CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Albergen, Zandhuisweg 36 Toelichting.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 18 juli 2023, gemeente TubbergenBij agendapunt: 13: Bestemmingsplan ‘Albergen, Zandhuisweg 36’20.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

25

elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwallen voor een groot deel uit tertiare (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor. De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken Toetsing van het initiatief aan de natuurlijke laag Een groot deel van de kern Albergen, waaronder het gehele bedrijventerrein, ligt op een stuwwal. Door de aanwezigheid van bebouwing is ter plaatse de stuwwal al minder zichtbaar aanwezig. Met voorgenomen ontwikkeling wordt ingezet op het open laten van de zuidelijk gelegen es en het accentueren van de overgang van Albergen naar het buitengebied. In het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) is dit uitgewerkt. Hiermee is het initiatief in overeenstemming met de natuurlijke laag. 2.

De "Laag van het agrarisch cultuurlandschap"

Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop van de tijd gaan waarderen. Het heeft als 'consumptielandschap' voor bewoners, recreanten en toeristen nieuwe betekenis gekregen. De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' aangeduid met het gebiedstype 'Essenlandschap'. In onderstaande afbeelding wordt dit weergegeven.

Afbeelding 4.3 Uitsnede laag van het agrarisch cultuurlandschap' (Bron: Provincie Overijssel) Essenlandschap Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, - voormalige - heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Toetsing van het initiatief aan de laag van het agrarisch cultuurlandschap Voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op de flank van de es. Belangrijk is dat de zuidelijk gelegen es open blijft,

26

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

daar is hier sprake van. Bovendien is de uitbreiding van het bedrijf in zuidelijke richting de enige mogelijke uitbreidingsrichting, de belangen van het bedrijf wegen daarom mee in de afweging. Middels een goede landschappelijke inpassing en het open houden van de es, is de uitbreiding op de flank van de es passend. 3.

De "Stedelijkelaag"

In de stedelijke laag ontstaat de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. Elke stad of dorp bezit zijn eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Het plangebied is voor een deel (betreffende het bestaande bedrijf) gelegen in het gebiedstype 'bedrijventerreinen'. In afbeelding 4.4 is dat aangegeven.

Afbeelding 4.4 Uitsnede stedelijke laag (Bron: Provincie Overijssel) Bedrijventerreinen De bedrijventerreinen zijn georganiseerd op basis van uitgegeven kavels aan bedrijven. Het zijn meestal monofunctionele werkgebieden met een 'no nonsense' karakter en vaak krappe openbare ruimtes. De gebieden zijn ingericht en bebouwd op basis van een beperkte set aan kwaliteitsregels. De terreinen zijn veelal volledig gericht op autobereikbaarheid en hermetisch van karakter en liggen los van de woonwijken en het buitengebied. Er zijn veel verschillen in uitstraling en ambitieniveau per terrein. De bebouwing is functioneel, vaak eenvoudig en eenvormig, soms karakteristiek en historisch. Als ontwikkelingen plaats vinden op of rond bedrijventerreinen, dan dragen deze bij aan versterking van het vitale karakter en de kwaliteit van bedrijventerreinen, aan het verbinden van het terrein met de omgeving en aan versterking van de profilering gericht op onderlinge differentiatie, met respect voor het verstedelijkingspatroon. Toetsing van het initiatief aan de stedelijke laag De ontwikkeling voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor een bestaand en lokaal geworteld bedrijf. Door deze uitbreiding wordt enerzijds de vitaliteit van het bedrijventerrein en de kern Albergen in zijn geheel versterkt, aangezien het bedrijf zorgt voor veel werkgelegenheid.

Anderzijds wordt de uitstraling van het bedrijventerrein Zuid-Esch verbeterd, doordat de uitbreiding zorgt dat de buitenopslag verdwijnt en er meer parkeerruimte ontstaat. De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast, passend bij de gebiedskenmerken en het verstedelijkingspatroon. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met de stedelijke laag. 4. Laag van de beleving In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

27

natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. De verblijfsrecreatiecomplexen, de attracties, de routes voor wandelen, fietsen en varen zijn een belangrijke economische factor geworden met een vergelijkbaar aandeel in de economie als de agrarische sector. Dit alles verandert het aanzien, de gewenste gebruiksmogelijkheden en betekenis van het buitengebied. Aan het 'belevingslandschap' ontleent Overijssel zijn tijdsdiepte, maar ook zijn aantrekkingskracht. Steeds vaker worden de kwaliteiten uit het verleden ingezet in plannen door daar met nieuwe kwaliteiten, gebruiks- en verschijningsvormen op voort te bouwen. Belangrijk in deze laag is het oude en nieuwe 'erfgoed' van de provincie. De locaties hebben op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van de beleving' de kwaliteit 'Donkerte' gekregen. In afbeelding 4.5 wordt dit weergegeven.

Afbeelding 4.5 Laag van de beleving Donkerte Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.

Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving' Allereerst wordt gesteld dat de gehele kern Albergen als donker gebied is aangemerkt. In de praktijk is er uiteraard geen sprake van donkerte in de kern Albergen. Een zekere lichtuitstraling is namelijk inherent aan stedelijke functies zoals wonen en bedrijvigheid. Met de uitbreiding van het bedrijf is er geen sprake van een onevenredige toename een (kunst)licht in het buitengebied. Onnodige verlichting wordt zoveel mogelijk voorkomen. Daarnaast wordt de uitbreiding zodanig groen ingepast en afgeschermd dat een zekere

28

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

lichtuitstraling wordt afgeschermd. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de “Laag van de beleving”. 4.2.5

Conclusietoetsing aan het provinciaalbeleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld. 4.3.1

Mijn OmgevingsvisieTubbergen

4.3.1.1 Algemeen De gemeente Tubbergen beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Tubbergen gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal! MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart). Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We wentelen niet af op volgende generaties; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.

4.3.1.2 Speerpunten In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema 'Ruimte voor ondernemen' van belang. Ruimte voor ondernemen Als gemeente zorgt men voor voldoende ontwikkelruimte voor bedrijven en voor plekken waar bedrijven zich kunnen vestigen. Zo draagt de gemeente bij aan de werkgelegenheid en kunnen verschillende soorten bedrijvigheid ontstaan. De gemeente streeft naar levendige compacte kernwinkelgebieden. Voor duurzame, kansrijke initiatieven wordt maatwerk geleverd. Daarbij ligt de nadruk op het behouden en versterken van het lokale bedrijfsleven. Samenvattend gaat de gemeente voor: goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven; het faciliteren van ondernemers met als principe “ja- tenzij”. Goede vestigings- en ontwikkelingsmogelijkheden: Goede vestigingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven betekent dat wordt ingezet op voldoende en passende bedrijventerreinen. En op een goede bereikbaarheid. Leegstand wil men daarbij zoveel mogelijk voorkomen. Meer uitgebreid gaat het om het volgende: Het doel is om het aanbod aan bedrijfsgrond aan te laten sluiten bij de vraag. In principe moeten ondernemers en/of bedrijven met een ruimtebehoefte binnen de gemeente een plek kunnen vinden. Of dit lukt is mede afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf.

Als er veel vraag is wordt gekeken of uitbreiding van bedrijfsterreinen nodig is. Hierbij kijkt men ook naar vraag en aanbod in de regio. Ook buiten de bedrijventerreinen zet de gemeente zich in voor voldoende, duurzame en passende ruimte (huisvesting) voor ontwikkelingen. Dit is maatwerk. De gemeente weegt de specifieke behoefte van ondernemers en bedrijven af en adviseert over de haalbaarheid van initiatieven. Streven naar kwalitatieve verbeteringen. Dit gaat bijvoorbeeld over het voorkomen van leegstand, een goede bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

29

ontsluiting en een goede fysieke en digitale bereikbaarheid. Het faciliteren van ondernemerschap De gemeente geeft ondernemers de ruimte door in te zetten op maatwerk en door flexibiliteit te bieden. De gemeente vindt het belangrijk dat de juiste functies op de juiste plek terecht komen. Het slim combineren van functies vanuit een duidelijke visie biedt kansen. De ondernemers, de bedrijfsconsulent en het OndernemerServiceTeam (OST) zijn hierbij de spil. Zij verbinden partijen aan elkaar en helpen met de juiste routes. 4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke structuurvisie Dit bestemmingsplan voorziet in uitbreiding van een lokaal geworteld bedrijf. Door deze uitbreiding krijgt het bedrijf ruimte voor een toekomstbestendige voortzetting. Ook wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd, doordat buitenopslag wordt verwijderd en de parkeersituatie wordt verbeterd. Het bieden van ruimte aan ondernemingen past binnen het streven van de gemeente om goede vestigingsmogelijkheden en ontwikkelingsmogelijkheden voor het bedrijfsleven te realiseren. Het past ook bij het streven om bedrijfsgrond voor ondernemers binnen de eigen gemeente te vinden. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de Omgevingsvisie.

4.3.2

Buitengebiedmet kwaliteit

4.3.2.1 Algemeen De gemeenten Tubbergen en Dinkelland hebben nieuw beleid opgesteld voor ontwikkelingen in het buitengebied 'Buitengebied met Kwaliteit'. De afgelopen jaren is geconstateerd dat het ruimtelijk beleid voor het buitengebied op onderdelen onnodig ingewikkeld is geworden en is zowel vanuit aanvragers en hun adviseurs als gemeente de wens geuit voor eenvoudiger en overzichtelijker beleid voor het buitengebied. In de nieuwe beleidsnota zijn de bestaande beleidsnota’s voor Rood voor Rood, en Schuur voor schuur en VAB+ en de nota’s ten aanzien van plattelandswoningen en nieuwe landgoederen vervat in één vereenvoudigde regeling die mede vanwege de opgaven in het buitengebied op onderdelen geactualiseerd en aangevuld is. 4.3.2.2 Reikwijdte Deze beleidsregel is uitsluitend van toepassing op het buitengebied van de gemeente en de regels en voorwaarden uit deze notitie zijn een nadere gemeentelijke uitwerking van het provinciaal beleid waaronder artikel 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) van de Omgevingsverordening Overijssel. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de planologische mogelijkheden die de geldende bestemmings-plannen/ het omgevingsplan bij recht of met toepassing van een binnenplanse afwijking/ binnenplanse omgevingsplanactiviteit biedt. Ook is deze beleidsregel niet van toepassing op o.a.

de uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen en bestaande woningbouwlocaties die binnen de bebouwde kom zijn ge-legen en richting het buitengebied worden uitgebreid en op zonne- en windparken. 4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan Beleidsnota Buitengebied met Kwaliteit Zoals hiervoor is gemotiveeerd is de beleidsnota niet van toepassing op uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen binnen de bebouwde kom richting het buitengebied. In dit geval is sprake van een bestaand bedrijf binnen de bebouwde kom. De beleidsnota is dan ook niet van toepassing. 4.3.3

Integrale ontwikkelingsvisiebedrijventerreinen gemeente Tubbergen

4.3.3.1 Algemeen Met de ‘Integrale ontwikkelingsvisie bedrijventerreinen’ geeft de gemeente Tubbergen een onderbouwing van de door de gemeente gewenste ontwikkelingen met betrekking tot bedrijventerreinen en de randvoorwaarden die nodig zijn om deze ontwikkelingen te realiseren. Via een analyse van het huidig ruimtelijk-economisch profiel en een weergave van de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van bedrijventerreinen is een concreet actieprogramma geformuleerd. In de integrale ontwikkelingsvisie bedrijventerreinen gemeente Tubbergen' zijn de volgende doelstellingen geformuleerd: 30

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

uitbreiding van de reguliere bedrijventerreinen vindt plaats in Albergen, Geesteren en Tubbergen; streven naar profielversterkende bedrijvigheid, met name in Albergen en Tubbergen (passende bedrijvigheid); in de overige kernen blijft de mogelijkheid bestaan voor uitbreiding van de plaatselijke gevestigde bedrijven waarbij sprake zal zijn van lokaal maatwerk; voor elk nieuw op te stellen bestemmingsplan voor een bedrijventerrein tevens een beeldkwaliteitsplan op te stellen; tijdig en flexibel beschikbaar hebben van voldoende uitgeefbaar terrein; realiseren van duurzame bedrijventerreinen met aandacht voor overgangszones naar andere functies. Belangrijk uitgangspunt is het waar mogelijk faciliteren van (de uitbreidingswensen van) lokale, plaatsgebonden bedrijvigheid. Dit streven wordt gekoppeld aan de constante afweging van criteria als werkgelegenheid, planologie, aard en schaal van de bedrijvigheid, oplossing milieuprobleem en ruimtebeslag. Hiervoor is inmiddels de Notitie Vestigingscriteria Bedrijven Tubbergen opgesteld (zie paragraaf 4.3.4. Naast het faciliteren van de bestaande, autonome behoeftevraag is het wenselijk te streven naar vestiging (en/of het faciliteren) van profielversterkende bedrijvigheid. Op basis van het bestaande profiel betekent dat bedrijvigheid op gebied van o.a.

bouwnijverheid, reparatie en handel, industrie, gezondheids- en welzijnszorg en dienstverlening. Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren en vestiging van lokale hoogwaardige, kennis- en arbeidsintensieve, innovatieve en agrarisch verwante bedrijvigheid. Ten aanzien van de typologie 'schaal' wordt gesteld dat het toetsen aan de schaal van de bedrijvigheid, van toepassing is op nieuwvestiging van bedrijven op een bedrijventerrein en van bedrijven die zich vanuit het buitengebied willen vestigen op een bedrijventerrein. Bomech betreft een reeds aanwezig lokaal geworteld bedrijf op een bedrijventerrein. Bovendien is de schaal beperkt, doordat het gaat om een uitbreiding van een bedrijf op een bedrijventerrein waarbij qua uitstraling en maatvoering wordt aangesloten op de bestaande bebouwing. 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de integrale ontwikkelingsvisie bedrijventerreinen gemeente Tubbergen Het bieden van uitbreidingsmogelijkheden aan lokale ondernemers past bij de visie van de gemeente. Met name in de kernen Albergen, Geesteren en Tubbergen wordt gestreefd naar profielversterkende bedrijvigheid. Het lokaal gewortelde bedrijf, met de producten gericht op de agrarische sector, past bij het profiel van de kern Albergen. 4.3.4

Notitie hantering vestigingscriteria bedrijventerreinen Gemeente Tubbergen

4.3.4.1 Algemeen Het bedrijventerreinenbeleid heeft als doel om de lange termijn een visie uit te zetten voor de duurzame ontwikkeling van de bedrijventerreinen in Tubbergen, Geesteren en Albergen. Daarnaast dient het aan ondernemers duidelijkheid te bieden en eenduidigheid te kunnen waarborgen in de uitvoering. Hiermee wordt getracht duurzaamheid op de terreinen te bereiken en voldoende ruimte te bieden voor lokale ondernemers, zodat de gemeente een goed vestigingsklimaat kan bieden, passend bij de gewenste economische ontwikkeling. Hiermee wil men plaatselijk gebonden bedrijven faciliteren. De 'Notitie hantering vestigingscriteria bedrijventerreinen gemeente Tubbergen' omvat de belangrijkste beleidskaders voor de ontwikkeling van de bedrijventerreinen binnen de gemeente Tubbergen. In de notitie worden daarnaast ook de bestaande en aan te leggen bedrijventerreinen in Tubbergen en Albergen ingedeeld naar bepaalde typologieën (segmenten). De bedrijventerreinen zijn ingedeeld naar type activiteiten, uitstraling en straal. Wat betreft type activiteiten wordt voor de bedrijventerreinen in de gemeente Tubbergen uitgegaan van gemengde bedrijventerreinen. Een tweede categorie is de uitstraling: in de nota worden standaard en modern onderscheiden. Als eis geldt dat voor elk nieuw bedrijventerrein een beeldkwaliteitsplan wordt geëist.

Als derde categorie geldt de schaal: Uitgangspunt hierbij is dat de bedrijven met veel werknemers ten opzichte van de oppervlakte eenheid, zoals kennisintensieve bedrijven, productiebedrijven met weinig opslag, etc. op kleinere kavels in de kern Tubbergen en Albergen met een maximale kavelgrootte van 5.000 m² en dat de overige bedrijven zich vestigen in Geesteren.

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

31

4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Notitie hantering vestigingscriteria bedrijventerreinen Gemeente Tubbergen Na vergroting van het bedrijfsperceel ontstaat een bedrijfskavel van ruim 7.000 m2. Dit is niet in overeenstemming met de op het bedrijventerrein toegestane maximale kavelgrootte. Echter gaat het om een lokaal geworteld bedrijf, dat reeds tientallen jaren in Albergen gevestigd is. De lokale geworteldheid en de ambitie om lokale ondernemers te faciliteren wegen hierbij zwaarder dan de vestigingscriteria. De uitbreiding wordt hiermee als passend gezien. Daarnaast is het type bedrijf toegestaan op het bedrijventerrein. De uitbreiding van het betreffende bedrijf past dan ook binnen de "Notitie hantering vestigingscriteria bedrijventerreinen". 4.3.5

Casco-benaderingin Noordoost-Twente

4.3.5.1 Algemeen In het Ontwikkelingsperspectief voor het Nationale Landschap Noordoost-Twente hebben de hierbij betrokken partijen de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zowel gemeenten als provincie hadden behoefte aan een praktisch concept om in de dagelijkse praktijk invulling te geven aan deze ambitie. Voor het bereiken van deze ambitie is het, het meest wenselijk om de belangen van initiatiefnemers die elementen willen verwijderen te koppelen aan grondeigenaren die bereid zijn nieuwe elementen te plaatsen om zo het landschap te versterken. Alle individuele aanvragen zullen dan uiteindelijk moeten leiden tot een beter functionerend en herkenbaar landschap. Om dit te bereiken is de casco-benadering ontwikkeld. Met de casco-benadering beschikken de provincie Overijssel en de deelnemende gemeenten van Noordoost-Twente over een generieke methode om vorm te geven aan de doelen voor het Nationaal Landschap: behoud en ontwikkeling van het landschap inclusief al haar functies. In relatie tot het provinciaal beleid is de cascobenadering een middel om invulling te geven aan het fenomeen 'ruimtelijke kwaliteit' en uitvoering aan de kwaliteitsagenda van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.

4.3.5.2 Casco-benadering in de praktijk De landschapstypen van Noordoost-Twente vormen, samen met de ontwikkeling die deze landschappen hebben doorgemaakt (dynamiek), het uitgangspunt van de casco-benadering. Elk landschapstype heeft een eigen kenmerkende structuur van opgaande beplantingen. Deze structuur is het casco van het landschap. Het kan daarbij gaan om bomenrijen, houtwallen, houtsingels en (kleinere) bosjes. Het beleid is er op gericht om dit casco te versterken. Toepassing van de casco benadering leidt op termijn tot versterking van het 'kleinschalige groene karakter' van het landschap in totaliteit. De regels van de casco-benadering gelden niet voor: Punt elementen (zoals poelen en solitaire bomen). Lijn elementen (zoals stijlranden en zandwegen). Beplanting binnen bouwblokken/bebouwde kom. Boomgaarden. Bos groter dan 0,5 hectare. Voor bovenstaande elementen en het beheer van casco elementen geldt het reguliere beleid van elke afzonderlijke gemeente. De basis voor initiatieven is de cascokaart. Hierop staan drie typen elementen weergegeven, zie de navolgende tabel. Landschapstype Elementen die tot het casco behoren Elementen die niet tot het casco behoren

Opmerking Mogen in principe niet verplaatst worden Mogen verplaatst worden, als aan de regels van de casco-benadering wordt voldaan Te compenseren elementen Locaties waar de initiatiefnemer de elementen heen kan verplaatsen Aan de hand van de casco-kaart wordt beoordeeld of het landschapselement tot het casco behoort of niet. Uit de beoordeling hiervan volgen drie mogelijke opties: Regulier casco: het te verwijderen element is geen casco en de initiatiefnemer compenseert op een lijn uit de casco-kaart. Afwijking van de compensatie: het te verwijderen element is geen casco, maar de initiatiefnemer wil compenseren op een andere plek dan aangegeven op de casco-kaart. Afwijking van het casco: het te verwijderen element behoort tot het casco en het te compenseren element

32

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

ligt of op de casco-kaart, zo niet dan is de een aanvraag een combinatie met situatie 2 (afwijking compensatie). 4.3.5.3 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied zijn geen onderdelen van het casco aanwezig. De situering van het plangebied op de Casco kaart is globaal met de rode omlijning weergegeven in de onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.3 Ligging plangebied op de Casco kaart Noordoost Twente (Bron: Casco kaart Noordoost Twente) 4.3.5.4 Toetsing van het initiatief aan de "Casco-benadering in Noordoost-Twente" Zoals in afbeelding 4.3 is weergegeven, liggen er in het plangebied geen groenstructuren die onderdeel uitmaken van het casco. Er is dan ook geen sprake van aantasting van het casco. 4.3.6

Conclusietoetsing aan het gemeentelijkbeleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

33

34

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid 5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval is er geen sprake van de realisatie van een nieuwe geluidgevoelig gebouw of object als bedoeld in de Wgh. Daarnaast is geen sprake van de realisatie van een nieuwe grote lawaaimaker als bedoeld in de Wgh. Een nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. In paragraaf 5.5 (milieuzonering) wordt nader getoetst aan de externe werking als gevolg van de ontwikkeling. 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2 Bodemkwaliteit 5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval is door Kruse B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de uitbreiding. Het volledige rapport is als Bijlage 2 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Op basis van de resultaten van de analyses wordt het volgende geconcludeerd: de bovengrond is niet verontreinigd; de ondergrond is niet verontreinigd; het grondater is licht verontreinigd met barium en zink. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw van de bedrijfshal, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijf).

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

35

5.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Situatie plangebied

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn onder andere het realiseren van 100.000 m2 kantoren of 1.500 woningen. Gezien de beperkte omvang in vergelijking met deze voorbeelden, is het voornemen aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Daarnaast is er geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

36

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

5.4 Externe veiligheid 5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden- en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven, het plangebied betreft de locatie die is aangegeven met de zwarte omlijning.

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

37

Afbeelding 5.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; In afbeelding 5.1 is zichtbaar dat circa 550 meter ten zuiden van het plangebied een gasleiding van de Nederlandse Gasunie B.V. ligt. Het betreft buisleiding met kenmerk N-531-10. De buisleiding heeft een uitwendige diameter van 212 mm en een werkdruk van maximaal 40 bar. Bij gasleidingen zijn, voor wat betreft het groepsrisico, de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. In voorliggend geval geldt een 1% letaliteitsgrens van 100 meter en een 100% letaliteitscontour van 50 meter. Aangezien de leiding op circa 550 meter van het plangebied ligt wordt aan beide afstanden voldaan.

Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan 5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

38

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

5.5 Milieuzonering 5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt op het bedrijventerrein van Albergen. Naast een verscheidenheid aan bedrijven komen er ter plaatse tevens een aantal woonfuncties voor. Het gebied kan vanwege de verscheidenheid aan functies worden aangemerkt als een gemengd gebied.

Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes. Milieucategorie

1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

39

5.3 6

1.000 m 1.500 m

5.5.3

700 m 1.000 m

Situatie plangebied

De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In dit geval gaat het om een bedrijf die op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' het beste kan worden vergeleken met de functie 'Vervaardiging van machines en apparaten, productieoppervlakte groter dan 2.000 m2 bvo'. Een dergelijke functie heeft op basis van de VNG een milieucategorie van 4.1 en een richtafstand van 100 meter op basis van ligging in het gemengd gebied. Deze afstand geldt voor het aspect 'geluid'. Voor de aspecten 'geur', 'stof' en 'gevaar' gelden richtafstanden van respectievelijk 30, 10 en 10 meter (op basis van ligging in het gemengd gebied). Binnen deze afstand zijn verscheidene milieugevoelige functies gelegen. Het betreft een woning aan de Zandhuisweg 27 (circa 50 meter afstand).

Daarnaast liggen er verscheidene bedrijfswoningen op het bedrijventerrein binnen een afstand van 100 meter van het plangebied, waarvan de dichtstbijzijnde op een afstand van ruim 35 meter vanaf het bouwvlak binnen plangebied ligt (betreffende de Hinvertsweg 35). Het gaat dan ook enkel om het aspect geluid waarvoor de richtafstand niet gehaald wordt. In dit geval is daarom door Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Resultaten Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van een de dichtstbijzijnde woning van derden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 34 en 20 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode bedraagt. De ambitiewaarden voor de woningen worden niet overschreden. De maatgevende geluidbron betreft rijdende vrachtwagens op het terrein in de dagperiode en nachtperiode. Het maximale geluidniveau bedraagt maximaal 61 en 58 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode. Er wordt voldaan aan de geluidvoorschriften voor het maximale geluiniveau die zijn opgenomen in het activiteitenbesluit. Middels dit onderzoek is aangetoond dat, ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (woningen van derden), sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusies Op grond van onderhavig onderzoek worden volgende conclusies worden getrokken: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen van derden bedraagt maximaal 32 en 20 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode. De ambitiewaarden voor de woningen worden niet overschreden. De maatgevende geluidbron betreft rijdende vrachtwagens op het terrein in de dagperiode en nachtperiode. Het maximale geluidniveau bedraagt maximaal 61 en 58 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode. Er wordt voldaan aan de geluidvoorschriften voor het maximale geluiniveau die zijn opgenomen in het activiteitenbesluit. Middels dit onderzoek is aangetoond dat, ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (woningen van derden), er sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden vanwege verkeer op de openbare weg mede doordat voertuigen direct worden opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Er is daarmee gebleken dat geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies. Er is ter plaatse sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de grootste geluidsbronnen de verkeersbewegingen en het rijden van heftrucks betreft. De interne werkzaamheden zijn nauwelijks van invloed.

Uit inventarisatie blijkt dat in de huidige bedrijfshallen het binnenniveau circa 65 tot 70 dB(A) bedraagt. De huidige bedrijfshallen en ook de 40

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

toekomstige bedrijfshal zijn voorzien van goed geïsoleerde wanden, deuren en ramen. Op dit moment vindt er geen relevante uitstraling via geveldelen plaats. De werkzaamheden in de nieuw te bouwen bedrijfshal zijn identiek zodat blijkt dat er ook voor de toekomstige bedrijfshal geen relevant geluid wordt uitgestraald naar de omgeving. Het type machine dat er wordt gerepareerd of geproduceerd is dan in feite ook niet van invloed op de geluidbelasting. De aan- en afvoer met vrachtwagens is wel relevant, dat zijn de mobiele geluidsbronnen. Bij de berekening hiervan is uitgegaan van de representatieve (maximale belaste) bedrijfssituatie. De opgegeven hoeveelheden verkeersbewegingen zijn verstrekt door de opdrachtgever. Hierin is uitgegaan van de werkzaamheden en functies zoals deze opgenomen zijn in de KVK-omschrijving van het bedrijf, die is verwerkt in de bestemmingsregels als vorm van specifiek bedrijf. Hiermee wordt gesteld dat het akoestisch onderzoek representatief is voor de functieomschrijving zoals in dit bestemmingsplan opgenomen. Aanvulling akoestisch onderzoek Gevraagd is om aanvullend inzichtelijk te maken wat de geluidbelasting is ter plaatse van de tuinen van de woningen in de omgeving. In de tuinen moet het geluidsniveau acceptabel zijn.

Een goed woon- en leefklimaat houdt in dat mensen ook op een verantwoorde manier gebruik kunnen maken van hun tuin en buiten kunnen zijn. Daartoe zijn aanvullende berekeningen gemaakt. Het volledige briefrapport is als Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan: Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ter plaatse van de tuinen bij de woningen van derden het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau maximaal 40 en 16 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode bedraagt. De ambitiewaarden voor de tuinen bij de woningen worden niet overschreden. De maatgevende geluidbron betreft rijdende vrachtwagens op het terrein in de dagperiode en nachtperiode. Het maximale geluidniveau bedraagt bij de tuinen van de woningen maximaal 70 en 52 dB(A) in respectievelijk de dag en nachtperiode. Er wordt voldaan aan de geluidvoorschriften voor het maximale geluiniveau die zijn opgenomen in het activiteitenbesluit. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en omgekeerd of omliggende bedrijven door de ontwikkeling niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. In het projectgebied wordt geen nieuwe milieugevoelige functie gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van belemmering van de gebruiksmogelijkheden omliggende functies.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Ecologie 5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Springendal en Dal van de Mosbeek' ligt op een afstand van minimaal 7,4 kilometer ten noorden van het bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

41

plangebied. In dit geval is door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd. De volledige berekening is als Bijlage 5 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden, die onderdeel uitmaken van het NNN liggen op circa 1,7 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied.

Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gelet op de aard en beperkte omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 5.6.3.2 Situatie plangebied Ten aanzien van de ontwikkeling is door Natuurbank Overijssel een quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 6 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd. De beplanting dient daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels gerooid te worden.

Beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren mogen niet opzettelijk gedood worden. Er dient daarom zorgvuldig gewerkt te worden. Zo dient het vergraven van grond plaats te vinden buiten de voortplantingsperiode van grondgebonden zoogdieren en buiten de winterrustperiode van amfibieën, tenzij het terrein ongeschikt gemaakt is en amfibieën er niet terecht kunnen. Wezel en grote bosmuis benutten de beplantingsstrook mogelijk als leefgebied. Als gevolg van het vergraven van deze strook, of verwijderen van beplanting, wordt het functionele leefgebied aangetast en wordt mogelijk een verblijfplaats vernield en wordt mogelijk een wezel of grote bosmuis gedood. Om de voorgenomen activiteit uit te mogen voeren, dient een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor beschermde dieren, neemt voor sommige soorten af, terwijl voor andere soorten er sprake is van een tijdelijk negatief effect. Met uitzondering van soorten als wezel en grote bosmuis, leidt dit niet tot overtreding van een verbodsbepaling.

42

bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

5.6.4

Conclusie

Er zijn geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna te verwachten. Het aspect ecologie vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, mits ontheffing ten aanzien van de wezel en grote bosmuis wordt verkregen. Ruimtelijke ontwikkelingen vormen een wettelijk belang, op basis waarvan de provincie een ontheffing mag verlenen. Er is in het plan voldoende mogelijkheid voor tijdelijke en duurzame compensatie. Ook kan aan alle andere voorwaarden voldaan worden. Het verkrijgen van een ontheffing is daarmee reëel . De Wet natuurbescherming vormt daarmee geen belemmering voor deze ontwikkeling.

5.7 Archeologie & cultuurhistorie 5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in de plangebieden behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied gelden verschillende archeologische dubbelbestemmingen. Ter plaatse van de beoogde uitbreiding geldt voor het grootste gedeelte de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met daarbij de aanduiding 'specifieke vorm van verwachting - hoge archeologische verwachting'. Een archeologisch onderzoek is benodigd bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 centimeter. Daar is in dit geval sprake van.

Daarom is door Laagland Archeologie een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 7 van deze toelichting. Inventariserend onderzoek Conclusie en verwachting In het grootste deel van het plangebied is sprake van een plaggendek, dat in het centrale deel het dikst is. Onder het plaggendek ligt een zandlaag, dat in het centrale plangebied een opduiking vormt. In dit centrale deel is in twee boringen een B-horizont waargenomen. Deze bodemvorming wijst erop dat deze delen langdurig voldoende ontwaterd zijn geweest om bodemvorming mogelijk te maken. Daarmee kunnen deze locaties ook geschikt zijn geweest voor bewoning, hoewel het grootste deel waarschijnlijk te nat was om aantrekkelijk te zijn voor bewoning. Archeologische indicatoren zijn tijdens het karterende booronderzoek aangetroffen, specifiek op de locatie van het meest kansrijk geachte deel van het plangebied (keizandopduiking). Slechts een houtskoolfragmentje is in de natuurlijke bodem gevonden. De drie stukjes bewerkt vuursteen zijn aangetroffen in later opgebrachte grond (plaggendek).

Waarschijnlijk zijn deze vuursteenfragmentjes door ploegactiviteiten vanuit de top van de natuurlijke bodem in het plaggendek/bouwvoor terecht gekomen.14 Dit resultaat komt overeen met eerder booronderzoek vlakbij het plangebied waarbij op een drietal locaties bewerkt vuursteen is aangetroffen in de zandlaag tussen plaggendek en keileem. Selectieadvies De kans dat ter hoogte van de uitbreidingslocatie een archeologische vindplaats aanwezig is, is zeer groot. Afhankelijk van de diepte tot waar bodemverstoring is voorzien, wordt daarom aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd. Het archeologische niveau bevindt zich op een diepte van ongeveer 1 m -mv. Algemeen wordt een bufferzone van minimaal 20 cm toegepast bovenop het archeologische niveau, waarbinnen geen bodemingrepen mogen plaatsvinden. Bodemingrepen tot 80 cm -mv zijn daarom toelaatbaar zonder dat archeologisch vervolgonderzoek benodigd is. Bij bodemingrepen dieper dan 80 cm -mv is archeologisch vervolgonderzoek aan de orde. Aangezien het om een relatief klein plangebied gaat, wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek vorm te geven in de vorm van een archeologische begeleiding met inzet van een zeefinstallatie. Om planningstechnische redenen en daarmee samenhangende financiële en praktische consequenties heeft een archeologische begeleiding hier vanuit de opdrachtgever sterk de voorkeur boven een proefputtenonderzoek.

Als bepaalde vondsten hiertoe aanleiding geven, kan tijdens de begeleiding in overleg bestemmingsplan Albergen, Zandhuisweg 36

43

met opdrachtgever en bevoegd gezag alsnog worden besloten daarbij een (kleine) opgraving te doen. Voor het uitvoeren van een archeologische begeleiding is een programma van eisen (PvE) benodigd. Dit PvE dient enerzijds de belangen van de opdrachtgever vast te leggen in termen van doorlooptijd en kosten en dient anderzijds ertoe de archeologischwetenschappelijke belangen vast te leggen. In dit PvE dient tevens rekening gehouden te worden met een eventuele doorstart naar opgraving. De gemeente dient het PvE goed te keuren voordat met een gravend onderzoek kan worden begonnen. De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Tubbergen, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente. 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich ter plaatse van het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied is er eveneens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden die mogelijk negatief zouden kunnen worden beïnvloed door voorliggend plan. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. Door middel van de in paragraaf 5.7.1 besproken archeologische begeleiding worden de archeologische waarden beschermd.

5.8 Besluit milieueffectrapportage 5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/970/documents/20840