Bijlage B. Meenweg 5-7 Fleringen toelichting.pdf
Tekst van het document
28
5.1.2.2 Toetsing plan Het plangebied ligt volgens de waardenkaart van Tubbergen in het gebied waar ontwikkeling mogelijk is door de lage waarden. Voorts is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel geraadpleegd. Het plangebied is gedeeltelijk voorzien van de aanduiding kamp- en esontginningen. Zie navolgende figuur. Echter is sprake van een gemiddelde waardering voor wat betreft cultuurhistorische waarden.
Figuur 4.1: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Overijssel
Binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast, waarbij het open karakter van het landschap wordt gerespecteerd en behouden. Zie hiervoor paragraaf 2.4. De cultuurhistorische waarden hebben mede als basis gediend bij de uitwerking van het land schapsplan. 5.1.2.3 Conclusie Door het plan worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
5.2 Bedrijven en milieuzonering 5.2.1 Algemeen Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van de milieuhygiënische inpasbaarheid van nieuwe functies te komen, wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen, wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële 29
milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van de reeds genoemde milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties. Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld. Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’: • een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer; • een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
In onderstaande tabel is weergegeven welke richtafstand bij de twee verschillende gebiedstypen aangehouden worden per milieucategorie.
Tabel 4.1 – Richtafstand voor de twee gebiedstypen per milieucategorie
Bron: VNG Externe en interne werking Bij het realiseren van nieuwe functies wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij speelt qua inpasbaarheid zowel de ‘externe werking’ als de ‘interne werking’ van de nieuwe functie een rol: 1. Externe werking: Past de nieuwe functie in de omgeving? Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden gewaarborgd kan worden; 2. Interne werking: Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Worden bijvoorbeeld bestaande bedrijven door de komst van de nieuwe functie belemmerd in hun bedrijfsvoering? 5.2.2 Toetsing plan Gebiedstype Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Tubbergen, waar zich in de omgeving voornamelijk agrarische gronden, maar ook burgerwoningen bevinden. Hierdoor is geen sprake van een matige of sterke functiemenging. Derhalve wordt in onderhavig geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
30
Toetsing
Externe werking
De beoogde ontwikkeling, namelijk het veranderen van vorm van het bouwvlak, vindt plaats ten behoeve van de melkrundveehouderij. De beoogde ontwikkeling betreft een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Conform de VNG-richtlijn geldt voor de voorgenomen ontwikkeling milieucategorie 3.2, behorende bij ‘Fokken en houden van rundvee’ (SBI-2008, 0141, 0142). Voor geur geldt een afstand van 100 meter, voor stof en geluid geldt een afstand van 30 meter. De grootste richtafstand, namelijk 100 meter, dient gehanteerd te worden ten opzichte van omliggende bedrijven en burgerwoningen. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object is gelegen op een afstand van circa 70 meter (gerekend vanaf de grens van het bouwvlak tot de gevel van het gevoelige object). Het betreft de burgerwoning aan de Pleijhuisstraat 29 in Fleringen. Rekening houdende met de maximale planologische mogelijkheden, waaronder de mogelijkheid om vergunningvrij een mantelzorgwoning te realiseren, dient een afstand te worden gehanteerd tot de grens van het bouwvlak van de woning. Deze afstand bedraagt 60 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand van 100 meter voor geur.
Echter is het van belang dat met het voornemen geen functie dichterbij de woning aan de Pleijhuisstraat 29 wordt gerealiseerd dan momenteel het geval is. De loods wordt immers ten zuiden van het perceel gerealiseerd en niet ten westen van het perceel, ter hoogte van de Pleijhuisstraat 29. De afstand bedraagt in de huidige situatie al 60 meter en is planologisch gezien een vergund recht. Door de wijziging van het bouwvlak komt het bouwvlak dichterbij de woonbestemmingen ten zuiden van het perceel, waaronder de B. Meenweg 10. De afstand van de grens van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf tot de grens van het bouwvlak van deze woning bedraagt 101 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Daarnaast komt het bouwvlak dichterbij de woonbestemming aan de Scholte Nyssinkhoff 2 te Fleringen te liggen. Volgens het bestemmingsplan ligt deze woning in de kern van Fleringen. Echter kan op basis van de ligging, de gebiedskenmerken en het verleden worden gemotiveerd dat de woning aan de Scholte Nyssinkhoff 2 (nog altijd) buiten de bebouwde kom is gelegen. De burgerwoning is immers in vergelijking tot de overige burgerwoningen in de kern van Fleringen in een bosrijke en landelijke omgeving gelegen, op relatief grote afstand van andere burgerwoningen.
Dit heeft te maken met het feit dat de woning op het betreffende perceel in 2010 gebouwd is op grond die destijds voor groen en bos bestemd was. De grond grenst aan agrarische bedrijfsgronden. De overige burgerwoningen in de kern zijn gecentraliseerd en dateren van de periode rond 2006. Hiertoe behoort de woning aan de Scholte Nyssinkhoff 2 niet. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat de burgerwoning aan de Scholte Nyssinkhoff 2 niet binnen de bebouwde kom is gelegen. Derhalve geldt ten aanzien van deze woning een afstand van 50 meter in plaats van 100 meter voor geur. Zie ter motivatie paragraaf 5.6. De afstand van de grens van het bouwvlak tot de grens van het bouwvlak van de woning bedraagt 75 meter. Er wordt ruim voldaan aan de afstand. Met het voornemen kan in voldoende mate een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd voor omliggende functies.
Interne werking
In de omgeving van het plangebied zijn meerdere bedrijven gevestigd. Derhalve is het van belang om uit te sluiten dat de ontwikkeling hinder zal ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Op 320 meter afstand van het plangebied ter hoogte van de Lansinksweg 8 in Fleringen bevindt zich een melkrundveehouderij. Conform de VNG-richtlijnen geldt een milieucategorie van 3.2. Voor geur geldt een afstand van 100 meter en voor stof en geluid geldt een afstand van 30 meter. De grootste richtafstand dient gehanteerd te worden ten opzichte van het agrarisch bedrijf aan de B. Meenweg 57, de locatie van initiatiefnemer. Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Het voornemen leidt er bovendien niet toe dat een functie dichterbij het agrarisch bedrijf komt te liggen. 5.2.3 Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief. 31
5.3 Bodemkwaliteit 5.3.1 Algemeen Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in planvorming rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In dat licht dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, kan een bodemonderzoek noodzakelijk zijn conform de richtlijnen NEN-5740. 5.3.2 Toetsing plan Onderhavig planvoornemen wordt gerealiseerd op agrarische gronden die momenteel als zodanig in gebruik zijn. Derhalve is de bodem geschikt voor het beoogde gebruik en vormt het voorgenomen gebruik geen risico voor de bodemkwaliteit. Daarnaast is geen sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. Hiermee zijn geen risico's te verwachten voor de gezondheid en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. 5.3.3 Conclusie De bodemgesteldheid vormt geen belemmering voor het toekomstig gebruik van het perceel.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: • het plaatsgebonden risico (PR) is de plaatsgebonden kans per jaar dat een onbeschermd persoon komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans van éénmaal in de miljoen jaar op een dergelijk ongeval is als norm in de regelgeving opgenomen.
Het plaatsgebonden risico is weer te geven met een contour rondom een activiteit; • het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar aan dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (tegelijk) overlijden. Het groepsrisico is echter geen harde norm, maar een oriënterende waarde.
32
5.4.2 Toetsing plan Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van het realiseren van een kwetsbaar object. In verband met het borgen van een goed woon- en leefklimaat en het voldoen aan het principe van een ‘goede ruimtelijke ordening’, zijn toch de effecten op het gebied van externe veiligheid getoetst. Navolgende figuur toont de risicokaart met daarop de directe omgeving.
Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart (plangebied aangeduid met een pijl)
Bron: atlasleefomgeving.nl Aan de hand van de kaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. De dichtstbijzijnde risicobron bevindt zich op 942 meter afstand aan de Oldenzaalseweg 136 in Fleringen. Het betreft een mestvergister. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig waarmee in het kader van onderhavige ontwikkeling rekening moet worden gehouden. 5.4.3 Conclusie Het plan leidt niet tot belemmeringen op het gebied van externe veiligheid die de uitvoering in de weg staan.
5.5 Geluid 5.5.1 Algemeen Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk beoordelingskader. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden voor geluidgevoelige objecten. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden, indien sprake is van een geluidgevoelig object. De Wgh beschermt de volgende geluidgevoelige objecten: • woningen (artikel 1 Wgh): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening); • andere geluidsgevoelige gebouwen: op grond van artikel 1.2 Besluit geluidhinder zijn dit onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven; • geluidsgevoelig terreinen: op grond van artikel 1.2 Besluit geluidhinder zijn dit woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen. 33
5.5.2 Toetsing plan In het plangebied wordt met onderhavig planvoornemen geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt waardoor een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Wel dient gekeken te worden naar vraag of de vormverandering van het bouwvlak en het mogelijk maken van een nieuwe loods negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. Voor meer informatie hieromtrent zie paragraaf 4.4. De Wet geluidhinder legt verder geen restricties aan onderhavig planvoornemen. 5.5.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geluid voor het plan.
5.6 Geur 5.6.1 Algemeen Veehouderijen kunnen hinder veroorzaken voor gevoelige functies. Een belangrijk hinderaspect is geur. De regelgeving die hiervoor van toepassing is, is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (voor omgevingsvergunningplichtige veehouderijen in het kader van de activiteit ‘milieu’) en in het Activiteitenbesluit (voor niet-omgevingsvergunningplichtige veehouderijen in het kader van de activiteit ‘milieu’).
Bescherming van geurgevoelige objecten
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat een beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Dit beoordelingskader ziet op de bescherming van ‘geurgevoelige objecten’. In artikel 1 van de Wgv is daarvan een definitie opgenomen. Daaruit blijkt dat het moet gaan om: • een gebouw: in de bouwregelgeving is een gebouw: elk bouwwerk, dat voor mensen toegankelijk is, overdekt is en helemaal of voor een deel met wanden omsloten is; • bestemd voor bewoning of verblijf: een gebouw moet niet alleen feitelijk voor menselijk wonen of verblijven zijn bedoeld, maar die functie moet ook juridisch-planologisch zijn toegestaan; • geschikt voor bewoning of verblijf: een gebouw moet niet alleen bestemd, maar ook geschikt zijn om in te wonen of te verblijven; • permanent - of daarmee vergelijkbaar – gebruik: het gaat om de verblijfsduur, aangezien de Wgv alleen mensen beschermt tegen langdurige blootstelling aan geurhinder. Het gaat om gebouwen waarin mensen structureel wonen en verblijven, gezien de aard van het gebouw.
Beoordelingskader dierenverblijven
Het beoordelingskader voor geur vanuit dierenverblijven is als volgt opgebouwd: 1. voor diercategorieën waarvoor de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), geldt een waarde (maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object: daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Meststoffenwet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom; 2. voor andere diercategorieën (waarvoor geen geuremissie per dier is vastgesteld) geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten: ook hier is een onderscheid gemaakt tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Er is geen onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden. De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient in alle gevallen ten minste 50 meter te bedragen, indien het geurgevoelige object gelegen is binnen de bebouwde kom en 25 meter te bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het beoordelingskader voor veehouderijen is samengevat in tabel 4.2. 34
Tabel 4.2: Geurnormen veehouderij
Bron: Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, zoals bedrijfswoningen en voormalige bedrijfswoningen, gelden niet de in de tabel genoemde maximale geurbelastingen in odour units, maar gelden op grond van artikel 3, lid 2 van de Wgv, minimale afstanden tussen de veehouderij en het geurgevoelig object. Deze afstand bedraagt 100 meter indien het geurgevoelige object is gelegen binnen de bebouwde kom en 50 meter indien het geurgevoelige object is gelegen buiten de bebouwde kom. Op grond van artikel 6 van de Wgv (in samenhang gelezen met artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit) kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente andere waarden van toepassing zijn dan zoals voorgeschreven in de Wgv. Onderhavige gemeente heeft geen geurverordening vastgesteld. Waardoor de wettelijke geurnormen van toepassing zijn. 5.6.2 Toetsing plan De beoogde ontwikkeling, voor wat betreft de vormverandering van het bouwvlak en het realiseren van de loods, is niet te beschouwen als geurgevoelig object op grond van de Wgv. De ontwikkeling leidt niet tot permanent of regelmatig gebruik van menselijk verblijf door dezelfde personen.
Er is dan ook geen sprake van langdurige blootstelling van geur door steeds dezelfde personen. Het te ontwikkelen object hoeft dus niet te worden beschermd ten opzichte van de veehouderij. Van belang is dat met het voornemen niet wordt voorzien in een wijziging in dieraantallen of verplaatsing van het vee. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve effecten voor wat betreft geur op omliggende geurgevoelige objecten. Echter dient rekening te worden gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van het perceel, wat inhoudt dat theoretisch gezien dieren kunnen worden gehouden in de loods. Derhalve dient een toetsing plaats te vinden voor het aspect geur. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Fleringen. Nu sprake is van een agrarisch bedrijf waar dieren worden gehouden waarvoor vaste afstanden gelden, dient een afstand te worden gehanteerd van 100 meter van het dichtstbijzijnde mogelijke emissiepunt van de stal ten opzichte van een geurgevoelig object. De toets voor wat betreft geur hoeft niet plaats te vinden ten aanzien van de Pleijhuisstraat 29, aangezien met het voornemen geen functie dichterbij wordt gecreëerd dan momenteel het geval is. Zie voor een onderbouwing hiervan paragraaf 4.2. Ten opzichte van de B. Meenweg 10 wordt een afstand
35
gemeten van 101 meter, gerekend vanaf het eventuele emissiepunt tot het geurgevoelig object. Er wordt voldaan aan de afstand van 100 meter. Voor wat betreft de toets voor geur ten aanzien van de Scholte Nyssinkhoff 2 te Fleringen dient te worden opgemerkt dat deze woning op basis van het bestemmingsplan in de kern van Fleringen is gelegen. Op basis van de ligging, de gebiedskenmerken en het verleden kan echter gemotiveerd worden dat de woning (nog altijd) buiten de bebouwde kom is gelegen. De burgerwoning is immers in vergelijking tot de overige burgerwoningen in de kern van Fleringen in een bosrijke en landelijke omgeving gelegen, op relatief grote afstand van andere burgerwoningen. Dit heeft te maken met het feit dat de woning op het betreffende perceel in 2010 gebouwd is op grond die destijds voor groen en bos bestemd was. De grond grenst aan agrarische bedrijfsgronden. De overige burgerwoningen in de kern zijn gecentraliseerd en dateren van de periode rond 2006. Hiertoe behoort de woning aan de Scholte Nyssinkhoff 2 niet. Derhalve is de burgerwoning aan de Scholte Nyssinkhoff 2 buiten de bebouwde kom gelegen. In geval van een milieugevoelig object buiten de bebouwde kom dient een afstand van 50 meter te worden gehanteerd. De afstand van de grens van het bouwvlak tot de grens van het bouwvlak van de woning bedraagt 75 meter.
Er wordt ruim voldaan aan de afstand van 50 meter. 5.6.3 Conclusie Vanuit geurhinder en veehouderijen bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
5.7 Luchtkwaliteit 5.7.1 Algemeen De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: ‘Wm’), ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. De kern van deze wettelijke regeling is artikel 5.16 Wm. In het tweede lid van dit artikel staan de bevoegdheden genoemd bij de uitvoering waarvan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Deze grenswaarden zijn genoemd in bijlage 2 van de Wm. Luchtkwaliteitseisen De belangrijkste luchtverontreinigende stoffen zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/m³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/m³. Uitzondering beoordeling luchtkwaliteitseisen Bij een bestemmingsplan dient ingevolge artikel 5.16 Wm ook getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen. Deze hoofdregel leidt uitzondering als: • een plan in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen; • of als een plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van vervuilende stoffen in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3 . Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Van een NIBM bijdrage van de luchtkwaliteit is bijvoorbeeld sprake wanneer een 36
ruimtelijk plan de drempel van een toename van meer dan 1.283 voertuigbewegingen (van auto's) per weekdagetmaal niet overschrijdt. 5.7.2 Toetsing plan Het voornemen ziet op het realiseren van een loods. De veebezetting blijft ongewijzigd. Het voornemen heeft derhalve geen betrekking op een fijnstof uitstotend object, waardoor niet aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit hoeft te worden getoetst. Bovendien zal het voornemen niet leiden tot een toename van (meer dan 1.283) voertuigbewegingen per weekdagetmaal, waardoor het plan als NIBM kan worden beschouwd. 5.7.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het voornemen.
5.8 Milieueffectrapportage 5.8.1 Algemeen Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij “grotere” oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De M.e.r.-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen. M.e.r.-(beoordelings)plicht geregeld via Wet milieubeheer en Besluit m.e.r. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is geregeld voor welke plannen en besluiten het maken van een milieu-effectrapport verplicht is en in welke gevallen de procedure van de m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Besluit m.e.r.: M.e.r.-plicht via onderdeel C, m.e.r.-beoordelingsplicht via onderdeel D De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.
Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het op voorhand niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1 'activiteiten' van onderdeel D en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen', dan geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Om te bepalen of er bij deze activiteiten sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen dient per geval een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Centraal in de m.e.r.-beoordelingsprocedure staat de notitie waarin beschreven staat of er (mogelijk) sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, de 'aanmeldingsnotitie'. Een m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria. Deze zijn vastgelegd in Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.. Wanneer de aanmeldingsnotitie hierop aanhaakt, ziet deze er als volgt uit: 1. Inleiding (wat is een m.e.r.-beoordeling en waarom wordt voor dit project een m.e.r.beoordeling uitgevoerd?); 2. Kenmerken van het project; 3. Plaats van het project; 4. Kenmerken van de potentiële effecten 37
In de Wet milieubeheer is bepaald dat alleen voor besluiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als activiteiten uit onderdeel D mogelijk worden gemaakt in een plan (een zogenaamd 'kaderstellend plan voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten) dan geldt direct een (plan)m.e.r.-plicht. Een plan is namelijk direct m.e.r.-plichtig als het kaderstellend is voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De drempelwaarden in kolom 2 'gevallen' zijn echter indicatief. Dit betekent dat ook onder de drempelwaarden moet worden nagegaan of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. In bepaalde gevallen kan een activiteit van kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Dit moet worden beoordeeld via de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt zowel voor kaderstellende plannen als voor besluiten. Hiervoor is het Besluit m.e.r. op 6 juli 2017 gewijzigd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is nu geregeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r.. Op grond van artikel 2, lid 5 onder b van het Besluit m.e.r.
moet voor activiteiten die voorkomen in onderdeel D en die beneden de drempelwaarde vallen een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. 5.8.2 Toetsing plan Onderdeel D In onderdeel D, kolom 1 van het Besluit m.e.r. staan de activiteiten waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Voor het realiseren van een bedrijfsgebouw inherent aan de agrarische bedrijfsvoering geldt D14: ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. In het kader van onderhavige ontwikkeling wordt het bouwvlak van vorm veranderd en wordt een loods gerealiseerd. Nu de voorgenomen bouw niet leidt tot een uitbreiding van het aantal dieren, is een toetsing aan de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. niet noodzakelijk. Derhalve is er geen sprake van een m.e.r.-(beoordeling)plicht. Bovendien volgt uit de bevindingen van de hiervoor behandelde milieuaspecten dat de voorgenomen uitbreiding geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. 5.8.3 Conclusie Aangezien die plan niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten geldt er geen m.e.r.-plicht.
5.9 Natuur 5.9.1 Algemeen De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieds-bescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelingskader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).
Natura 2000
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze 38
gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen.
Natuurnetwerk Nederland
Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.
De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. 5.9.2 Toetsing plan Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ en ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’ bevinden zich op respectievelijk 3,7 km ten noorden van het plangebied en 4,8 km ten oosten van het plangebied. Zie voor de ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied navolgende figuur. Gelet op de aard van de activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebieden is een toename van stikstofuitstoot voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase uitgesloten.
39
Figuur 4.3: Natura 2000- gebieden in omgeving plangebied (zie rode pijl voor de locatie) Bron: AERIUS Gezien de aard van de activiteiten is er geen sprake van overige effecten op Natura 2000-gebieden. Het voornemen leidt derhalve niet tot nadelige effecten op Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland
Voorts is het plan niet gelegen binnen het NNN. In figuur 4.5 zijn met donkergrijs de NNN-gebieden in de omgeving van de planlocatie weergegeven. Daaruit volgt dat de bedrijfslocatie is gelegen op een afstand van circa 700 meter van het meest dicht bij gelegen gebied dat tot het NNN behoort. Door het plan wordt dit gebied niet aangetast cq. doorkruist.
Figuur 4.4: ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebieden (zie rode pijl voor plangebied) Bron: PDOK 40
Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt: • Het planvoornemen ziet toe op een vormverandering van het bouwvlak waarbinnen gebouwelijke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. De voorgenomen uitbreiding vindt plaats op agrarische akkerbouwgrond, aangrenzend aan een bedrijfsperceel. Deze grond vormt vanwege het agrarische gebruik (met regelmaat bewerken) geen geschikte habitat voor beschermde soorten; • De locatie ligt niet in een Natura 2000-gebied; • Met het voornemen worden geen stallen gesloopt of sloten gedempt; • Door middel van het aanbrengen van erfbeplanting wordt de beoogde ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten. Gezien het voorgaande is het nagenoeg uitgesloten dat het planvoornemen geen nadelige gevolgen heeft voor beschermde plant- en diersoorten. 5.9.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.10 Kabels en leidingen
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels gelegen met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. De dichtstbijzijnde leiding is gelegen op een afstand van 1,859 km. Het betreft een aardgasleiding. Gezien de afstand van het plangebied tot deze aardgasleiding vormt deze geen belemmering.
Figuur 4.5: Kaart Atlasleefomgeving met leidingen
Voorts is binnen het plangebied een waterleiding gelegen. Deze waterleiding is in het bestemmingsplan middels een dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ aangeduid. Zie navolgende figuur. Op grond van deze dubbelbestemming zullen op of in deze gronden geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend. Met het planvoornemen worden gebouwelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt op of in deze gronden. De ligging van de waterleiding door het perceel aan de B. Meenweg 5 vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 41
Figuur 4.6: Uitsnede bestemmingsplan met Dubbelbestemming ‘Leiding – Water’
42
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Vigerend beleid 6.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)-stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)-stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4 Waterschap Vechtstromen Ter plaatse van de projectlocatie is waterschap Vechtstromen (hierna: het waterschap) verantwoordelijk voor het waterbeheer. Het beleid van het waterschap is verwoord in het Waterbeheerprogramma 20222027. Het Waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn.
6.2 Waterparagraaf 6.2.1 Algemeen Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Er is meer ruimte nodig voor het waterbeheer van de toekomst. Ook op andere terreinen, zoals recreatie, wonen en landbouw speelt water een centrale rol. Het waterschap wil in het watertoetsproces vroegtijdig meedenken over de rol van het water in de ruimtelijke ontwikkeling en wil samen met de gemeente op zoek naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. 6.2.2 Watertoetsprocedure Het waterschap is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De 43
procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap geeft een positief wateradvies. Zie voor de digitale watertoets bijlage 3. 6.2.3 Waterhuishoudkundige aspecten Afvalwater Via een gescheiden stelsel wordt ter plaatse het afvalwater en het hemelwater gescheiden van elkaar getransporteerd. Hemelwater Het voornemen ziet op het realiseren van een loods met een oppervlak van 999 m2. Om het voornemen mogelijk te kunnen maken wordt de vorm van het bouwvlak gewijzigd. Met het voornemen gaan bouwwerkzaamheden gemoeid. Het aandeel verhard oppervlak neemt met het voornemen toe. Er is sprake van een toename verhard oppervlak van circa 1.300 m2 (oppervlakte loods met omliggende verharding). Aangezien de toename van het verharde oppervlak minder dan 1.500 m2 bedraagt, hoeven geen compenserende maatregelen te worden getroffen. Oppervlaktewater In navolgende figuur zijn de waterlopen in de omgeving van het plangebied weergegeven. Binnen het plangebied bevinden zich geen waterlopen. Het voornemen leidt niet tot nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater aangezien geen water wordt aan- of afgevoerd uit oppervlaktewaterlichamen. Bovendien wordt met het planvoornemen geen water onttrokken aan oppervlaktewaterlichamen.
Figuur 4.5: waterlopen in de omgeving van het plangebied (plangebied rood aangeduid)
Bron: Legger waterschap Vechtstromen Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
44
Hoofdstuk 7 – Juridische plantoelichting 7.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’. In dit bestemmingsplan wordt het bouwvlak ter plaatse van vorm veranderd, zodat de nieuwe loods binnen het bouwvlak kan worden gerealiseerd. Voor het overige blijft de bestemming ´Agrarisch -1’ en de overig van toepassing zijnde dubbelbestemmingen en gebiedsaanduiding van toepassing.
7.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de gronden waarop bedrijfsgebouwen zijn gerealiseerd voorzien van een bouwvlak. De regels behorende bij de bestemming ‘Agrarisch -1’ blijft van toepassing.
7.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: • Hoofdstuk 1: Inleidende regels; • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; • Hoofdstuk 3: Algemene regels; • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 7.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten.
Begrippen
In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Wijze van meten
Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 7.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • wijzigingsbevoegdheid; 45
De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
Agrarisch - 1
De bestemming ‘Agrarisch – 1’ is toegekend aan de gronden binnen het huidige bouwvlak die met de toekomstige ontwikkeling het huidige gebruik als agrarische grond zullen behouden. Er vindt dan ook geen wijziging plaats van het grondgebruik. De bestemming ‘Agrarisch – 1’ wordt overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Essen’ en ‘Leiding – Water’ worden overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Tevens blijft de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radarverstoringsgebied’ van toepassing. Enkel het bouwvlak ter plaatse wordt van vorm veranderd. Zoals beschreven in paragraaf 2.4 is een landschappelijke inpassing opgesteld. In de planregels is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd. 7.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen, te weten de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings-, wijzigings- en overige regels.
Anti-dubbeltelregel
In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn onder andere regels opgenomen ten aanzien van benodigde parkeerruimte en overschrijding van bebouwings- of bestemmingsgrenzen.
Algemene gebruiksregels
In deze bepaling is aangegeven wat de algemene gebruiksregels zijn en onder welke verboden er gelden. Algemene aanduidingsregels In deze bepaling is aangegeven welke algemene aanduidingsregels er zijn en welke verboden er gelden.
Algemene afwijkingsregels
Deze bepalingen geven het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in specifieke gevallen af te wijken van het bestemmingsplan. Het betreft onder andere algemene afwijkingsregels, het verhogen van de hoogte van bouwwerken en het overschrijden van bebouwingsof bestemmingsgrenzen.
46
Algemene wijzigingsregels
Deze bepalingen geven het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in specifieke gevallen plan in geringe mate het bestemmingsplan te wijzigen.
Overige regels
In dit artikel is een verwijzing naar andere wettelijke regelingen opgenomen. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen.
Overgangsrecht
In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.
Slotregel
Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
47
Hoofdstuk 8 – Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
8.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Vanwege de ligging van het bedrijf aan de rand van de kern van Fleringen en de beoogde locatie van de loods ten zuiden van het agrarisch bedrijf, heeft initiatiefnemer omwonenden met zicht op het agrarisch bedrijf geïnformeerd over het initiatief. Aan omwonenden is (vrijblijvend) om een mening gevraagd ten aanzien van het initiatief. Omwonenden hebben kennis genomen van het plan en hebben positief gereageerd op het voornemen. Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied, B. Meenweg 5-7 Fleringen (Herziening – II)’ heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wro ter inzage gelegen van 20 december 2023 tot 31 januari 2024. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingekomen. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld.
8.2 Economische uitvoerbaarheid Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. Dit wordt enerzijds bepaald door de financiële haalbaarheid van het plan en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De opdrachtgever fungeert als de financiële drager van het onderhavige plan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarvoor reeds de benodigde financiële middelen zijn gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. De gemeentelijke kosten, waaronder leges, komen voor rekening van de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer wordt daarnaast een overeenkomst gesloten waarin tevens de planschade is afgedekt. Grondexploitatie Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In voorliggende ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening. Er wordt een kostenverhaalsovereenkomst voor planschade afgesloten.
48
Bijlagen
1. Impressie voorgenomen situatie 2. Landschappelijke inpassing 3. Digitale watertoets
49