Bijlage Albergen, Ootmarsumseweg 168 Toelichting.pdf
Tekst van het document
In de kern Albergen is voor op basis van de woonvisie behoefte aan circa 95 woningen. De gewenste 15 appartementen passen dan ook binnen deze beschikbare plancapaciteit. De ontwikkeling bedient, zoals reeds vermeld, de meest urgente woningvraag van deze doelgroep. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid. 4.4.3
Beleidsnota Inbreidingslocatiesgemeente Tubbergen 2016
4.4.3.1 Algemeen Op 26 januari 2016 is de beleidsnota 'Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016' vastgesteld. Dit betreft een herziening van de beleidsnotitie 'transformatie en herstructurering', vanwege de wijziging van de ruimtelijke regelgeving (Besluit ruimtelijke ordening), een toenemende leegstand en de demografische ontwikkeling. De herziening schetst het actuele beleidskader en biedt een handreiking voor de toetsing van dergelijke aanvragen. Daarnaast wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om de lokale regelgeving te harmoniseren. Deze beleidsnota is van toepassing op aanvragen voor kleinschalige woningbouw in bestaand stedelijk gebied. Prioriteit wordt toegekend aan aanvragen die betrekking hebben op de benutting van locaties voor herstructurering of transformatie. Voor uitleg van het begrip “kleinschalig” wordt aangesloten bij de actuele stand van de jurisprudentie met betrekking tot de toepassing van de zogeheten Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening). Vastgesteld beleid schept kaders en geeft meer duidelijkheid en zekerheid voor initiatiefnemers en omwonenden. De doelstelling van deze nota is het hebben van een beleidsinstrument om aanvragen voor het bouwen op inbreidingslocaties ruimtelijk te verantwoorden en gemaakte keuzes te kunnen beargumenteren.
Beleid op inbreidingslocaties geeft kansen voor verbetering en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt primair ingezet op bouwen voor behoefte op locaties voor herstructurering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied.
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
29
4.4.3.2 Toetsingskader Aan een aanvraag voor bouwen op een inbreidingslocatie die binnen het bestemmingsplan past is de gemeente verplicht medewerking te verlenen. Wanneer dit niet het geval is en de aanvraag ook niet binnen de (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheden van het bestemmingsplan past moet worden afgewogen of er medewerking wordt verleend. Dit geschiedt aan de hand van toetsing aan de criteria in de onderstaande tekst (en alle relevante beleids- en omgevingsaspecten). Aan een aanvraag voor bouwen op een inbreidingslocatie die binnen het bestemmingsplan past is de gemeente verplicht medewerking te verlenen. Wanneer dit niet het geval is en de aanvraag ook niet binnen de (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheden van het bestemmingsplan past moet worden afgewogen of er medewerking wordt verleend. Dit geschiedt aan de hand van toetsing aan de criteria in de onderstaande tekst (en alle overige relevante beleids- en omgevingsaspecten). Beleid Het bestaande beleid waar ontwikkelingen aan getoetst worden, betreft onder meer: a. Rijksstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte: toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6, lid 2 Bro); b. Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel: woonafspraken c. Gemeente: 1. Mijn omgevingsvisie Tubbergen (ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen) 2.
Woonvisie 2021+: woningbouwprogramma totaal en per kern en doelgroepen Stedenbouwkundige aspecten De stedenbouwkundige toetsing is erop gericht te kijken of de aanvraag aansluit op de omgeving, of deze een meerwaarde heeft voor de kwaliteit van de bestaande situatie en of het perceel geschikt is. Afhankelijk van de aard en omvang van het voorgenomen bouwplan en de locatie kan het college besluiten de gemeentelijke kwaliteitsgroep in te schakelen voor de stedenbouwkundige toets. Aansluiting op de omgeving Bebouwing op inbreidingslocaties is alleen acceptabel als de bebouwing vanuit stedenbouwkundige overwegingen als logisch kan worden beschouwd, als het iets toevoegt aan de ruimtelijke situatie of als er aantoonbaar sprake is van een verbetering van de bestaande situatie. Er moet een logische aansluiting zijn op de bestaande stedenbouwkundige structuur en er moet samenhang worden gevormd met de omgeving. De groene elementen in een gebied en de stedenbouwkundig ruimtelijke waarde van een gebied zijn in hoge mate bepalend bij de afweging of bebouwing aanvaardbaar is. Wanneer het perceel deel uitmaakt van een groter geheel mag de bebouwing op de inbreidingslocatie geen kwaliteitsverlies betekenen van de samenhang met de omgeving.
Indien een verzoek onvoldoende past in de bestaande stedenbouwkundige structuur en onvoldoende samenhang heeft met de ruimtelijke omgeving, wordt de aanvraag afgewezen. Het plan wordt daarom voorgelegd aan de kwaliteitsgroep: een deskundige en objectieve groep die beoordeelt of het plan stedenbouwkundig verantwoord is op de betreffende locatie. Herstructurering of transformatie Indien een voorgenomen ontwikkeling voorziet in een regionale behoefte moet volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 Bro) vervolgens worden beoordeeld of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Onder transformatie wordt verstaan de verandering van de functie van de bebouwing van het stedelijk gebied, bijvoorbeeld een winkelpand wordt woning of na sloop van een bedrijf ontstaat er ruimte voor woningbouw. Herstructurering betreft het vernieuwen van verouderde of verloederde woongebieden, b.v. door sloop en nieuwbouw waardoor met een ander type woningen voorzien wordt in de actuele vraag naar woningen. Het bebouwen van lege plekken valt niet onder transformatie en herstructurering. Behandeling en prioritering locaties Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst behandeld. Primair komen in aanmerking plannen die betrekking hebben op een van de volgende situaties: 1.
de sanering van een (milieuhinderlijk) bedrijf uit de woonomgeving; 2. het vervangen van een reeds langer leegstaande gebouw zoals een horecapand, winkelpand of schoolgebouw;
30
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
3. het oplossen van een stedenbouwkundig ongewenste situatie; 4. het bijdragen aan het realiseren van gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in een structuurvisie, woonvisie of bestemmingsplan 4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnota 'Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016’ De voorliggende ontwikkeling van 15 appartementen heeft betrekking op situatie 2, aangezien deze ter vervanging is van een voormalig horecabedrijf. De nieuwe woonbebouwing sluit qua volume, massa, vormgeving en situering aan bij de omliggende woonbebouwing (vanwege de bouwregels uit voorliggend bestemmingsplan) en versterkt het woonkarakter van het omliggende gebied. Zoals gebleken uit de overige paragrafen van dit hoofdstuk 4 'Beleidskader' is daarnaast beleidsmatig geen sprake van belemmeringen. Tevens wordt geconcludeerd dat ook ten aanzien van de milieuen omgevingsaspecten in het volgende hoofdstuk 5 'Milieu- en omgevingsaspecten' geen sprake is van belemmeringen. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling volledig in overeenstemming is met de beleidsnota 'Inbreidingslocaties gemeente Tubbergen 2016'. 4.4.4
Conclusietoetsing aan het gemeentelijkbeleid
Geconcludeerd wordt dat voorliggend woningbouwplan, die uitgaat van 15 appartementen, past binnen de genoemde gemeentelijke beleidskaders.
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
31
32
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, het Besluit milieu-effectrapportage en water.
5.1 Geluid 5.1.1
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Het plan voorziet in de realisatie van geluidgevoelige objecten, namelijk de nieuwe appartementen. 5.1.2.1 Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is dan ook niet van toepassing. Wat betreft de invloed van eventuele individuele bedrijven op de woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in voorliggend geval eveneens buiten beschouwing gelaten, aangezien de dichtstbijzijnde spoorlijn zich op een zeer ruime afstand van het plangebied bevindt. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben, waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied (binnenstedelijk gebied of buitenstedelijk gebied). Het plangebied bevindt zich in binnenstedelijk gebied, binnen de geluidszone van de Ootmarsumseweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook een aantal omliggende wegen met een 30 km/uur regime meegenomen. In dit geval is door Kragten een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 2 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten uitgegaan.
Algemeen De hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van de Kemnaweg en de Kloosteresweg ter plaatse van de appartementen binnen het plan voldaan aan de voorkeuswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Uit de rekenresultaten volgt dat de voorkeurswaarde vanwege de Ootmarsumseweg ter plaatse van de noord-, oosten westgevel wel overschreden wordt. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Ter plaatse van de zuidgevel wordt wel aan de voorkeurswaarde voldaan. Maatregelen teneinde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren of zijn niet doelmatig. Nieuwbouw is enkel mogelijk als door het bevoegd gezag, de gemeente Tubbergen, een hogere waarde wordt vastgesteld vanwege het verkeer op de Ootmarsumseweg. Gemeentelijk geluidbeleid
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
33
De gemeente Tubbergen heeft in de “Nota hogere grenswaarden” aanvullende criteria opgenomen voor het verlenen van een hogere grenswaarde. In eerste plaats dient te worden voldaan aan het hoofd- en ontheffingscriteria. Daar wordt aan voldaan. Daarnaast wordt eveneens voldaan aan de ontheffingscriteria die gesteld zijn in de “Nota hogere grenswaarde”. Het plan vult zowel een open plaats op tussen de bestaande bebouwing als vervanging van bestaande bebouwing. Na toetsing aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan onder voorwaarden die in de nota zijn opgenomen een hogere waarde worden verleend. De voorwaarden zijn per geluidsklasse verschillend. De in het gemeentelijk geluidbeleid opgenomen gebiedsgerichte ambities gelden voor de gecumuleerde geluidbelasting. In onderhavige situatie bedraagt gecorrigeerde cumulatieve geluidbelasting 61 dB. Dit komt met het gemeentelijk geluidbeleid overeen met de geluidsklasse “lawaaiig” voor wegverkeerslawaai. Hiermee wordt de ambitie “redelijk rustig” en de bovengrens “zeer onrustig” niet gerespecteerd. In de nota zijn de onderstaande voorwaarden opgenomen voor het toekennen van een hogere waarde tot en met de geluidsklasse “lawaaiig”.
“Bij het toekennen van een verzoek om hogere grenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen tot en met de geluidsklasse “lawaaiig” worden aanvullen de volgende voorwaarde bij de afweging betrokken: In de geluidsklasse “lawaaiig” wordt slecht in geval van een enkele woning voor het opvullen van een open plek tussen bestaande bebouwing en/of ter plaatse van vervangende nieuwbouw, nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen gebouwd. De lucht- en contactgeluidisolatie tussen woningen/appartementen wordt met één geluidsklasse aangescherpt. Naast de akoestische compensatie wordt bij grotere bouwplannen ook niet-akoestische compensatie toegepast (bijvoorbeeld, veel groen, een kinderspeelplaats of de nabijheid van openbaar vervoer.” Het plan voldoet niet aan deze randvoorwaarden. Geadviseerd wordt om met het bevoegd gezag af te stemmen of ze kunnen instemmen met het verlenen van hogere waarden. Gelijktijdig met het ontwerpbesluit van het bestemmingsplan wordt een ontwerpbesluit voor een hogere waarde ter inzage gelegd. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.2 Bodem 5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740/5707. 5.2.2
Situatie plangebied
Verkennend bodemonderzoek In januari 2018 is door Kruse Groep een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting. Resultaten chemische analyses Op basis van de resultaten van de chemische analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik; de ondergrond is niet verontreinigd; het grondwater is sterk verontreinigd met zin en (zeer) licht verontreinigd met barium, koper en nikkel. Resultaten asbestanalyses De verschillende mengmonsters bevatten geen van allen asbest. Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond en in het grondwater zijn enkele lichte verontreinigingen aangetoond. De ondergrond is schoon. In het grondwater zijn sterke verontreinigingen aangetoond. Het sterk verhoogde zinkgehalte in het grondwater is naar verwachting van nature aanwezig.
34
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen aankoop, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. Er zijn mogelijk wel (humane) risico’s aanwezig, wanneer het freatische grondwater gebruikt wordt als drinkwater voor vee of voor de besproeiing van gewassen in een moestuin. Deze risico’s worden gering geacht bij de vastgestelde gehalten. Gebruik van het freatisch grondwater wordt echter afgeraden om enig risico uit te sluiten. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige gebruik (horeca) en het geplande gebruik (wonen met tuin) Herbemonstering grondwater In januari 2018 heeft Kruse Milieu BV een verkennend bodemonderzoek verricht in het kader van de voorgenomen aankoop van het terrein. Uit de resultaten bleek dat de bovengrond plaatselijk zeer licht verontreinigd is met kwik. Twee mengmonsters van de bovengrond en de ondergrond waren niet verontreinigd. Er is geen asbest aangetoond. Het grondwater in peilbuis 1 was licht verontreinigd met barium, koper en nikkel. Het zinkgehalte overschreed de interventiewaarde. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Mede gezien de relatief lage pH (5.0) werd aangenomen dat het sterk verhoogde zinkgehalte van nature aanwezig is.
Geadviseerd werd het grondwater her te bemonsteren met betrekking tot de sterke zinkverontreiniging. Aangezien het terrein op korte termijn wordt herontwikkeld is inzicht gewenst in de huidige kwaliteit van het grondwater met betrekking tot zink. Het grondwater is op 30 april 2021 herbemonsterd. De resultaten zijn in Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt kort op de resultaten ingegaan. Het sterk verhoogde zinkgehalte, zoals die is aangetoond tijdens het verkennend bodemonderzoek in 2018, is in dit onderzoek niet aangetoond. Het zinkgehalte is nu lager dan de streefwaarde. Mede vanwege de lange standtijd van de peilbuis wordt deze meting meer representatief geacht. Nader grondwateronderzoek is niet noodzakelijk. 5.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling, nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); 5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
35
5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 wordt gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens is in paragraaf 3.2.2 van deze toelichting geconcludeerd dat de ontwikkeling een relatief forse afname van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg heeft. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake het aspect luchtkwaliteit. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden.
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. 36
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven, het plangebied betreft de locatie die is aangegeven met de zwarte omlijning.
Afbeelding 5.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart) Zoals uit de risicokaart blijkt bevindt zich naast het perceel een risicobron. Het betreft een vulpunt voor benzine en diesel, behorende bij het benzineservicestation. Voor de inrichting geldt geen plaatsgebonden risico en groepsrisicocontour. De inrichting vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
5.5 Bedrijven en milieuzonering 5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
37
uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zoals gesteld in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van functiescheiding, waarbij twee gebiedstypen te onderscheiden zijn, namelijk: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Voor gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), kunnen de gebieden worden aangemerkt als 'functiemengingsgebied'. Bij 'functiemengingsgebieden' moet gedacht worden aan: stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.
Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het centrum van de kern Albergen, in de directe omgeving van het plangebied komen verscheidene functies voor (o.a. maatschappelijk, wonen, horeca). Gelet hierop wordt uitgegaan van omgevingstype 'gemengd gebied'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6 5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. De ontwikkeling van woonfuncties brengt dan ook geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden met zich mee. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Hierna wordt op de nabijgelegen belastende functies ingegaan: Autogaragebedrijf Rikmanspoel (Ootmarsumseweg 154) 38
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
Direct ten westen van het plangebied bevindt zich een tankbenzineservicestation en autogaragebedrijf. Bij het benzineservicestation wordt geen LPG verkocht. Aangezien het plangebied direct aangrenzend ligt, wordt de richtstafstand van 10 meter voor de functie 'Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven' niet gehaald. Daarom is in dit geval door Kragten een akoestisch onderzoek uitgevoerd, aangezien het aspect 'geluid' de richtafstand met zich meebrengt. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 5 opgenomen. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van het tankstation en garage bedraagt ter plaatse van de nieuwe appartementen ten hoogste 41 dB(A) in de dag- en 33 dB(A) in de nachtperiode (43 dB(A) etmaalwaarde). Ter plaatse van deze appartementen wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Tevens wordt de ambitiewaarde van 45 dB uit het gemeentelijk geluidbeleid gerespecteerd. Het maximaal geluidniveau en gevolge van het tankstation en garage bedraagt ter plaatse van de nieuwe appartementen ten hoogste 68 dB(A) in zowel de dag- als de nachtperiode. Ter plaatse van de appartementen wordt in de dagperiode voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.
In de nachtperiode wordt de grenswaarde van 60 dB(A) niet gerespecteerd. Mogelijke maatregelen teneinde het verlagen van de maximale geluidniveaus zijn onderzocht. Maatregelen bij de bron of in de overdracht zijn niet wenselijk danwel realistisch. Maatregelen bij de ontvanger kunnen bestaan uit het toepassen van lokale afscherming (vliesgevel of bijvoorbeeld Silent air metaglas) en/of een ‘dove’ gevel. Deze maatregelen worden uitgewerkt in het kader van de bouwaanvraag. Om een aanvaardbaar binnenniveau te borgen, is in de regels van dit bestemmigsplan hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Partycentrum Morshuis (Ootmarsumseweg 159a) Ten noordwesten van het plangebied, aan de overzijde van de Ootmarsumseweg, is partycentrum Morshuis gevestigd. Deze functie kan volgens de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering', vanwege de aanwezigheid van een zalencentrum, het beste worden vergeleken met de functie 'muziekcafé', waarvoor een grootste richtafstand van 10 meter geldt in het gemengd gebied. De afstand tussen het plangebied en de functie bedraagt circa 13 meter. De betreffende functie vormt dan ook geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Omgekeerd wordt de functie niet in haar bedrijfsvoering belemmerd.
Aannemersbedrijf Scholte Op Reimer (Ootmarsumseweg 165) Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Ootmarsumseweg, is een aannemersbedrijf gevestigd. Het betreft een kleinschalig aannemersbedrijf met een werkplaats kleiner dan 1.000 m2. Voor dit bedrijf geldt op basis van de VNG-uitgave, op basis van ligging in gemengd gebied, een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Het bedrijf ligt op circa 35 meter van het plangebied. Het bouwvlak van het bedrijf ligt op circa 45 meter afstand. De functie vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. Omgekeerd wordt het bedrijf niet in haar bedrijfsvoering beperkt. Cafetaria Hammies (Ootmarsumseweg 169) Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Ootmarsumseweg, is cafetaria Hammies gevestigd. Deze functie kan volgens de VNG-uitgave het beste worden vergeleken met een café/bar, waarvoor een grootste richtafstand van 10 meter geldt, op basis van ligging in gemengd gebied kan deze richtafstand worden teruggebracht naar 0 meter. De betreffende functie vormt dan ook geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Omgekeerd wordt de functie niet in haar bedrijfsvoering belemmerd. Heilige Pancratiuskerk (Philippus Robbenstraat 9) Ten oosten van het plangebied is de heilige Pancratiuskerk gevestigd.
Voor kerken geldt op basis van de VNG-uitgave, op basis van ligging in gemengd gebied, een grootste richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. De afstand tussen het plangebied en het bestemmingsvlak van de kerk bedraagt 10 meter. De afstand van het plangebied tot het bouwvlak van de kerk bedraagt echter circa 45 meter. Deze functie vormt dan ook geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling, omgekeerd wordt de kerk niet in haar werken en functie beperkt. Overige functies Naast voorgenoemde functies liggen er nog verscheidene (kleinschalige) bedrijven en andere centrumfuncties in de omgeving van het plangebied. Het betreffen onder andere een bakkerij, een speciaalbierpakhuis en een rijwielenzaak. Het betreffen allen functies in ten hoogste milieucategorie 2. Functies in de categorieën 1 en 2 zijn slechts (zeer) beperkt van invloed op de omgeving en hierdoor over het algemeen goed inpasbaar in een woonomgeving. Binnen de betreffende functies vinden geen bedrijfsmatige activiteiten plaats met dusdanig geluidshinder dat hierdoor sprake is van een onacceptabele woon- en leefklimaat in het plangebied. bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
39
5.5.4
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6 Ecologie Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000 Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek' is gelegen op circa 8 kilometer van het plangebied. In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofberekening met behulp van de Aerius-calculator 2020 uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Nederlands Natuurnetwerk (NNN) Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt.
In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 1200 meter van het dichtstbijzijnde NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd datgeen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied tot Natura 2000-gebied en NNN weergegeven.
40
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 en NNN (Bron: Provincie Overijssel) 5.6.2
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Natuurbank Overijssel een quickscan ecologie uitgevoerd. Het volledige rapport is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde diersoorten en tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantsoorten. Mogelijk foerageren sommige grondgebonden zoogdier- en vleermuissoorten in het plangebied, maar deze functie wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. 5.6.3
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied Op basis van de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Tubbergen ligt het plangebied binnen de historische kern van Albergen. In afbeelding 5.3 is dit weergegeven.
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
41
Afbeelding 5.3 Uitsnede archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Tubbergen) Voor historische kernen geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij plangebied groter dan 100 m2 en bij bodemingrepen dieper dan 50 cm. Deze oppervlakte wordt met het initiatief overschreden. Bij een positief besluit zal worden bepaald of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Verkennend archeologisch onderzoek (juli 2019) Laagland Archeologie heeft in juni-juli 2019 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd aan de Locatie Miets te Albergen. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de sloop van het huidige pand en de geplande nieuwbouw van een aantal appartementen. Het rapport is in Bijlage 8 opgenomen. Hierna zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Door middel van een archeologisch bureauonderzoek is de archeologische potentie in kaart gebracht. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een archeologisch verwachtingsmodel. Het verkennende booronderzoek had tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen.
Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting op resten uit de late middeleeuwen – nieuwe tijd. Deze verwachting hangt samen met de aanwezigheid van een historisch erf in het plangebied en het aangrenzende AMK-terrein, waar resten van het laatmiddeleeuwse klooster Sint Antonius in de grond liggen. Het plangebied is de afgelopen twee eeuwen aldoor bebouwd geweest, waarbij diverse sloop- en nieuwbouwfasen zijn te achterhalen op oude kaarten. Op basis daarvan is het aannemelijk dat de grond in het plangebied tot ongeveer 50 – 80 cm –mv is verstoord. In deze laag kunnen nog resten van oude funderingen of uitbraaksleuven liggen. Onder deze (sub)recente verstoring kunnen diepere grondsporen van het historisch erf of het klooster begraven liggen. Het booronderzoek toont aan dat de bovengrond tot ongeveer 50 cm –mv is verstoord of recent is opgebracht. In deze laag zijn veel moderne baksteenresten aangetroffen. Daaronder is in de meeste boringen een donkergrijze, humeuze laag aangetroffen waarin kleine baksteengruisjes zijn waargenomen. Het booronderzoek kan niet uitsluiten dat het hier om een grondspoor - meer specifiek een grachtvulling – gaat die mogelijk aan het klooster kan hebben toebehoord. Nader booronderzoek is geen geschikte methode om dit aan te tonen. Om deze reden adviseren we vervolgonderzoek aan in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
Hiertoe dient een door het bevoegd gezag goed te keuren programma van eisen (PvE) te worden opgesteld. De implementatie van dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Tubbergen. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar regio-archeoloog.
42
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek verkennende fase Laagland Archeologie heeft op 16 december 209 een Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven uitgevoerd aan de Ootmarsumseweg, locatie ‘Miets’, te Albergen, gemeente Tubbergen (OV). De aanleiding voor het onderzoek vormt de geplande bouw van nieuwe woningen. Op het terrein is eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is door het bevoegd gezag besloten dat er een aanvullend onderzoek dient plaats te vinden in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven. Tijdens het onderzoek zijn drie putten aangelegd. De top van de natuurlijke ondergrond is, indien aangetroffen, waargenomen op circa 18.80 m +NAP en bestaat uit zeer compacte klei. Vanwege de compacte klei, die slecht waterdoorlatend is, werd het aangelegde vlak vrij snel erg nat, met name in de tweede en derde put. De aangetroffen sporen bestaan uit vijf kuilen, een stuk funderingsmuurwerk en een greppel/gracht. In één van de kuilen is een fragment faience wandtegel aangetroffen van na 1600. De bakstenen van het funderingsmuurwerk dateren 1800-1860. Op historische kaarten uit deze periode is bebouwing aangegeven in de nabijheid van het aangetroffen muurwerk. Het funderingsmuurwerk heeft waarschijnlijk onderdeel uitgemaakt van deze bebouwing (mogelijk betreft het een kelder).
De greppel/gracht die is aangetroffen is circa 2,2-2,5 m breed in het vlak. Oorspronkelijk zal dit spoor nog iets breder zijn geweest. Het verdere verloop van het spoor buiten de putgrens is niet bekend. De diepte is vastgesteld op circa 120 cm, waarvan de bovenste 110 cm bestaat uit groengrijzige zandige klei waaruit een dakpanfragmentje is verzameld, daterend 1250-1870. De onderste 10 cm bestaat uit een laag van zwarte, zeer humeuze, matig zandige klei; deze vulling is geïnterpreteerd als grachtbodem. De greppel/gracht heeft mogelijk (waarschijnlijk) toebehoort aan het Sint Antoniusklooster dat rond 1407 is gesticht. Op basis van de KNA-waarderingscriteria is de vindplaats niet behoudenswaardig. De eventueel resterende sporen van de vindplaats kunnen echter in situ behouden blijven aangezien de sporen op een diepte van circa 1,0 meter liggen en de funderingsdiepte van de nieuwbouw hier boven blijft. Aan de het bevoegd gezag, de gemeente Tubbergen, wordt geadviseerd op geen verder onderzoek te eisen en het plangebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat in het kader van het aspect archeologie geen nader onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied kan worden vrijgegeven. De momenteel geldende archeologische dubbelbestemming is daarom niet overgenomen in dit bestemmingsplan. Daarnaast wordt geconcludeerd dat geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
43
5.8 Water 5.8.1
Vigerend beleid
5.8.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.8.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
5.8.1.3 Provinciaal beleid Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerplan 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie.
Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. 5.8.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een 44
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. 5.8.2
Waterparagraaf
5.8.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.8.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. 5.8.2.3 Waterhuishoudkundig plan In dit geval is door Smit civiele techniek een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het complete plan is als Bijlage 12 opgenomen.
Hierna wordt samengevat op het plan ingegaan. Bouwpeil Voor het bouwpeil zijn de onderstaande uitgangspunten aangehouden: de appartementencomplexen zijn voorzien van een kruipruimte (ontwateringseis 1,0 m. -m.v.); ontwateringseis geldt vanaf bovenkant vloerpeil; ontwateringsdiepte gerekend vanaf de hoogste geregistreerde grondwaterstand (19,46 m. +N.A.P.); het bouwpeil dient 0,20 m. boven de omliggende bestrating te liggen. Aan de hand van bovenstaande uitgangspunten dient het bouwpeil te liggen op 20,46 meter N.A.P. +. Door gekozen peilen van de verharding wordt de huidige gevoeligheid voor wateraccumulatie tijdens hevige neerslag opgeheven Grondverbetering Ter plaatse van het plangebied zitten slecht waterdoorlatende kleilagen in de bodem. De eerste laag is relatief dun (0,40 m.) en zit relatief ondiep in de bodem (0,80 – 1,20 m. -m.v.). Het advies is deze kleilaag in het gehele plangebied, doch in ieder geval ter plaatse van de rijbaan, de parkeervakken en de groenvoorzieningen te vervangen door een zandbed. Inzameling en berging hemelwater Het afstromende hemelwater van daken en terreinverharding wordt onder het groen in Rockflowpakketten geborgen (20 mm). Het surplus wordt via het aan te leggen HWA-riool aangesloten op de hemelwaterriolering in de Ootmarsumseweg. In onderstaande tabel is het toekomstig verhard oppervlak en de bijbehorende berging weergegeven.
Verharding Oppervlakte Berging 20 mm Dakoppervlak 597 m2 12 m3 Rijbaan + parkeervlakken 836 m2 17 m3 2 Voetpaden 120 m 2 m3 Totaal 1.553 m2 31 m3 Om het water te kunnen laten infiltreren in de bodem is het essentieel dat de aanwezige kleilagen verwijderd en door een zandbed vervangen worden. Aan de westzijde sluit het straatwerk aan op het bestaande straatwerk in verband met het recht van overpad. Het laagst gelegen punt ligt op 19,60 m. N.A.P.+. Omdat de grondwaterstand hoog is wordt een Rockflow-pakket met een minimaal beschikbare dikte van 33cm toegepast. De onderkant komt op 19,15 m. N.A.P.+. (=GHG) en bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
45
de overstorthoogte op 19,48 m. N.A.P.+. Op deze manier ligt het systeem boven de GHG (de gemiddelde hoogste grondwaterstand) en ligt de overstorthoogte 12cm onder het laagste punt van de verharding. Vuilwater Het vuilwater uit de appartementencomplexen wordt rechtstreeks via 2 uitleggers aangesloten op de gemengde riolering in de Ootmarsumseweg of de Philippus Robbenstraat. In het plangebied wordt geen vuilwaterriool aangelegd. Waterparagraaf bestemmingsplan De voor het bestemmingsplan relevante aspecten zijn door Smit Civiele Techniek uitgewerkt in een waterparagraaf, die als Bijlage 13 bij deze toelichting is opgenomen.
5.9 Besluit milieueffectrapportage 5.9.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de benodigde planologische kaders voor het realiseren van 15 appartementen. In het kader van deze ontwikkeling is een aeriusberekening uitgevoerd. Deze is als Bijlage 6 bijgevoegd. Uit deze berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dan ook geen sprake van aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8, lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten. Er is dus geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarde Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van 15 appartementen. Het plan voldoet daarmee aan de definitie van een besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten.
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk 46
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing (oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht. In voorliggend geval is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze is als Bijlage 10 bijgevoegd. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet nodig. Er is besluit genomen dat deze ontwikkeling niet m.e.r.-plichtig is. Het besluit is als Bijlage 11 bijgevoegd. 5.9.3
Conclusie
De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
47
48
bestemmingsplan Albergen, Ootmarsumseweg 168
Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording 6.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.