Bijlage B. Meenweg 5-7 Fleringen toelichting.pdf
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied, B. Meenweg 5-7 Fleringen (Herziening – II)
Vastgesteld
TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN “BUITENGEBIED, B. MEENWEG 5-7 FLERINGEN (HERZIENING – II)”
Identificatienummer:
NL.IMRO.0183.BUIBPBMNWG5EN7HRZ-VG01
Initiatieflocatie:
B. Meenweg 5-7 Fleringen
Adviseur/contact:
FarmConsult Postbus 91 7240 AB Lochem farmconsult@forfarmers.eu
Status:
definitief
Datum:
februari 2024
1
Inhoud 1.1
Aanleiding ..................................................................................................................... 5
1.2
Ligging van het plangebied ............................................................................................ 5
1.3
De bij het plan behorende stukken ................................................................................. 5
1.4
Huidig planologisch regime ............................................................................................ 6
1.5
Leeswijzer ..................................................................................................................... 7
HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ............................................................... 8 2.1 Algemeen ............................................................................................................................ 8 2.2 Het plangebied .................................................................................................................... 8
HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ............................................................ 9 3.1 Ruimtelijke ontwikkeling ....................................................................................................... 9 3.2 Verkeer en parkeren............................................................................................................12
HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................... 13 4.1
Rijksbeleid ...................................................................................................................13
4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ..................................................14
4.1.3
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) ...........................................15
4.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking....................................................................15
4.2
Provinciaal beleid .........................................................................................................16
4.2.1
Omgevingsvisie Overijssel .....................................................................................16
4.2.2
Omgevingsverordening Overijssel ..........................................................................22
4.3
Gemeentelijk beleid ......................................................................................................23
4.3.1
Omgevingsvisie Tubbergen .......................................................................................23
4.3.2
Vigerende bestemmingsplan .................................................................................24
4.3.3
Buitengebied met kwaliteit ....................................................................................25
4.3.4
Beleidsnota “De casco-benadering in Noordoost-Twente .........................................26
HOOFDSTUK 5 OMGEVINGSASPECTEN ....................................................... 28 5.1 Archeologie en Cultuurhistorie .............................................................................................28 5.2 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................29 5.3 Bodemkwaliteit ...................................................................................................................32 5.4 Externe veiligheid................................................................................................................32 5.5 Geluid ................................................................................................................................33 5.6 Geur...................................................................................................................................34 5.7 Luchtkwaliteit .....................................................................................................................36 5.8 Milieueffectrapportage .........................................................................................................37 5.9 Natuur................................................................................................................................38 5.10 Kabels en leidingen
...........................................................................................................41
HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN ............................................................... 43 2
6.1 Vigerend beleid ...................................................................................................................43 6.2 Waterparagraaf...................................................................................................................43
HOOFDSTUK 7 – JURIDISCHE PLANTOELICHTING .................................... 45 7.1 Algemeen ...........................................................................................................................45 7.2 Toelichting op de verbeelding ..............................................................................................45 7.3 Toelichting op de regels ......................................................................................................45
HOOFDSTUK 8 – MAATSCHAPPELIJKE EN ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................................................... 48 8.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................48 8.2 Economische uitvoerbaarheid...............................................................................................48
BIJLAGEN .................................................................................................... 49
3
4
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer exploiteert op het perceel aan de B. Meenweg 5-7 te Fleringen in de gemeente Tubbergen een melkrundveehouderij. Het bedrijf beschikt over een natuurtoestemming uit 2013 op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het houden van 328 melkkoeien en 139 stuks jongvee. Gezien de behoefte aan extra ruimte voor opslag van grondstoffen en voor de stalling van werktuigen, is initiatiefnemer voornemens een nieuwe loods te realiseren. Om het voornemen van initiatiefnemer planologisch mogelijk te maken, is een vormverandering van het bouwvlak noodzakelijk. Hiervoor wordt een bestemmingsplanherziening doorlopen. Op 18 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tubbergen (hierna: ‘de gemeente’) besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het plan.
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de B. Meenweg 5-7 te Fleringen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Tubbergen, sectie G, nummer(s) 3710, 3711 en 3709. Zie navolgende figuur.
Figuur 1.1: Uitsnede luchtfoto met kadastrale gegevens (blauw omlijnd het plangebied) Ten noorden van de locatie is op een afstand van circa 1,8 kilometer Tubbergen gelegen en direct ten zuiden van de locatie bevindt zich de kern van Fleringen. Doordat het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Fleringen, kan de omgeving van het gebied getypeerd worden als overwegend stedelijk. Echter bevinden zich in de omgeving diverse functies, waaronder mede agrarische bedrijvigheid. De grens van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde burgerwoning bevindt zich op circa 60 meter afstand van het agrarisch bedrijf. Op 307 meter afstand is een agrarisch bedrijf gelegen.
1.3 De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan ‘Buitengebied, B. Meenweg 5-7 Fleringen (Herziening II)’ bestaat uit de volgende stukken: 5
• •
Verbeelding Regels met bijlagen.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4 Huidig planologisch regime 1.4.1 Algemeen Ter plaatse is het bestemmingsplan ‘Buitengebied, B. Meenweg 5-7 Fleringen’ van toepassing (hierna: het bestemmingsplan), dat op 1 juni 2017 is vastgesteld door de raad van de gemeente Tubbergen. 1.4.2 Beschrijving bestemmingen Het plangebied is bestemd met ‘Agrarisch – 1’. Voorts kent het perceel de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Essen’ en ‘Leiding – Water’. Ten slotte is het perceel voorzien van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radarverstoringsgebied’. De bedrijfswoning aan de overkant van de weg kent de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – tweede bedrijfswoning’. Zie navolgende figuur voor een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan bedrijfslocatie ter plaatse van rode symbool en omlijning 1.4.3 Strijdigheid Volgens de planregels is ter plaatse van de voor ‘Agrarisch – 1’ aangewezen gronden geen bebouwing buiten het bouwvlak toegestaan. Derhalve is het voornemen niet in overeenstemming met het bestemmingsplan en dient een bestemmingsplanherziening te worden doorlopen. In dit bestemmingsplan wordt het gewenste voornemen mogelijk gemaakt, waarbij wordt aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. 6
1.5 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: • in hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van de huidige situatie gegeven; • de gewenste ontwikkeling is vervolgens beschreven in hoofdstuk 3; • in hoofdstuk 4 worden de hoofdlijnen van beleid en de toetsing van het voornemen daaraan beschreven; • in hoofdstuk 5 wordt nader op de uitvoerbaarheid ingegaan door het voornemen te toetsen aan de relevante omgevingsaspecten; • in hoofdstuk 6 worden de wateraspecten beschreven; • waarna in hoofdstuk 7 de juridische planopzet wordt beschreven; • in hoofdstuk 8 wordt tot slot de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid omschreven. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlagen bij deze toelichting gevoegd.
7
Hoofdstuk 2 Huidige situatie 2.1 Algemeen
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Tubbergen aan de B. Meenweg 5-7 te Fleringen. Het plangebied ligt op ruim 1,8 kilometer afstand van de bebouwde kom van Tubbergen en is gelegen aan de rand van de kern van Fleringen.
2.2 Het plangebied
Binnen het plangebied exploiteert initiatiefnemer een melkrundveehouderij. Het bedrijf beschikt over een natuurtoestemming uit 2013 op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het houden van 328 melkkoeien en 139 stuks jongvee. Zie voor een uitsnede van de vergunde veebezetting navolgende figuur.
Figuur 2.1: vergund veebestand
Binnen het erf is sprake van twee bedrijfswoningen en verschillende bedrijfsgebouwen, waaronder twee stallen voor het houden van vee en een melkstal. Binnen het erf zijn zes voersilo’s en een mestsilo aanwezig. Voor het overige is het plangebied verhard of voorzien van groen. Het perceel is ontsloten via vier inritten op de B. Meenweg. Zie voor een impressie van de bestaande situatie navolgende figuur.
Figuur 2.2: Impressie bestaande bebouwing plangebied
8
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Ruimtelijke ontwikkeling 3.1.1 Gewenste ontwikkeling Binnen het agrarisch bedrijf bestaat behoefte aan een loods voor extra grondstoffen, zoals stro en voer, en voor de stalling van werktuigen. Momenteel worden de grondstoffen en werktuigen opgeslagen en gestald in de buitenlucht op het erf en in de stallen voor het vee. Deze wijze van opslag en stalling oogt onverzorgd en doet afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Initiatiefnemer is derhalve voornemens een loods te realiseren, waarin de grondstoffen en werktuigen kunnen worden ondergebracht. Door de opslag van grondstoffen en de stalling van werktuigen in eenzelfde loods te laten plaatsvinden, wordt het vermorsen van voer bij het laden geminimaliseerd en wordt verspilling van grond- en brandstof voorkomen. Initiatiefnemer is voornemens een loods te realiseren van 55,5 meter lang en 18 meter breed. De oppervlakte bedraagt 999 m2. Zie voor een impressie van de loods navolgende figuur.
Figuur 2.3: impressie loods
De loods wordt beoogd ten zuiden van het bedrijf. Om het planvoornemen mogelijk te kunnen maken is initiatiefnemer voornemens de vorm van het bouwvlak ter plaatse van de B. Meenweg 5-7 te veranderen. De noodzaak voor de vormverandering is erin gelegen dat het huidige bouwvlak onvoldoende mogelijkheden biedt voor het realiseren van de loods. Dit heeft te maken met de opslag die dient te worden gecentraliseerd, zodat de verkeersbewegingen binnen het erf, het brandstofgebruik en de CO2-uitstoot beperkt blijven. Derhalve is ervoor gekozen om de loods aansluitend op de overige voeropslag, zoals kuilvoerplaten en sleufsilo’s, te realiseren. Hierdoor ontstaat een compact ‘voerplein’ waarbij de afstanden van de verschillende voedermiddelen naar de voerwagen en vervolgens de stallen, klein zijn. Tevens is van belang dat initiatiefnemer de wens heeft om, in verband met de ligging van het agrarisch bedrijf ten opzichte van het dorp, geluidsoverlast te beperken. De realisatie van de loods op de voorgestelde locatie leidt tot een barrière waardoor de geluidsbelasting op het dorp enorm afneemt. Bovendien wordt met het plan het zicht op de kuilvoerplaten voor een groot deel weggenomen. Aan de noordzijde van het bouwvlak is er een weide waar de loods zou kunnen worden gebouwd. Dit is een uitloop weide voor droge koeien die de ondernemer nodig heeft voor de bedrijfsvoering.
Deze wei naast de stal is nodig omdat de koeien in deze periode extra aandacht en controle nodig hebben zodat er snel ingegrepen kan worden. De extra beweging die de dieren hierdoor krijgen, alsmede het liggen in de wei in plaats van in een ligbox, komt de gezondheid van de droge koeien ten goede. De koeien kunnen vanuit de weide in en uit de stal lopen om op de juiste manier in de stal bijgevoerd te worden. Wanneer de droge koeien niet dicht bij de stal worden gehouden worden ze onrustig, wat niet ten goede komt van het welzijn van de koe. Daarnaast zou een loods ten noorden van de ligboxenstal 9
een negatieve invloed hebben op de werking van de ventilatie, omdat de loods gebouwd zou worden voor de luchtinlaat van de stal. Hierdoor zal het dierenwelzijn in de bestaande stal zal afnemen. Door het plaatsen van de loods op de locatie aan de zuidkant van het perceel wordt de opslag gecentraliseerd en blijven de verkeerbewegingen binnen het erf, het brandstofverbruik en de CO2uitstoot beperkt. Doordat er minder verkeersbewegingen zijn zal het ook minder geluidsoverlast veroorzaken. De loods kan niet binnen het bouwvlak geplaatst worden waardoor de gewenste locatie het meest geschikt is. Om de vormverandering mogelijk te maken, wordt aan de oostelijke kant van de veehouderij in totaal 1.289 m2 aan bouwvlak verwijderd, zodat deze oppervlak ten zuiden van de veehouderij kan worden toegevoegd. Zie voor een impressie van het toekomstige bouwvlak en de locatie van de loods navolgende figuur en bijlage 1.
Figuur 2.4: Locatie loods en impressie bouwvlak
10
3.1.2 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door agrarische gronden, agrarische bedrijfsactiviteiten en burgerwoningen. De dichtstbijzijnde gelegen woning betreft de Pleijhuisstraat 29 op circa 70 meter van het plangebied. Het voornemen leidt er niet toe dat een dierenverblijf dichterbij de Pleijhuisstraat 29 kan komen te liggen dan momenteel het geval is. In het kader van vormverandering van het bouwvlak kan worden opgemerkt dat het bouwvlak per saldo niet toeneemt. De situering en ruimtelijke uitstraling van de nieuwbouw zal aansluiten op het bestaande bedrijfsperceel. Het bedrijfsperceel wordt met onderhavige ontwikkeling landschappelijk ingepast. Met deze landschappelijke inpassing wordt een groene- en kwaliteit verbeterende uitstraling beoogd voor het volledige bedrijfsperceel. Voor meer informatie zie navolgende paragraaf. Functioneel gezien past de ontwikkeling goed binnen de omgeving, aangezien het plangebied is gelegen in het agrarisch gebied. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plan zowel op de korte als op (middel) lange termijn, geen negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten tot gevolg heeft voor de omgeving. 3.1.3 Landschappelijke inpassing Om het plan landschappelijk in te passen, is door N + L Landschapsontwerpers een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
Met deze landschappelijke inpassing wordt een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het erf en de omgeving beoogd. Het doel is om middels een juiste inpassing een bijdrage te leveren aan en passend binnen de gewenste landschappelijke kwaliteit van het gehele bedrijf en het omliggende landschap. Als bijlage 2 bij deze toelichting is het resultaat van het voorgestelde landschappelijke inpassingsplan te zien. Hieronder is een uitsnede van dit plan opgenomen.
Figuur 2.5: Uitsnede landschappelijke inpassing
11
3.2 Verkeer en parkeren 3.2.1 Algemeen Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersbewegingen die ontstaan door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van zowel de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW als de beleidsnotitie 'Bouwen en Parkeren 2018' van de gemeente Tubbergen. De kencijfers uit deze publicatie en beleidsnotitie zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. 3.2.2 Uitgangspunten Qua verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, hoofdgroep en type worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Verstedelijkingsgraad: niet-stedelijk - gemeente Tubbergen (Bron: CBS Statline); • Stedelijke zone: buitengebied; • Functie: Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag of transportbedrijf). 3.2.3 Parkeerbehoefte Het voornemen ziet toe op vormverandering van een bestaand agrarisch bedrijfsperceel. Zoals beschreven dient de ontwikkeling om een loods te bouwen, waarin grondstoffen kunnen worden opgeslagen en waar werktuigen kunnen worden gestald.
Een en ander ten behoeve van een duurzaam toekomstperspectief van het agrarisch bedrijf. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt de parkeerbehoefte ter plaatse niet toe. Tevens is het plangebied van voldoende omvang om in de eigen parkeerbehoefte te kunnen voorzien. 3.2.4 Verkeersgeneratie Het plangebied is in de bestaande situatie ontsloten op de B. Meenweg. Het perceel is op vier punten ontsloten op de B. Meenweg, namelijk één ten behoeve van de bedrijfswoning en drie ten behoeve van de agrarische bedrijfsgebouwen (waarvan twee inritten een zandweg betreffen). De verkeersontsluiting blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd. Het plan leidt niet tot een verhoging van de verkeersintensiteit op de B. Meenweg aangezien geen sprake is van het houden van meer vee. Het voornemen ziet enkel op vormverandering van het bouwvlak waarbij een nieuwe loods wordt gerealiseerd voor de opslag van grondstoffen en het stallen van werktuigen. 3.2.5 Conclusie Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen voorliggende ontwikkeling.
12
Hoofdstuk 4 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het ruimtelijk beleid beschreven dat relevant is voor het plan. We gaan in op hoe het plan zich verhoudt tot het ruimtelijk beleid van achtereenvolgens de landelijke overheid, de provincie en de gemeente.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Bij het ruimtelijk beleid op rijksniveau onderscheiden we de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de Ladder voor duurzame verstedelijking en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
4.1.1.1 Algemeen Op 11 september 2020 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water.
In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 13
4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen.
Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties 4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI Aangezien sprake is van de ontwikkeling van een agrarisch bedrijf op gronden die reeds zijn bestemd ten behoeve van agrarische activiteiten, de ontwikkelingen plaatsvinden binnen of aansluitend op het agrarische bedrijfsperceel en in het kader van het planvoornemen wordt bijgedragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bestaan er vanuit de NOVI geen belemmeringen. Voorts is van belang dat per saldo het bouwvlak niet zal toenemen en dat geen sprake is van een uitbreiding van het aantal dieren. 4.1.1.5 Conclusie Het plan is in lijn met de in de NOVI nagestreefde nationale belangen en beleidskeuzes. 4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
4.1.2.1 Algemeen Indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat vergen, kan de minister regels stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen. Dit heeft de minister, in de vorm van een algemene maatregel van bestuur, gedaan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 december 2011 is dit besluit in werking getreden en is nadien meerdere malen aangevuld. De regels in het besluit zijn normstellend benoemd en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. 4.1.2.2 Toetsing plan Het plangebied ligt niet op gronden waar regels uit het Barro van toepassing. Bovendien bevinden zich in de omgeving van het plangebied tevens geen gronden waarvoor het Barro van toepassing is. 4.1.2.3 Conclusie Het plan is in overeenstemming met het Barro.
14
4.1.3
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)
4.1.3.1 Algemeen De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro. In het Rarro zijn regels en ruimtereserveringen opgenomen voor defensieinstallaties, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, buisleidingen en het Natuurnetwerk Nederland. 4.1.3.2 Toetsing plan Het plangebied ligt op gronden waar volgens het Rarro sprake is van een radarverstoringsgebied (zie onderstaande figuur). Het betreft het radarverstoringsgebied behorend bij radarstation Twente. Bovendien is het plangebied in het vigerende bestemmingsplan voorzien van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radarverstoringsgebied’. Op grond van deze gebiedsaanduiding mag de tip- of bouwhoogte van bouwwerken ten hoogste 115 meter ten opzichte van het NAP bedragen. Gezien de aard en schaal van het plan vormt de ligging in het radarverstoringsgebied geen belemmering voor het planvoornemen.
Figuur 3.1: Toepasselijkheid Rarro voor gronden plangebied (aangeduid met rode pijl)
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl 4.1.3.3 Conclusie Het plan is in overeenstemming met het Rarro. 4.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.4.1 Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is op 1 oktober 2012 in werking getreden. De toepassing van de Ladder heeft tot veel onduidelijkheid geleid bij overheden, juristen en planologen. Derhalve is de wet gewijzigd, deze wijziging is van kracht sinds 1 juli 2017. De Ladder is een instrument waarmee tot een gebalanceerde regionale ontwikkeling kan worden gekomen. De kernbepaling van de nieuwe Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt als volgt: ‘De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk
15
gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.’ Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe Ladder moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken hieraan worden getoetst. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro wordt een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling gegeven. Een stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Ook in het geval er geen sprake is van een formele ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, moet er toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling worden aangetoond. 4.1.4.2 Toetsing plan Initiatiefnemer is voornemens de vorm van het bouwvlak te wijzigen ten dienste van het bestaande agrarisch bedrijf. De ontwikkeling, namelijk de bouw van een loods, vindt plaats binnen een agrarische perceel. De ontwikkeling voorziet in een directe behoefte van initiatiefnemer, namelijk het optimaliseren en verder ontwikkelen van de bedrijfsvoering. Relevant hierbij is dat het bouwvlak per saldo niet zal toenemen, er is immers enkel sprake van een wijziging van de vorm van het bouwvlak. Derhalve maakt het bestemmingsplan niet meer bebouwing mogelijk dan er op grond van het vigerende bestemmingsplan kan worden gerealiseerd en is er geen sprake van ‘het mogelijk maken van een stedelijke ontwikkeling’. Het planvoornemen valt niet onder de definitie ‘stedelijke ontwikkeling’, waardoor de ladder formeel niet doorlopen hoeft te worden.
1.2
Provinciaal beleid
Voor wat betreft het provinciaal ruimtelijk beleid zijn met name de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Zij komen hieronder aan bod. 1.2.1
1.2.1.3
Omgevingsvisie Overijssel
Algemeen
Provinciale Staten van Overijssel hebben op 12 april 2017 de Omgevingsvisie Overijssel 2017 (hierna: de omgevingsvisie) vastgesteld. Naderhand is de omgevingsvisie meerdere malen geactualiseerd. De laatste actualisatie dateert van 16 november 2022. In de omgevingsvisie schetst de provincie haar visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de rode draden van de omgevingsvisie: - bij duurzaamheid horen de volgende vier ambities: o een klimaatbestendig Overijssel; o een duurzame energiehuishouding; o het sluiten van kringlopen; o het beter benutten van bestaande ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. 16
-
bij ruimtelijke kwaliteit horen de volgende zeven ambities: o natuur als ruggengraat; o een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel; o voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen; o brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur; o zichtbaar en beleefbaar mooi landschap; o het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken; o sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel.
-
bij sociale kwaliteit horen de volgende drie ambities: o het Overijssels ‘noaberschap’ koesteren; o stimuleren van culturele identiteit; o verbinden van de lokale kennis en energie met de ontwikkeling van provinciaal beleid en de uitvoering van ruimtelijke opgaven.
Centrale beleidsambitie en provinciale belangen
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities. Deze benadert de provincie vanuit de – overkoepelende – rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit, waarvoor zij – themaoverstijgende – kwaliteitsambities heeft geformuleerd. De negen centrale beleidsthema’s zijn: 1. Woonomgeving: goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst; 2. Economie en vestigingsklimaat: een vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie met flexibele vestigingsmogelijkheden; naast kennisintensieve maakindustrie, mkb en logistiek ook voor topsectoren, ondernemingen, start-ups en zzp-ers; 3. Natuur: een gezonde en aantrekkelijke natuur voor mensen, dieren en planten; een natuur die beleefd en gebruikt kan worden, kan profiteren van (economische) ontwikkelingen en rijk is aan plant- en diersoorten (biodiversiteit); 4. (Binnen-)steden en landschap: versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijk, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel; 5. Mobiliteit: een veilige, betrouwbare (tijdsduur) en vlotte (keten)reis van personen en goederen van en naar stedelijke netwerken binnen en buiten Overijssel; 6. Regionaal waterbeheer: watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig, veilig en beleefbaar zijn; 7.
Veiligheid en gezondheid: veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen; 8. Energie: een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen; 9. Ondergrond: balans behouden tussen gebruik en bescherming van de ondergrond. De centrale beleidsambities geven een overzicht van alle onderwerpen die Overijssel in ieder geval van provinciaal belang vinden. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities, gebruikt Overijssel het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Dit model (zie figuur 3.1) is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes: ‘of’ er een maatschappelijke opgave is; 2. ontwikkelingsperspectieven: ‘waar’ het initiatief past en ontwikkeld kan worden; 3. gebiedskenmerken: ‘hoe’ een initiatief ingepast kan worden in het landschap.
17
Figuur 3.2: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Generieke beleidskeuzes (‘of’)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn: • integraliteit; • toekomstbestendigheid; • concentratiebeleid; • (boven)regionale afstemming; • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) moeten doorlopen. Dit stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.
Ontwikkelingsperspectieven (‘waar’)
Na het beantwoorden van de ‘of-vraag’, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de visie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
Gebiedskenmerken: vier-lagen-benadering (‘hoe’)
Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken verstaat de provincie de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel zijn in de Catalogus Gebiedskenmerken (hierna: de catalogus) beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De aanwezige gebiedskenmerken zijn onderscheiden in vier lagen: 2. Laag van de beleving: de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving; 18
3. Stedelijke laag: de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen; 4. Laag van de agrarisch cultuurlandschappen: het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettings-vormen; 5. Natuurlijke laag: de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. 5.2.1.3
Toetsing plan
Generieke beleidskeuzes (of)
Het plangebied ligt volgens de gebiedsspecifieke beleidskeuzekaart van de provincie Overijssel in het Nationaal Landschap Noordoost-Twente. Het Nationale Landschap Noordoost-Twente is een gebied met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. De provincie wil (onderdelen van) het voormalig rijksbeleid voortzetten omdat de Nationale Landschappen dé parels zijn van het Overijsselse landschap. Het ruimtelijke beleid is gericht op het behouden, duurzaam beheren en waar mogelijk versterken van de bijzondere kwaliteiten van deze gebieden. Met onderhavig voornemen wordt de vorm van het bouwvlak veranderd. Het plan wordt landschappelijk ingepast, zodat de bijzondere kwaliteiten van het landschap worden versterkt.
Figuur 3.3: kaart gebiedsspecifieke beleidskeuzes
Ontwikkelingsperspectief (Waar)
Het projectgebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Met onderhavig planvoornemen wordt enkel de vorm van het bouwvlak veranderd. Per saldo zal de oppervlak van het bouwvlak gelijk blijven. Dit heeft tot gevolg dat niet méér bebouwing wordt 19
toegestaan dan met het vigerende bestemmingsplan het geval is. Bovendien worden landschapselementen behouden en toegevoegd door middel van uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan.
Figuur 3.4: kaart ontwikkelingsperspectieven
Gebiedskenmerken (Hoe): laag van de beleving
Op basis van de laag van beleving komen geen gebiedskenmerken voor in het plangebied.
Gebiedskenmerken (Hoe): stedelijke laag
Op basis van de stedelijke laag komen geen gebiedskenmerken voor in het plangebied.
Gebiedskenmerken (Hoe): laag van het agrarisch cultuurlandschap
Het plangebied is gelegen in het ‘Essenlandschap’. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Het plan wordt landschappelijk ingepast (zie paragraaf 2.4), waarbij rekening wordt gehouden met dit cultuurlandschap. De ontwikkeling wordt op een zorgvuldige wijze ingepast in dit landschap.
20
Figuur 3.5: Kaart Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Gebiedskenmerken (Hoe): natuurlijke laag
Het van toepassing zijnde gebiedskenmerk voor de natuurlijke laag is ‘Dekzandvlakte en ruggen’. In de ‘Catalogus Gebiedskenmerken’ (hierna: de catalogus) is daaraan de volgende ontwikkelingsrichting gekoppeld: “Binnen het gebiedskenmerk ‘dekzandvlakten en ruggen’ dienen ontwikkelingen bij te dragen aan het beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Tevens is de (strekkings)richting van het landschap het uitgangspunt voor de ontwikkeling.” Onderhavig plan doet geen afbreuk aan de bestaande landschappelijke en cultuurhistorische elementen. Tevens is het plan voorzien van een goede landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.4).
Figuur 3.6: Kaart Natuurlijke laag
5.2.1.4
Conclusie
Het project draagt bij aan de ambities die de provincie in de omgevingsvisie heeft verwoord.
21
4.2.2
Omgevingsverordening Overijssel
4.2.2.1 Algemeen De Omgevingsverordening Overijssel 2017 (hierna: de omgevingsverordening) wordt ingezet voor die beleidsonderwerpen uit de omgevingsvisie die de provincie juridisch vastgelegd wil hebben. Daartoe stelt de omgevings-verordening regels met betrekking tot de inhoud van bestemmingsplannen. De geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening bevat alle wijzigingen van de Omgevingsverordening die sindsdien door Provinciale Staten zijn aangebracht. 4.2.2.2 Toetsing plan
Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Het project betreft een niet-stedelijke ontwikkeling, namelijk de bouw van een loods. Artikel 2.1.3 (principes van zorgvuldig ruimtegebruik), tweede lid, van de omgevingsverordening schrijft voor dat de mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal benut zijn. In onderhavig geval is binnen het huidige bouwvlak redelijkerwijs onvoldoende geschikte ruimte beschikbaar voor de beoogde loods. Zie paragraaf 2.3. Derhalve wordt het voornemen mogelijk gemaakt middels vormverandering van het bouwvlak. Er is voldaan aan het beginsel van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Ruimtelijke kwaliteit
Artikel 2.1.5 schrijft voor dat bij nieuwe ontwikkelingen in de toelichting ingegaan moet worden op de ruimtelijke kwaliteit, waaronder het Uitvoeringsmodel en het ontwikkelingsperspectief uit de omgevingsvisie. In de vorige paragraaf is hier invulling aan gegeven. De landschappelijke inpassing is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken, één en ander blijkt onder meer uit paragraaf 2.4 van deze toelichting. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met artikel 2.1.5 van de omgevingsverordening.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
Op grond van artikel 2.1.6 van de omgevingsverordening zijn nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving uitsluitend toegestaan indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Uit artikel 2.1.6 lid 2 van de omgevingsverordening vloeit voort dat het eerste lid niet van toepassing is op de bedrijfsontwikkeling van agrarische bedrijven. In onderhavig geval is sprake van bedrijfsontwikkeling van het agrarisch bedrijf aan de B. Meenweg 57, nu een loods wordt gerealiseerd ten behoeve van de opslag van grondstoffen en de stalling van werktuigen. Het eerste lid van artikel 2.1.6 van de omgevingsverordening is dus niet relevant voor het planvoornemen.
Kwaliteitsimpuls agro en food
In artikel 2.1.7 van de omgevingsverordening is de kwaliteitsimpuls agro en food uitgewerkt. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de regels bij kleinschalige en grootschalige uitbreiding bij agrarische bedrijfsontwikkeling. Zoals hiervoor is aangegeven, is de bepaling of sprake is van een kleinschalige of grootschalige uitbreiding overgelaten aan de praktijk en hangt dit mede af van de ontwikkeling en het type landschap waar de ontwikkeling zich voordoet. Het voorliggende voornemen leidt niet tot een uitbreiding van het bouwvlak. Daarnaast vindt zij plaats in een agrarische omgeving, waar de ontwikkeling landschappelijk ingepast wordt. Derhalve is het initiatief aan te merken als een kleinschalige ontwikkeling en dient te worden voldaan aan lid 4 van artikel 2.1.7 van de omgevingsverordening. Deze bepaling schrijft voor dat onderbouwd moet worden dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken. Zoals in paragraaf 2.3 is opgemerkt, is binnen het bestaande bouwvlak redelijkerwijs onvoldoende geschikte ruimte voor de beoogde uitbreiding. 22
Cultuurhistorische waarden
Artikel 2.11.2 uit de omgevingsverordening schrijft voor dat in de toelichting ingegaan moet worden op de aanwezige cultuurhistorische waarden in het projectgebied . Op basis van de informatie uit de Atlas voor Overijssel blijken binnen het projectgebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig te zijn (zie ook paragraaf 4.1). 4.2.2.3 Conclusie Het project is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
4.3 Gemeentelijk beleid
Bij de beschrijving van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wordt ingegaan op de omgevingsvisie van de gemeente Tubbergen en het beleid ‘Buitengebied met Kwaliteit’. 4.3.1
Omgevingsvisie Tubbergen
4.3.1.1 Algemeen Op 16 maart 2021 heeft de gemeente Tubbergen de omgevingsvisie ´MijnOmgevingsvisie Tubbergen´ vastgesteld. De omgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie van de gemeente Tubbergen is gericht op: - Buitengebied in balans o Toekomstgerichte agrarische sector o Goede staat van natuur en landschap o Kwalitatief toerisme - Leefbare kernen o Voldoende voorzieningen o Aantrekkelijk wonen o Ruimte voor ondernemen - Leefomgeving van de toekomst o Energieneutraal in 2050 o Duurzaam beheer o Gezonde leefomgeving o Veilige leefomgeving 4.3.1.2 Toetsing plan Het plangebied is gelegen in een gebied met de ontwikkelingsrichting ‘gericht op ontwikkeling door lage waarden en hoge dynamiek’. Zie navolgende figuur. Dit gebied kenmerkt zich door het open landschap met vergezichten, wegen met bomenrijen en kavelsloten. In dit gebied moet rekening worden gehouden met het agrarische karakter en is de ambitie om gemengde functies te laten plaatsvinden, de biodiversiteit te verbeteren en om een opgeruimd landschap te effectueren. Het planvoornemen ziet op de bouw van een nieuwe loods in het kader van de agrarische bedrijfsvoering. Nu sprake is van een agrarische ontwikkeling wordt rekening gehouden met het agrarische karakter van het gebied.
Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan landschap door het landschappelijk inpassen van de loods.
23
Figuur 3.7: Waardenkaart omgevingsvisie Tubbergen
4.3.1.3 Conclusie Het voornemen is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 4.3.2
Vigerende bestemmingsplan
4.3.2.1 Algemeen Het perceel is gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, B. Meenweg 5-7 Fleringen’ van de gemeente Tubbergen, dat op 1 juni 2017 is vastgesteld door de raad van de gemeente Dinkelland. Ter plaatse van de beoogde locatie van de loods geldt de bestemming ‘Agrarisch -1’ (artikel 3). Voorts gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Essen’. Tot slot geldt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radarverstoringsgebied’. Zie voor een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan figuur 1.2. Aangezien de beoogde locatie van de loods volgens het bestemmingsplan buiten het bouwvlak is gelegen, komt het voornemen in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan. In tegenstelling tot het bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’ en ‘Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan’ is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied, B. Meenweg 5-7 Fleringen’ geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor vormverandering van het bouwvlak. Het voornemen is derhalve enkel planologisch in te passen middels een bestemmingsplanherziening. Desalniettemin wordt getoetst aan de gestelde voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’.
4.3.2.2 Toetsing Op grond van artikel 4.7.5 van de planregels van het bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’ is Burgemeester en Wethouders bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat een aangegeven bouwvlak, bij gelijkblijvende oppervlakte, qua situering wordt gewijzigd, mits:
24
a. er een (bedrijfstechnische) noodzaak is om ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen of een bedrijfswoning de situering van het bouwvlak te wijzigen; b. een erfinrichtingsplan wordt ingediend, zodanig dat de bebouwing op een goede wijze in het landschap en in relatie tot de bestaande bebouwing wordt ingepast; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de waterhuishouding, de waarden van landgoederen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Toetsing
Ad. a: Aan de noordzijde van het bouwvlak is een weide waar de loods zou kunnen worden gerealiseerd. Dit betreft echter een uitloopweide voor de droge koeien. Het betreffen koeien die circa 6 tot 8 weken voor het afkalven apart van het overige vee worden gehouden. Tijdens deze periode is extra aandacht en controle vereist zodat snel kan worden ingegrepen indien nodig. Derhalve dienen deze koeien nabij de stal te worden gehouden. De extra beweging die de dieren krijgen, alsmede het liggen in de wei in plaats van in een ligbox, komt de gezondheid van de droge koeien ten goede. De koeien kunnen vanuit de weide in en uit de stal lopen om op de juiste manier bijgevoerd te worden. Wanneer de droge koeien niet dicht bij de stal worden gehouden worden ze onrustig, wat niet ten goede komt van het welzijn van de koe. Daarnaast zou een loods ten noorden van de ligboxenstal een negatieve invloed hebben op de werking van de ventilatie, omdat de loods gebouwd zou worden voor de luchtinlaat van de stal. Hierdoor zal het dierenwelzijn in de bestaande stal afnemen. Door het plaatsen van de loods op de locatie aan de zuidkant van het perceel wordt de opslag gecentraliseerd en blijven de verkeersbewegingen binnen het erf, het brandstofverbruik en de CO2uitstoot beperkt. Doordat er minder verkeersbewegingen zijn zal het ook minder geluidsoverlast veroorzaken.
De loods kan dus niet binnen het huidige bouwvlak worden geplaatst, waardoor de gewenste locatie het meest geschikt is. Ad. b: met het planvoornemen wordt een erfinrichtingsplan aangeleverd. Zie voor meer informatie paragraaf 2.4. Ad. c: met het planvoornemen wordt geen afbreuk gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de archeologische waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de waterhuishouding, de waarden van landgoederen en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Zie voor de onderbouwing hiervan hoofdstuk 5. 4.3.2.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de voorwaarden die in de wijzigingsbevoegdheid zijn opgenomen. Als gevolg hiervan kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. 4.3.3
Buitengebied met kwaliteit
4.3.3.1 Algemeen De gemeente Tubbergen heeft ruimtelijk beleid opgesteld ten aanzien van het buitengebied. Het betreft het beleid ‘Buitengebied met kwaliteit’. Het doel van de beleidsregel is om de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied in stand te houden en te verbeteren. Daarnaast wil de gemeente economische ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk maken om zo een bijdrage te leveren aan een vitaal en leefbaar buitengebied. Voor de uitbreiding van bedrijfsgebouwen binnen een bestaand bedrijfsperceel en het uitbreiden van een bestaand bedrijfsperceel is een kwaliteitsimpuls vereist. Bij het bepalen van de hoogte van de
25
kwaliteitsimpuls voor de Groene Omgeving wordt uitgegaan van de waardevermeerdering van gronden die door planologische verandering zal ontstaan. 4.3.3.2 Toetsing In onderhavig geval is enkel sprake van vormverandering van het bouwvlak. Per saldo neemt de oppervlakte van het bouwvlak niet toe. Dit betekent dat geen sprake is van een uitbreiding van een bedrijfsperceel. Aangezien de oppervlakte van het bestemmingsvlak niet wordt vergroot, hoeft geen KGO bijdrage geleverd te worden. 4.3.3.3 Conclusie Er hoeft geen investering te worden gedaan in de Groene Omgeving volgens het Beleid Buitengebied met kwaliteit. 4.3.4
Beleidsnota “De casco-benadering in Noordoost-Twente
4.3.4.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Casco-benadering in de praktijk
De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het ‘kleinschalige groene karakter’ van het landschap in totaliteit. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren Te compenseren elementen
Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van casco-benadering wordt voldaan Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen
26
Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: 1. Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart 2. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. 3. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). In navolgende figuur is een uitsnede van de Cascokaart behorende bij de Casco-benadering opgenomen, met daarbij in het zwart omlijnd het plangebied.
Figuur 3.8 – Uitsnede Cascokaart
4.3.4.2 Toetsing De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bestaande casco elementen. In onderhavig geval is immers in geheel geen sprake van verwijdering van bestaande landschapselementen, maar enkel van versterking en aanvulling door nieuw aan te planten elementen. Het cascobeleid heeft daarom geen consequenties voor de ontwikkeling. 4.3.4.3 Conclusie Het cascobeleid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
27
Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk vindt een beoordeling plaats van de invloed van het plan op diverse omgevingsaspecten. Daarbij wordt per omgevingsaspect eerst het algemene kader beschreven en komt vervolgens de toetsing aan het plan aan bod.
5.1 Archeologie en Cultuurhistorie 5.1.1 Archeologie 5.5.1.1 Verdrag van Malta Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn, dan is vooronderzoek nodig. 5.5.1.2 Beleid Het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar andere voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.
Voor bouwwerken waarbij grondroerende werkzaamheden over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m onder het maaiveld plaatsvinden moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 5.5.1.3 Toetsing plan Gelet op onderhavige ontwikkeling, waarbij sprake is van de bouw van een loods met een oppervlak van 999 m2, is sprake van een toename van gebouwelijke ontwikkelingen. Aangezien deze ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grens van 2.500 m2, is er geen sprake van een archeologische onderzoeksplicht. 5.5.1.4 Conclusie Het plan past binnen het archeologisch beleid van de gemeente. 5.1.2 Cultuurhistorie 5.1.2.1 Algemeen Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening, artikel 3.1.6, lid 5, onder a, moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij dient tevens historisch (steden)bouwkundige geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden, en op welke wijze deze zijn geborgd in het plan.