Bijlage Bestemmingsplan - Toelichting.pdf
Tekst van het document
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 29
wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen.
Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.6.2
Onderzoek
Vanuit de Wet Geluidshinder dienen enkel nieuwe geluidsgevoelige objecten te worden onderzocht. De bedrijfswoning is reeds een geluidsgevoelig object en behoeft om deze reden niet onderzocht te worden in het kader van wegverkeers- en spoorweglawaai. Een bedrijfswoning die bij de eigen inrichting hoort, is voor de beoordeling van de eigen inrichting geen gevoelig gebouw. Omdat de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, is de woning niet meer beschermd tegen geluid van desbetreffende inrichting. Om de geluidsbelasting van de inrichting, in dit geval het tankstation, te berekenen is door akoestisch onderzoeksbureau Tideman een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 behorend bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. De resultaten zijn hierna weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van deze woning wordt voldaan aan een etmaalwaarde van 50 dB(A). Ter plaatse van de woning wordt tevens voldaan aan de standaardregels voor de maximale gewogen geluidniveaus. Gezien de tuin, welke als verblijfsgebied wordt gebruikt, tussen het tankstation en de woning bevindt, moet onderbouwd worden dat hier sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
30
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
Bij de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat dient niet slechts alleen betrekking te hebben op de geluidbelasting op de gevel, maar eveneens betrekking te hebben op de tuin. Indien hieraan geen enkele aandacht wordt besteed wordt niet aannemelijk gemaakt dat met het plan een goed woon- en leefklimaat is verzekerd. Voor de geluidbelasting in de voortuin is geen vast toetsingskader beschikbaar. In deze situatie kan ook worden volstaan met de constatering dat er een achtertuin aanwezig is. Hiermee kan er een geluidsluwe buitenruimte worden gecreëerd. Vanwege het tankstation wordt in de voortuin een geluidbelasting verwacht van maximaal 50 dB(A). Hiermee is de geluidbelasting in de voortuin ook lager dan de richtwaarde en is aannemelijk gemaakt dat ook in de voortuin een goed woon- en leefklimaat is verzekerd. Het gehele geluidsonderzoek is te raadplegen als Bijlage 3 Akoestisch onderzoek industrielawaai. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1
Algemeen
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 31
ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend. NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. 4.7.2
Onderzoek
Het voornemen voorziet niet in een toevoeging van een object dat negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit. Tevens zal de verkeersgeneratie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling niet wijzigen. Een nadere uitwerking van het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.8 Bedrijven en milieuzonering Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals het uitgangspunt van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).
Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijken buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 32
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m
5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.8.1
Onderzoek
Type gebied: gemengd gebied 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.' Kijkend naar deze definitie omschrijving uit de VNG brochure kan de omgeving van de Bruinehaarsweg 31 getypeerd worden als een 'gemengd gebied'. De Langehaarsweg, de N343, die vóór het plangebied loopt, is een doorgaande weg langs de kern van Langeveen. Het tankstation welke binnen het plangebied ligt, heeft haar open afrit op de N343. Gezien de Langehaarsweg als provinciale N-weg is gekwalificeerd, wordt deze weg beschouwd als hoofdinfrastructuur conform de definitie van de VNG. Het plangebied ligt direct langs en is zelfs direct verbonden met deze provinciale weg, waardoor het gebied wordt beschouwd als 'gemengd gebied'. Ook de verscheidenheid aan functies maakt dat dit gebied als gemengd aangeduid kan worden.
De verschillende functies die in de nabije omgeving van het plangebied voorkomen zijn: Wonen, Agrarisch, Verkeer (hoofdinfrastructuur), Bedrijf, Bedrijf – verkoop van motorbrandstoffen, Bedrijf-garage, Bedrijf-bedrijfswoning, Bedrijf-zend/ontvangstinstallatie. Al deze aspecten maken dat de omgeving van het plangebied als gemengd gebied gekwalificeerd kan worden. Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie Middels voorliggend plan wordt een bestaande bedrijfswoning herbestemd naar een reguliere woning. Een woning wordt in beginsel niet beschouwd als een milieubelastende activiteit. Derhalve kent onderhavig plan geen externe werking met betrekking tot milieuzonering. Wel dient te worden gekeken of omliggende functies invloed hebben op de woning. Om te kunnen beoordelen of bij in de omgeving van de woning sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd zijn hieronder in tabel 4.2 de gegevens behorende bij de nabijgelegen bedrijfsactiviteit weergegeven. Op basis van deze tabel kan geconcludeerd worden of de voorgenomen ontwikkeling belemmeringen ondervindt van de omgeving. Tabel 4.2: richtafstanden activiteiten in de omgeving Adres
Omschrijvingcf. systematiek VNG-richtlijn
Richtafstand, 1 stap verkleind (m) 10
Werk. afstand (m) 8,5
Milieubepalend aspect Bruinehaarsweg 31 Benzineservicestations - zonder LPG Geur, geluid en gevaar De afstand van het bouwvlak behorend bij het tankstation tot het bouwvlak behorend bij de woning is 8,5 meter. De afstand tussen de bestemmingsgrenzen van de bedrijfs- en woonbestemming is 0 meter. De richtafstand wordt overschreden. In het kader van het milieubepalende aspect geluid is akoestisch onderzoek naar industrielawaai verricht, dit is uitgebreid beschreven in paragraaf 4.6. In dit onderzoek worden het ontluchten van remmen van vrachtwagens, het dichtslaan van een autoportier of het komen en gaan van voertuigen aangemerkt als piekgeluiden, oftewel de maatgevende geluidsbronnen van het milieubepalende aspect geluid. De piekgeluiden die optreden zijn eveneens in een afzonderlijk rekenmodel opgenomen in het Akoestisch onderzoek industrielawaai. Hierbij is gerekend met een toeslag op de bronsterkte van vrachtwagens van 3 dB zodat wordt gerekend met een bronvermogen van 105 dB(A). Zodra de wagens op de openbare weg zijn en meer ruimte hebben kan het piekbronvermogen hoger zijn, omdat met meer kracht wordt opgetrokken. Voor de piekgeluiden die optreden op de openbare weg gelden geen eisen. Ter plaatse van het tanken is het bronvermogen verhoogd met 20 dB tot 100 dB(A) dat representatief is voor het dichtslaan van een autoportier.
De bronvermogens van de rijlijnen van de personenwagens zijn verhoogd met 5 dB naar 95 dB(A) tijdens het wegrijden van een personenwagen. De piekgeluiden die zijn aangehouden, gelden bij een “normaal” gebruik waarbij een portier rustig wordt dichtgeslagen en waarbij met gebruikelijke snelheid wordt vertrokken. In het onderzoek wordt geconstateerd dat wordt voldaan aan de bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 33
grenswaarden voor het aspect geluid. De activiteiten c.q. handelingen die plaatsvinden waarbij de piekgeluiden vrijkomen, zijn feitelijk gezien altijd op meer dan >10 meter afstand van de gevel van de woning. Gelet op de activiteiten voldoet de feitelijke werkwijze in de praktijk wel aan de richtafstandseisen. Echter, bij het toepassen van zonering moet rekening gehouden worden met de planologische rechten. Dit betekent dat gemeten wordt vanaf de grens van de bestemming van het bedrijf en de bestemmingsgrens van de nieuwe gevoelige functie. Zo wordt rekening gehouden met de eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf of de gevoelige functie. Gezien er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn van het bedrijf of de gevoelige functie, is deze regel niet van toepassing. Op deze manier beschermt milieuzonering de kwaliteit van de leefomgeving én de belangen van bedrijven. In dit geval voldoet het plan tevens aan het Activiteitenbesluit, waarmee het automatisch ook voldoet aan een goed woon- en leefklimaat. De geuractiviteiten bij het tankstation beperken zich tot de zijde van het bouwvlak die grenst aan de Langehaarsweg. Eventuele geurhinder bij tankstations moet wettelijk gezien beperkt worden, om een goede ruimtelijke ordening of een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Dit is geregeld in artikel 3.20 van het Activiteitenbesluit.
Het tankstation in onderhavig plangebied voldoet aan de luchtvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Deze voorschriften stellen dat een Damp Retour Systeem verplicht is om geurhinder te voorkomen, tenzij het gaat om: Afleverinstallaties met een doorzet van minder dan 500 m3 per jaar; Afleverinstallaties met een doorzet van minder dan 100 m3 per jaar onder permanente woon- of werkruimten; Tankstations die alleen lichte olie afleveren als het gaat om de vervaardiging van nieuwe motorvoertuigen voor het wegverkeer. Het betreffende tankstation voldoet aan de eerste voorwaarde. De andere twee punten zijn niet van toepassing. De afgelopen 5 jaar is de doorzet aanzienlijk minder dan 500 m3: Jaar 2018 2019 2020 2021 2022
Doorzet (in m3) 344 357 332 275 282
Gezien de doorzet van minder dan 500 m3 per jaar, voldoet het tankstation aan de wettelijke eisen voor tankstations vanuit het Activiteitenbesluit. Op basis van het Activiteitenbesluit is bepaald dat de geurhinder verwaarloosbaar is en geuronderzoek niet noodzakelijk is. Hierdoor wordt gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met betrekking tot het milieubepalende aspect gevaar wordt middels het plan zelfs een positieve ontwikkeling mogelijk gemaakt door het LPG-punt te amoveren. Daarnaast wordt met het onderhavige plan een forse milieubelastende activiteit opgeheven, omdat de verkoop van LPG definitief wordt beëindigd. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning en dat het tankstation niet in de uitbreidingsmogelijkheden wordt belemmerd. Daarnaast zal het tankstation overgaan van bemand naar onbemand tanken waarvoor een melding zal worden gemaakt bij bevoegd gezag. Indien zich binnen 20 meter van de afleverzuil een object van derden bevindt is het naar weten zelf milieuvergunningplichtig. Daarbij gaat het om de afstand tussen de gevel van een object van derden en de dichtstbij gelegen afleverzuil. In voorliggend geval wordt de bedrijfswoning losgekoppeld van het bedrijf en bestemd als reguliere woning, waardoor het geen binding meer heeft met het tankstation.
Doordat de afstand meer dan 20 meter bedraagt, wordt volstaan met een melding. De houder van de inrichting is verantwoordelijk voor deze melding. 4.8.2
Conclusie
Bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
34
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
4.9 Externe veiligheid 4.9.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.9.2
Onderzoek
In figuur 4.1 is een uitsnede van de risicokaart van de Atlas Leefomgeving weergegeven. Het plangebied is met een rode driehoek aangeduid.
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 35
Figuur 4.1: Uitsnede Atlas Leefomgeving (Bron: Atlas Leefomgeving) De in het plangebied aanwezige risicocontouren zijn enkel aanwezig vanwege het LPG-vulpunt. Omdat het LPG-punt verdwijnt, verdwijnt de risicocontour eveneens. In de toekomstige situatie zijn derhalve geen risicovolle inrichtingen meer aanwezig in of rondom het plangebied. Verder ligt het plangebied niet in invloedsgebieden van transportassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ook zijn er geen buisleidingen nabij het plangebied gesitueerd. 4.9.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10
Verkeer en parkeren
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de verkeersgeneratie dan wel het benodigd aantal parkeergelegenheden. De Bruinehaarsweg betreft een overzichtelijke en verkeersveilige weg met een lage intensiteit. De Langehaarsweg, aan de westzijde betreft een drukke weg, overzichtelijk waarbij geen sprake is van verkeersproblematiek. Tevens zijn binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheden aanwezig ten behoeve van de aldaar aanwezige woning danwel ten behoeve van het tankstation. Het aspect parkeren en verkeersgeneratie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.10.1 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen vormt voor het onderhavige plan.
36
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.11.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. 4.11.3 Conclusie In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn geen belemmeringen te verwachten gelet op het feit dat er geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden.
4.12
MER-toets
4.12.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 37
4.12.2 Onderzoek 4.12.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 250.000 bezoekers of meer per jaar, of een oppervlakte van 25 hectare of meer, of 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Gezien bovengenoemde drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een directe m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de verwachte milieuhinder, de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
4.12.3 Conclusie Er is geen sprake van de ontwikkeling waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is.
38
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1 Juridische aspecten De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en de overige regels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen. 5.1.1
Wegbestemmenzonering LPG
De contour van het plangebied wijkt in de plankaart af ten opzichte van de contour van het plangebied zoals weergegeven op de figuren in dit bestemmingsplan. Dit komt omdat de zonering van de LPG-verkoop verder reikt dan de perceelsgrenzen waarop de herinrichting plaatsvindt. De gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - lpg', zoals aangegeven in bestemmingsplan ''Kleine Kernen'' en de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bedrijven' zoals aangegeven in bestemmingsplan ''Tubbergen Buitengebied 2016'', worden wegbestemd als gevolg van de gestaakte LPG-verkoop. Deze gebiedsaanduidingen moeten worden wegbestemd, in verband met de verplichtingen die een zonering met zich meebrengt. De omliggende gronden worden wel meegenomen in de verbeelding, maar de regels en mogelijkheden voor de bestemmingen van derden veranderen niet. De bestemmingsregels ter plaatse van gronden van derden blijven onverkort van toepassing, zoals ook geregeld in de regels behorend bij voorliggend bestemmingsplan. 5.1.2
Inleidenderegels
5.1.2.1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. 5.1.2.2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten. bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 39
5.1.3
Bestemmingsregels
5.1.3.1 Agrarisch De voor de bestemming ''Agrarisch'' geldende bestemmingsregels conform het bestemmingsplan ''Kleine Kernen'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.1317009-vg01 en ''(veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.VEEGPLANKERNEN-VG01 blijven onverkort van toepassing in voorliggend bestemmingsplan. 5.1.3.2 Agrarisch - 1 De voor de bestemming ''Agrarisch - 1'' geldende bestemmingsregels conform het bestemmingsplan ''Tubbergen Buitengebied 2016'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.1410621-vg01 en bestemmingsplan ''Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.BPBUIVEEGPLAN-VG01 blijven onverkort van toepassing in voorliggend bestemmingsplan. 5.1.3.3 Wonen De voor de bestemming ''Wonen'' geldende bestemmingsregels conform het bestemmingsplan ''Kleine Kernen'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.1317009-vg01 en ''(veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.VEEGPLANKERNEN-VG01 blijven onverkort van toepassing in voorliggend bestemmingsplan. 5.1.3.4 Wonen - 1 De gronden, achter de bedrijfsbebouwing worden voorzien van de bestemming ''Wonen - 1''. Het betreffen de gronden waar in de huidige situatie de bedrijfswoning en garage is gesitueerd.
Binnen deze bestemming is enkel één woning toegestaan naast dat gelet op het feit enkel sprake is van een planologische wijziging ter plaatse van dit deel, de bebouwing en gebruiksmogelijkheden feitelijk wordt vastgelegd. Binnen deze bestemming is de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde -middelhoge archeologische verwachting' van toepassing en de functieaanduiding zend- en ontvangstinstallatie. Bebouwing dient binnen het aldaar gelegen bouwvlak te worden gerealiseerd, dan wel behouden. Bebouwing dient aan de maatvoeringsvereisten te voldoen. 5.1.3.5 Bedrijf De gronden aan de voorzijde van het perceel zijn voorzien van de bestemming ''Bedrijf''. Ter plaatse van deze gronden zijn bedrijven behorende bij categorieën 1 en 2 toegestaan. Binnen deze bestemming is een bouwvlak aanwezig met maatvoering. Bebouwing dient binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. 5.1.3.6 Verkeer De voor de bestemming ''Verkeer'' geldende bestemmingsregels conform het bestemmingsplan ''Kleine Kernen'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.1317009-vg01 en bestemmingsplan '' Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.BPBUIVEEGPLAN-VG01 blijven onverkort van toepassing in voorliggend bestemmingsplan. 5.1.3.7 Waarde - Archeologie De gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming ''Waarde - Archeologie''.
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Gelet op het feit dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen bodemverstoringen gaan plaatsvinden, dan de verstoringen die reeds hebben plaatsgevonden, wordt de dubbelbestemming overgenomen. 5.1.3.8 Waarde - Archeologie 4 De voor de bestemming ''Waarde - Archeologie 4'' geldende bestemmingsregels conform het bestemmingsplan ''Tubbergen Buitengebied 2016'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.1410621-vg01 en bestemmingsplan ''Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'' met IMRO-code NL.IMRO.0183.BPBUIVEEGPLAN-VG01 blijven onverkort van toepassing in voorliggend bestemmingsplan.
40
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
5.1.4
Algemene regels
5.1.4.1 Anti-dubbeltelregel Het doel van de anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein dan wel plandeel nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. 5.1.4.2 Algemene bouwregels In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot de bestaande maatvoering 5.1.4.3 Algemene gebruiksregels In dit artikel worden regels opgenomen ten behoeve van het strijdig gebruik van gronden en bouwwerken. 5.1.4.4 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene afwijkingsregels opgenomen waarbij met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden. 5.1.4.5 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot parkeren. 5.1.5
Overgangs- en slotregels
5.1.5.1 Overgangsregels Voor de overgangsregels is onderscheid gemaakt tussen de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken en de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik. Zowel de overgangsbepalingen ten aanzien van bouwwerken als de overgangsbepalingen ten aanzien van gebruik gelden vanaf inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat zo weinig mogelijk gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht. Vooraf dient een afweging te worden gemaakt tussen legaliseren (positief bestemmen) dan wel handhaving van illegale situaties. De overgangsbepalingen voor bouwwerken en gebruik zijn overgenomen uit artikelen 3.2.1 en 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 5.1.5.2 Slotregel Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2 Handhaving De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: de regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving; handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren; niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (onder andere in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijken van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 41
wordt gevormd door: de regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels; het afwijkingenbeleid. In dit bestemmingsplan is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo interpretatiemogelijkheden.
min mogelijk
Verder zijn aan de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
42
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Deze ontwikkeling maakt daarmee geen bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
Het kostenverhaal beperkt zich tot legeskosten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Inspraak Er zijn mondeling omwonenden en andere betrokkenen op de hoogte gebracht van het planvoornemen. Waar mogelijk zijn opmerkingen in het plan verwerkt. In het kader van inspraak is het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze perioden kan één ieder zijn of haar reacties indienen.
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 43
44
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen
Hoofdstuk 7
Procedure en overleg
In dit hoofdstuk is de procedure van het bestemmingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in het algemeen in een bestemmingsplanprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen stappen in de procedure van bestemmingsplan 'Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen'.
7.1 Procedurestappen Een bestemmingsplan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een ontwerp bestemmingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3
Beroep
Nadat de raad het bestemmingsplan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Daarom wordt het bestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen waterschapsbelangen gemoeid zijn. Een vooroverleg is daarom niet noodzakelijk geacht.
7.3 Zienswijzen Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen' heeft vanaf 28 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon eenieder een zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
bestemmingsplan Buitengebied, Bruinehaarsweg 31 Langeveen 45