CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 20AF153 - VBP Reutum, Kerkstraat 87.pdf

Commissie Omgeving en Economie 7 oktober 2025, gemeente TubbergenBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 8731.689 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit m.e.r. zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt.

In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Als gevolg van dit bestemmingsplan wordt aansluitend aan een bestaand bedrijfsperceel aan de rand van de bebouwde kom van Reutum enkel de bestemming 'Horeca' gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf', zodat de opslagmogelijkheden worden vergroot. Tevens worden de planologische mogelijkheden gecreëerd (uitbreiding bouwvlak) om een grotere bedrijfshal te bouwen. De huidige oppervlakte aan bedrijfsbebouwing bedraagt circa 888 m2.

De nieuwe bedrijfshal heeft een oppervlakte van circa 2.100 m2 waardoor er sprake is van een uitbreiding van circa 1.212 m2. Het plangebied behoort tot het bedrijfsperceel van Bouwbedrijf Steggink in Reutum. Het totale bedrijfsperceel van het bouwbedrijf (bestemming Bedrijf met functieaanduiding bouwbedrijf) bedraagt in de huidige situatie 12.180 m2 (circa 9.150 m2 aan zuidzijde van de Kerkstraat en 3.030 m2 noordzijde van de Kerkstraat). De gezamenlijke oppervlakte van de bestaande bebouwing (bedrijfshallen, overkappingen en kantoor) van het bouwbedrijf aan de noord- en zuidzijde van de Kerkstraat bedraagt 4.094 m2. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt het bedrijfsperceel aan de noordzijde vergroot naar 4.345 m2 waardoor het totale bedrijfsperceel 13.495 m2 bedraagt. De oppervlakte aan bebouwing bedraagt als gevolg van het plan 5.306 m2 en wordt zowel stedenbouwkundig als landschappelijk in de omgeving ingepast.

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

29

De uitbreiding van het bedrijfsperceel is enerzijds noodzakelijk voor de opslag van bouwmaterialen en materieel (buitenopslag) en tevens om de bedrijfsprocessen te optimaliseren. In de nieuwe/uit te breiden bedrijfshal vindt de opslag van kozijnen, beglazing en prefabonderdelen plaats. Daarnaast wordt een deel van het bedrijfspand conform de bestaande situatie gebruikt als werkplaats/montagehal. De aard en omvang van de ontwikkeling is gelet op het aanwezige bedrijfsperceel gering en de bedrijfsactiviteiten zijn grotendeels toegestaan in het plangebied. Zoals in dit hoofdstuk (Hoofdstuk 4) is beschreven heeft het plan geen nadelige gevolgen voor het milieu. Eveneens neemt het aantal verkeersbewegingen, als gevolg van de ontwikkeling niet zodanig toe dat dat nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Uit de AERIUS-berekening (verschilberekening) is gebleken dat er geen sprake is van een depositiebijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot een verslechtering van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Op basis van vorenstaande wordt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.

4.2 Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets In het voorliggende geval is er gezien de ligging binnen stedelijk gebied en de verscheidenheid van functies (horeca, wonen, maatschappelijk en (agrarische) bedrijvigheid) sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. In dat geval kunnen de richtafstanden met één trede verlaagd worden. Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 30

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In voorliggend geval wordt allereerst een milieubelastende activiteit - een bouwbedrijf - uitgebreid. Het bouwbedrijf in voorliggend plan vindt aansluiting bij de categorie 'Bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m²' uit de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering'. Voor deze categorie geldt voor een gemengd gebied een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid'. Voor de aspecten 'stof' en 'geur' gelden respectievelijk richtafstanden van 10 en 0 meter. Op circa 30 meter van de beoogde uitbreidingslocatie van het bedrijfsperceel bevindt zich aan de Kerkstraat 75 de achtergevel van een woonhuis De tuin van het woonhuis grenst direct aan het nieuwe bedrijfsperceel, dat als gevolg van dit bestemmingsplan wordt uitgebreid.

Zowel de dichtstbijzijnde gevel van de woning (achtergevel) als de tuin zijn gelegen binnen de richtafstand van 50 meter. Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat er in de woning en de tuin sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het aspect 'geluid' wordt verwezen naar paragraaf 4.5. In die paragraaf wordt aangetoond dat het aspect 'geluid' geen belemmering oplevert voor de uitvoering van onderhavig plan. Zoals benoemd geldt voor het aspect 'stof' een richtafstand van 10 meter tot een gevoelig object. De afstand tussen de gevel van de woning aan de Kerkstraat 75 en de grens van het bedrijfsperceel bedraagt circa 30 meter. De afstand van het bedrijfsperceel tot aan de tuin bedraagt minder dan 10 meter. Op het bedrijfsperceel grenzend aan de tuin worden bouwmaterialen opgeslagen. Concreet betreft het de opslag van bouwstaalmatten, stalton (gesteente) en metselzand. De bouwstaalmatten en stalton geven weinig tot geen stofoverlast. Vanwege de korrelgrootte en hardheid van metselzand leidt dit niet tot onevenredige stofoverlast (stuiven). Tot slot wordt er tussen het bedrijfsperceel en de tuin een 2,6 meter hoge schanskorfmuur/schutting geplaatst waardoor de tuin voldoende beschermd wordt tegen eventuele stof/verstuiving van de bedrijfsactiviteiten. Het aspect 'stof' leidt niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ten zuiden van het plangebied op circa 80 meter van de beoogde uitbreiding van het bedrijfsperceel zijn eveneens woningen gelegen. De beoogde bedrijfsuitbreiding is niet dichter bij deze woningen, waardoor op voorhand niet verwacht wordt dat deze woningen extra gehinderd worden door het bouwbedrijf. Bovendien grenzen de tuinen van deze woningen in de huidige situatie al aan een bestaand bedrijfsperceel. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In voorliggend geval wordt geen nieuwe milieugevoelige functie opgericht (woning) opgericht. Er wordt echter wel een mileugevoelige functie in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij opgericht. Voor een nadere toelichting op dit aspect wordt verwezen naar paragraaf 4.3. Op basis van het vorenstaande, en met inachtnemening van de bevindingen voor geur (paragraaf 4.3) en geluid (paragraaf 4.5), blijft er sprake van een aanvaardbare situatie aangaande milieuzonering.

4.3 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

31

odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Toets Ten oosten van het plangebied aan de Zonnebergweg 16-16A is een agrarisch bedrijf (melkveehouderij) gelegen. Dit betreft een agrarisch bedrijf met diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld. Hiervoor geldt een afstand van ten minste 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. In voorliggend plan wordt middels een aanduiding 'milieuzone' geborgd dat in een straal van 100 meter vanaf de stal van het agrarisch bedrijf waar runderen worden gehouden geen geurgevoelige (verblijfs)objecten worden opgericht. Een deel van de bedrijfshal van het bouwbedrijf zal echter wel binnen deze straal gerealiseerd worden. Binnen de delen van de bedrijfshal die binnen de geurcirkel vallen wordt het vanwege de aanduiding niet mogelijk om ruimten in te richten waar werknemers langdurig verblijven. Deze delen worden derhalve ingericht ten behoeve van opslag. De werkplaats van het bouwbedrijf is bewust verder van de geurcirkel verplaatst. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'geur' geen belemmering oplevert voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.4 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van twee verkennende bodemonderzoeken, één voor de uitbreiding van de woonbestemming ter plaatse van de Kerkstraat 75 (zie Bijlage 1) en één voor de realisatie van de nieuwe bedrijfshal ter plaatse van de Kerkstraat 87 (zie Bijlage 2).

De bodemonderzoeken zijn uitgevoerd om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Sinds de uitvoering van deze onderzoeken is ter plaatse niet in de bodem geroerd of hebben er anderszins activiteiten plaatsgevonden die tot mogelijke andere resultaten zouden kunnen leiden. Het betreffende onderzoek is daarmee nog voldoende actueel. Hieronder is een samenvatting van de resultaten weergegeven. Kerkstraat 75 Resultaten veldwerk In totaal zijn er 6 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit zeer fijn tot matig grof, zwak siltig zand. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 0.80 m-mv en bij de herbemonstering op 0.50 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG) is zeer licht verontreinigd met lood en zink; de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is, na herbemonstering, sterk verontreinigd met nikkel, matig verontreinigd met kobalt en (zeer) licht verontreinigd met barium, cadmium en zink.

Conclusies en aanbevelingen In de bovengrond (BG) zijn enkele zeer lichte verontreinigingen aangetoond en in het grondwater (PB 1) zijn enkele matige tot sterke verontreinigingen aangetoond. In de ondergrond (OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. De matig tot sterk verhoogde verontreinigingen in het grondwater leveren bij het huidig en toekomstig gebruik geen risico’s op. Naar onze mening is het dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader onderzoek en is besloten af te zien van nader onderzoek. Omdat de verhoogd gemeten gehalten in de 32

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

bovengrond de tussenwaarden niet overschrijden is daar ook geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging, aangezien de risico’s voor de volksgezondheid gering worden geacht bij de vastgestelde gehalten. Er zijn mogelijk wel (humane) risico’s aanwezig, wanneer het freatische grondwater gebruikt wordt als drinkwater (voor vee) of voor de besproeiing van gewassen in een moestuin. Gebruik van het freatisch grondwater wordt echter afgeraden om enig risico uit te sluiten. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Kerkstraat 87 Resultaten veldwerk In totaal zijn er 6 boringen verricht, waarvan er 2 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig grof zwak siltig zand. In de ondergrond zijn roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 0.95 m-mv en bij de herbemonstering op 0.80 m-mv.

Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG) is niet verontreinigd de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 11) is sterk verontreinigd met barium, matig verontreinigd met zink en licht verontreinigd met cadmium en nikkel. Na herbemonstering is het grondmater lichtverontreinigd met barium en zink. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 11) zijn, na een herbemonstering, enkele lichte verontreinigingen aangetoond. In de boven- en ondergrond (BG en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen uitbreiding van de bedrijfshal, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (bedrijf). Op basis van voorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'bodem' geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.5 Geluid In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Met voorliggend plan wordt de uitbreiding van een bedrijfsperceel, de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw, de uitbreiding van een tuin en de verlaging van een horecacategorie mogelijk gemaakt. Er wordt geen nieuwe geluidsgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder mogelijk gemaakt. Verdere toetsing aan het aspect geluid kan dan ook achterwege blijven.

Industrielawaai In verband met de ligging van het woonhuis aan de Kerkstraat 75 binnen de richtafstand van 50 meter tot het bedrijfsperceel is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat in de woning en de tuin sprake blijft bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

33

van een aanvaarbaar woon- en leefklimaat. Het volledige rapport is te vinden in Bijlage 3. In Bijlage 4 is een aanvullende memo opgenomen waarin de geluidsnormen in de dagperiode in de tuin (o.a. ter plaatse van de uitbreiding van de tuin) zijn berekend. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999. De geluidnormen die van toepassing zijn, zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Daarnaast is het geluidbeleid van de gemeente Tubbergen in beschouwing genomen. De werkzaamheden binnen Bouwbedrijf Steggink vinden zowel aan de noordzijde als zuidzijde van de tussenliggende Kerkstraat. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen woning maximaal 41 dB(A) in de dagperiode en 30 in de nachtperiode. De ambitiewaarde van 45 dB(A)-etmaalwaarde en de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uit het activiteitenbesluit van 50 dB(A) etmaalwaarde worden ter plaatse van de woningen niet overschreden. Het maximale geluidniveau ter plaatse van de bestaande woningen bedraagt maximaal 60 dB(A) in de dagperiode en 57 dB(A) in de nachtperiode. De maatgevende geluidbron betreft de rijdende lichte vrachtwagen in de dagperiode en de bestelwagens in de nachtperiode.

De grenswaarden voor het maximale geluidniveau worden ter plaatse van de woningen niet overschreden. Uit het onderzoek blijk dat is aangetoond dat het woon- en leefklimaat van de bewoners aan de Kerkstraat 75 niet overmatig wordt gehinderd. Uit rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het indirecte geluid van Bouwbedrijf Steggink maximaal 50 dB(A) bedraagt. De voorkeurswaarde voor het equivalente geluidniveau LAeq wordt niet overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting in de tuin maximaal 50 dB(A) bedaagt. De bovengrenswaarde uit het geluidbeleid en de norm uit het Activiteitenbesluit wordt niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering oplevert voor de uitvoering van onderhavig plan.

4.6 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 34

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijfsperceel neemt het aantal verkeersbewegingen toe met 130 verkeersbewegingen per etmaal. Als gevolg van de verlaging van de horecacategorie verminderd het aantal verkeersbewegingen met 128 per etmaal (zie paragraaf 4.11 'verkeer'. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 115 per dag gesteld worden. Gelet op het feit dat de uitbreiding van het bedrijfsperceel voornamelijk ten behoeve van de opslag van prefab elementen is, kan worden uitgegaan van een toename in vrachtverkeer. Het aandeel vrachtverkeer is derhalve gesteld op 20%. In onderstaande tabel is een Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer gedaan.

Figuur 4.2: NIBM-tool (bron: InfoMil) Op basis van bovenstaande berekening kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

35

rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld (bron: risicokaart.nl). Op circa 2,2 km ten zuiden van het plangebied is een leiding van de Gasunie gelegen. Het plangebied is ruim buiten de invloedsfeer van deze buisleiding gelegen. Uit de inventarisatie blijkt verder dat binnen een straal van 2,2 kilomter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen, derhalve geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

36

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

4.8 Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027.

Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves.

In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal.

Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

37

- en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Watertoetsproces Op 27 december 2024 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 9. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.9 Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets Bij dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden (kenmerk: 7088, d.d. 03-02-2025), zie ook Bijlage 6. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Het bestaande bedrijfspand en een overkapping worden als gevolg van de nieuwbouw gesloopt. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven.

Het plangebied is op 29 november 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. In dit kader is ook een Stikstofberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd, de resultaten hiervan zijn eveneens hieronder weergegeven. Quickscan natuurwaarden De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Als gevolg van het slopen van de overkapping tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats.

Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden 38

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën.

Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze amfibieën op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. AERIUS-berekening De AERIUS-berekening is uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2024. Voor de aanlegfase is gerekend voor het rekenjaar 2025, omdat het plan pas uitgevoerd kan worden in midden 2025. Er moeten namelijk nog een planologische en vergunningsprocedure doorlopen worden. Met een doorlooptijd van een half jaar vindt de gebruiksfase op zijn vroegst begin 2026 plaats. Aanlegfase De totale NOx-emissie in de aanlegfase bedraagt in totaal 48,0 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 1,8 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfase De totale NOx-emissie in de gebruiksfase bedraagt in totaal 92,5 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 5,5 kg/j. Er zijn rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De hoogste bijdrage bedraagt 0,01 mol/ha/jaar ter plaatse van de Natura 2000-gebieden ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ en ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 8.

Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel NOx als NH3 vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS berekening is aangetoond dat dit in de gebruiksfase leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. In de gebruiksfase bedraagt de emissie 0,01 mol/ha/jaar ter plaatse van de Natura 2000-gebieden ‘Springendal & Dal van de Mosbeek’ en ‘Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek’. Gezien de meetbare depositie van 0,01 mol/ha/jaar dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Door middel van een ecologische voortoets kan worden beoordeeld of de meetbare depositie van 0,01 mol/ha/jaar leidt tot significante nadelige effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Indien significante nadelige effecten uitgesloten kunnen worden middels een ecologische voortoets, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. Ecologische voortoets In aanvulling op de AERIUS-berekening is een ecologische voortoets uitgevoerd door Tuitert Natuuronderzoek (Projectnummer AT/2025/29.01), rapportdatum 29-01-2025. De conclusies zijn onderstaand opgenomen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 7.

Conclusie Uit voorliggende ecologische beoordeling blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebieden Springendal en Dal van de Mosbeek en Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek. Tijdens de gebruiksfase vindt een verwaarloosbaar kleine toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,01 mol N/ha/jr) plaats op enkele kwalificerende habitattypen. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat bij de berekende verwaarloosbaar kleine toenames aan stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol N/ha/jr geen sprake is van een zodanig merkbare verandering van de kwaliteit van de habitattypen, dat dit van invloed kan zijn op de omvang en verspreiding van de vegetaties/populaties. Het voorgenomen project heeft geen merkbare verslechtering van de kwaliteit van kwalificerende habitats tot gevolg. Ook uitbreiding van de habitattypen waarvoor een bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

39

uitbreidingsopgave en verbetering van de kwaliteit waarvoor een verbeteropgave geldt blijft mogelijk in de betreffende Natura 2000-gebieden. Significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden Springendal en Dal van de Mosbeek en Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten, ook in combinatie met eventuele andere projecten.

4.10

Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Gemeente Tubbergen beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en advieskaart (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2008). Deze kaart maakt voor het grondgebied van de gemeente inzichtelijk waar archeologische resten zich (kunnen) bevinden. In figuur 4.3 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en advieskaart opgenomen. Het plangebied is indicatief rood omkaderd.

Figuur 4.3: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart gemeente Tubbergen (bron: gemeente Tubbergen) Toets Het perceel is aangemerkt als 'dekzandwelvingen en -vlakten'. Het erf gelegen op nummer 58 zal niet gewijzigd worden. Het plan valt echter wel binnen het buffergebied van een erf. In deze gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien het gebied waar een bodemingreep van meer dan 40 centimeter diep plaatsvindt 40

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

groter is dan respectievelijk 2.500 m². Op basis van het kenmerk 'dekzandwelvingen en -vlakten' geldt een vrijstelling voor archeologisch onderzoek voor gebieden kleiner dan 5.000 m². Op de planlocatie zal een nieuwe bedrijfshal van circa 2.100 m² gerealiseerd worden, deels op gronden waar reeds bebouwing aanwezig is. De oppervlakte van (mogelijk) relevante bodemingrepen is daarmee kleiner dan 2.500 m² of 5.000 m². Archeologisch onderzoek is niet verreist. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'archeologie'. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in en nabij het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn (zie figuur 4.4).

Figuur 4.4: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: Atlas van Overijssel) De te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als gemeentelijk of rijksmonument en hebben geen cultuurhistorische waarde. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11

Verkeer / parkeren

Verkeer Aan de Kerkstraat 87 wordt het bedrijfsperceel verruimd over een oppervlakte van 1.300 m². Op grond van de CROW-normen (Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen) geldt voor de bedrijfsactiviteiten (bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief) een verkeersgeneratie van gemiddeld 10 verkeersbewegingen per 100 m² bvo (niet stedelijk, rest bebouwde kom). De feitelijke toename van het bebouwde oppervlak (op basis van de bouwvlakken) bedraagt circa 987 m². De toename van de bedrijfsvloeroppervlakte met de nieuw te bouwen hal bedraagt echter circa 1.147 m². Met deze oppervlakte zal gerekend worden wat betreft verkeer en parkeren. De toename van het aantal verkeersbewegingen bedraagt derhalve 115 verkeersbewegingen per etmaal, inclusief vrachtverkeer (1.147 m² / 100 m² = 11,47 * 10 = 115). Aangezien het bedrijfsperceel zowel vanaf de Kerkstraat (noord en zuid) als de Haarlefertsweg bereikbaar is kan deze toename van het aantal verkeersbewegingen eenvoudig via de huidige infrastructuur afgewikkeld worden. Het horecabedrijf aan de Kerkstraat 78 zal in categorie verlaagd worden. De categorie op grond van de CROW-normen zal wijzigen van 'Discotheek' naar 'Café/bar/cafetaria'. Voor de categorie 'Discotheek' geldt in een niet stedelijk gebiedstype in de zone 'rest bebouwde kom' een verkeersgeneratie van 20,8 per 100 m² bvo.

Grofweg wordt uitgegaan van een bvo van 1.000 m² en hiervoor geldt een verkeersgeneratie van 208 verkeersbewegingen per etmaal (20,8 x 100 m²). Bij de categorie 'Café/bar/cafetaria' is geen kencijfer voor verkeersbewegingen per etmaal opgenomen. Er kan echter uitgegaan worden van een afname van het aantal verkeersbewegingen per etmaal, vanwege het staken van de discotheekactiviteiten. bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

41

De planologische wijziging van de gronden rondom de woning aan de Kerkstraat 75 ten behoeve van een tuin voorziet niet in extra bebouwing of wooneenheden, waardoor geen toename in het aantal verkeersbewegingen ontstaat. Op basis van bovenstaande vormt het aspect 'verkeer' geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Parkeren Om het parkeren ook na 1 juli 2018 te kunnen reguleren is het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan Parkeren Tubbergen' vastgesteld door de raad van de gemeente Tubbergen op 28 mei 2018. Elke initiatiefnemer van een plan is zelf verantwoordelijk voor het realiseren van zijn eigen parkeervoorzieningen. Een nieuw initiatief (uitbreiding, nieuwbouw of functiewijziging) mag geen onaanvaardbare problemen veroorzaken in de omgeving. Dit betekent dat in beginsel de parkeerbehoefte op eigen erf moet worden gerealiseerd. Vanwege dat bestemmingsplan geldt de beleidsnotitie 'Bouwen & Parkeren 2018' als uitgangspunt voor nieuwe ontwikkeling. De beleidsnotitie 'Bouwen & Parkeren 2018' wordt toegepast bij de beoordeling van ontwikkelingen die niet binnen het vigerende bestemmingsplan passen. De parkeerbehoefte van een bouwplan wordt bepaald door het vermenigvuldigen van de parkeernorm met de bruto vloeroppervlakte of met een aantal. Daarbij wordt gerekend met de parkeernormen die zijn opgenomen in bijlage I van de beleidsnotitie.

Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven. Als een aanvrager van een bouwplan en/of een gebruikswijziging gemotiveerd kan aantonen waarom het parkeren op het eigen erf niet (of niet geheel) kan worden gerealiseerd, kunnen burgemeester en wethouders bij het verlenen van een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht om op eigen erf parkeerplaatsen aan te leggen. Maar altijd geldt dat zoveel mogelijk parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Het gehele terrein van Bouwbedrijf Steggink bestaat uit een werkplaats met opslag op het noordelijk gelegen gedeelte en een kantoorgebouw en enkele gebouwen voor opslag op het gelegen zuidelijk gedeelte. Binnen het plangebied geldt voor het gehele terrein van Bouwbedrijf Steggink conform de indeling uit de milieuvergunning zoals in Bijlage 10 momenteel de volgende parkeerbehoefte: Functie

Parkeernorm (per 100 m² bvo) 2,35

Eenheid

Aantal eenheden (m² bvo)

Parkeerbehoefte

Werkplaats-gedeelte (hal 100 m² bvo 600 14,1 noord) Opslag-gedeelte (hal noord) 1,05 100 m² bvo 288 3,024 Kantoor 2,55 100 m² bvo 418 10,659 Opslag gebouw 1 (zuidelijk 1,05 100 m² bvo 410 4,305 gedeelte) Opslag gebouw 2(zuidelijk 1,05 100 m² bvo 540 5,67 gedeelte) Totaal (afgerond) 38 In de gewenste situatie wordt het werkplaats-gedeelte uitgebreid met circa 50 m² bvo. Het opslag-gedeelte wordt uitgebreid met 597 m². Het doorrijdbare gedeelte krijgt een oppervlakte van circa 500 m². Dit gedeelte kan voor de berekening van de parkeerbehoefte achterwege blijven, gelet op het feit dat deze functie geen extra druk op de parkeerbehoefte voorziet. Ten opzichte van de huidige situatie betreft in de nieuwe situatie één van de twee bedrijfsgebouwen op het zuidelijk gedeelte een doorrijdbare hal, waardoor de parkeerbehoefte voor dit bedrijfsgebouw op 0 gezet kan worden. Onderstaand een tabel met de parkeerbehoefte op basis van de nieuwe indeling van het terrein van Bouwbedrijf Steggink. Voor een tekening van de toekomstige indeling wordt verwezen naar Bijlage 11. Functie

Werkplaats Doorrijhal Opslag (hal) Kantoor Doorrijhal (zuidelijk gedeelte) Opslag gebouw 2 (zuidelijk gedeelte) 42

Parkeernorm (per 100 m² bvo) 2,35 0 1,05 2,55 0 1,05

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

Eenheid

Aantal eenheden (m² bvo)

Parkeerbehoefte

100 m² bvo 100 m² bvo 100 m² bvo 100 m² bvo 100 m² bvo 100

650 500 885 418 410 540

15,275 0 9,2925 10,659 0 5,67

Totaal (afgerond)

41

Zoals uit de tabel op te maken is, bestaat de huidige parkeerbehoefte uit 38 parkeerplaatsen. In de gewenste situatie zal de parkeerbehoefte toenemen met 3 parkeerplaatsen waardoor er een totale parkeerbehoefte is van 41 parkeerplaatsen. Conform de notitie 'Bouwen & Parkeren 2018' dient voor de toename van de parkeerbehoefte het aantal parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Op het bedrijfsperceel zijn 34 parkeerplaatsen aanwezig (zie figuur 4.5). De overige drie parkeerplaatsen (parkeerbehoefte van de overige 7) kan worden opgevangen bij de parkeerplaats van de horeca-gelegenheid.

Figuur 4.5: Situatietekening met parkeren (bron: Building Design Architectuur). De uitbreiding van het bedrijfsperceel vindt plaats op een bestaand parkeerterrein van de horecagelegenheid aan de Kerkstraat 78. In het verleden was deze horecagelegenheid ingericht als discotheek, waarbij de grote parkeerplaats noodzakelijk was. De horecagelegenheid kent een bvo van circa 1.000 m². Voor een discotheek geldt volgens de parkeernota een parkeercijfer van 20,8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. De parkeerbehoefte komt derhalve neer op 208 parkeerplaatsen (10 * 20,8 = 208). In de huidige situatie zijn de discotheekactiviteiten gestaakt en richt het horecabedrijf zich meer op het uitbaten van een cafégelegenheid, het verhuur van zalen voor partijen en een cafetaria. De horecacategorie zal middels dit bestemmingsplan dan ook verlaagd worden. Derhalve vindt dit bedrijf aansluiting bij de in de parkeernota genoemde categorie 'Café/bar/cafetaria'. Hiervoor geldt een parkeercijfer van 7,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Uitgaande van een bvo van 1.000 m² komt de parkeerbehoefte derhalve neer op 70 parkeerplaatsen (1.000 m² bvo / 100 m² * 7 = 70). Op het parkeerterrein ten westen van de kerkstraat, voor het horecabedrijf, zijn in de huidige situatie 32 parkeerplaatsen aanwezig. Op het parkeerterrein ten oosten van de Kerkstraat zijn 73 parkeerplaatsen aanwezig.

Gezamenlijk zijn er in de huidige situatie 105 (73 + 32) parkeerplaatsen ten behoeve van de horecagelegenheid aanwezig. In onderstaande figuur 4.5 is een luchtfoto met de bestaande parkeervakken weergegeven. In verband met de belijning (duidelijkheid) is de foto uit 2011 weergegeven. Die situatie komt overeen met de bestaande situatie.

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

43

Figuur 4.5: Luchtfoto parkeerplaats 2011 (bron: Cyclomedia) De totale parkeerbehoefte van het plan (bouwbedrijf 41 parkeerplaatsen en de horecagelegenheid 70 parkeerplaatsen) bedraagt derhalve 111 parkeerplaatsen. Zoals benoemd zijn er bij het bouwbedrijf 32 parkeerplaatsen aanwezig. Bij de horecagelegenheid blijven als gevolg van het plan in totaal 89 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan 32 aan de westzijde van de Kerkstraat en 57 aan de oostzijde van de Kerkstraat. In onderstaande figuur 4.6 is dit weergegeven. Op het bedrijfsperceel van het bouwbedrijf en de parkeerplaats van de horecagelegenheid zijn derhalve in totaal 121 parkeerplaatsen aanwezig. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de totale parkeerbehoefte van 111 parkeerplaatsen.

Figuur 4.6: Parkeersituatie Kerkstraat (bron: Cyclomedia, 2018) De planologische wijziging van de gronden rondom de woning aan de Kerkstraat 75 ten behoeve van een tuin voorziet niet in extra bebouwing of wooneenheden, waardoor geen toename in het aantal benodigde parkeerplaatsen ontstaat. Bovendien is bij deze woning voldoende ruimte op eigen terrein om in de eigen parkeerbehoefte te voorzien. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

44

bestemmingsplan Reutum, Kerkstraat 87

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

5.1 Toelichting op de regels 5.1.1

Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/1299/documents/26387