CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling.pdf

Gemeenteraad Tubbergen 25 januari 2022, gemeente TubbergenBij agendapunt: 15: Ontwerp provinciaal inpassingsplan Springendal en Dal van de Mosbeek26.535 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het type gaat in de oude kern van de Mosbeek achteruit. Soorten van lokaal grondwater nemen toe (veldrus

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

31

en beenbreek) en karakteristieke soorten van basenrijk grondwater nemen af (veenmosorchis en armbloemige waterbies). Systeemanalyse: ecologische vereisten Het kalkmoeras in de Mosbeek wordt gevoed door basenrijk grondwater, dat over een ondiep gelegen leemlaag afstroomt. H9120 beuken-eikenbossen met hulst Actueel areaal en kwaliteit habitattype Het habitattype beuken-eikenbossen met hulst komt volgens de habitattypenkaart (Provincie Overijssel, 2014) over een oppervlakte van ca. 22 ha voor, in en rond het Springendal en op de Braamberg/Tutenberg. Het overgrote deel bestaat uit goed ontwikkelde vormen (Ten Den en Bremer, 2008 geciteerd in Tauw, 2009). Kleinere oppervlakten zijn ook aanwezig ten noorden van de Vasserheide, Dal van de Brunninkhuizerbeek, Hazelbekke en het Dal van de Mosbeek. Door natuurlijke successie zal de hoeveelheid Hulst in deze bossen naar verwachting verder toenemen. Het overgrote deel heeft een vegetatie die duidt op een goede kwaliteit (A&W,2011; Ten Den en Bremer, 2008 geciteerd in Tauw, 2009). Typische plantensoorten komen momenteel waarschijnlijk in een beperkt deel voor en zijn sinds de jaren ‘90 achteruitgegaan (A&W, 2011). Van de typische diersoorten is de hazelworm aangetroffen. De toestand van structuur & functiekenmerken open plekken/ zomen/ mantels binnen of op de randen van voorkomens en aanwezigheid van dood hout zijn onbekend.

Trends in areaal en kwaliteit habitattype Een trend in areaal is niet beschikbaar. Volgens Ten Den en Bremer (2008, geciteerd In A&W, 2011) gaat de kwaliteit achteruit door vermesting en verzuring. Uit Ten Den en Bremer (2008) blijkt dat er op langere termijn (tussen 1900-1930 en 1975-2000) een toename is opgetreden van kenmerkende soorten, als gevolg van het ouder worden van de bossen. Om de actuele trend beter in beeld te brengen is in 2012 aanvullend onderzoek gedaan. De 7 proefvlakken in H9120, die in 1995 en 2000 al waren opgenomen, zijn in 2012 opnieuw opgenomen. Resultaten en conclusies van dit onderzoek zijn (Bremer, 2012): de bedekking van braam is fors afgenomen, waardoor verbraming geen trend meer lijkt; ruigtesoorten zijn afgenomen; dit wordt beide verklaard door een toename van de struiklaag, waardoor minder licht voor stikstof-minnende soorten beschikbaar is; er is in de bossen een kolonisatie gaande door Hulst en Klimop. Op basis van de informatie uit Bremer (2012) blijkt dus dat er een afname optreedt van bramen en andere ruigtesoorten. Er is een geleidelijke toename van kenmerkende soorten gaande. De trend in kwaliteit van het habitattype H9120 beuken-eikenbossen met hulst is dus positief. Systeemanalyse: ecologische vereisten Onderstaande tabel toont de ecologische vereisten (Runhaar et al., 2009).

Beukeneikenbossen met Hulst komen voor op droge tot vochtige zand- en leemgronden. In het

32

Quickscan flora en fauna Concept

gebied zijn die te vinden op de stuwwalplateaus en tegen de hellingen rond de beekdalen. Deze standplaatsen worden enkel door regenwater gevoed en zijn voor buffering van de zuurgraad afhankelijk van de bodem. H91E0C vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Actueel areaal en kwaliteit habitattype Verspreid over het gebied komen verschillende vegetatietypen voor behorend tot subtype C: vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). Samen beslaan ze ca. 21 ha. Goed en matig ontwikkelde vormen van het Elzenzegge-Elzenbroek en lokaal Elzenbronbos komen voor langs en in de omgeving van de Mosbeek (o.a. bij de Oerbekke en in de omgeving van de Molens Bels en Frans), in het Springendal en nabij het Vasser Grafveld. Goed ontwikkelde vormen komen ook voor langs de Hazelbekke. In het gebied van de Hazelbekke komen Elzenbroeken voor, zij aan zij met vaak goed ontwikkelde vormen van het Goudveil-Essenbos en Vogelkers-Essenbos. Een groot deel van de Elzenbossen is verruigd met Grote brandnetel als gevolg van verdroging en eutrofiëring. De verhouding tussen goede en matige kwaliteit is niet duidelijk. De meeste typische plantensoorten komen in een klein deel van het oppervlak voor. Alleen Bittere veldkers en Paarbladig goudveil hebben een wijdere verspreiding binnen het habitattype.

De laatste decennia treedt een sterke afname op van de oppervlakte en kwaliteit door verdroging, eutrofiëring en verzuring. Recent is plaatselijk herstel opgetreden als gevolg van lokale herstelmaatregelen. Zo is Paarbladig goudveil in het centrale deel, Verspreidbladig goudveil in de westzijde van het gebied en Groot bronkruid in beide sterk vooruitgegaan als gevolg van herstelmaatregelen in het Hazelbekke in het kader van het project ‘Terug naar de Bron’. Ook heeft het verondiepen van het Mosbeek-traject bij Roordink tot een ongekende uitbreiding van Bittere veldkers, Gewone dotterbloem, Paarbladig en Verspreidbladig goudveil geleid (Eysink et al., 2012). De netto trend is echter nog steeds sterk negatief. Trends in areaal en kwaliteit habitattype Op veel plaatsen is de kwaliteit achteruit gegaan en vaak zodanig dat de resterende vegetatie niet meer kwalificeert en er sprake is van areaalverlies. Beide trends zijn dus negatief. Systeemanalyse: ecologische vereisten Elzenbroekbossen komen voor onderin de beekdalen waar de grondwaterstanden hoog zijn, permanent of langdurig kwel optreedt en vaak ook overstroming vanuit de beek. Verschillen in de mate van droogval en van overstroming zijn sterk bepalend voor de soortensamenstelling. Elzenbronbos komt voor op de meest kwelrijke plekken, vaak met bronbeekjes en open bronplekken.

Deze plekken liggen niet alleen onderin het dal, maar kunnen ook hoger voorkomen, als grondwater uittreedt over een dagzomende kleilaag.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

33

6.4.1 Effecten habitattypen In Afbeelding 3 is de effectenindicator weergegeven , waarin de relevante effecten op de habitattypen en soorten worden genoemd.

Afbeelding 3 effectenindicator

Oppervlakte verlies en versnippering De te nemen maatregelen zijn voornamelijk gericht op het hydrologisch herstel, en zal niet leiden tot oppervlakteverlies van habitattypen. Rijplaten worden neergelegd, waardoor de vegetatie en de bodem zo goed mogelijk wordt beschermd tegen beschadiging. Dit is met name noodzakelijk in de nattere bronbossen waar beken verondiept worden. Deze rijplaten liggen er tijdelijk totdat de werkzaamheden zijn afgelopen. De rijplaten worden zoveel mogelijk over en langs de bestaande paden neergelegd en niet door een habitattype heen.

34

Quickscan flora en fauna Concept

De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden).

Hydrologische effecten De PAS maatregelen worden met name genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren. Diverse ingrepen en processen zorgen voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van de huidige voorkomens van kwelafhankelijke habitattypen. Ingrepen met grote invloed bestaan uit veranderingen in de waterhuishouding en sterke bemesting in de intrekgebieden van kwelafhankelijke habitattypen. Deze hebben gezorgd voor achteruitgang van habitattypen en bedreigen ook behoud van oppervlakte en de kwaliteit. Een groot deel van de kritische habitattypen (met uitzondering van droge heide, heischrale graslanden, jeneverbestruwelen en beuken-eikenbossen ) zijn gebaat bij een voldoende hoge grondwaterstand. In de habitattypen die niet gevoelig zijn voor verdroging worden geen vernattingsmaatregelen toegepast. Momenteel zorgt ontwatering voor verdroging en minder uittreding van basenrijk kwelwater. Het dempen van alle greppels en sloten met nutriëntenarme leem, het vereffenen en/of verondiepen van sloten en beken zorgen en het opheffen van drainage zorgen voor een hogere grondwaterstand en voor meer uittreding van basenrijk lokaal water. Deze maatregelen hebben geen negatieve effecten op de habitattypen, maar worden juist genomen ten behoeve van deze habitattypen.

Verdroging leidt niet alleen tot te lage grondwaterstanden, maar ook tot eutrofiering door toename van de mineralisatie (vooral in organisch stofrijke bodems) en tot verzuring doordat toevoer van basenrijk grondwater stopt. Zuur dat bij chemische processen in de bodem vrijkomt of afkomstig is van N-depositie wordt dan niet meer sterk gebufferd. Ook de verdroging zelf zorgt voor extra zuurvorming als gevolg van oxidatieprocessen (o.a. veen en sulfiden). De verdrogingseffecten zorgen voor achteruitgang van habitattype H91E0C vochtige alluviale bossen. Genoemde processen vormen een bedreiging voor behoud van de habitattypen H4010A vochtige heiden, H6230 heischrale graslanden, H6410 blauwgraslanden, H7230 kalkmoerassen, H7140A overgangs- en trilvenen (trilvenen) en H7150 pioniervegetaties met snavelbiezen. Ook voor de verbeterdoelstellingen van deze habitattypen vormen voortschrijdende verdroging, eutrofiering en verzuring een belemmering. De te nemen maatregelen zorgen indirect dus ook voor minder eutrofiering, en verzuring wat gunstig is voor de genoemde habitattypen. Mechanische effecten en verontreiniging Naast stikstof worden door de maatregelen geen andere verontreinigde stoffen in het systeem gebracht. Door de maatregelen is er geen sprake van verontreiniging van de habitattypen.

Onder mechanische effecten vallen betreding en mechanische effecten door het rijden met machines over de habitattypen. De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd. Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

35

om insporing te voorkomen. Hierdoor is er geen of zeer minimale mechanisch effect op de habitattypen, waardoor geen significante effecten te verwachten zijn. Stikstofeffecten (verzuring en vermesting) Sinds medio 2015 wordt binnen de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) geadviseerd om bij ontwikkelingen in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden (met stikstofgevoelige habitattypen) een toetsing uit te voeren van de hoogte van stikstof-emissies. In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. In deze 117 Natura 2000-gebieden is de actuele depositie (dikwijls veel) hoger dan de habitats kunnen verdragen. Dit zijn de gebieden waar de PAS betrekking op heeft. Het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek behoort tot deze gebieden. Dit betekent dat de actuele depositie hoger ligt dan de stikstofgevoelige habitats kunnen verdragen. Elke ontwikkeling in het gebied dient getoetst te worden op de hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten, zowel in de uitvoeringsfase als in de eindfase. Op landelijk niveau is besloten dat voor de uitstoot van stikstof door de uitvoering van de PAS maatregelen geen Nbw-vergunning nodig is, omdat deze uitstoot in de berekeningen van de PAS zijn meegenomen.

Daarom wordt geen aparte berekening gemaakt van de uitstoot van stikstof door het uitvoeren van de PAS-maatregelen in het Dal van de Mosbeek. 6.4.2 Habitatrichtlijnsoorten H1083 vliegend hert Actueel voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort Het Vliegend hert, een soort die landelijk in een matig ongunstige staat van instandhouding verkeert, komt lokaal in het gebied voor in een kleinschalig landschap met veel houtwallen en eikenbomen, op en rond boerenerven. De soort is afhankelijk van inrottend hout van oude bomen. Omdat dit biotoop weinig en lokaal voorkomt in het gebied, is het voor het duurzame behoud van de populatie noodzakelijk dat op meerdere plekken geschikt biotoop ontstaat, zodat de soort zich ook daar kan vestigen. De Mandermaten vormen het belangrijkste verspreidingsgebied van het Vliegend hert. De soort komt hier voor in oude houtwallen en op erven met oude eiken. Daarnaast zijn er (minder frequente) waarnemingen van de soort in het Dal van de Mosbeek ter plaatse van het Manderstreu, de Mandercirkels, de Noordelijke Manderheide, de molen van Bels en het gebied van de Veldstraat en de Veldhoek. In de eigendommen van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten is de soort tot op heden niet waargenomen.

Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De populaties het Vliegend hert in het gebied is van belang voor de instandhouding van de landelijke populatie. De bijdrage van de populaties van beide soorten in het gebied wordt geschat op 2-15 % van de landelijke populatie.

36

Quickscan flora en fauna Concept

Systeemanalyse: ecologische vereisten Het Vliegend hert vraagt om een permanent aanbod van dood ondergronds eikenhout. Daartoe behoren ook de eikenhouten palen (oudere erfafscheidingen, hekwerken). Dit hout moet aangetast zijn door schimmels. Larven hebben een ontwikkelingstijd nodig van vier tot acht jaar, gedurende periode mogen er geen veranderingen in de situatie optreden. H1096 beekprik Actueel voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De beekprik komt binnen het Natura 2000-gebied op het moment alleen voor in de Springendalse Beek, die de grootste bijdrage voor de beekprik in Twente levert. Tot 1980 werd de beekprik ook waargenomen in de Eendenbeek, maar daar is ze door droogval verdwenen. Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort Geen informatie over trend beschikbaar. Systeemanalyse: ecologische vereisten De beekprik is een typische bewoner van natuurlijke beken die een afwisseling vertonen van snelstromende, zandige trajecten en luwe, slibrijkere delen. Beekprikken leven het grootste deel van hun leven als larve in de sliblaag in langzaam stromende delen van de beek, zoals binnenbochten. Daar filteren ze voedselpartikeltjes uit het langsstromende water. Na een aantal jaren (2,5-6,5 jaar) treedt metamorfose op naar het volwassenstadium, dat ongeveer een half jaar duurt.

De beekprik trekt dan stroomopwaarts naar geschikte paaigronden, plekken met een grind- of kiezelbodem en matig stromend, zuurstofrijk, ondiep water. Daar worden eieren afgezet in ondiepe nestkuilen. Na het paaien sterven de volwassen dieren. De uitgekomen larven laten zich door de beek meevoeren naar geschikte, slibrijke beekbodems. Daarmee is de cyclus rond. De dieren sterven na de eiafzet. Enige tijd na het uitkomen van de eitjes trekken de larven iets beekafwaarts op zoek naar slibrijkere bodems. De opgroeiende larven van de Beekprik hebben een beekbodem nodig die rijk is aan slib, omdat ze uit het langsstromende water voedselpartikeltjes filteren, met algen, eencellige en kleine meercellige organismen. Na de gedaanteverwisseling nemen de vissen geen voedsel meer op; hun darm groeit daarbij dicht (Profielendocument, Ministerie LNV, 2008). H1166 kamsalamander Actueel voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De kamsalamander komt verspreid voor in het gebied: aan de noordzijde van de noordelijke Manderheide (op enkele locaties) en verspreid in het Dal van de Mosbeek. De kwaliteit van het leefgebied is een punt van aandacht. Met gerichte maatregelen kan de populatie worden uitgebreid. De soort is aangetroffen in drie poelen langs de Eendenbeek in het Manderstreu en in een poel in het grasland nabij de Holtsuze (Hazelhorst, 2006).

Mogelijk komt de soort in meerdere poelen voor in het gebied; de twee poelen bij de molen van Frans zijn bijvoorbeeld niet onderzocht (Hazelhorst, 2006). In de eigendommen van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten is de soort tot op heden niet waargenomen.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

37

Trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort Geen informatie over trend beschikbaar. Systeemanalyse: ecologische vereisten Leefgebied: In de voortplantingsperiode (april-juli) verblijven de volwassen kamsalamanders in het water. Daar vindt de paring plaats en ontwikkelen zich de eieren en larven. Het vrouwtje zet circa 200 eieren één voor één af op de bladeren van waterplanten. De larven ontwikkelen zich in drie maanden tot jonge salamanders en verlaten dan het water. Kamsalamanders zijn na drie jaar geslachtsrijp. In kleine wateren is de kamsalamander in staat andere amfibieën weg te concurreren. De voortplantingsbiotopen zijn vrij grote, geïsoleerde, stilstaande, onbeschaduwde of licht beschaduwde, voedselrijke wateren zoals poelen, vennen, sloten en overstromingsvlaktes langs oevers met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. Het betreft doorgaans poelen met jonge verlandingsstadia. Belangrijk is dat de plassen en sloten niet te vroeg in het seizoen droogvallen omdat de larven dan niet de kans krijgen succesvol van gedaante te wisselen. Soms kan een zorgvuldig peilbeheer met een natuurlijk verloop kan dat verzekeren. De wateren moeten bovendien vrij zijn van vissen die de eieren en larven opeten.

De biotopen moeten een groot deel van het jaar water bevatten, maar incidenteel droogvallen kan gunstig zijn voor de kamsalamander, omdat daarmee vissen uit het water verdwijnen. De soort overwintert op het land (in de periode novembermaart). De landbiotopen zijn kleine landschapselementen zoals bosjes, hagen, struwelen, houtwallen en overhoekjes of bosranden. Een kleinschalige afwisseling van poelen, grasland en kleine landschapselementen of bossen vormt het ideale leefgebied voor de kamsalamander. Voedsel: Regenwormen, muggenlarven, libellen, kokerjuffers, slakken en insecten (bron: profielendocument, Ministerie van LNV, 2008). H1831 drijvende waterweegbree Actueel voorkomen en trend in voorkomen en omvang en kwaliteit leefgebied habitatsoort De soort komt op dit moment niet voor in het Natura 2000-gebied (mededeling F. Eysink). Voorheen kwam drijvende waterweegbree voor in een bronvijver in het Springendal. Systeemanalyse: ecologische vereisten Leefgebied: drijvende waterweegbree groeit in uiteenlopende stilstaande of zwak stromende wateren, zoals heide- en veenplassen, duinplassen, meren, afgesloten rivierarmen, laaglandbeken, kanalen, sloten en vijvers. Het best gedijt deze waterplant in water dat helder, voedselarm of hooguit matig voedselrijk, fosfaatarm en kalkarm is. Op sommige plaatsen bevat het water daarbij veel ijzer.

In voedselrijkere omgeving staat de soort het meest op plaatsen met menging van regenwater met kwelwater. In specifieke omstandigheden, namelijk bij een lage beschikbaarheid van fosfaat, kan de drijvende waterweegbree nitraat- en ammoniakrijk water verdragen. De plant groeit ondergedoken in het water, maar kan ook op tijdelijk droogvallende oevers staan. Een belangrijk kenmerk van drijvende waterweegbree is haar geringe concurrentiekracht. Het open water of de kale bodems van pas gegraven of regelmatig geschoonde poelen en vennen bieden een geschikt vestigingsmilieu, maar de soort verdwijnt daarna tenzij er

38

Quickscan flora en fauna Concept

factoren of processen in het spel zijn die dichtgroeien van de plek met andere soorten tegengaan. De soort kan bijvoorbeeld even goed lang standhouden op geregeld sterk uitdrogende oevers als in stromend water en in grote wateren waar golfwerking en erosie optreden. Ook waar voedselarme omstandigheden een hoge biomassaproductie belemmeren en in diep water waar licht een beperkende factor is handhaaft ze zich. Tegenover het geringe concurrentievermogen van de soort staat een groot verspreidingsvermogen. Ondergedoken populaties van het kruipend moerasscherm zijn in staat om zich vegetatief voort te planten, namelijk via uitlopers van de wortelrozet die afbreken en elders wortelen. Op oevers gedraagt de soort zich als een eenjarige plant die rijkelijk bloeit en zaad vormt. Het zaad kan onder gunstige omstandigheden 80 jaar kiemkrachtig blijven. Dispersie van zaad vindt waarschijnlijk plaats via watervogels, waardoor grote afstanden kunnen worden overbrugd. De voorkeur van de soort voor pioniersituaties en voedselarm water weerspiegelen zich in de plantensociologische positie: drijvende waterweegbree is kensoort van de Oeverkruidklasse (Littorelletea) met begeleiders als knolrus (Juncus bulbosus), oeverkruid (Littorella uniflora), vlottende bies (Scirpus fluitans), naaldwaterbies (Eleocharis acicularis) en pilvaren (Pilularia globulifera).

In voedselrijker water groeit ze in Fonteinkruid-gemeenschappen (Potametea), met onder andere grote waterranonkel (Ranunculus peltatus) en gewoon sterrekroos (Callitriche platycarpa). 6.4.3

Effecten habitatsoorten

Verlies leefgebied Verlies leefgebied voor de genoemde habitatsoorten is niet aan de orde (zie ook hoofdstuk 5 beschermde soorten). Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd rondom het verspreidingsgebied van kamsalamander en drijvende waterweegbree (mits nog aanwezig). Voor vliegend hert geldt dat de soort sporadisch voorkomt aan de uiterste oostkant van het plangebied (ter hoogte van de watermolen Frans en Bels). Maatregelen die hier genomen worden (o.a. het verondiepen van de beek) hebben geen invloed op het areaal leefgebied van vliegend hert. Ook hebben de te nemen maatregelen geen negatief effect op het areaal leefgebied van beekprik in de Springendalse beek. Het verondiepen van een gedeelte van deze beek zorg er juist voor dat het leefgebied geoptimaliseerd wordt. Verstoring leefgebied Tijdelijk zal er mogelijk beperkt verstoring op beekprik aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden aan de Springendalse beek. Dit betreft een tijdelijke verstoring en is daarom niet significant. Tevens worden mitigerende maatregelen genomen om negatieve effecten te voorkomen.

6.5

Externe werking

Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, maar ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden ('externe werking').

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

39

Buiten het Dal van de Mosbeek, in de naastgelegen agrarische percelen, worden ook maatregelen getroffen om de hydrologische omstandigheden in het dal te verbeteren. Deze maatregelen hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen, maar zorgen juist voor positieve effecten door de hydrologische bufferzone die wordt gecreëerd, het waarborgen van de afvoer van bovenstrooms water en de verminderde aanvoer van meststoffen. Er zijn in de omgeving van Dal van de Mosbeek geen andere werkzaamheden bekend die kunnen zorgen voor cumulatieve invloed of externe werking waardoor de beschreven effecten anders kunnen uitpakken.

6.6

Conclusie

Directe en indirecte effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen en habitatsoorten zijn uit te sluiten. De maatregelen worden genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren, waardoor de kwaliteit van de habitattypen en habitatsoorten wordt verbeterd. Doordat de werkzaamheden niet in, of zeer beperkt in de habitattypen plaatsvinden, zijn ook mechanische verstorende effecten niet aanwezig. Negatieve effecten zijn na het nemen van de mitigerende maatregelen (werken met rijplaten en voorkomen verdichting bodem) uitgesloten. De werkzaamheden hebben een positief effect op de te behalen instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven van het Natura 2000-gebied Dal van de Mosbeek. Nader onderzoek naar de effecten van de PAS maatregelen op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied zijn niet nodig. Het uitvoeren van deze PAS maatregelen is vergunningplichtig. Geadviseerd wordt om de rapportage voor te leggen aan provincie Overijssel. Randvoorwaarden bij de aanleg van de rijplaten: - De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd. Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden om insporing te voorkomen. - De rijplaten worden zoveel mogelijk over en langs de bestaande paden neergelegd en niet door een habitattype heen.

De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden). - Na verwijdering van de platen dient de bodem en vegetatie hersteld te worden. - Voor werkzaamheden buiten de rijroutes overlegt de directievoerder met de ecoloog die de ecologische begeleiding verzorgt of de terreincondities het toelaten om zonder rijplaten te werken. Het gaat hierbij om het verondiepen van beken, vrijstellen van de bronvijver, verwijderen van bagger uit het retentiebekken.

40

Quickscan flora en fauna Concept

7 7 EHS-TOETSING 7.1

Inleiding

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Indien een voorgenomen ingreep de ‘nee tenzij’- afweging met positief gevolg doorloopt, kan de ingreep plaatsvinden mits eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en restschade wordt gecompenseerd. De regels voor het doorlopen van de ‘nee tenzij’- afweging zijn verwoord in de Spelregels EHS uitgegeven door de ministeries van LNV en VROM in 2007 en in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. In de provincie Gelderland is de begrenzing van de NNN/EHS vastgesteld in december 2015. Het hoofddoel van het ruimtelijk beleid voor de NNN/EHS is het bijdragen aan een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurlijke landschappen door bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken. In deze toetsing richten we ons op de ecologisch inhoudelijke toetsing.

Centrale vraag: doet de voorgenomen ontwikkeling afbreuk aan de wezenlijke kenmerken en vastgestelde waarden en natuurdoelen? Indien de natuur- en landschapswaarden van de NNN/EHS worden aangetast, dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen waarmee de schade zoveel mogelijk wordt beperkt. Per saldo zal op planniveau of gebiedsniveau geen verlies mogen optreden van areaal, kwaliteit en samenhang. Indien er wel schade wordt veroorzaakt dan dient compensatie plaats te vinden.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

41

7.2

Natuurdoelen en-kwaliteit

Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken zullen de te beschermen en te behouden wezenlijke waarden en kenmerken per gebied moeten worden gespecificeerd. De wezenlijke waarden en kenmerken zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. In de Spelregels EHS is aangegeven dat het bevoegd gezag de wezenlijke kenmerken en waarden moeten bepalen. Globaal zijn er wel enkele doelstellingen voor de totale EHS aangegeven (Spelregels EHS): Het realiseren van een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden; Het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecosystemen, inclusief de bijbehorende soorten Het focussen op nationaal en/of internationaal belangrijke soorten; Het duurzaam behouden van ecosystemen: zorg dragen voor de randvoorwaarden voor behoud: de juiste bodem-, water- en beheercondities. 7.2.1 Wezenlijke waarden en kenmerken De ontwikkelingen moeten getoetst worden aan effecten op de kernkwaliteiten. Dit zijn de wezenlijke ecologische en landschappelijke kenmerken en waarden die de provincie heeft toegekend aan de verschillende delen van de NNN/EHS.

Vanuit de toelichting in de Omgevingsverordening beschouwt de provincie een ruimtelijke ingreep waarvoor een bestemmingsplan moet worden aangepast als een significante aantasting van kernkwaliteiten en omgevingscondities wanneer deze kan leiden tot de volgende effecten: Een vermindering van areaal, samenhang en kwaliteit van bestaande natuur-, bosen landschapselementen en gebieden die zijn aangewezen voor nieuwe natuur. Een vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren in verbindingszones en tussen de verschillende leefgebieden in de verschillende leefgebieden in delen van het netwerk. Een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied van alle soorten waarvoor conform de wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing vereist is en als zodanig worden genoemd in de AmvB Vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora en Faunawet. Een vermindering van het areaal van de grote natuurlijke eenheden (aaneengeslotenheid). Een belemmering voor het verloop van natuurlijke processen in de grote eenheden. Een verstoring van de natuurlijke morfologie, waterkwaliteit, watervoering en verbondenheid met het landschap van water met een natuurbestemming. Een verandering van de grond- en oppervlaktewateromstandigheden (kwaliteit en kwantiteit) die de voor de natuurdoeltypen gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie (verder) aantasten.

Een verhoging van de niet gebiedseigen geluidsbelasting. Een toename van de verstoring door licht. Dat betekent dat het plaatsen van nieuwe lichtbronnen zoveel mogelijk voorkomen moet worden en de uitstraling naar de omgeving zo veel mogelijk moet worden beperkt.

42

Quickscan flora en fauna Concept

In de effectbeoordeling zal specifiek worden ingegaan op de aspecten areaalverlies van natuur-, bos- en landschapselementen, vermindering van de uitwisselingsmogelijkheden voor planten en dieren (versnippering/samenhang) en op verstoring en andere vormen van kwaliteitsverlies. Aantasting van leefgebied van wettelijk beschermde soorten is nader uitgewerkt in hoofdstuk 5.

7.3

Beschrijving en toetsing wezenlijke waarden en kenmerken

Uitgangspunt in de nota "Spelregels EHS" is dat geen nettoverlies aan waarden voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang mag plaatsvinden. Op basis van deze drie aspecten wordt een beschrijving gegeven van de huidige waarde van het plangebied en het effect van de ontwikkeling op deze waarde. 7.3.1 Areaal Vrijwel het gehele plangebied is aangewezen als ecologische hoofstructuur. De meeste werkzaamheden vinden echter plaats in agrarische percelen rondom de natuurpercelen die vaak buiten de begrenzing vallen. Een aantal van deze percelen is begrensd als kruiden- en faunarijk grasland. Werkzaamheden die hier plaatsvinden zijn het onder andere het dempen of verondiepen van sloten en het opheffen van drainage. Effecten op waarde De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op het aanwezige areaal aan natuur. Met de voorgenomen is geen sprake van areaal verlies. 7.3.2 Kwaliteit De belangrijkste natuurwaarden liggen langs de Mosbeek, Springendalse beek, Hazelbeek, Onzoel, en de Poelbeek. Hier komen goed ontwikkelde Dotterbloemhooilanden voor (met Dotterbloem, Kruipend zenegroen, Grote ratelaar, Brede orchis), Veldrushooilanden (o.a. in het Springendal met Draadrus) terwijl het brongebied van de Mosbeek in ons land het best ontwikkelde voorbeeld betreft van de gemeenschap van Vetblad en Vlozegge.

In het gebied ligt ook een groot oppervlak Elzenbronbos met een groot oppervlak langs de Hazelbeek. Hier komen belangrijke populaties voor van Bittere veldkers, Paarbladig goudveil en de Dotterbloem. Bijzondere soorten zijn het Alpenheksenkruid en Carex x boenninghausiana (IJle zegge x Pluimzegge). In het gebied liggen ook diverse droge en vochtige heidevelden, zoals het Vasser grafveld en de Paardenslenkte. Veel bos behoort tot het Zomereiken- Berkenbos of betreft dennenbos. Effecten op waarde De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op de kwaliteit van deze gebieden, maar leiden juist tot een verbetering van de kwaliteit van het gebied. Negatieve effecten op de kwaliteit zijn dan ook niet aan de orde. 7.3.3 Versnippering De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot versnippering van het bestaande natuurnetwerk. De werkzaamheden leiden tot een verbeterde leefomgeving voor veel

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

43

doelsoorten die kenmerkend zijn voor de aangewezen natuurdoeltypen. Het verbeteren van deze natuurdoeltypen leidt indirect tot een minder versnipperd leefgebied van deze soorten. 7.3.4 Verstoring Verstoring van het gebied en de aanwezige waarden in de aanleg- en gebruiksfase wordt niet verwacht. In de aanleg- en onderhoudsfase vindt mogelijk tijdelijk meer verstoring plaats als gevolg van gebruikte machines. Dit vindt echter grotendeels plaats in de agrarische percelen rond de natuurterreinen. Hier vindt nu echter ook verstoring aanwezig in de vorm van machines die de landbewerkingen uitvoeren.. Een significante toename van verstoring wordt hier derhalve niet verwacht. Wel dienen de werkzaamheden overdag uitgevoerd te worden om verstoring van nachtactieve soorten te voorkomen. Conclusie: Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden treden geen negatieve effecten op de bestaande NNN-kernkwaliteiten van het gebied. De voorgenomen maatregelen leiden juist tot een versterking van de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied. Van afname van areaal is geen sprake, evenals een verslechtering van de kwaliteit van de bestaande natuur. Verdere versnippering van bestaande natuur als gevolg van voorgenomen werkzaamheden is niet aan de orde.

44

Quickscan flora en fauna Concept

8 CONCLUSIE EN ADVIES 8.1

Conclusie Wnb soorten

Op basis van deze quickscan wordt geconstateerd dat het onderzoeksgebied potentiëel habitat biedt aan een groot aantal beschermde soorten. Met de voorgenomen werkzaamheden worden echter geen negatieve effecten op deze soorten verwacht mits rekening worden gehouden met de soorten veldspitsmuis, beekprik, hazelworm en broedvogels. Veldspitsmuis  Bij de planning van de werkzaamheden (met het name het dempen en verondiepen van sloten in agrarische percelen), dient rekening gehouden te worden met de seizoenactiviteiten van de veldspitsmuis om verstoring in de meest kwetsbare perioden (voortplanting, winterrust) te voorkomen. De voortplantingsperiode van de veldspitsmuis loopt globaal van 15 maart tot 1 oktober. Het is niet bekend of de veldspitsmuis ook een echte winterrust houdt. In deze periode is de soort vooral kwetsbaar bij vorst en een sneeuwlaag. Afhankelijk van het seizoen en de weeromstandigheden kunnen deze perioden langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald door een deskundige op het gebied van de veldspitsmuis.  Tijdens de graafwerkzaamheden dient er één kant opgewerkt te worden. In open water dient altijd naar een open einde gewerkt te worden. Hazelworm  Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van de hazelworm (april-augustus).

 Ter hoogte van de voormalige camping t’ Lippert worden dood liggend hout en puin of stenen voor de werkzaamheden handmatig verwijderd. Hierdoor zijn er geen schuilmogelijkheden voor de hazelworm aanwezig voor de soort tijdens de werkzaamheden. Beekprik Zandsuppletie in de Springendaalse beek dient niet op modderige delen uitgevoerd te worden waar larven aanwezig kunnen zijn.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

45

Rekening houden met broedvogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen 1 uitgevoerd mogen worden. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn uitsluitend mogelijk, indien door een ter zake kundige ecoloog is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In samenspraak met de ecoloog moeten eventuele nadere acties bepaald worden, zoals vroegtijdig kappen van bomen, of maaien van beplanting.

8.2

Conclusie Wnb gebieden

Directe en indirecte effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen en habitatsoorten zijn uit te sluiten. De maatregelen worden genomen om de hydrologische omstandigheden te verbeteren waardoor de kwaliteit van de habitattypen en habitatsoorten wordt verbeterd. Doordat de werkzaamheden niet of zeer beperkt in de habitattypen plaatsvinden, zijn ook mechanische verstorende effecten niet aanwezig. Negatieve effecten zijn na het nemen van de mitigerende maatregelen (inzet licht materieel, werken met rijplaten en voorkomen verdichting van de bodem) uitgesloten. De werkzaamheden hebben een positief effect op de te behalen instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven van het Natura 2000-gebied. Nader onderzoek naar de effecten van de PAS maatregelen op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied zijn niet nodig. Het uitvoeren van deze PAS maatregelen is vergunningplichtig. Geadviseerd wordt om de rapportage voor te leggen aan provincie Overijssel. Randvoorwaarden bij de aanleg van de rijplaten: - De rijplaten worden (zoveel mogelijk) buiten de habitattypen gelegd. Daarnaast zal er met aangepast licht materieel gereden worden om insporing te voorkomen. - De habitattypes langs de beken kunnen worden ontzien door zoveel mogelijk haaks de beek te benaderen (dus niet langs de beek rijden). - Na verwijdering van de platen dient de bodem en de vegetatie hersteld te worden.

- Voor werkzaamheden buiten de rijroutes overlegt de directievoerder met de ecoloog die de ecologische begeleiding verzorgt of de terreincondities het toelaten om zonder rijplaten te werken. Het gaat hierbij om het verondiepen van beken, vrijstellen van de bronvijver, verwijderen van bagger uit het retentiebekken.

1

In het kader van de Flora- en faunawet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli.

46

Quickscan flora en fauna Concept

8.3

Conclusie EHS

Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden treden geen negatieve effecten op de bestaande kernkwaliteiten van het gebied. De voorgenomen maatregelen leiden juist tot een versterking van de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied. Van afname van areaal is geen sprake, evenals een verslechtering van de bestaande kwaliteit van bestaande natuur. Verdere versnippering van bestaande natuur als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is niet aan de orde.

8.4

Zorgplicht en zorgvuldig handelen

In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk: Tijdens de uitvoering dient men bijvoorbeeld alert te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen. Bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een ter zake kundige ecoloog. De breedte van de transportwegen wordt zo beperkt mogelijk gehouden, opdat zo min mogelijk holen en dieren aangetast worden. In het kader van zorgvuldig handelen adviseren wij om de eisen en voorwaarden uit dit onderzoek op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Het ecologisch werkprotocol kan bij het bestek worden opgenomen.

8.5

Geldigheid onderzoek

Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag (ministerie van Economische Zaken in deze) hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

47

Tabel 1 Resultaten (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied.

Bescherming

Habitatrichtlijn Nationaal Habitatrichtlijn

Soort(groep)

Drijvende waterweegbree Dreps, glad biggenkruid, korensla en wilde ridderspoor Poelkikker en kamsalamander

Gebruik gebied

Effect ruimtelijke ontwikkelingen

Vervolg Nader onderzoek / mitigerende compenserende maatregelen

Groeiplaats

Geen, groeiplaats blijft behouden

Geen

Groeiplaats

Geen, groeiplaats blijft behouden

Geen

Leefgebied en voortplantingsbiotoop

Niet aanwezig ter hoogte van de werkzaamheden

Geen

Niet aanwezig ter hoogte van de werkzaamheden Geen, mits mitigerende maatregelen werkzaamheden ter hoogte van T’ Lippert voor hazelworm.

Habitatrichtlijn

Zandhagedis

Leefgebied en voortplantingsbiotoop

Nationaal

Levendbarende hagedis, hazelworm

Leefgebied

Steenmarter, eekhoorn, Nationaal

boommarter, damhert

Leefgebied

Geen, mits

Geen

Geen mits, mitigerende maatregelen hazelworm

Mitigerende maatregelen ten aanzien van veldspitsmuis genomen worden.

en veldspitsmuis Habitatrichtlijn

Vleermuizen

Leefgebied

Geen, leefgebied blijft behouden

Geen

Vogelrichtlijn

Vogels

Broedlocatie

Mogelijke verstoring

Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht

V jaarrond

V jaarrond

Broedlocatie

Geen, leefgebied en nestlocaties blijven gehandhaafd

Werkzaamheden buiten broedseizoen uitvoeren, zorgplicht

Vliegend hert, klein Nationaal

ijsvogelvlinder en grote

Leefgebied

Geen, leefgebied blijft behouden

weerschijnvlinder

48

Quickscan flora en fauna Concept

Geen

en/of

Nationaal

Beekprik

Leefgebied, Springendalse beek

Geen, mits

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

Mitigerende maatregelen uitvoeren

49

8 BIJLAGE 1 INRICHTINGSKAART

50

Quickscan flora en fauna Concept

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

51

9 BIJLAGE 2 HABITATTYPEN

52

Quickscan flora en fauna Concept

LITERATUURLIJST -

Bergmans, W. en A. Zuiderwijk (1986). Atlas van de Nederlandse Amfibieën en Reptielen en hun Bedreiging. Utrecht: KNNV.

-

Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden.

-

Nie H.W. de (1996). Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem.

-

Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen (1992). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Utrecht: KNNV.

-

Koninklijke Vermande (1999-2009). Planten en dieren, Flora- en faunawet, band 1, 2, 3 , 4 en 5. SDU Uitgeverij, Den Haag Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij..

-

-

Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen.

-

Flora en faunonderzoek t’ Lippert, Eelerwoude 2013,

-

Kansen voor de beekprik en KRW doelsoorten vis in Mosbeek en Hazelbekke, Ravon 2016

-

Twentse salamanders onderzoek naar kamsalamander in het Springendal en Dal van de Mosbeek, Wageningen University, 2017

-

Beheerplan vliegend hert 2016-2020, EIS 2016

Soortinformatie: - www.zoogdiervereniging.nl - www.ravon.nl - www.libellennet.nl Waarnemingen: - www.telmee.nl - ndff-ecogrid.nl

Gebruikte websites  Soortendatabase Ministerie van Economische http://www.minlnv.nederlandsesoorten.nl/  Gebiedendatabase Ministerie van Economische Zaken 2000 www.synbiosys.alterra.nl/natura2000  Atlas van Overijssel http://gisopenbaar.overijssel.nl/viewer/app/atlasvanoverijssel_basis/v1  Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) http://pas.natura2000.nl/  http://www.landschapoverijssel.nl

Zaken

Bijlage 4 Onderzoek muggen en knutten

35/35 — SLM008755.RAP001.DB

34 Vragen en antwoorden over steekmuggen en knutten in relatie tot vernatting

Piet F.M. Verdonschot

Zoetwaterecosystemen, Wageningen Environmental Research Augustus 2018

Auteurs Piet F.M. Verdonschot (correspondentie: piet.verdonschot@wur.nl) Opdrachtgever Provincie Overijssel Projectgroep Namen Wijze van citeren Verdonschot P.F.M. (2018) 34 Vragen en antwoorden over steekmuggen en knutten in relatie tot vernatting. Notitie Zoetwaterecosystemen, Wageningen Environmental Research, Wageningen UR, Wageningen. 27 pp. Trefwoorden steekmug, knut, verspreiding, overlast, vernatting, ziekte, maatregel Beeldmateriaal Naam

ISBN: xxxx DOI: xxxxx Dit project is uitgevoerd in opdracht van de Provincie Overijssel

© 2018

Zoetwaterecosystemen, Wageningen Environmental Research

– Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van deze uitgave is toegestaan mits met duidelijke bronvermelding.

– Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor commerciële doeleinden –

en/of geldelijk gewin. Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor die gedeelten van deze uitgave waarvan duidelijk is dat de auteursrechten liggen bij derden en/of zijn voorbehouden.

Wageningen Environmental Research aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Notitie Zoetwaterecosystemen, Wageningen Environmental Research Wageningen, oktober 2018

3

Inhoud 1

Inleiding, doel en werkwijze 1.1 Achtergrond 1.2 Probleemstelling 1.3 Vraagstelling en doel 1.4 Werkwijze

6 6 6 7 7

2

Vragen en antwoorden over stekende insecten Vraag 1: Wat is de verspreiding van steekmuggen en knutten in Nederland? Vraag 2: Waar leven de larven van steekmuggen en knutten? Vraag 3: Waar leven volwassen steekmuggen en knutten? Vraag 4: Komen steekmuggen en knutten ook voor in beken? Vraag 5: Waarom zijn steekmuggen en knutten vaak talrijk in moerasgebieden? Vraag 6: Komen er ook steekmuggen voor in een vijver met permanent water? Vraag 7: Op welke plaatsen gedijen steekmuggen goed? Vraag 8: Wat is de rol van droogval bij optreden van steekmuggen en knutten? Vraag 9: Hoe ver verspreiden steekmuggen en knutten zich? Vraag 10: Hoe snel en wanneer ontwikkelen steekmuggen en knutten zich? Vraag 11: Wat is de invloed van voedselrijkdom op de ontwikkeling van larven? Vraag 12: Hoe groot is de actieradius van steekmuggen en knutten? Vraag 13: Welke invloed heeft het weer (bv. wind) op de actieradius? Vraag 14: Hoe verspreiden volwassen stekende insecten zich i.r.t.

begroeiing? Vraag 15: Hoe beïnvloedt een broedgebied de aantallen stekende insecten? Vraag 16: Wanneer is sprake van overlast? Vraag 17: Dragen steekmuggen ziekten over? Vraag 18: Hoe gevaarlijk is de loodgrijze malariamug? Vraag 19: Welk percentage knutten is drager van Blauwtong en Schmallenberg? Vraag 20: Levert vernatting extra risico op voor vogelpest? Vraag 21: Zijn inentingen en preventieve maatregelen mogelijk? Vraag 22: Levert vernatting extra overlast op voor recreanten? Vraag 23: Waardoor is er vaak sprake van overlast rond bebouwing? Vraag 24: Treedt er verschil op tussen de bestaande en toekomstige natuur? Vraag 25: Zijn maatregelen mogelijk als er gegronde risico’s ontstaan? Vraag 26: Hoe kan ik op fysieke omstandigheden (bij)sturen? Vraag 27: Hoe kan ik op waterkwaliteit sturen? Vraag 28: Kan ik sturen op predatoren van steekmuggen en knutten? Vraag 29: Moet ik extra maatregelen nemen vlak na een (her)inrichting? Vraag 30: Heeft het terreinbeheer invloed op steekmuggen en knutten? Vraag 31: Hoe zit het met kriebelmuggen in Nederland? Vraag 32: Kunnen we in Nederland overlast van kriebelmuggen verwachten? Vraag 33: Hoe zit het met dazen in Nederland? Vraag 34: Kunnen we in Nederland overlast van dazen verwachten?

8 8 8 9 9 10 10 10 11 12 12 13 14 14 15 16 16 17 18 18 19 19 20 20 21 21 22 23 23 23 24 25 26 26 26

3.

Conclusies

28

4

4.

Literatuur

30

5

1

Inleiding, doel en werkwijze

1.1

Achtergrond

De neerslag van stikstof (stikstofdepositie) is één van de belangrijkste belemmeringen om de Europese natuurdoelen te halen. De huidige neerslag in een groot aantal Natura 2000-gebieden is veel hoger dan leefgebieden van planten en dieren kunnen verdragen. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) moet de gevolgen van teveel stikstof, door bijvoorbeeld mest, in Nederland oplossen. De provincie Overijssel is eindverantwoordelijk voor de PAS-maatregelen in Overijssel. Voor elk Natura 2000-gebied is een aanwijzingsdocument opgesteld, met hierin de doelen (instandhouding of uitbreiding van habitattypen en leefgebieden van soorten). Deze doelen moeten bereikt worden met beheers- en herstelmaatregelen en staan per Natura 2000-gebied beschreven in een gebiedsanalyse en een beheerplan. In beide beleidsstukken zijn kaarten opgenomen waarop is aangegeven waar in het gebied maatregelen moeten worden uitgevoerd en binnen welke termijn. Daarnaast staan in de beheerplannen ook maatregelen die niet voortkomen uit de PAS, maar verband houden met regulier natuurbeheer, ontsnippering, beleid rondom andere (economische) activiteiten die in of rondom het natuurgebied plaatsvinden (landbouw, recreatie, natuuractiviteiten, delfstoffenwinning, jacht). Binnen het samenwerkingsakkoord “Samen werkt beter (Swb)” is het programma Ontwikkelopgave N2000 opgezet.

Het programma Ontwikkelopgave N2000 zorgt voor het uitvoeren van de maatregelen zoals deze zijn opgenomen in de beheerplannen. In het samenwerkingsverband werken alle relevante partijen in het landelijk gebied samen om de Natura2000-opgave te realiseren, waarbij aandacht is voor een goede balans tussen ecologie en economie. Een bijzonderheid hierbij is dat naast de provincie Overijssel, ook meerdere Swb partners trekker zijn van één of meer gebiedsprocessen. Vanwege de uitvoering van PAS-herstelmaatregelen worden de komende jaren projecten uitgevoerd waarbij onder meer: • Vernatten van (grond)waterafhankelijke natuur (habitattypen, soorten), o.a. door dempen/verondiepen van sloten, verwijderen drainage, etc.

Hierdoor kan water gedurende een korte of langere tijd op maaiveld komen te staan; • Aanleg van waterretentiegebieden in de bovenloop van beken om beken langer watervoerend en met een hoger waterpeil te laten zijn, waarmee meer tegendruk kan worden geleverd aan uittredend grondwater; • Aanleg van waterbergingsgebieden in de benedenloop van beken om inundatie van omliggende agrarische gronden en van kwetsbare habitattypen te voorkomen bij hoosbuien; • Aanleg van bufferstroken met randdammen, zodat retentiebekkens ontstaan op plaatsen waar hellende agrarische percelen natuurgebieden raken, om te voorkomen dat nutriëntrijk water van agrarische percelen natuurgebieden instroomt. Zodra het definitieve pakket aan PAS-herstelmaatregelen per N2000-gebied bekend is, wordt het maatregelenpakket vastgelegd in een inrichtingsplan, dat juridisch en planologisch wordt geborgd in bestemmingsplannen of (bij forse wijzigingen) in Provinciale Inpassingsplannen (PIP).

1.2

Probleemstelling

6

Door bovengenoemde hydrologische of vernattingsmaatregelen kunnen er plekken ontstaan waar stagnant water gedurende een korte of een wat langere tijd op of aan maaiveld staat. De aanleiding voor dit rapport komt voort uit de inspraakreacties op twee voorontwerp-PIP’s, te weten N2000-gebied Dinkelland en N2000-gebied Landgoederen Oldenzaal. . Deze inspraakreacties hadden betrekking op het mogelijk optreden van steekmuggenof knuttenoverlast als gevolg van de vernattingsmaatregelen, specifiek ook in relatie tot het optreden van dierziekten (Schmallenberg, Blauwtong, Vogelgriep, etc.). De Provincie verwacht dat in andere gebieden waar de komende tijd voorontwerp-PIP’s voor gemaakt worden, dergelijke vragen te verwachten zijn. De Provincie wil graag meer kennis over steekmuggen, knutten, dazen en kriebelmuggen binnenhalen, om zo een gedegen en onderbouwde reactie te kunnen geven op dergelijke inspraakreacties. Daarnaast wil de Provincie deze informatie omzetten in een ‘deskundigenrapport’ wat bij een eventuele rechtsgang aan de Raad van State kan worden overhandigd. Met dit rapport moeten mogelijke vragen omtrent steekmuggen en knutten, die in combinatie met vernattings- en retentiemaatregelen kunnen worden verwachten, beantwoord kunnen worden.

1.3

Vraagstelling en doel

De Provincie wil graag concrete en zoveel mogelijk gekwantificeerde antwoorden op de belangrijkste vragen rondom steekmuggen en knutten. Het onderzoek heeft als doel ‘het geven van compleet beeld (‘best available knowledge’) van conclusies en aanbevelingen, in de vorm van antwoorden op vragen, over de aanwezigheid en (over)last van steekmuggen en knutten in relatie tot de PASherstelmaatregelen in N2000-gebieden’.

1.4

Werkwijze

Deze studie is uitgevoerd als korte bureaustudie gebaseerd op bestaande en snel beschikbare kennis. De antwoorden zijn gebaseerd van direct beschikbare (grijze) literatuur. Een belangrijk deel van de informatie in de antwoorden is afkomstig en soms direct overgenomen uit de rapporten ‘Steekmuggen (Culicidae) in de Engbertsdijksvenen’ (Verdonschot et al. 1988) en ‘Verkenning van de steekmuggen- en knuttenproblematiek bij klimaatverandering en vernatting’ (Verdonschot 2009). Daarnaast zijn delen overgenomen uit de vier artikelen: Bloedzuigende insecten deel 1. Steekmuggen. (Verdonschot 2012a), Bloedzuigende insecten deel 2. Knutten (Verdonschot 2012b), Bloedzuigende insecten deel 3. Dazen. (Verdonschot 2013a) en Bloedzuigende insecten deel 4. Kriebelmuggen. (Verdonschot 2013b). Waar nodig is aanvullend gezocht naar nieuwe direct beschikbare kennis over de periode 2009-nu.

7

2

Vragen en antwoorden over stekende insecten

Vraag 1: Wat is de verspreiding van steekmuggen en knutten in Nederland?

Er komen 37 soorten steekmuggen en meer dan 103 soorten knutten voor in Nederland (Beuk 2002). De meeste soorten komen min of meer verspreid over geheel Nederland voor. Er bestaan echter geen verspreidingskaarten van de diverse soorten steekmuggen en knutten in Nederland. Er zijn ook geen landsdekkende inventarisaties uitgevoerd. Van een groot aantal knuttensoorten is nauwelijks iets bekend over de ecologie en verspreiding. Ook zijn hoogstwaarschijnlijk niet alle soorten knutten bekend die in Nederland daadwerkelijk voorkomen. Steekmuggen ontwikkelen zich meestal in oppervlaktewateren met een grote dynamiek in milieuvariabelen, zoals temperatuurswisseling, uitdroging, organische verontreiniging en een wisselend zuurstofgehalte. Dit in tegenstelling tot veel van hun potentiële predatoren, die dergelijke milieus vermijden. Knutten ontwikkelen zich in een groot scala aan habitats, van natte organisch rijke graslanden, tot moerassen tot aan diepe meren.

Vraag 2: Waar leven de larven van steekmuggen en knutten?

Broedgebieden zijn de plaatsen waar steekmuggen en of knutten hun eitjes afzetten en waar de larven zich ontwikkelen tot volwassen dieren. De eitjes kunnen door zowel steekmuggen en knutten worden afgezet op natte grond of op oppervlaktewater. Dit is soort afhankelijk. De larven van steekmuggen leven altijd in de waterkolom, die van knutten in de waterkolom, de natte oeverzone, het litoraal of in natte gronden. Steekmuggen en knutten hebben beide een popstadium dat zich ontwikkelt in hetzelfde milieu als de larve. De volwassen dieren leven in het terrestrische milieu. De leefgebieden van volwassen steekmuggen en knutten bestaan vaak uit houtige of opgaande gewassen waar een hoge luchtvochtigheid heerst en waar prooien aanwezig zijn. Om de informatie van broed- en leefgebieden overzichtelijk te houden zijn de steekmuggen en knutten ingedeeld in ecologische groepen. In de discussies rondom de steekmuggen en knutten problematiek in vernattingsgebieden spelen deze ecologische groepen steekmuggen en knutten een belangrijke differentiërende rol. Huissteekmuggen ontwikkelen zich in alle semipermanente, temporaire en antropogene wateren. Het betreft meestal kleine, vaak tijdelijke waterpartijen (vrijwel alle tijdelijke wateren, emmers, badkuipen, regentonnen, blikjes, autobanden, dakgoten en overige antropogene waterpartijen) met sterke wisselingen in milieuomstandigheden.

Voorbeelden zijn sterk organisch belaste wateren of wateren met een korte bestaansduur, zoals regenwaterplassen. Predatoren ontbreken in deze wateren. De ontwikkeling van de moerassteekmuggen is sterk gebonden aan waterpeilfluctuaties. De larven leven in temporaire moeras- en drassituaties (meestal in geïsoleerde, ondiepe wateren zoals moerassen, greppels en inundatiezones). Het tijdelijk droogvallende substraat (meestal semipermanent en geïsoleerd van permanente water), al dan niet beschaduwd door bomen/hogere begroeiing en met veel organisch materiaal op de bodem waardoor mogelijk lage zuurstofconcentraties optreden en een arme gemeenschap aan overige insecten en ongewervelden (weinig predatoren aanwezig), dient als locatie voor het afzetten van de eitjes die overwinteren. Deze situatie kan het gevolg zijn van een weinig doorlatende ondergrond, eventueel in combinatie met een terreinreliëf waarin water stagneert, of een meer doorlatende of 'lekkende' ondergrond in combinatie met een tijdelijk hogere grondwaterstand.

8

Slootsteekmuggen ontwikkelen zich in allerlei permanente, stilstaande, ondiepe wateren (sloten, kanalen, poeltjes, plassen) met veel ondergedoken of emergente vegetatie (vooral drijvende draadalgen en kroossloten of sloten met een ruige oevervegetatie (achterstallig onderhoud)) en in verlandende sloten en verlandingszones. De wateren hebben een diverse gemeenschap van overige insecten en ongewervelden. Een rijke vegetatie dient als schuilmogelijkheid om een te grote predatiedruk te vermijden. De larven hebben geen ademhalingsbuis en hangen horizontaal tegen het wateroppervlak en voeden zich in tegenstelling tot andere steekmuggen ook aan het wateroppervlak. Plantenboorsteekmuggen ontwikkelen zich aan dieper groeiende emergente (boven het water uitstekende) water- en oeverplanten. De larve boort in zachte plantendelen en blijft aan de plant aangehecht. Het betreft vaak kraagvegetaties van lisdodde, riet, liesgras en dergelijke. De boomholtesteekmuggen, ook wel containersteekmuggen genoemd, danken hun naam aan het oorspronkelijk habitat, de boomholte. Boomholtesteekmuggen ontwikkelen zich in boomholten rijk aan blad en water. Predatoren ontbreken in deze kleine wateren.

Deze groep kan zich echter in allerlei zeer kleine, tijdelijke wateren ontwikkelen, waaronder autobanden, blikjes, schaaltjes, boomholten, regentonnen, dakgoten en overige antropogene waterpartijen met een hoog organisch stofgehalte en met sterke wisselingen in andere milieuomstandigheden. De eieren ontwikkelen zich wanneer een dergelijk ‘micro’-oppervlaktewater zich met water vult, bijvoorbeeld na een regenbui. Bij voldoende hoge temperaturen vliegen de larven na korte tijd uit. Boomholtesteekmuggen komen ook voor in permanente ‘containermilieus’, waar ze meerdere generaties ontwikkelen waarbij ook predatoren aanwezig kunnen zijn die de aantallen slechts enigszins verlagen. Knutten ontwikkelen zich afhankelijk van de soort in allerlei habitats, zoals mest, mierennesten, rottend hout, plantensappen, meren, oeverzones, rivieren, temporaire wateren, boomholten, natte graslanden, laagveenwateren, brakke en zoute wateren en zoute bodems. Overlast voor mensen wordt vooral veroorzaakt door soorten uit het geslacht Culicoides. Dit geslacht ontwikkelt zich eveneens in een brede range aan habitats.

Vraag 3: Waar leven volwassen steekmuggen en knutten?

Voor volwassen steekmuggen zijn opgaande (al dan niet lijnvormige) houtige en hoge kruidachtige begroeiingen aantrekkelijk om te schuilen en geschikt om zich doorheen te verplaatsen. De begroeiing biedt bescherming tegen wind en wordt over het algemeen gekenmerkt door een hoge luchtvochtigheid (geschikt microklimaat). Hiermee vormt de begroeiing een verbindingszone tussen de plaats waar de larven zich ontwikkelen en eventuele gebieden waar prooien zich ophouden (waaronder bebouwing), waar de vrouwtjesmuggen op zoek gaan naar een bloedmaaltijd. Het verspreidingsvermogen van steekmuggen verschilt per soort. Sommige soorten kunnen zich in halfopen terrein verspreiden, terwijl andere soorten sterk gebonden zijn aan bossen. Deze laatste groep van volwassen steekmuggen mijden open terrein volledig, onder andere vanwege de lagere luchtvochtigheid en de invloed van wind. Sommige soorten steekmuggen dringen ook woonhuizen binnen maar dit geldt lang niet voor alle soorten. Volwassen vrouwtjes van sommige soorten huissteekmuggen overwinteren op vochtige plekken in huizen (bijvoorbeeld kruipgaten), schuren en andere bouwwerken.

Vraag 4: Komen steekmuggen en knutten ook voor in beken?

Steekmuggen zijn voor hun ontwikkeling afhankelijk van stilstaand water, ze komen niet voor in stromende wateren. De larven en poppen van steekmuggen zijn zeer gevoelig

9

voor stroming en golfslag, en worden wanneer dit optreedt in hun ontwikkeling beperkt. In grotere oppervlaktewateren met een brede ondiepe oeverzone zal tussen de oevervegetatie nauwelijks stroming of golfslag optreden. In deze delen is de aanwezigheid van predatoren (zoals roofkevers, libellenlarven en amfibieën) een belangrijkere factor die de ontwikkeling van de steekmuggen beperkt. Knutten komen in allerlei wateren voor. Stroming en golfslag spelen echter een geringe rol ten aanzien van het voorkomen, behalve indien daadwerkelijk sprake is van stroming, omdat ze meestal in het bodemsubstraat leven. De oeverzone is voor veel soorten geschikt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/776/documents/14990