Bijlage Bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35 (8-9-2022) (1).pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, Beekzijdeweg 33 En 35
Status: vastgesteld
Status: Datum: IMRO-Code: Auteur(s):
vastgesteld NL.IMRO.0183.BUIBPBKZIJDEWG33-VG01
Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Huidig planologisch regime 1.5 Leeswijzer
7 7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Omgeving 2.2 Landgoed Geerdink
11 11 11
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Gewenste ontwikkeling 3.2 Verkeer en parkeren
13 13 17
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
19 19 20 29 32
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Geluid 5.2 Bodemkwaliteit 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Externe veiligheid 5.5 Milieuzonering 5.6 Geur 5.7 Ecologie 5.8 Archeologie & cultuurhistorie 5.9 Besluit milieueffectrapportage
39 39 39 40 41 42 44 45 47 49
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Vigerend beleid 6.2 Waterparagraaf
51 51 51
Hoofdstuk 7 Juridische aspecten en planverantwoording 7.1 Inleiding 7.2 Opzet van de regels 7.3 Verantwoording van de regels
53 53 53 54
Hoofdstuk 8
57
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 9 Vooroverleg 9.1 Vooroverleg 9.2 Inspraak 9.3 Zienswijzen
2
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
59 59 59 59
Bijlagen toelichting
61
Bijlage 1
Landschapsvisie
62
Bijlage 2
Landschapsplan
80
Bijlage 3
KGO-plan
123
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
140
Bijlage 5
Stikstofberekening
173
Bijlage 6
Zienswijzennota
191
Regels
201
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
203 203 211
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Bestemmingsregels Agrarisch - 2 Bos - Natuur Water - 2 Wonen Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4
213 213 217 220 222 227 229
Artikel 9
Waarde - Ecologie
231
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16
Algemene Regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
233 233 234 235 236 237 238 239
Hoofdstuk 4 Artikel 17 Artikel 18
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
241 241 242
Bijlagen bij regels
243
Bijlage 1
Landschapsplan
244
Bijlage 2
Ondergeschikte tweede tak of een deeltijdfunctie
255
Bijlage 3
Lijst van toegestane evenementen
257
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
3
4
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
5
6
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Aan de Beekzijdeweg 33 te Vasse, in het buitengebied van de gemeente Tubbergen, bevindt zich een woonperceel. Het betreft een woonperceel waar voorheen een agrarisch erf gevestigd is geweest. Op het erf staan meerdere gebouwen met een hoge cultuurhistorische waarde. De boerderij en een bijbehorende schuur zijn aangewezen als rijksmonument. Het erf staat bekend als 'Landgoed Geerdink'. Initiatiefnemer is voornemens het erf te transformeren tot een recreatief erf, ten behoeve van een duurzame instandhouding van het monumentale landgoed. Hierbij wil men in bestaande bebouwing verblijfsrecreatieve eenheden realiseren. De bestaande woningen, waarvan er abusievelijk één planologisch niet bestemd is, blijven behouden. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk, aangezien de gebruiksmogelijkheden voor de recreatieve functie ontbreken. Daarnaast is zoals aangegeven één van de woningen abusievelijk niet bestemd. Dit dient te worden aangepast. Tevens dient de aanleg van een parkeerterrein behorende bij de ontwikkeling, op agrarische gronden, mogelijk worden gemaakt. Voor het geheel heeft de gemeente Tubbergen een positief principebesluit genomen, waarin is aangegeven dat de gemeente voornemens is medewerking te verlenen aan de ontwikkeling.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening' en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Tubbergen, nabij de kern Vasse. In de afbeeldingen 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe en ruimere omgeving weergegeven. Opgemerkt wort dat de zuidelijke strook enkel onderdeel van het plangebied is aangezien ter plaatse landschapsmaatregelen worden uitgevoerd.
Afbeelding 1.1
Ligging locaties plangebied in de ruimere omgeving (Bron: PDOK)
1.3 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan "Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35" bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (NL.IMRO.0183.BUIBPBKZIJDEWG33-VG01) en een renvooi; regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
7
1.4 Huidig planologisch regime 1.4.1
Algemeen
Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen "Tubbergen Buitengebied 2016" (vastgesteld op 23 mei 2016) en het veegplan "Tubbergen Buitengebied 2016" (vastgesteld op 15 december 2020). In dit geval is met name het bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016" relevant. 1.4.1.1 Bestemmingen Ter plaatse van het woonerf geldt de bestemming 'Wonen', waarbij ter bescherming van het monument de specifieke bouwaanduiding - monument' is opgenomen. Ter plaatse van de gronden rondom het woonerf gelden de bestemmingen 'Agrarisch - 2' en 'Bos - Natuur'. Ter plaatse van de beek geldt de bestemming 'Water - 2', waarbij ter plaatse van de bos en de waterbestemming tevens grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde Ecologie' geldt. Tot slot gelden voor het gehele plangebied de aanduidingen 'overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan', 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven. Aangegeven dient te worden dat de begrenzing indicatief is. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2016' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.4.1.2 Beschrijving bestemmingen Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn met name bestemd voor woonhuizen en bijbehorende bouwwerken. In de algemene bouwregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" is vanwege de 'specifieke bouwaanduiding - monument' opgenomen dat de gronden tevens bestemd zijn voor de bescherming van monumenten. Er is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden en het (ver)bouwen van monumenten. Gronden met de bestemming 'Agrarisch - 2' zijn met name bestemd voor het agrarisch gebruik. Gronden met de 8
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
bestemming 'Bos - Natuur' zijn met name bestemd voor natuur, bosbouw en houtproductie. Gronden met de bestemming 'Water - 2' zijn met name bestemd voor beken en sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen, alsmede het behoud van de natuurlijke en landschappelijke waarden en waterberging. De dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' is bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de gronden ten behoeve van de instandhouding van het NNN. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' zijn opgenomen ter bescherming van de te verwachten archeologische waarden. Tot slot is ter plaatse van de 'overige zone - geen boom- en sierteelt toegestaan' het verboden om sierteelt te realiseren en zijn plaatse van de 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' meerdere functies naast elkaar toegestaan. In de agrarische bestemmingen zijn aanvullende bepalingen opgenomen ten aanzien van deze gebiedsaanduiding. 1.4.2
Strijdigheid
Het uitoefenen van recreatieve functies past niet binnen de bestemming 'Wonen'. Daarnaast is abusievelijk één woning toegestaan. Met dit bestemmingsplan dient tevens de tweede woning planologisch geregeld te worden. Daarnaast is het aanleggen en gebruiken van een parkeerterrein niet toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch - 2' en dienen tot slot alle gronden waar landschapsmaatregelen plaatsvinden mee te worden genomen in het bestemmingsplan, aangezien de landschappelijke inpassing in de regels geborgd dient te worden. Dit bestemmingsplan vormt een maatwerkbestemmingsplan, waarbinnen het gewenste voornemen mogelijk wordt gemaakt. Tevens zal aangetoond worden dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.5 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een omschrijving van de gewenste ontwikkeling. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Tubbergen beschreven. In Hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue en Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. In Hoofdstuk 7 en Hoofdstuk 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat Hoofdstuk 9 in op het vooroverleg.
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
9
10
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Hoofdstuk 2
Huidige situatie
2.1 Omgeving Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Tubbergen, nabij de kern Vasse. Het gebied kenmerkt zich door verspreid liggende woonerven en enkele agrarische percelen in het natuurrijke en glooiende coulisselandschap van Noordoost-Twente. Kenmerkend zijn de ten zuiden en oosten van het plangebied liggende beek met daarachter de natuurgronden. Aan de noordzijde en westzijde komen vooral agrarische percelen voor. Uit de landschapsanalyse blijkt dat de omgeving bestaat uit hooi- en zandlanden, aan weerszijden van de beek. Het erf maakt deel uit van een cluster van erven rondom de beek. Uit het padenpatroon valt af te leiden dat erve Geerdink vroeger op een belangrijk knooppunt tussen Vasse en Ootmarsum lag. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de ligging van het plangebied weergegeven. Opgemerkt wordt dat de zuidelijke strook uitsluitend voorziet in landschappelijke maatregelen. Deze strook is op onderstaande kaart niet weergegeven.
Afbeelding 2.1 Luchtfoto huidige situatie (Bron: Provincie Overijssel)
2.2 Landgoed Geerdink Vanaf circa 1200 is er ter plaatse van het erf reeds een boerderij gevestigd. Het landgoed zelf bestaat uit 12,9 hectare landbouwgrond, 7,2 hectare bosgrond en 0,5 hectare boerderij en gebouwen. Het huidige voorhuis is ontworpen in Utrechtse stijl en is gebouwd in 1873 en staat dwars op het achterhuis. Het achterhuis is een tweekaps boerderij en is gebouwd in 1905. Daarnaast staan op er het erf een hooischuur uit 1850, een vakwerkschuur uit het jaar 1860 en een schuur uit 1870 (welke is verbouwd tot woonhuis). Vanaf 1999 zijn de gebouwen en grond bestempeld tot Landgoed Geerdink. Het landgoed herbergt veel historische waarde. Pastoors afkomstig van de boerderij hebben tijdens hun vele reizen relikwieën meegenomen uit Nazareth, Bethlehem en Rome. Dr. H. Schaepman heeft er veel voetstappen gezet en er een gedicht aan gewijd. Vanaf 2013 is er nagenoeg geen agrarische activiteit meer. Het erf ligt aan de bosrand, op een ruime afstand van de Beekzijdeweg. Het erf wordt via een in- en uitrit aan de bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
11
westzijde ontsloten op de Beekzijdeweg. Daarnaast ligt er tevens een ondergeschikte noordelijke ontsluiting die voorheen door landbouwverkeer gebruik werd. In de volgende afbeeldingen is de huidige situatie weergegeven.
Afbeelding 2.2 Functies Landgoed Geerdink (Bron: Initiatiefnemer)
Afbeelding 2.3 Functies gebouwen Landgoed Geerdink (Bron: Initiatiefnemer)
12
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
3.1 Gewenste ontwikkeling 3.1.1
Algemeen
Initiatiefnemers willen het landgoed, dat als sinds tijden bezit van de familie is, toekomstbestendig maken en zorgen dat de verbinding zowel binnen als buiten de regio blijvend wordt gelegd. Het totale project betreft het verbouwen van de verschillende gebouwen tot recreatieve functies (verblijfsrecreatie), waar zowel slaapmogelijkheden, een grote multifunctionele ruimte en een gezamenlijke keuken in worden gerealiseerd. In totaal gaat het om maximaal 17 recreatieve eenheden, verspreid over drie gebouwen, betreffende de hooischuur, stal en het oale hoes. Uitgangspunt is om zoveel mogelijk originele details van de rijksmonumentale gebouwen te behouden. Dit houdt in dat de ontwikkeling zoveel mogelijk circulair en energieneutraal uitgevoerd zal worden. Dit kan worden bereikt door het toepassen van lokaal verkrijgbare hernieuwbare en/of recyclebare materialen en het lokaal opwekken van energie. In de exploitatie van deze ruimten wil men samenwerken met lokale ondernemers om werkgelegenheid te bieden voor mensen in de directe omgeving. 3.1.2
Uitstraling en doelgroepen
Landgoed Geerdink is een buitenplaats voor inspiratie. Op het landgoed Geerdink komen letterlijk en figuurlijk vele wegen samen; De boerderij, waar veel historische verhalen over te vertellen zijn, pastoors in de familie die naar Rome reisden en terugkeerden met historische stenen uit het beloofde land, en de prachtige natuur die dit alles omringt. De bijzondere compositie van het erf, dat al beschreven staat sinds 1379, met daarop onder andere het woonhuis gebouwd in Utrechtse stijl en het achterhuis in de lokaal kenmerkende Saksische bouwstijl, staat met een been in de omgeving en is het met het andere verbonden met de wereld. De plek laat daarmee verschillende werelden samen komen: cultuurhistorie en natuur, platteland en verstedelijking. Landgoed Geerdink is ontworpen om de authenticiteit van de rijksmonumentale boerderij en de omringende natuur met alle zintuigen te ervaren in een hedendaags uitermate comfortabel onderkomen. De buitenplaats richt zich met twee vakantiewoningen en maximaal 15 een- twee- of driepersoonskamers, waarvan maximaal 8 studio’s, met eigen douche en toiletfaciliteiten, op groepen die op deze plek inspiratie zoeken, nieuwe inzichten en ervaringen opdoen. Zowel binnen als buiten zijn er volop mogelijkheden om in kleine en grote groepen verschillende activiteiten te ontplooien als yoga, meditatie, training en inspiratie sessies.
Met bovenstaande propositie wordt gericht vanuit de doelgroep segmentatie vanuit het BSR-model (leefstijlvinder) op de inzichtzoeker, de avontuurzoeker en mogelijk de stijlzoekers. De inzichtzoeker wordt verwelkomt op een authentieke buitenplaats waar alle rust ruimte is voor zelfontplooiing en ontwikkeling. De avontuurzoeker wordt de mogelijkheid geboden om te overnachten op een verrassende en unieke locatie waar natuur en cultuur samenkomen en waar mensen uit verschillende werelden elkaar ontmoeten. Voor de stijlzoeker wordt op Landgoed Geerdink exclusieve comfortabele studio's in een monumentale schuur en stal geboden, waar zij gebruik kunnen maken van de luxe restaurantfaciliteiten van een lokale partner. 3.1.3
Functies
In de verschillende gebouwen worden verscheidene functies gerealiseerd. De achterkant van de bestaande boerderij (oostzijde), de tot woning verbouwde schuur (nummer 35) blijven in gebruik voor privédoeleinden. Wel zal de achterkant worden verbouwd en uitgebreid, in overeenstemming met de monumentale waarde. De overige gebouwen, betreffende 't Oale Hoes, de deel, de stierenstal (vakwerkschuur) en de hooischuur, worden in gebruik genomen ten behoeve van de recreatieve functie. Het gaat om overnachtingsplaatsen en gemeenschappelijke ruimten. In de volgende afbeelding is dit visueel weergegeven. Daarnaast is het noodzakelijk om binnen de bestaande bebouwing een mantelzorgwoning toe te voegen. Deze wordt in gebruik genomen door de vader van initiatiefnemer. De mantelzorgwoning wordt in eerste instantie in de hooischuur. De mantelzorgwoning kan vergunningsvrij worden gerealiseerd, op basis van het Besluit Omgevingsrecht bijlage 2, artikel 2 onder 22. Voor deze woning hoeft dit bestemmingsplan planologisch dan ook niets vast te leggen. Gezien de woning wel deel uitmaakt van de ontwikkeling, wordt deze in de toelichting volledigheidshalve benoemd. bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
13
Opgemerkt wordt dat het gewenst is om twee vakantiewoningen te realiseren binnen de bestaande bebouwing. Het is nog niet bekend waar deze exact zullen worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan biedt deze flexibiliteit.
Afbeelding 3.1 Impressie gewenste inrichting (Bron: Initiatiefnemer) Aan de zuidzijde van het landgoed wil men gemeenschappelijke activiteiten uitoefenen, passend bij de uitstraling van het landgoed, die gericht is op inspiratie, rust en natuur. Het gaat dan om activiteiten zoals yoga en meditatie. Het landgoed zal op twee plaatsen worden ontsloten. Het streven is om de ontsluiting voor zowel privé als gasten via de nieuwe ontsluiting te reguleren. Dit wordt gedaan om de laan die langs de buren loopt zoveel mogelijk te ontlasten. Het bestaande laantje zal enkel worden gebruikt door incidenteel fietsers, gasten die gebruik maken van de invalidenparkeerplaatsen en aanvoer van emballage. Aan de zuidzijde van het landgoed zal een wandelpad worden toegevoegd. Dit doet initiatiefnemer om de gasten vanuit die kant naar het bos (tumuliweg) te laten leiden. Deze nieuwe ontsluiting loopt over een oud boerenpad/karrenspoor. Langs deze ontsluiting komt ten noorden van het landgoed een kleinschalig parkeerterrein. 3.1.4
Landschappelijke inpassing
Voor het gehele plan is door Odin een landschapsontwikkelingsplan gemaakt. Dit plan is in feite een uitwerking van een landschapsvisie van buro Greet Bierema. De landschapsvisie is als Bijlage 1 opgenomen. Opgemerkt wordt dat dit puur een visie is waarop het landschapsplan is gebaseerd. In het landschapsplan (Bijlage 2) is de beoogde ontwikkeling uitgewerkt. In feite is dit plan verder uitgewerkt dor voortschrijdend inzicht en nadere eisen van de opdrachtgever en de gemeente. De structuur van het plan van Bierema vormt de basis. In de volgende afbeeldingen zijn impressies van de gewenste landschappelijke inpassing weergegeven.
14
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Afbeelding 3.2 Weergave landschappelijke inpassing centrale deel landgoed (Bron: Odin)
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
15
Afbeelding 3.3 Weergave maatregelen centrale deel landgoed (Bron: Odin)
Afbeelding 3.4 Weergave landschappelijke inpassing parkeerterrein (Bron: Odin)
16
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Afbeelding 3.5 Weergave landschappelijke inpassing zuidelijk deel landgoed (Bron: Odin)
3.2 Verkeer en parkeren 3.2.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat als gevolg van een nieuwe ontwikkeling. De gemeente hanteert voor het bepalen van de parkeerbehoefte de 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018'. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn in deze beleidsnota geen cijfers opgenomen. Voor deze berekening wordt daarom gebruik gemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. De CROW gaat uit van een minimum en maximum, dit is de bandbreedte. In dit geval wordt er van het gemiddelde uitgegaan. In voorliggend geval is sprake van de volgende uitgangspunten: Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk / gemeente Tubbergen (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: buitengebied. 3.2.2
Situatie plangebied
3.2.2.1 Algemeen In voorliggend gaat het om de realisatie van maximaal 15 tweepersoonskamers en twee vakantiewoningen. Voor deze functie zijn geen parkeernormen bekend. Op basis van de gemeentelijke parkeernota kunnen deze functies het beste worden vergeleken met de functie 'hotel 3-sterren'. De twee bestaande woningen worden aangemerkt als functie 'wonen, koop, vrijstaand'. Dit zorgt voor de volgende opsomming: Functie: Hotel 3-sterren, koop, woning, vrijstaand; Parkeerbehoefte Hotel: 5,2 parkeerplaatsen per 10 kamers; Parkeerbehoefte Woningen: 2,3 parkeerplaats per woning Verkeersgeneratie Hotel: 15,9 verkeersbewegingen per 10 kamers; Verkeersgeneratie Woning: 8,2 verkeersbewegingen per woning;
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
17
3.2.2.2 Parkeren Op basis van vorenstaande gegevens geldt voor een parkeerbehoefte van 9 parkeerplaatsen voor de 17 verblijfsfuncties. Voor de woningen geldt een parkeerbehoefte van afgerond 5 parkeerplaatsen. Totaal maakt dit een behoefte van 18 parkeerplaatsen. In dit geval worden er op het erf zelf 8 parkeerplaatsen aangelegd. Deze zijn met name bedoeld voor privédoeleinden. Daarnaast worden op het parkeerterrein nog eens 20 parkeerplaatsen aangelegd, totaal maakt dit dat er 28 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Hiermee wordt ruimschoots in de behoefte voorzien. In de praktijk wordt verwacht dat gasten met één auto per eenheid naar de locatie zullen komen. In dat geval is er bij een volledige bezetting een parkeerbehoefte van 17 parkeerplaatsen voor de recreatie en 5 parkeerplaatsen voor privégebruik. Ook in dat geval is er met de 28 aanwezige parkeerplaatsen voldoende ruimte. Tot slot wordt opgemerkt dat de algemene ruimte voor de gasten niet zorgt voor een zelfstandige parkeerbehoefte, aangezien deze gebruikt wordt door recreanten die ter plaatse verblijven. 3.2.2.3 Verkeer Als gevolg van de ontwikkeling is er een planologische toename van verkeersgeneratie. Deze toename bedraagt 27,03 verkeersbewegingen als gevolg van de recreatieve eenheden (gastenkamers).
Daarnaast is er tevens sprake van de planologische toename van één woning, waarmee de totale toename op 35,23 bewegingen (voor één vrijstaande woning in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning). Deze woning is echter feitelijk al sinds jaren aanwezig, waarmee er feitelijk ten aanzien van deze woning geen sprake is van extra verkeersgeneratie. Zoals al eerder aangegeven is de huidige in- en uitrit geschikt om de toename in verkeer aan te kunnen. Echter belast dit wel twee aangrenzende erven. Initiatiefnemer wil dit zoveel mogelijk voorkomen. Daarnaast komt de wens naar voren om het kruisen van privéverkeer en gastenverkeer te stroomlijnen. Daarom is er gekozen voor een nieuwe noordelijke in- en uitrit op de Beekzijdeweg. Deze in- en uitrit wordt zodanig vormgegeven dat het de verkeersgeneratie eenvoudig kan afwikkelen. Door het parkeerterrein aan deze zijde van het landgoed te realiseren wordt gestimuleerd dat deze in- en uitrit in de praktijk gebruikt zal worden. De Beekzijdeweg zelf is van voldoende capaciteit om de relatief beperkte toename aan verkeer eenvoudig af te wikkelen.
Tot slot wordt gesteld dat er ter plaatse van de ontsluiting op de Beekzijdeweg wordt voorzien in een veilig en overzichtelijke situatie Voor wat betreft de verkeersgeneratie zijn dan ook eveneens geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
18
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Hoofdstuk 4
Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald in de verbeelding en in de regels.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de opgenomen doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
19
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ 4.1.2
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI. Toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is noodzakelijk bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). In voorliggend geval gaat het om de realisatie van 17 recreatieve eenheden op een bestaand erf. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de realisatie van enkele gebouwen voor verblijfsrecreatie in ieder geval niet worden aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Dit blijkt uit de uitspraak ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3398, waarbij het ging om de bouw van een strandpaviljoen, twee groepsaccommodaties en 10 geschakelde eco-lodges. In dit geval gaat het om de realisatie van nieuwe functies in bestaande bebouwing. De bestaande woning wordt voor een klein deel uitgebreid. Er is dus geen sprake van de bouw van enkele gebouwen voor verblijfsrecreatie. Het plan is allemaal kleinschalig van aard. De ontwikkeling is dan ook kleinschaliger dan de ontwikkeling waarover de jurisprudentie schrijft. Daarom wordt gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking daarom niet van toepassing. Overigens is er sprake van een concrete behoefte naar de functie en zorgt de functie ook voor een duurzame instandhouding van het monumentale landgoed. Bij de toetsing aan het provinciaal en gemeentelijk beleid wordt hier nader op ingegaan.
4.2 Provinciaal beleid In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld. Op 13 november 2019 hebben Provinciale Staten van Overijssel de Actualisatie Omgevingsvisie 2018/2019 van de Omgevingsvisie Overijssel 'Beken Kleur' en de bijbehorende Actualisatie Omgevingsverordening 2018/2019 van de Omgevingsverordening Overijssel vastgesteld. Op 1 december 2019 zijn deze in werking getreden. 4.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomst vaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele centrale ambities van de provincie: goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief); versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit; veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen door te zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan.
20
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
4.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 4.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 1. Of – generieke beleidskeuzes 2. Waar – ontwikkelingsperspectieven 3. Hoe – gebiedskenmerken Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In afbeelding 4.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
21
4.2.3.1 Of- generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. 4.2.3.2 Waar- ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn.
De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 4.2.3.3 Hoe- gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.
De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 4.2.3.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 4.2.3.4.1 Of - generieke beleidskeuzes Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes zijn de beleidskeuzes 'Principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik', 'Ruimtelijk kwaliteit', 'Kwaliteitsimpuls Groene omgeving' 'Realisatie nieuwe woningen' en 'Verblijfsrecreatie' van toepassing. De betreffende artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel worden hierna beschreven en getoetst. Artikel 2.1.3
Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening 22
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van recreatieve functies in bestaande bebouwing. Qua extra bebouwing wordt er enkel een schuur voor opslag/stalling fietsen gebouwd en wordt een bestaande woning uitgebreid. De bouw van de schuur en de uitbreiding van de woning is nodig ten behoeve van de functie en draagt daarmee bij aan de duurzame instandhouding van het landgoed voor de toekomst. De locatie van de bebouwing is zorgvuldig gekozen. Deze schuur heeft daarnaast houten zwarte wanden en een grijs pannendak, om niet de aandacht te trekken in het beeld. Dit is verantwoord in het landschapsplan. Hiermee is er sprake van een optimale benutting van functies op een bestaand erf. Samenvattend wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 2.1.5
Ruimtelijke kwaliteit (lid 1, 2, 3 en 5)
1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. 2. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. 5. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan de artikelen 2.1.5 van de Omgevingsverordening De ontwikkeling voorziet in een toename van de ruimtelijke kwaliteit. Enerzijds wordt dit bereikt omdat aan historische, monumentale gebouwen een nieuwe functie wordt gegeven, waarmee er bij wordt gedragen aan duurzame instandhouding en eventueel verval wordt voorkomen.
Anderzijds wordt dit bereikt door een adequate landschappelijke inpassing van het landgoed. Tevens wordt gesteld dat de ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief, voldoet aan het uitvoeringsmodel en aan de provinciale vier-lagen benadering. In komende subparagraven wordt daar nader op ingegaan. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met het gestelde in artikel 2.1.5. Artikel 2.1.6
Kwaliteitsimpuls Groene omgeving (lid 1)
Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5. – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Toetsing van het initiatief aan de artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Het provinciale beleid gaat er vanuit dat er ter compensatie van ontwikkelingen in het buitengebied geïnvesteerd wordt in de groene omgeving. In dit geval is in een landschapsplan (Bijlage 2) opgesteld. Het landgoed wordt geheel landschappelijk ingepast, waarbij er fors geïnvesteerd wordt in het groen. Er zijn in dit geval sociaaleconomische en maatschappelijke redenen die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling. Door de ontwikkeling wordt namelijk aan een historisch waardevol landgoed een duurzame vervolgfunctie gegeven, waarmee instandhouding voor de toekomst wordt geborgd. Ook wordt er samengewerkt met andere regionale bedrijven op het gebied van horeca.
Dit is goed voor de leefbaarheid van Vasse en het landelijk gebied in zijn algemeen. Bovendien is de impact van ontwikkeling op de omgeving (zowel het landgoed als de parkeerplaatsen) door een adequate inpassing minimaal. Daarmee wordt geconcludeerd dat de geboden ontwikkelingsruimte in overeenstemming is met de investeringen in het landschap. Voor de ontwikkeling is een KGO-plan gemaakt, waarin blijkt dat het plan in overeenstemming is met de KGO. Het plan is in Bijlage 3 opgenomen. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de KGO.
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
23
Artikel 2.2.2, lid 1
Realisatie nieuwe woningen
Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel Voorliggende ontwikkeling betreft de planologische realisatie van een woning. De woning is reeds sinds de jaren '70 aanwezig, maar planologisch abusievelijk nooit als zodanig bestemd. De woning is gebouwd conform bouwvergunning en sindsdien bewoond. Er is dan logischerwijs ook sprake van een kwalitatieve lokale behoefte aan de woning. Daarom is voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 2.2.2 uit de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.12 lid 2 en 3 Verblijfsrecreatie Bestemmingsplannen en projectbesluiten voorzien uitsluitend in de bouw van nieuwe recreatiewoningen indien en voor zover het betreft: de nieuwbouw van een complex van recreatiewoningen waarvan het recreatieve gebruik door middel van een op verhuur gerichte bedrijfsmatige exploitatie is verzekerd en tevens sprake is van een innovatief concept dan wel een kwaliteitsimpuls van bestaande recreatieterreinen waarvan de bouw van nieuwe recreatiewoningen onderdeel uitmaakt.
De regels van bestemmingsplannen sluiten permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven uit. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.12 lid 2 en 3 van de Omgevingsverordening Overijssel In dit plan is uitsluitend bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie toegestaan. Er is overigens geen sprake van de bouw van extra recreatiewoningen. Het gaat immers puur om een recreatieve functies in bestaande gebouwen. Wel is er sprake van een innovatief concept zoals beschreven in Hoofdstuk 3 van deze toelichting. De ontwikkeling zorgt voor een specifieke recreatieve functie passend bij de kenmerken van het historische landgoed. In Artikel 12 van de regels wordt permanente bewoning van de recreatieverblijven uitgesloten. Daarmee wordt voldaan aan artikel 2.12.3 onder 1. Gesteld wordt dat het plan voldoet aan het gestelde in artikel 2.12.2. 4.2.3.4.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel is het plangebied grotendeels aangemerkt als 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap' (zie afbeelding 4.2). Daarnaast gelden ter plaatse van het bestaande bos en de bestaande beek de ontwikkelingsperspectieven 'Natuurnetwerk Nederland' en 'Watersysteem'.
24
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Afbeelding 4.2 Uitsnede overzichtskaart ontwikkelingsperspectieven (Bron: Provincie Overijssel) 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem. 'Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)' Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) staan in Overijssel de kwaliteitsambities Natuur als ruggengraat en Continu en Beleefbaar watersysteem voorop (zie paragraaf 4.1.2). Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk.
Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is binnen het natuurnetwerk geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan voldaan kan worden (het ‘nee, tenzij’-principe). Daarbij hanteren we zogenaamde NNN-spelregels. Binnen de gebieden waar de komende jaren natuurrealisatie plaatsvindt, is medegebruik mogelijk. Voorwaarde is wel dat initiatieven actief bijdragen aan realisatie van het robuuste en samenhangende netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit. 'Het Watersysteem' Het watersysteem – waaronder de waterlopen uit de Kaderrichtlijn Water en de waardevolle kleine wateren vormt de blauwe ruggengraat van de Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) en draagt bij aan de samenhang in het natuurnetwerk. De kwaliteitsambitie Continu en beleefbaar watersysteem staat hier centraal. Binnen het watersysteem ligt de nadruk op versterking van de (chemische en ecologische) waterkwaliteit en het vasthouden en bergen van water. De inzet is een veerkrachtig en klimaatbestendig watersysteem. Rond de waterlopen is ruimte voor initiatieven die hier aan bijdragen.
Met functiecombinaties kunnen – door een goede locatiekeuze en inrichting – versterking van economie en watersysteem goed samengaan en inspanningen van waterschappen worden ondersteund. Toetsing van het initiatief aan het Ontwikkelingsperspectief De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een recreatieve ontwikkeling, waarvoor ter compensatie een grote bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
25
omvang aan nieuwe natuur wordt gerealiseerd. De recreatieve ontwikkelingen bevinden zich binnen het bestaande woonperceel, gelegen binnen het perspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'. Binnen dit perspectief is ruimte voor onder andere recreatie, versterking van de cultuurhistorische elementen en groen ondernemerschap. Ten aanzien van de perspectieven 'het Watersysteem' en het 'Natuurnetwerk Nederland' wordt gesteld dat op de gronden van het plangebied gelegen binnen deze perspectieven uitsluitend wordt voorzien in een versterking van de bestaande landschappelijke en natuurlijke waarden. Dit is passend binnen beide ontwikkelingsperspectieven. 4.2.3.4.3 Hoe - gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. In dit geval wordt enkel ingegaan op de situatie ter plaatse van de bouwlocatie. De 'Stedelijke laag' wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien hiervoor ter plaatse van de bouwlocatie geen specifieke eigenschappen gelden. 1. De 'Natuurlijke laag' Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel.
Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstypen 'Stuwwallen' en 'Beekdalen en natte laagtes (zie afbeelding 4.3).
Afbeelding 4.3 Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel) 'Stuwwallen' De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwallen voor een groot deel uit tertiaire (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor.
26
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken. 'Beekdalen en natte laagtes' Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' De nog aanwezige kenmerken van het oorspronkelijk landschap worden met het voornemen niet aangetast. Voorliggende ontwikkeling kent een dusdanig kleine aard en omvang dat het geen onevenredige gevolgen heeft voor de natuurlijke gronden en systemen.
Overigens wordt het plangebied landschappelijk ingepast, waarbij uitdrukkelijk is gekeken naar het landschap. Hiermee is juist sprake van versterking van de natuurlijke waarden. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de “Natuurlijke laag”.
2. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstypen 'essenlandschap' en 'maten en flierenlandschap' (zie afbeelding 4.4).
Afbeelding 4.4 Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) 'Essenlandschap' Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
27
hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. 'Maten en flierenlandschap' Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding – daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend – was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhoutstruweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoevenlandschap en was daar functioneel aan verbonden.
Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open 'kamers' en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water. Inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden. Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' In het landschapsplan is rekening gehouden met de gebiedskenmerken ter plaatse van het plangebied (zie hiervoor bijlage 2 bij deze toelichting). Er is sprake van een zorgvuldige inbedding van de (nieuwe) bebouwing in de omgeving. In het landschapsplan is hier uitgebreid op ingegaan. Gezien het vorenstaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”. 3. De 'Laag van de beleving' In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving.
De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis van het buitengebied. Aan het ‘belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht. Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen. Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe ‘erfgoed’ van de provincie. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van de beleving’ aangeduid met ‘Donkerte’. In afbeelding 4.5 wordt dit weergegeven.
28
bestemmingsplan Buitengebied, Beekzijdeweg 33 en 35
Afbeelding 4.5 Laag van de beleving (Bron: Provincie Overijssel) “Donkerte” Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt in zeer beperkte mate licht, wat inherent is aan zowel de bestaande als de nieuwe recreatieve functie. Overigens liggen alle gebouwen verscholen in een bosrijk gebied, wat zorgt voor afscherming van het licht. Gelet hierop levert dit dan ook geen gevolgen op voor de laag donkerte. 4.2.4