CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage BOPA motivering Langeveen, MFA Tubbergen.pdf

Commissie Omgeving en Economie 9 september 2025, gemeente TubbergenBij agendapunt: 9: Ontwerp bindend advies realiseren multifunctionele accommodatie te Langeveen16.400 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2 m.e.r.-beoordeling Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd; • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan

24

met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Het project valt onder categorie J11: ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Een project-mer is op basis van kolom 2 niet verplicht voor een dergelijke ontwikkeling. Op basis van kolom 3 is er sprake van een project-merbeoordelingsplicht indien er sprake is van de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk project. Hiertoe is een aanmeldnotitie project m.e.r-beoordeling opgesteld, die is opgenomen in Bijlage 3 bij deze motivering. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend project geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow). 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren Algemeen De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018.

De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave ‘toekomstbestendig parkeren’ (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018. Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling) Om de verkeerskundige effecten van het project te beoordelen, is door Roelofs Groep een verkeeronderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 4 van deze motivering. Op basis van dit verkeersonderzoek volgen onderstaande conclusies: •

• •

•

• •

•

De verkeersgeneratie van het MFA ligt op circa 494 mvt/weekdag. In het verkeersonderzoek is tevens rekening gehouden met eventuele nieuwbouw op de locatie van de huidige school, opvang en gymzaal. Dit brengt een verkeersgeneratie van circa 190 mvt/weekdag met zich mee. In de huidige situatie is een deel van de verkeersgeneratie ook al aanwezig in het gebied (290 mvt/weekdag). Het planeffect is daarmee + 364 mvt/weekdag; Het MFA kent met de beschikbare mogelijkheden een goede interne en externe ontsluitingsstructuur voor alle modaliteiten (auto & fietsers/voetgangers); De weginrichting (vorm) van de Hardenbergerweg en Iemenboersweg sluit aan bij de functie als erftoegangsweg 30 km/uur en het gebruik. De gereden snelheden op de Hardenbergerweg vormen wel een aandachtspunt; In de huidige situatie ligt de intensiteit op de Hardenbergerweg op 900 tot 1.200 mvt/etmaal. In de plansituatie is sprake van een toename van grofweg 15%, waarmee de intensiteiten toenemen tot circa 1.000 tot 1.400 mvt/etmaal. Op de Iemenboersweg is door verschoven verkeerstromen sprake van een afname van circa 15% (van 320 naar 270 mvt/etmaal); De Hardenbergerweg kan vanuit functie en vormgeving de toekomstige verkeersbelasting op een acceptabele wijze verwerken; Vanuit de verkeersveiligheid vormt de snelheid op de Hardenbergerweg ter hoogte van het MFA een belangrijk aandachtspunt.

Het voorgenomen kruispuntplateau ter plaatse van de ontsluiting heeft een snelheidsremmend en attenderend effect, waarmee wordt voorzien in een verkeersveilige situatie. Op het overige omliggende wegennet voorziet de weginrichting vanuit de verkeersveiligheid in een acceptabele situatie; Kijkend naar de verkeerskundige inrichting van de buitenruimte bij het MFA brengen de twee parkeerlocaties zoekverkeer met zich mee. Ook is het wenselijk dat personeel parkeert aan de 25

•

Iemenboersweg, zodat ouders/verzorgers en bezoekers/patiënten op het parkeerterrein aan de Hardenbergerweg kunnen parkeren. De ontsluiting voor fietsers/voetgangers voorziet in de basis in een verkeersveilige situatie. Wel kan de verkeersveiligheid voor voetgangers (en eventueel fietsers) worden geoptimaliseerd met toepassing van een vrijliggende verbinding tussen MFA en Hardenbergerweg;

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de parkeerbalans en parkeerdruk door bureau Twin inzichtelijk gemaakt. Hierbij is aangesloten bij de gemeentelijke beleidsnotitie 'Bouwen & parkeren 2018'. Daar waar in de parkeernotitie geen normen zijn opgenomen, is aangesloten bij de CROW-uitgave ‘toekomstbestendig parkeren’ (uitgave 381). Voor de MFA is uitgegaan van een parkeernorm van 2,85 m² per 100 m² bvo. Op basis van deze notitie, die is bijgevoegd in Bijlage 5, wordt de parkeerbehoefte als volgt bepaald: Functie

Parkeernorm

gebruiksruimte

Basisschool Sportvoorzieningen incl bergingen en opslag Fysiotherapiepraktijk KDV/BSO Totaal

2,85 per 100 m² bvo 2,85 per 100 m² bvo

900,91 2662,31

1,4 per behandelkamer 2,85 per 100 m² bvo

4 behandelkamers 291,45

Totaal (afgerond per functie) 26 75 6 8 115

Op basis van deze berekening bedraagt de parkeerbehoefte in totaal 115 parkeerplaatsen. De bovenstaande functies zullen echter niet allemaal gelijktijdig worden gebruikt, maar er zal sprake zijn van dubbelgebruik. In de parkeerdrukberekening is per functie en per moment van de dag beoordeeld hoeveel van de parkeerplaatsen gelijktijdig bezet zullen zijn. Op basis van dit onderzoek wordt de maximale parkeerdruk op het drukste moment van de week ingeschat op 84 bezette parkeerplaatsen. In de beoogde inrichting van het projectgebied wordt voorzien in 94 parkeerplaatsen, waarmee er een verwacht overschot is van 10 plaatsen. Voor de parkeerbehoefte van de buitensportvelden voor voetbal en handbal wordt aansluiting gezocht bij het verkeersonderzoek. Deze hebben een geschatte verkeersgeneratie van 75 verkeersbewegingen. Deze bestaat deels uit het halen en brengen van de leden van de sportverenigingen en hebben daarmee een tijdelijke parkeerbehoefte. Verwacht wordt de extra 10 parkeerplaatsen, op het piekmoment in de week en bij volledige bezetting, hierin kan voorzien. Binnen het projectgebied is dan ook de verwachting dat in voldoende mate worden voorzien in de parkeerbehoefte. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming 5.4.1 Gebiedsbescherming 5.4.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en 26

Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Situatie projectgebied Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied 'Engbertsdijkvenen' ligt op een afstand van circa 1,9 kilometer. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 6 van deze motivering. Op basis van de AERIUS-berekening blijkt dat er geen sprake is van een stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. Conclusie Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. 5.4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Situatie projectgebied Het projectgebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het projectgebied ligt op circa 350 meter van het NNN. Gezien deze afstand, de tussenliggende bebouwing en infrastructuur in combinatie met de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Conclusie De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

27

5.4.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie projectgebied In het voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 7 van deze motivering.

Quickscan natuurwaardenonderzoek Het projectgebied is geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het projectgebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels in het projectgebied en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen en amfibieën bezetten geen vaste (winter)rust- of verblijfplaats in het projectgebied. In de te rooien beplanting nestelen mogelijk vogels. Van de in het projectgebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de voorgenomen activiteiten uit te voeren buiten de voortplantingsperiode, of voldoende rekening te houden met mogelijk aanwezige vogelnesten. Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en/of voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze verjaagd of weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning vereist. De betekenis van het projectgebied als foerageergebied is niet beschermd. Aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit te worden aangevraagd. Gevolgen van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Geen bezette vogelnesten negatief beïnvloeden; • Geen grondgebonden zoogdieren doden.

28

Conclusie Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

5.5 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie projectgebied Aan de hand van de NIBM tool is de bijdrage van het project op de luchtverontreiniging berekend. In onderstaande uitsnede is het resultaat te zien. De bijdrage van het extra verkeer (zie ook paragraaf 5.3) is niet in betekenende mate.

29

De beoogde functies van een basisschool en kinderdagverblijf zijn daarnaast aangemerkt als gevoelige functies. Overheden kunnen met de instrumenten van de Omgevingswet sturen op het toelaten van nieuwe functies, zoals gevoelige gebouwen of uitbreidingen op bepaalde locaties. De kern van de sturingsfilosofie hierin is om voldoende afstand te houden tussen luchtverontreinigende bronnen en gevoelige functies. Gevoelige functies zijn in ieder geval scholen, kinderopvang en woonzorgcentra voor ouderen. In het advies ‘Bescherming Hooggevoelige Groepen’ wordt geadviseerd om de volgende afstanden aan te houden bij het toestaan van gevoelige functies: • • •

150 meter van snelwegen; 50 meter van provinciale wegen; 25 meter van drukke binnenstedelijke wegen;

De MFA wordt ruim buiten deze afstanden gerealiseerd. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6 Geluid 5.6.1 Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

30

Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het ‘Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen’ en de ‘Nota hogere grenswaarden’. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofden ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype ‘Woongebied’. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde ‘redelijk rustig’ (48 dB) en de bovengrens ‘onrustig’ (53 dB). 5.6.2 Situatie projectgebied Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door wegen In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen.

Daarom gelden voor wegen de volgende afstanden: • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt: 200 m; en • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 m. De MFA wordt op een afstand van circa 230 meter ten noordoosten van de Langehaarsweg (N343) gerealiseerd. Deze heeft een wettelijke geluidszone van 200 meter, aangezien de MFA in stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het projectgebied wordt verder begrensd door de Hardenbergerweg en de Iemenboersweg, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Gelet op het vorenstaande kan redelijkerwijs worden gesteld dat aan de ambitiewaarde/bovengrens van het gebiedstype ‘Woongebied’ wordt voldaan. Afbeelding 5.1 toont dit ook aan. Geconcludeerd wordt dat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het geluid door wegen geen belemmering vormt.

31

Afbeelding 5.1: Geluid afkomstig van wegverkeerslawaai (Bron: Atlas Leefomgeving)

Geluid door spoorwegen De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op circa 9,4 kilometer afstand en vormt dan ook geen belemmering in het kader van geluidhinder. Geluid door industrieterreinen Het projectgebied bevindt zich niet in de aanwezigheid van een industrieterrein. Solitaire bedrijvigheid Onder de Omgevingswet worden milieuaspecten niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval geldt voor het project gebied de oude systematiek. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor.

Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

32

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In voorliggend geval ligt het projectgebied in het dorpscentrum van Langeveen waar zich diverse functies (horeca, maatschappelijk, sport en wonen) bevinden. In dit geval kan daarom worden uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Hieronder worden de richtafstanden gegeven. Milieucategorie

Richtafstanden tot rustige woonwijk

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

omgevingstype

Richtafstanden tot gemengd gebied

omgevingstype

0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie projectgebied Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De locatie waar het MFA gebouw wordt gerealiseerd en waar het voetbalveld en de tennisbaan gesitueerd zijn hebben de bestemming 'Sport'. Binnen de sportfunctie zijn reeds sportactiviteiten, sportvelden, speelterreinen en bijbehorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen en lichtmasten (max. 20 m hoog) toegelaten. De planologische situatie verandert voor deze functies daarom qua gebruik niet, waardoor de in de omgeving aanwezige woonfuncties niet met meer milieuhinder te maken krijgen dan nu planologisch mogelijk is. De nieuwe parkeervoorzieningen nabij de woonfuncties aan de Hardenbergerweg worden zodanig afgeschermd met groen dat er geen onevenredige overlast kan ontstaan door lichthinder van autolampen.

Dit geldt ook voor de tennisbaan. Tussen de tennisbaan en de woningen aan de Bruinehaarsweg 68 en 70 komt een robuuste bossingel. Daarnaast worden de lichtmasten zodanig geplaatst dat lichthinder tot een minimum wordt beperkt. Tegelijkertijd belast een school, BSO of KDV ook geluidgevoelige objecten in de omgeving, zoals woningen. Bepalend voor die belasting is het stemgeluid van kinderen op het schoolplein. De school, BSO en KDV worden in het nieuwe MFA gebouw ondergebracht, waarbij het schoolplein (natuurspeelterrein) wordt gerealiseerd aan de Hardenbergerweg. De richtafstand voor een school, BSO of KDV met schoolplein in het gebiedstype 'gemengd gebied' is 10 meter voor eventuele geluidshinder. Binnen een afstand van 10 meter van de school of het schoolplein bevinden zich geen woonfuncties. De woning aan de Hardenbergerweg 259 ligt op 10 meter. Aan de hand van de toetsvragen uit de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ wordt daarom een nadere akoestische beschouwing gemaakt om te beoordelen of er sprake zal zijn van een aanvaardbare situatie.

33

Wat is de schaalgrootte van de activiteit? De beoogde activiteiten zijn, gelet op de milieucategorie, kleinschalig en over het algemeen geschikt voor gebieden met functiemenging. Vinden met regelmaat geluidproducerende activiteiten plaats met geopende deuren of in de buitenlucht met een kraan of shovel, dan wel laden en lossen met inzet van een heftruck met verbrandingsmotor? Bij een school, BSO en KDV is dit niet het geval. In welke dagdelen vinden de activiteiten plaats? De geluidbelastende activiteiten in de MFA vinden met name in de ochtend en de middag plaats, niet in de avond- en nachtperiode. Hangen de activiteiten samen met bewegingen van vrachtwagens? Bij minder dan 4 transportbewegingen met vrachtwagens gemiddeld per dag en vooral in de dagperiode is er sprake van een activiteit die veelal verenigbaar is met functiemenging. Dit is het geval. Zijn dakinstallaties op bedrijfsbebouwing aanwezig van enige omvang? De MFA wordt niet voorzien van geluidproducerende installaties met enige omvang. Gelet op bovenstaande beschouwing, in combinatie met het feit dat op dit moment reeds sportvoorzieningen zijn toegestaan op 0 meter van de nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat.

Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De ontwikkeling voorziet onder andere in de realisatie van een basisschool, BSO en KDV. Deze functies zijn geluidgevoelig en kunnen hinder ervaren van functies in de omgeving. In voorliggend geval kan hinder ondervonden worden van de sportvelden. Hierbij kan worden opgemerkt dat de sportvelden met name in de namiddag en avonduren worden gebruikt, wanneer de school uit is. Een akoestisch onderzoek naar geluidshinder wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de in de omgeving voorkomende milieubelastende functies niet (onevenredig) in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Conclusie Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.7 Geur Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder).

Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

34

• •

•

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat);Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • Geurnormen in het omgevingsplan • Rekenen • Afstandseisen • Randvoorwaarden Situatie projectgebied Het project voorziet in de realisatie van een (deels) geurgevoelig gebouw in de bebouwde kom.

In dit geval bedraagt de afstand tot de dichtstbijzijnde intensieve veehouderij circa 250 meter. Gelet op deze afstand wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht ter plaatse van het projectgebied. Conclusie Vanuit het aspect ‘geur’ zijn er geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.8 Omgevingsveiligheid Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

35

• • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Situatie projectgebied Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. De locatie van het projectgebied is aangegeven met de blauwe ster.

Afbeelding 5.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart)

De meest nabijgelegen risicobron betreft een tankstation aan de Bruinehaarsweg. Zoals uit afbeelding 5.2 blijkt, ligt het projectgebied buiten de bijbehorende brand- en explosieaandachtsgebieden. Deze vormt daarmee geen belemmering. Verder is er geen sprake van de realisatie van een activiteit die gepaard gaat met de opslag van gevaarlijke stoffen die een risico vormen voor de veiligheid van de omgeving. 36

Conclusie Met de voorgenomen activiteiten wordt de omgevingsveiligheid in voldoende mate gewaarborgd. 5.9 Trilling Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Situatie projectgebied In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich geen spoorlijnen die voor trillinghinder kunnen zorgen. Daarnaast is er geen sprake van de realisatie van een trillingveroorzakende activiteit. Conclusie Het aspect ‘trillingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.10 Archeologie en cultuurhistorie Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie.

Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. De gemeente Tubbergen heeft de archeologische verwachtingswaarden vertaald in de dubbelbestemmingen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor het projectgebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting'. Op basis hiervan geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bouwwerken en -projecten met een oppervlakte van meer dan 2.500 m², waarbij de bodem op een

37

grotere diepte dan 0,4 m zal kunnen worden verstoord. Deze onderzoeksgrenzen worden overschreden, aangezien de MFA een oppervlakte heeft van circa 3.900 m². Om deze reden is door Laagland Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarvan de volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 8 van deze motivering. Hieronder wordt nader ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies van dit onderzoek. Archeologisch onderzoek Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het projectgebied archeologische sporen bevat, afgezien van diepere grondsporen. Dergelijke sporen zijn alleen effectief op te sporen door middel van gravend onderzoek. De resultaten van het hier uitgevoerde bureau- en verkennend booronderzoek geven geen aanleiding tot een dergelijk vervolgonderzoek. Om deze reden wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het projectgebied, ter plaatse van de te realiseren MFA, vrij te geven. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermend monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Er bevinden zich in het projectgebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van archeologische en cultuurhistorische worden. 5.11 Bodem Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

38

•

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • • • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Situatie projectgebied Ter plaatse van het projectgebied is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de onderzoekresultaten. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 9 van de motivering. De onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters alsmede asbest. In de bovengrondmengmonsters BM1, BM2 en BM3 en in de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb1wm1 zijn lichte verhogingen koper, cadmium en barium aangetroffen. In het grondwatermonster Pb2wm1 zijn lichte verhogingen barium en naftaleen aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Waterbelang 5.12.1 Vigerend beleid Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:

39

• • •

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Beleid Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Vechtstromen is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur.

Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. 5.12.2 Wateraspecten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt.

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. 5.12.3 Watertoetsproces en waterhuishouding projectgebied Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. In verband met het nieuwe gebruik van de locatie is het nodig om de lokale waterhuishouding en de gevolgen van de herontwikkeling op de huidige

40

waterhuishoudkundige situatie in kaart te brengen. Hiervoor is door Geofoxx een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 10 van deze motivering. Door de ontwikkeling is in het openbaar gebied straks circa 8.084 m² verharding aanwezig. In lijn met de beringseis (40 mm) is binnen het projectgebied 323 m³ bergingscapaciteit benodigd. De verhardingstekeningen van de nieuwe situatie is opgenomen in bijlage 11. Binnen het projectgebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater middels IT-riolen te laten afstromen naar de noordoostelijk gelegen wadi. Deze wadi heeft voldoende capaciteit om een bui van 40 mm volledig te bergen. Op moment dat er meer dan 40 mm neerslag valt (of bij meer dan 0,3 m water in de wadi) zal het water richting de zuidoostelijk gelegen wadi geleid worden. Het IT riool samen met de twee wadi’s zorgen ervoor dat het totale systeem circa 60 mm bergingscapaciteit heeft. De rioleringstekening is opgenomen als bijlage bij het waterhuishoudkundig plan. In geval sprake is van 91 mm neerslag, zal een deel hiervan afstromen naar de lager gelegen delen van het projectgebied danwel aanliggende landbouwpercelen. De vloer en bouwpeilen zijn hoger gelegen. Directe schade aan bebouwing of infrastructuur wordt daarom niet aannemelijk geacht. Advies: •

•

•

Er is geen directe noodzaak om de wadi’s te voorzien van een drainage. Echter wordt aanbevolen om zandkoffers aan te brengen onder in de wadi zodat water sneller kan infiltreren naar de onderliggende zandlaag; Geadviseerd wordt om zoveel mogelijk dakwater vanaf de MFA richting de zuidoostelijk gelegen IT leiding af te voeren. Op deze manier wordt de andere IT leiding waar meer verhard oppervlak op is aangesloten ontzien en de totale afvoercapaciteit groter; In lijn met de stesstest is bekend dat delen van de grasvelden en landbouwgebieden binnen en buiten het projectgebied onder water komen te staan bij hevige neerslag. In geval meer dan 60 mm neerslag valt, zal hemelwater aan de zuidzijde van het projectgebied naar de aanliggende percelen afstromen. Geadviseerd wordt na te gaan of dit, in overleg met aanliggende eigenaren, een gewenste situatie is.

5.1.4 Conclusie Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

41

5. Financiële haalbaarheid De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente. De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer. Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over eventuele nadeelcompensatie.

Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld. Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.

42

6. Voorwaarden omgevingsvergunning Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten evenwichtig over locaties te reguleren. In dat verband worden de volgende voorwaarden aan de vergunning verbonden: Landschappelijke inpassing 1. Er is sprake van een met de omgevingsvergunning strijdig gebruik indien de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven activiteiten in gebruik worden genomen zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing; 2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig deze omgevingsvergunning in gebruik worden genomen onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na het tijdstip van onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan. Hemelwater Er is sprake van een met de omgevingsvergunning strijdig gebruik indien de gronden en bouwwerken overeenkomstig de in dit hoofdstuk beschreven activiteiten in gebruik worden genomen zonder dat in voldoende mate is voorzien in de waterbergingseis, zoals dit is opgenomen in bijlage 10 en 11 van deze motivering.

Parkeren De omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend onder de voorwaarde dat de inrichting van de gronden zodanig plaatsvindt dat er voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd. Voldoende betekent dat in dit geval dat: 1. wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren' en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging of; 2. Aan de hand van een parkeeronderzoek wordt aangetoond dat kan worden afgeweken van de normen zoals die zijn neergelegd in de ‘Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren’.

43

Bijlagen bij de ruimtelijke motivering Bijlage 1

Ruimtelijk kwaliteitsplan

44

Bijlage 2

Participatieverslag

45

Bijlage 3

Aanmeldnotitie project m.e.r.-beoordeling

46

Bijlage 4

Verkeersonderzoek

47

Bijlage 5

Parkeerbalans en parkeerdruk

48

Bijlage 6

Onderzoek stikstofdepositie

49

Bijlage 7

Quickscan natuurwaardenonderzoek

50

Bijlage 8

Archeologisch onderzoek

51

Bijlage 9

Verkennend bodemonderzoek

52

Bijlage 10

Waterhuishoudkundig plan

53

Bijlage 11

Verhardingstekening

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1293/documents/26260