Bijlage 20210406 reactienota llvv.pdf
Tekst van het document
Advies verordening Leerlingenvervoer 2021
Reactie college gemeente Tubbergen 2021
Leesbaarheid in het algemeen is voor de Adviesraad een belangrijk item. Dit geldt voor alle documenten en brieven die worden gemaakt voor en verstuurd aan burgers. Heeft het college ideeën hoe in zijn algemeenheid de leesbaarheid verbeterd kan worden? Als Adviesraad zijn wij graag bereid hierin mee te denken.
Ook wij vinden duidelijke communicatie met inwoners van groot belang. Noaberkracht Dinkelland Tubbergen doet dan ook mee aan de Direct Duidelijk-campagne van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. De campagne is 20 januari jl. officieel van start gegaan. Deze campagne is erop gericht, ambtenaren te leren om duidelijker te communiceren.
De doelstelling is lang en moeilijk leesbaar. Wij zien graag dat deze korter en krachtiger geformuleerd wordt waarbij de woorden zelfstandig en zelfredzaam terug komen. Wij stellen voor om de term ‘goedkoopst passend’ te vervangen door ‘functioneel het best passend’.
Wij hebben ervoor gekozen de tekst uit de modelverordening over te nemen. De term functioneel passend nemen wij dan ook niet over. Deze term impliceert dat kosten niet van belang zijn. Deze term heeft o.i. een andere betekenis dan de term ‘goedkoopst passend’. Opgemerkt wordt dat bij de term ‘goedkoopst passend’ zeker rekening gehouden wordt met de functionaliteit.
In de verordening wordt gesproken over ‘de leerling met een structurele handicap’. We hebben begrepen dat deze term is overgenomen uit de modelverordening van de VNG. Het is ons niet duidelijk wat wordt bedoeld met de gehandicapte leerling. Als Adviesraad vragen wij u daarom meer duiding te geven aan dit begrip. Is bewust voor deze term gekozen?
Met de term ‘leerling met een structurele handicap’, wordt een leerling bedoeld, die door een structurele (blijvende) lichamelijk, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;
In de verordening wordt meerdere keren gesproken over de ‘onafhankelijke deskundige’. Voor de Adviesraad is het de vraag wie die onafhankelijke deskundige is? Indicatiestelling is wat ons betreft een essentieel onderdeel om tot een adequate vervoersvoorziening te komen.
Ook wij vinden de indicatiestelling door de ‘onafhankelijke deskundige’ essentieel. Daarom is in de verordening ook opgenomen dat dit een onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige, de school of de in het OOGO bepaalde onafhankelijk deskundige moet zijn. Wij willen u ook graag wijzen op de toelichting bij artikel 7. Hierin staat door wie adviezen gegeven kunnen worden. Deze lijst is niet limitatief.
Is bij het tot stand komen van deze verordening overwogen om gebruik te maken van de internationale terminologie van de ‘International Classification of Disability and Health for Children and Youth’ (ICF-CY)? Dit classificatiesysteem is namelijk erg goed te gebruiken bij de indicatiestelling en toetsing.
Wij onderstrepen uw opmerking om gebruik te maken van de ICF-CY. De uitvoering van deze verordening wordt hier niet omschreven. Daar waar de ICF-CY toegepast kan worden, gebeurt dit nu ook al.
In artikel 6 van de verordening wordt ingegaan op het ontwikkelperspectief van de leerling en het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan. Wie is betrokken bij het vaststellen van het ontwikkelperspectief van de leerling?
In de toelichting bij artikel 6 staat het volgende geschreven: Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna: pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen. Het ontwikkelingsperspectief wordt in overleg met ouders vastgesteld. Het bevat de
onderwijsdoelen van de leerlingen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding). Wie is betrokken bij het opstellen van het vervoersontwikkelingsplan? Wie is er dan vervolgens verantwoordelijk voor de uitvoering van het plan, wie toetst op haalbaarheid en wie monitort en rapporteert over de voortgang van het plan?
In het kader van zelfstandigheid en zelfredzaamheid kan er ook een elektrische fiets worden verstrekt als vervoersvoorziening. Wordt bij de afweging ook meegenomen om juist geen elektrische fiets maar een gewone fiets te verstrekken in het kader van gezondheidsbevordering en beweging?
Het college stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en door in overleg met school te gaan over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer. Het moment waarop de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, lijkt een goed moment om het eerste persoonlijke vervoersontwikkelingsplan samen met de ouders en de leerling te maken. Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks naar aanleiding van de nieuwe aanvraag geëvalueerd worden. De ontwikkeling van kinderen staat immers niet stil en maakt, dat een kind zich sneller kan ontwikkelen dan gedacht. Voor de leeftijd van negen jaar in dit artikel geldt geen peildatum, waardoor er spreiding van gesprekken is.
Wanneer ouders geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling kan het college overwegen om een onafhankelijk medisch advies in te winnen, waarmee de vervoersmogelijkheden van de leerling duidelijk worden. Een gewone fiets wordt gezien als algemeen gebruikelijk en komt niet voor bekostiging leerlingenvervoer in aanmerking. Wel kan er een fietsvergoeding worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden o.a. factoren als leeftijd, handicap, veiligheid van de route en afstand in overweging genomen.