgemerkt wordt dat een beschrijving van het planologisch regime van de KGO-locaties buiten beschouwing wordt gelaten, aangezien hier vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen ingrijpende wijzigingen zullen plaatsvinden. Voor de exacte begrenzing van het gehele plangebied wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. Hieronder wordt nader ingegaan op de ter plaatse geldende bestemmingen van het perceel aan de Bovenbroeksweg 18, 18a en 18b.
Afbeelding 1.3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Tubbergen Buitengebied 2016” (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Bestemmingen Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingen: “Agrarisch – 1” Deze bestemming geldt ter plaatse van de beoogde uitbreiding. De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn ter plaatse hoofdzakelijk bestemd voor het agrarisch gebruik, met daaraan ondergeschikt onder andere het behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke waarden. Er zijn geen gebouwen toegestaan. "Bedrijf" Deze bestemming geldt ter plaatse van het reeds bestaande bedrijfsperceel. Gronden met deze bestemming zijn bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
7
bestemd voor een loon- en grondverzetbedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - loonen grondverzetbedrijf'. Het perceel is voorzien van een maatvoeringsvereiste, waarmee wordt bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en overkappingen ten hoogste 3.890 m² mag bedragen. "Groen" Deze bestemming geldt ter plaatse van de bestaande groenstrook rondom het bedrijf. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn met name bestemd voor groenvoorzieningen. Er zijn geen gebouwen toegestaan. "Waarde - Archeologie 3" Het westelijke deel van de geplande uitbreiding is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm is een archeologisch onderzoek nodig. "Waarde - Archeologie 4" Het grootste deel van de bedrijfsbestemming alsmede het oostelijke deel van de geplande uitbreiding is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 40 cm is een archeologisch onderzoek nodig. 1.4.3
Strijdigheid
De gewenste ontwikkeling is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan, aangezien de uitbreiding van het bedrijf niet mogelijk is op gronden met de bestemming 'Groen' en 'Agrarisch'. De toegestane gezamenlijk oppervlakte van de bedrijfsgebouwen van 3.890 m² wordt daarnaast overschreden. Tevens dienen de groene inpassing en de maatregelen in het kader van de KGO te worden geborgd door een verplichting in de regels en door de gronden te voorzien van een passende groenbestemming. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste planologische kaders waarmee de gewenste uitbreiding mogelijk wordt gemaakt.
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een omschrijving van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Tubbergen beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue en hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 9 in op het vooroverleg.
8
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Hoofdstuk 2
Huidige situatie
Het plangebied ligt op circa 40 meter ten westen van de kern van Manderveen, een dorp dat circa 3,3 kilometer ten noorden van de kern van Tubbergen ligt. Het plangebied zelf ligt in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Aan de noord-, zuid- en westzijde liggen voornamelijk agrarische gronden behorende bij het buitengebied en verspreid liggende woonpercelen. Ten oosten van het plangebied bevinden zich voornamelijk woonpercelen behorende bij de woonkern van Manderveen. De Bovenbroeksweg ligt aan de noordzijde. Het plangebied zelf bestaat uit het bedrijfsperceel van het loon- en grondverzetbedrijf Wesselink Manderveen. Op het perceel bevindt zich voor 3.887 m² aan bebouwing. De bebouwing bestaat uit twee bedrijfswoningen (241 m²) en de bestaande bedrijfsgebouwen van circa 3.646 m². Een deel van de bedrijfswoning (50 m²) is vergund als kantoor. Verder bevinden zich op het bedrijfsperceel onder andere een weegbrug en een wasplaats. Tussen de bedrijfsgebouwen en het woonhuis is erfverharding en zijn twaalf parkeerplaatsen aanwezig. Het erf wordt ontsloten via de in het noorden gelegen toegangsweg op de Bovenbroeksweg. Het bedrijfsperceel wordt ten oosten en ten zuiden omsloten door groenvoorzieningen. Ten zuiden van het bedrijfsperceel bevindt zich een weiland dat ook tot het plangebied behoort. Deze gronden, evenals de omliggende gronden, zijn in agrarisch gebruik.
In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied opgenomen. Het plangebied is hierin rood omlijnd.
Afbeelding 2.1: Huidige situatie plangebied (Bron: PDOK)
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
3.1 Gewenste ontwikkeling 3.1.1
Aanleiding
Zoals reeds is benoemd, is het loon- en grondverzetbedrijf Wesselink voornemens om uit te breiden. De uitbreiding is benodigd vanwege ruimtegebrek alsmede het bevorderen van de veiligheid op het bedrijf. Het concrete voornemen bestaat daarom op het bedrijfsperceel uit te breiden ten behoeve van de bouw van een machineberging en extra stallingsruimte voor parkeren en containeropslag. 3.1.2
Gewenste situatie
De gewenste situatie bestaat uit de uitbreiding van het bedrijfsperceel met een extra machineberging. Het bedrijfsperceel heeft momenteel een oppervlakte van 9.598 m². Met de voorgenomen uitbreiding wordt dit perceel uitgebreid tot circa 12.722 m² om voldoende ruimte ruimte te creëeren voor de machineberging en de extra stallingsruimte en benodigde verharding. De gewenste machineberging heeft een oppervlakte van 1.300 m². Op het perceel bevindt zich voor 3.887 m² aan bebouwing, waarbij wordt uitgegaan van de situatie op 1 juni 2023. De bebouwing bestaat uit twee bedrijfswoningen (241 m²) en de bestaande bedrijfsgebouwen van circa 3.646 m². Na realisatie van de machineberging is het maximum oppervlak aan bedrijfsgebouwen en overkappingen, waartoe de bedrijfswoningen niet worden meegerekend, dan ook 4.946 m². Momenteel geldt ter plaatse van het bedrijfsperceel een maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 3.890 m². Het concrete voornemen bestaat om deze maatvoeringsvereisten te verruimen met 1.060 m² tot een maximum van 4.950 m². In onderstaande tabel is de planologische uitbreiding van het bedrijfsperceel en de bedrijfsbebouwing weergegeven, alsmede de feitelijke uitbreiding van de aanwezige bedrijfsgebouwen. In afbeelding 3.1 is ten slotte de situatietekening van de gewenste situatie opgenomen.
Bedrijfsperceel (planologisch) Feitelijk aanwezige bedrijfsgebouwen en overkappingen, exclusief bedrijfswoningen Bedrijfsgebouwen en overkappingen (planologisch)
Bestaand 9.598 m² 3.646 m²
Uitbreiding 3.124 m² 1.300 m²
Totaal 12.722 m² 4.946 m²
3.890 m²
1.060 m²
4.950 m²
Afbeelding 3.1: Situatietekening gewenste situatie (Bron: N+L Landschapsontwerpers) bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
11
3.1.3
KwaliteitsimpulsGroene Omgeving(KGO)
In het kader van de KGO-regeling dient te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. In het plangebied zelf is daar sprake van door onder andere het aanplanten van een houtwal ten zuiden en oosten van de te realiseren machineberging. Deze investering valt onder het begrip 'basisinpassing', en is noodzakelijk om de uitbreiding landschappelijk ingepast te krijgen. Dit kan derhalve geen onderdeel uitmaken van de aanvullende investering die geleverd moet worden. De aanvullende investering vindt in voorliggend geval plaats op viijf verschillende locaties in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. De investering vindt plaats aan respectievelijk de Bloomsweg 6, de Huyerenseweg 44, de Oude Uelserdijk nabij nummer 19, de Volmersweg 10 en de Kotkampsweg nabij nummer 12. De investeringen die in het kader van de KGO worden gerealiseerd worden middels een vooorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. In afbeelding 3.2 t/m afbeelding 3.6 zijn de impressies van de gewenste situering van de investeringen weergegeven, inclusief een beschrijving van de investeringen die ter plaatse worden gedaan.
Afbeelding 3.2: Impressie landschappelijke inpassing Bloomsweg 6 (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
12
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Afbeelding 3.3: Impressie landschappelijke inpassing Huyerenseweg 44 (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Afbeelding 3.4: Impressie landschappelijke inpassing Oude Uelserdijk nabij nr. 19 (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
13
Afbeelding 3.5: Impressie landschappelijke inpassing Volmersweg 10 (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
Afbeelding 3.6: Impressie landschappelijke inpassing Kotkampsweg (Bron: N+L Landschapsontwerpers)
14
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
3.2 Verkeer en parkeren 3.2.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Over het algemeen hanteert de gemeente Tubbergen voor het berekenen van de parkeerbehoefte de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren' waarbij wordt aangesloten bij de kencijfers van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 317'. Voor gebruiksfuncties in het buitengebied en voor andere functies dan opgenomen in de beleidsnotitie wordt naar deze publicatie verwezen. 3.2.2
Situatie plangebied
Het plangebied is in gebruik ten behoeve van een loon- en grondverzetbedrijf. Op de locatie waar het bedrijf gevestigd is werken relatief weinig mensen en deze trekt weinig bezoekers aan. Met voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe machineberging gerealiseerd. De uitbreiding is benodigd vanwege huidige ruimtegebrek dat onder andere tot buitenopslag van voertuigen en tot een gebrekkige veiligheid op het bedrijfsperceel leidt. Gelet op de aanleiding van het voornemen ligt het niet in de lijn der verwachting dat de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als gevolg van het voornemen significant toeneemt. Gemiddeld arriveren en vertrekken er op een dag 10 lichte voertuigen. Dit zijn 20 verkeersbewegingen. Deze worden afgewikkeld via de Bovenbroeksweg in westelijke richting (richting het buitengebied). Geconcludeerd wordt dat het voornemen niet tot een merkbare verandering in de verkeerssituatie zal leiden. 3.2.3
Conclusie
Er wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
15
16
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Hoofdstuk 4
Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald in de verbeelding en in de regels.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1
NationaleOmgevingsvisie(NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
17
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.2.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ 4.1.2.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Op de voorliggende ontwikkeling is onder meer de overzichtsuitspraak ABRvS 28 juni 2017;ECLI:NL:RVS:2017:1724 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke voorziening met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², er in beginstel sprake is van een stedelijke ontwikkeling en er getoetst moet worden aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van de bouwmogelijkheden aan de Bovenbroeksweg 18, 18a en 18b van 3.890 m² tot en met 4.950 m² (+1.060 m²), waarmee zondermeer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Hierna wordt de ontwikkeling dan ook getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, waarin wordt ingegaan op de behoefte (trede 1) en waarom deze behoefte niet in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2). Behoefte De beoogde uitbreiding is noodzakelijk voor het ter plaatse gevestigde loon- en grondverzetbedrijf om de werkzaamheden te kunnen continueren.
Het bestaande bedrijfsperceel is namelijk te klein voor de beoogde activiteiten en er is momenteel sprake van buitenopslag van machines. De buitenopslag zorgt voor een rommelige en soms onveilige situatie en is daarnaast niet wenselijk voor de kwaliteit van de voertuigen, vanwege de blootstelling aan weer en wind. Met de uitbreiding wordt voorzien in de ruimtebehoefte van het terrein, alsmede voor het behouden en verbeteren van de veiligheid op het bedrijf. Op de uitbreiding zal namelijk naast de machineberging ook worden voorzien in de parkeerbehoefte en in ruimte voor containeropslag. Voor de kwaliteit van de te gebruiken machines is het wenselijk om deze inpandig te kunnen stallen, zodat deze niet worden blootgesteld aan weer en wind. Op het bestaande perceel is daar echter geen ruimte voor. Er is in voorliggend geval dan ook sprake van 18
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
concrete behoefte aan de uitbreiding van bouwmogelijkheden. Binnenof buiten bestaand stedelijk gebied Het bedrijf is gelegen buiten het stedelijk gebied van de gemeente Tubbergen. Hiermee is sprake van de uitbreiding van een niet functioneel aan het buitengebied gebonden functie in het buitengebied. Volledige verplaatsing naar een locatie elders (bijvoorbeeld naar een bedrijventerrein) is echter niet realistisch. Het bedrijf betreft namelijk een lokaal geworteld bedrijf met een klantenbestand in de directe omgeving. In Manderveen is tevens geen bedrijventerrein aanwezig; het dichtstbijzijnde bedrijventerrein bevindt zich op circa 5 kilometer in Vasse,Geesteren en Tubbergen. Het vestigen op een locatie elders zal niet efficiënt en realistisch zijn, ook gezien de goede staat van de bedrijfsbebouwing en de forse investeringen die de afgelopen jaren op de locatie zijn gedaan. Verplaatsing van het bedrijf betekent gelet hierop kapitaalvernietiging en brengt onevenredige bedrijfseconomische gevolgen met zich mee. Gezien de opzet van het bedrijf in relatie tot het beoogde doel van de uitbreiding is uitbreiding van de bebouwing op de huidige locatie het meest voor de hand liggend. Het uitbreiden van het bestaande bedrijfsperceel betreft de enige realistische mogelijkheid. Het plan voldoet hiermee aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 4.1.3
Conclusietoetsing aan het rijksbeleid
Geconcludeerd wordt dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
4.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel. 4.2.1
OmgevingsvisieOverijssel
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. 4.2.2
OmgevingsverordeningOverijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
19
4.2.3
UitvoeringsmodelOmgevingsvisieOverijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hierna nader toegelicht. 4.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.
Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. 4.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. 4.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.
20
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 4.2.4
Toetsing van het initiatiefaan het UitvoeringsmodelOmgevingsvisieOverijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.4.1 Of- Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' blijkt dat met name de artikelen 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) en artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang zijn. Artikel 2.1.3, lid 1
Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening In voorliggend geval wordt een bedrijf uitgebreid op gronden die momenteel in gebruik zijn voor agrarische doeleinden.
Er is echter redelijkerwijs geen ruimte geschikt voor de uitbreiding van het bedrijf binnen bestaand bebouwd gebied. In paragraaf 4.1.2 bij de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dit uitgebreid uitgewerkt. Daarnaast is het meervoudig ruimtegebruik op het bestaand terrein volledig benut. Het is daarom niet realistisch om hier een machineberging te bouwen. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen voldoet aan het bepaalde in artikel 2.1.3, lid van de Omgevingverordening Overijssel. bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
21
Artikel 2.1.5 Ruimtelijkekwaliteit(leden 1, 2, 3 en 5) In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening In deze en volgende paragrafen is uitgebreid gemotiveerd dat de ontwikkeling voldoet aan het uitvoeringsmodel en dat het passend is binnen het ontwikkelingsperspectief ter plaatse. Ook is inzicht gegeven in de vier-lagen benadering van de Catalogus Gebiedskenmerken.
De uitbreiding van het bedrijf wordt landschappelijk ingepast door de aanleg van een houtwal ten zuiden en ten oosten van de uitbreiding. De totale oppervlakte van deze houtwal bedraagt 1.350 m² en wordt tevens als zodanig bestemd. Daarmee is het initiatief in overeenstemming met Artikel 2.1.5 van de omgevingsverordening. Artikel 2.1.6 KwaliteitsimpulsGroene Omgeving Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening Op dit bestemmingsplan is de KGO van toepassing. De gemeente Tubbergen heeft een eigen KGO-beleid opgesteld. In paragraaf 4.3.2 wordt hier nader op ingegaan. Ter compensatie van de geboden ontwikkelingsruimte moet er een extra investering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvinden. Het gaat immers om een grootschalige ontwikkeling in het buitengebied.
Zoals in paragraaf 3.1.3 naar voren is gekomen, vindt de KGO-investering in voorliggend geval plaats op vijf locaties in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. In het door N+L opgestelde landschapsontwerp zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting, is de KGO-investering nader uitgewerkt. Hierin is gemotiveerd dat de meerwaarde die als gevolg van deze ontwikkeling ontstaat geïnvesteerd wordt in de kwaliteit van de groene omgeving. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar dit plan. Op deze plaats wordt gesteld dat het initiatief in overeenstemming is met artikel 2.1.6 van de omgevingsverordening. 4.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen, waarin het plangebied is aangegeven met de rode contour.
22
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 'Wonen en werken in het kleinschaligemixlandschap' Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' Binnen het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap' is ruimte voor een verscheidenheid aan functies. Door de bedrijfsuitbreiding aan de Bovenbroeksweg 18-18a wordt aan een lokaal geworteld bedrijf een toekomstbestendig perspectief gegeven.
Daarmee versterkt de ontwikkeling de functie 'werken' en kan worden gesteld dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende ontwikkelingsperspectief. 4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. In voorliggend geval kan de stedelijke laag buiten beschouwing worden gelaten, aangezien er voor het plangebied geen gebiedskenmerken gelden in deze laag. Hieronder wordt nader ingegaan op de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap en de laag van de beleving. 1.
De "Natuurlijkelaag"
De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon. Het plangebied is op basis van de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
23
'dekzandvlakte en ruggen'. In afbeelding 4.3 is dit weergegeven.
Afbeelding 4.3: Uitsnede natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) Dekzandvlakteen ruggen De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vla bij elkaar, soms verder van elkaar verwijdert. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem, door beplanting met 'natuurlijke' soorten en door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen. Het sturingsmechanisme van de provincie is om de dekzandvlakten en ruggen te voorzien van een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf. Toetsing van het initiatief aan de natuurlijke laag Ter plaatse van het plangebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijk landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt doordat de locatie in cultuur is gebracht. Het opnemen van een beschermende regeling ten behoeve van de dekzandvlakten kan daarmee achterwege blijven. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een KGO-investering gedaan.
Hiermee wordt het plangebied landschappelijk ingepast aan de hand van de geldende gebiedskenmerken. Hier wordt geconcludeerd dat de 'Natuurlijke laag' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 2.
De "Laag van het agrarisch cultuurlandschap"
Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop van de tijd gaan waarderen. Het heeft als 'consumptielandschap' voor bewoners, recreanten en toeristen nieuwe betekenis gekregen. De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' aangeduid met het gebiedstype 'Jonge heide- en broekontginningslandschap'. In onderstaande afbeelding wordt dit weergegeven.
24
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Afbeelding 4.4: Uitsnede laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) Jonge heide- en broekontginningslandschap De grote oppervlakte aan, voormalige, natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings' landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat. Ook sommige recente heringerichte agrarische landschappen worden tot deze categorie gerekend, omdat van het oorspronkelijke landschap niets meer terug te vinden is. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
Het sturingsmechanisme van de provincie is het beschermen van de jonge heide en broekontginningslandschappen in gebieden met weidevogels een beschermende bestemmingsplanregeling, gericht op instandhouding van de openheid. Toetsing van het initiatief aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap De nieuwe machineberging wordt ingepast middels een aarden wal die ten zuiden en ten oosten van de machineberging wordt aangeplant. De wal is benodigd vanwege de ligging van het plangebied nabij de woonkern van Manderveen. Een aarden wal is geen kenmerkend element in het jonge heide- en broekontginngingslandschap, maar vanwege sociaal-maatschappelijke redenen wordt in voorliggend geval hiervan afgeweken. Ter plaatse van de vijf locaties waar een KGO-investering wordt gedaan geldt de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' als uitgangspunt. Hiervoor wordt verwezen naar de in het in Bijlage 1 opgenomen Ruimtelijk Kwaliteitsplan. Als onderdeel van de KGO maatregelen wordt de locatie aan de Kotkampsweg ingericht als broeden schuilgebied voor weidevogels, met als hoofddoelsoort de grutto. Deze locatie wordt voorzien van een beschermende bestemmingsplanregeling door het opnemen van een functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - weidevogelgebied'. Dit sluit aan bij het sturingsregime van de provincie Overijssel.
Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat de ontwikkeling voldoet aan de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de "Laag van het agrarisch cultuurlandschap". 4.
Laag van de beleving
erveen
25
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand
In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis van het buitengebied. Aan het 'belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht. Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen.
Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe 'erfgoed' van de provincie. De locaties hebben op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van de beleving' de kwaliteit 'Donkerte' gekregen. In afbeelding 4.5 wordt dit weergegeven.
Afbeelding 4.5: Laag van de beleving (Bron: Provincie Overijssel) Donkerte Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.
26
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Het sturingsregime van de provincie is richtinggevend. In de donkere gebieden wordt alleen de minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht toegestaan. Dit vereist het selectief inzetten en ‘richten’ van kunstlicht. Er is daarom veel aandacht voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Tubbergen. Het buitengebied kan over het algemeen als een vrij donker gebied worden beschouwd. De lichtuitstraling wordt voornamelijk veroorzaakt door stedelijke functies zoals wonen en bedrijvigheid, die in het buitengebied in beperkte mate aanwezig zijn. Het in dit bestemmingsplan besloten bedrijfsperceel is daardoor één van de weinige percelen die voor lichtuitstraling zorgt in dit deel van het buitengebied. Voorliggende bedrijfsuitbreiding voorziet echter uitsluitend in de bouw van een machineberging, ten zuiden van het bestaande bedrijfsperceel. Van een dergelijk bedrijfsgebouw hoeft redelijkerwijs geen onevenredige toename van (kunst) licht te worden verwacht. Daarnaast wordt de uitbreiding ten zuiden en ten oosten afgeschermd middels de aanplant van een houtwal. Deze wordt ook als zodanig bestemd middels dit bestemmingsplan. Hierdoor wordt eventuele lichthinder richting het naastgelegen woonperceel aan de Bovenbroeksweg 20 afgeschermd.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de “Laag van de beleving”. 4.2.5
Conclusietoetsing aan het provinciaalbeleid
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
4.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld. 4.3.1
Mijn OmgevingsvisieTubbergen
4.3.1.1 Algemeen De gemeente Tubbergen beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Tubbergen gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We wentelen niet af op volgende generaties; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.
4.3.1.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'Ruimte voor ondernemen' van belang. Ruimte voor ondernemen Als gemeente zorgt men voor voldoende ontwikkelruimte voor bedrijven en voor plekken waar bedrijven zich kunnen vestigen. Zo draagt de gemeente bij aan de werkgelegenheid en kunnen verschillende soorten bedrijvigheid ontstaan. De gemeente streeft naar levendige compacte kernwinkelgebieden. Voor duurzame, kansrijke initiatieven wordt maatwerk geleverd. Daarbij ligt de nadruk op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven. Samenvattend gaat de gemeente voor: bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Mand erveen
27
goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven; het faciliteren van ondernemers met als principe “ja- tenzij”. Goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden: Goede vestigingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven betekent dat wordt ingezet op voldoende en passende bedrijventerreinen. En op een goede bereikbaarheid. Leegstand wil men daarbij zoveel mogelijk voorkomen. Meer uitgebreid gaat het om het volgende: Het doel is om het aanbod aan bedrijfsgrond aan te laten sluiten bij de vraag. In principe moeten ondernemers en/of bedrijven met een ruimtebehoefte binnen de gemeente een plek kunnen vinden. Of dit lukt is mede afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf. Als er veel vraag is wordt gekeken of uitbreiding van bedrijfsterreinen nodig is. Hierbij kijkt men ook naar vraag en aanbod in de regio. Ook buiten de bedrijventerreinen zet de gemeente zich in voor voldoende, duurzame en passende ruimte (huisvesting) voor ontwikkelingen. Dit is maatwerk. De gemeente weegt de specifieke behoefte van ondernemers en bedrijven af en adviseert over de haalbaarheid van initiatieven. Streven naar kwalitatieve verbeteringen. Dit gaat bijvoorbeeld over het voorkomen van leegstand, een goede ontsluiting en een goede fysieke en digitale bereikbaarheid.
Het faciliteren van ondernemerschap De gemeente geeft ondernemers de ruimte door in te zetten op maatwerk en door flexibiliteit te bieden. De gemeente vindt het belangrijk dat de juiste functies op de juiste plek terecht komen. Het slim combineren van functies vanuit een duidelijke visie biedt kansen. De ondernemers, de bedrijfsconsulent en het OndernemerServiceTeam (OST) zijn hierbij de spil. Zij verbinden partijen aan elkaar en helpen met de juiste routes. 4.3.1.3 Waardenkaart De waardenkaart in de Omgevingsvisie heeft voor het buitengebied als basis de combinatie van landschapstype en landschapsdynamiek. Het plangebied en de 5 KGO locaties zijn in afbeelding 4.6 in beeld gebracht.
Afbeelding 4.6: Ligging plangebied op de Waardenkaart (Bron: Gemeente Tubbergen) 4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke structuurvisie Dit bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van een lokaal geworteld bedrijf. Door deze uitbreiding krijgt het bedrijf ruimte voor een toekomstbestendige voortzetting. Het bieden van ruimte aan ondernemingen past binnen het streven van de gemeente om goede vestigingsmogelijkheden en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven te realiseren. Het past ook bij het streven om bedrijfsgrond voor ondernemers binnen de eigen gemeente te vinden.
28
bestemmingsplan Buitengebied, Bovenbroeksweg 18-18a-18b Manderveen
Ten aanzien van de waardenkaart vinden de te nemen landschapsmaatregelen plaats rondom de uit te breiden bedrijfsbestemming aan de Bovenbroeksweg 18-18a-18b en op de 5 KGO-locaties. Bij het bepalen van de KGO-maatregelen zijn de ter plaatse geldende gebiedskenmerken centraal gesteld en de te nemen landschapsmaatregelen zijn hierop gebaseerd. Verwezen wordt naar het van deze toelichting onderdeel uitmakende Ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. 4.3.2
BeleidsnotitieKwaliteitsimpulsGroene Omgeving
4.3.2.1 Algemeen De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben op basis van het provinciale beleid een eigen gezamenlijk KGO-beleid opgesteld. Op basis van dit beleid kan er ruimte worden geboden voor grootschalige uitbreidingen en nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. De volgende basisprincipes gelden voor elke ontwikkeling: Elke ontwikkeling dient beoordeeld te worden vanuit het aspect ruimtelijke kwaliteit; Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van bestaand) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit; De ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen (prestaties) in de ruimtelijke kwaliteit De principes van ruimtelijke kwaliteit gelden voor elk planproces en dienen bij elk initiatief/ontwerp/opgave te worden toegepast 4.3.2.2 Generiek beleid Het generieke beleid voorziet in een zuinig gebruik van ruimte. Dit heeft zich vertaald in beleid en regels die zijn opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. De regels die zijn opgenomen betreffen in het algemeen maatvoeringen (afstand, hoogte, oppervlakte en inhoud) en randvoorwaarden voor het functionele gebruik van locaties. Uitgangspunt voor onderhavig beleid blijft hetgeen op basis van het bestemmingsplan cq. het bestaande beleid mogelijk is.
Elke ontwikkeling die past binnen de regels van het bestemmingsplan is toegestaan. Uitgangspunt van het gemeentelijk KGO-beleid is dat voor iedere ontwikkeling het hoofduitgangspunt van ruimtelijke kwaliteit geldt. Voor grootschalige ontwikkelingen moet naast de kwaliteit van de locatie ook geïnvesteerd worden in omgevingskwaliteit. Het proces is meer gericht op kwaliteit en minder op kwantitatieve normen. Deze benaderingswijze zorgt voor meer flexibiliteit en mogelijkheden bij het zoeken naar nieuwe economische dragers. In het gemeentelijk KGO-beleid is aangegeven, dat medewerking kan worden verleend aan alle economische ontwikkelingen die passend zijn binnen het gemeentelijk beleid en /of visie. Het begrip “aard en omvang” is bewust gekozen. Hiermee is aangegeven dat er sprake dient te zijn van maatwerk. Niet alle ontwikkelingen kunnen per definitie. Per ontwikkeling dient beoordeeld te worden of de voorgestane ontwikkeling past in de omgeving. 4.3.2.3 Evenwicht ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties Er is een basis gevonden voor het bereiken en meten van het evenwicht tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties. Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke (landschappelijke) inpassing: vorm en situering van gebouwen, erfbeplantingen.