CConstaterende datTubbergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ecologie.pdf

Raadscommissie 31 augustus 2021, gemeente TubbergenBij agendapunt: 6: Ontwerp provinciaal inpassingsplan Springendal en Dal van de mosbeek14.868 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan flora en fauna PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

Quickscan flora en fauna PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

Opdrachtgever LTO Noord t.a.v. de heer M. Egging Zwartewaterallee 14 8031 DX ZWOLLE

Opdrachtnemer Eelerwoude Postbus 53 7470 AB Goor T ( 0547) 26 35 15 F ( 0547) 26 33 15 E info@eelerwoude.nl I www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: P8101 Datum: 25-4-2017 Projectleider: Jac Hakkens Opgesteld: Vincent de Lenne Gecontroleerd: Jac Hakkens Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het Ministerie van Economische Zaken stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. De opmaak van dit rapport gaat uit van dubbelzijdig afdrukken

INHOUD 1

INLEIDING ........................................................................................................... 6

1.1

Aanleiding ............................................................................................................ 6

2

HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING ......................................................... 7

2.1 2.2

Huidige situatie .................................................................................................... 7 Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................. 8

3

NATUURWETGEVING EN BELEID ................................................................. 10

3.1 3.2 3.3 3.4

Bescherming van soorten .................................................................................. 10 Bescherming van Natura 2000-gebieden .......................................................... 12 Natuurnetwerk Nederland/ Ecologische hoofdstructuur .................................... 12 Bescherming houtopstanden ............................................................................. 13

4

METHODE ......................................................................................................... 15

4.1 4.2

Bureauonderzoek............................................................................................... 15 Terreinbezoek .................................................................................................... 16

5

BESCHERMDE SOORTEN .............................................................................. 17

5.1 5.2

Planten ............................................................................................................... 17 Zoogdieren ......................................................................................................... 18 5.2.1 Vleermuizen 18 5.2.2 Overige zoogdieren

20

5.3 5.4 5.5 5.6

Vogels ................................................................................................................ 21 Amfibieën en reptielen ....................................................................................... 22 Vissen ................................................................................................................ 23 Beschermde soorten ongewervelden ................................................................ 24

6

NATURA 2000-GEBIED SPRINGENDAL & DAL VAN DE MOSBEEK .......... 26

6.1 6.2 6.3 6.4

Basisgegevens................................................................................................... 26 Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek ................................. 26 Instandhoudingsdoelstellingen .......................................................................... 27 Effectenbeoordeling ........................................................................................... 28 6.4.1 Habitattypen 28 6.4.1 Effecten habitattypen 34 6.4.2 Habitatrichtlijnsoorten 36 6.4.3 Effecten habitatsoorten

39

6.5 6.6

Externe werking ................................................................................................. 39 Conclusie ........................................................................................................... 40

7

EHS-TOETSING ................................................................................................ 41

7.1 7.2

Inleiding .............................................................................................................. 41 Natuurdoelen en-kwaliteit .................................................................................. 42

7.2.1 Wezenlijke waarden en kenmerken 7.3

42

Beschrijving en toetsing wezenlijke waarden en kenmerken ............................ 43 7.3.1 Areaal 43 7.3.2 Kwaliteit

43

7.3.3 Versnippering 43 7.3.4 Verstoring

44

CONCLUSIE EN ADVIES ................................................................................................. 45 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

Conclusie Wnb soorten ...................................................................................... 45 Conclusie Wnb gebieden ................................................................................... 46 Conclusie EHS ................................................................................................... 47 Zorgplicht en zorgvuldig handelen ..................................................................... 47 Geldigheid onderzoek ........................................................................................ 47

BIJLAGE 1 INRICHTINGSKAART ................................................................................... 50 BIJLAGE 2 HABITATTYPEN ........................................................................................... 52 Literatuurlijst ................................................................................................................... 53

4

Quickscan flora en fauna Concept

Afbeelding 1. Ligging en begrenzing plangebied

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

5

1 1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek is onderhevig aan verdroging, verzuring en eutrofiëring. In 2015 is in opdracht van Provincie Overijssel voor het gebied een gebiedsanalyse opgesteld in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Het doel hiervan was om te bepalen welke herstelmaatregelen nodig zijn om de natuurdoelen in het gebied te realiseren. In verband met deze herstelmaatregelen is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. De eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Daarbij wordt op basis van bureauonderzoek en een veldbezoek aan de hand van aanwezige terreintypen, toevallige waarnemingen en bekende verspreidingsgegevens van soorten ingeschat welke beschermde planten- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen plannen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen.

6

Quickscan flora en fauna Concept

2 2 HUIDIGE SITUATIE EN ONTWIKKELING 2.1

Huidige situatie

Het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek heeft een oppervlakte van circa 1.338 ha waarvan ongeveer in de helft van het gebied PAS-maatregelen genomen worden. Het gebied ligt op de stuwwal van Ootmarsum en deels in de Slenk van Reutum (noordoost Twente). Het gebied heeft een grillige en relatief lange grens. Het grootste deel van het gebied ligt in de gemeente Tubbergen en een klein deel ligt in de gemeente Dinkelland. De noordgrens van het gebied wordt gevormd door de rijksgrens met Duitsland. Het plangebied omvat het oostelijk deel van het Natura 2000-gebied (zie afbeelding 1). Dit gebied ligt ruwweg tussen de lijn Ootmarsum-Vasse tot aan de Duitse grens. In de laatste ijstijd werden op deze stuwwal dekzanden afgezet. Het reliëf en de verschillende afzettingen zorgen voor een variatie in goed en slecht doorlatende gronden. Als het inzijgende grondwater op een slecht doorlatende laag stuit, stroomt het zijwaarts af en treedt dan uit als een bron. Een groot deel van de bronnen ligt relatief hoog in de flank van de stuwwal, als gevolg van de door opstuwing scheef gelegen kleilagen. Deze bronnen vormen de basis voor de levensaderen van dit gebied: de Hazelbekke, Mosbeek en Springendalse Beek. Deze beken ontspringen aan de kop van de erosiedalen, waarbij de bronnen op minder dan twee kilometer van elkaar liggen.

Daarnaast ontspringen op de stuwwal verschillende kleinere beken. In de dalen komen beekeerdgronden voor met relatief ondiepe grondwaterstanden. Op de voormalige heidegronden van de stuwwal hebben zich podzolgronden ontwikkeld en zijn enkele es-complexen aanwezig met bruine en zwarte enkeerdgronden. Langs de Hazelbekke, Mosbeek en Springendalse beek staan bronbossen met een ondergroei van Bittere veldkers, Verspreidbladig goudveil, Paarbladig goudveil en verschillende zeggensoorten. Langs de Hazelbekke kunnen daar Alpenheksenkruid en Schedegeelster aan worden toegevoegd. Plantensociologisch betreft dit het GoudveilEssenbos en het Elzenzegge-Elzenbroekbos. Waar de bronnen niet zijn beschaduwd, komen kenmerkende soorten van weidebronnen voor zoals Groot bronkruid, Klimopwaterranonkel en Beekstaartjesmos. De beekbegeleidende graslanden bestaan uit orchideeënrijke Veldrushooilanden en kleine zeggengemeenschappen. In de Springendalse beek zelf komt de Beekprik voor. Deze gebruikt de zonbelichte grindbanken in het bovenstroomse deel van de beek om te paren en eieren af te zetten. In de Mosbeek is de Kleine modderkruiper aangetroffen. De molens van Frans en Bels langs de Mosbeek zijn al vele jaren een bekende broedplaats voor de

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

7

Grote gele kwikstaart. In de grootste bronvijver op het Springendal komt Drijvende waterweegbree voor, in een begroeiing waarin Gewoon bronmos domineert. Het brongebied van de Mosbeek neemt een unieke plaats in binnen het Natura 2000netwerk. Hier bevindt zich een stroomhoogveentje met op een kleine oppervlakte een grote variatie aan vegetatietypen. De continue toevoer van basenhoudend water voedt een vegetatie met kenmerken van het Campylio-Caricetum dioicae. Het betreft misschien wel het mooiste voorbeeld van Alkalisch laagveen in ons land. Kenmerkende soorten zijn onder meer Vetblad (Pinguicula vulgaris), Vlozegge (Carex pulicaris), Armbloemige waterbies (Eleocharis quinqueflora), Veenorchis (Hammarbya paludosa) en Parnassia (Parnassia palustris). Hoger in de gradiënt bevindt zich een heischrale vegetatie met onder andere Klokjesgentiaan en Blauwe knoop en een soortenrijk natte heide met onder meer Beenbreek. Naast het brongebied van de Mosbeek bevindt zich in de Reuterij nog een tweede groeiplaats van Vetblad en Parnassia. In een bronweide langs de Hazelbekke komen Waterdrieblad, Ronde zegge, Kleine valeriaan, Brede orchis en Moerasvaren voor. Grotere gebieden met vochtige heide liggen op de Manderheide, het Vassergrafveld en in het noordelijke deel van Paardenslenkte.

Op een voormalige maïsakker (de Strengen) verschenen verschillende soorten van natte en droge heide, waaronder Grote wolfsklauw Stekelbrem, Kruipbrem, Moeraswolfsklauw en Kleine zonnedauw. Ook ontwikkelt zich hier een nieuw Jeneverbesstruweel met zo'n 200 juveniele exemplaren van de Jeneverbes. Oudere Jeneverbesstruwelen vinden we op de Braamberg en Tutenberg, de Vasserheide, het Ootmarsumer veld, de Manderheide en in het Springendal. Droge heiden met overgangen naar soortenrijke heischrale graslanden komen voor op de Vasserheide, de Manderheide, de Manderstreu en de Paardenslenkte. In Twente vormen deze droge gebiedsdelen het bolwerk van de Zandhagedis en de Hazelworm. De Cirkels van Jannink ontwikkelen zich naar heischraal grasland en droge heide. In de westelijke uitloper van het Natura 2000-gebied leeft in het kleinschalige houtwallenlandschap van de Mandermaten de enige Twentse populatie van het Vliegend hert. De oude houtwallen vormen het leefgebied voor deze soort. De larven ontwikkelen zich in en om de oude stobben van de Zomereik (Quercus robur), terwijl de adulten zich laven aan sapplekken op eiken. Helaas vallen in de zomermaanden met enige regelmaat verkeersslachtoffers onder de grote kevers, omdat dit deelgebied doorsneden wordt met wegen. De Kamsalamander is bekend van enkele poelen in de Manderstreu.

De (voor een deel oude) bossen in het Natura 2000-gebied zijn bijzonder rijk aan spechten, waarbij vooral het talrijke optreden van de Kleine bonte specht opvalt. Andere karakteristieke soorten zijn Wespendief, Havik, Fluiter en Appelvink.

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

In het kader van de PAS worden voor Dal van de Mosbeek natuurherstelmaatregelen uitgevoerd. Diverse ingrepen en processen zorgen momenteel voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van de huidige standplaatsen van kwelafhankelijke habitattypen. Ingrepen met grote invloed bestaan uit veranderingen in de waterhuishouding en sterke bemesting in de intrekgebieden van kwelafhankelijke habitattypen. Deze ingrepen hebben gezorgd

8

Quickscan flora en fauna Concept

voor achteruitgang van habitattypen en bedreigen ook het behoud van oppervlakte en de kwaliteit. Daarnaast is de hoge atmosferische depositie voor veel habitattypen een knelpunt. Herstel van de waterhuishouding van Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek is de kern van de PAS-maatregelen voor grondwaterafhankelijke habitattypen. Als de waterhuishouding op orde is, zijn de aanwezige habitattypen beter bestand tegen de negatieve effecten van de stikstofdepositie. Aangezien de actuele depositie en voor de meeste habitattypen ook de toekomstige N-depositie hoger is dan de kritische depositiewaarde (KDW), is aanvullend beheer noodzakelijk. Voor het niet grondwatergevoede habitattype H4030 Droge heide en H5130 Jeneverbesstruwelen zijn beheer- en inrichtingsmaatregelen nodig om de effecten van stikstofdepositie te verlichten. Deze blijven nodig omdat de KDW ook in 2030 nog zal worden overschreden. Voor H9120 Beuken-eikenbossen met Hulst zijn maatregelen voorhanden, die de verzurende werking van stikstofdepositie beperken. Samengevat worden de volgende maatregelen genomen, gericht op hydrologische herstel en maatregelen om vermesting tegen te gaan.  Revitaliseren van bronnen.  Vrijstellen bronvijver van opslag en opschonen.  Verwijderen klinkerbedding en dempen beek met leemhoudend zand.  Herinrichten Elsbeek.  Dempen van sloten.  Verondiepen van sloten.

 Verondiepen van beken.  Verwijderen van bagger uit retentiebekken.  Verwijderen van drainage.  Dunnen van bosranden t.b.v. mantel/zoom overgang. In bijlage 1 is de inrichtingskaart opgenomen. Op deze kaart is te zien waar welke maatregelen genomen worden.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

9

3 3 NATUURWETGEVING EN BELEID Vanaf 1 januari 2017 bestaat de Nederlandse natuurwetgeving uit de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De bevoegdheid is geheel bij de betreffende provincie, waarin de activiteit zich plaatsvindt komen te liggen. De Wet natuurbescherming bestaat uit 3 onderdelen: de bescherming van Natura 2000gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van bosopstanden. Naast de natuurwetgeving bestaat het natuurbeleid, waarbij de kern wordt gevormd door het Natuur Netwerk Nederland, afgekort de NNN. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de wetgeving en het natuurbeleid.

3.1

Bescherming van soorten

De bescherming van soorten is verdeeld in drie categorieën: soorten van de Vogelrichtlijn, soorten van de Habitatrichtlijn en overige soorten. Wettelijk zijn enkele uitzonderingen opgesteld, waarvoor geen ontheffing nodig is: Handelingen volgens instandhoudingsmaatregelen of passende maatregel door provincie; Handelingen volgens een beheerplan of ander plan of programma of een programma per AMvB; Mits dat beheerplan, plan of programma voldoet aan de ontheffingsgronden; en het betreffende bestuursorgaan tevens bevoegd is om vrijstelling of ontheffing te verlenen of daarmee instemt; Ter voorkoming van schade (hele land of per provincie); Ter voorkoming van overlast (hele land of per provincie); Ter beperking van de populatie; Ter bestrijding van invasieve soorten; Voor de jacht, zoals wilde eend houtduif, haas en konijn. Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De beschermde status van de overige soorten verschilt per provincie. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Soorten van de Vogelrichtlijn Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 Vogelrichtlijn.

10

Quickscan flora en fauna Concept

Handelingen die de wet verbiedt zijn: opzettelijk doden of vangen; opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen e.d.; eieren onder zich te hebben; opzettelijk te storen, tenzij dit geen wezenlijke invloed heeft; vogels dood of levend, of herkenbare delen daarvan te verkopen, vervoeren of aanwezig te hebben voor verkoop. Uitgezonderd zijn de soorten die door de AMvB zijn aangewezen. Hieronder vallen onder andere de Canadese gans en de Houtduif. Onder bepaalde voorwaarden mogen deze handelingen wel uitgevoerd worden. U heeft dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen opgesteld via de provinciale verordening of ministeriële regeling. Een ontheffing kan bij de provincie worden aangevraagd. Een ontheffing kan verkregen worden als er geen andere bevredigende oplossing is en als het nodig is in verband met de volksgezondheid, openbare veiligheid, luchtverkeer, schade aan gewassen en dergelijk, bescherming van flora en fauna, onderzoek of onderwijs, herinvoering van soorten, vangen van bepaalde kleine hoeveelheden en geen verslechtering van de staat van instandhouding. Soorten van de Habitatrichtlijn Soorten die staan in het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. De soorten staan in bijlage 1.

Handelingen die de wet verbiedt zijn: opzettelijk te doden of te vangen; opzettelijk te verstoren; opzettelijk eieren te vernielen of te rapen; voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen; opzettelijk te plukken of te verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen; anders dan voor verkoop, onder zich te hebben of te uitvoeren. Er zijn vrijstellingen opgesteld via de provinciale verordening of ministeriële regeling. Een ontheffing kan bij de provincie worden aangevraagd. Een ontheffing kan verkregen worden ter bescherming van flora- en fauna, voorkoming “ernstige schade” aan gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendommen, in belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van wezenlijk gunstige effecten voor het milieu. Daarnaast zijn de wettelijke uitzonderingen van toepassing. Overige soorten Dit zijn de soorten die genoemd worden in de bijlage van Wet natuurbescherming. Voor de lijst van de overige beschermde soorten zie bijlage 1. Onder dit beschermingsregime is het verboden om: -

Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen; Vaatplanten opzettelijk te plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

11

Voor deze soorten gelden dezelfde vrijstellingsgronden als bij de soorten van de Habitatrichtlijn en zijn er een groot aantal overige uitzonderingsgronden. Voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het algemeen belang is er een vrijstelling. Zorgplicht De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. De mens moet daar zorgvuldig mee omgaan. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat iedereen naar redelijkheid nadelige effecten: moet voorkomen; moet beperken; ongedaan moet maken.

3.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

In Nederland zijn verscheidene natuurgebieden die een beschermde status hebben als Natura 20000-gebied. Tot 1 januari 2017 kenden we ook nog de Beschermde natuurmonumenten. Deze zijn met de komst van de nieuwe Wet natuurbescherming hun beschermde status kwijtgeraakt. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Gevolgen plangebied Het plangebied maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. In hoofdstuk 6 zal hier verder op ingegaan worden.

3.3

Natuurnetwerk Nederland/ Ecologische hoofdstructuur

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN/EHS geldt het ‘nee, tenzij’principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op de NNN/EHS denkbaar zijn, is het raadzaam (en in sommige gevallen noodzakelijk) om een NNN/EHS-toetsing uit te voeren.

12

Quickscan flora en fauna Concept

Gevolgen plangebied Het plangebied en het omliggende gebied maken onderdeel uit van de NNN/EHS. In hoofdstuk 7 zal hier verder op ingegaan worden.

3.4

Bescherming houtopstanden

De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom (ihkv Boswet) indien kap plaatsvindt in een houtopstand van 10 are of meer of een bomenrij van 20 bomen. Er geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht. Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de wet natuurbescherming. Onder bos wordt verstaan:  bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen;  alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m 2);  bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Indien een bos wordt gekapt, dient een melding te worden gedaan bij de betreffende provincie. Dit geldt ook voor het bij rooien en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen.

U hoeft de voorgenomen kap van een houtopstand niet te melden als het gaat om: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande; 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

13

2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013. i. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; j. het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; k. het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode; De provincie kan u een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moet u meestal ook nieuwe bomen aanplanten. De provincie kan u hiervan ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Misschien heeft u ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet u apart van elkaar doen. Voorwaarden Als u bossen mag kappen, dan moet u meestal dezelfde grond herbeplanten. Dit doet u:  op een bosbouwkundige manier;  binnen 3 jaar na het kappen van het bos;  volgens de regels van de provinciale verordening (als de provincie die hiervoor heeft opgesteld).

De provincie kan een verordening hebben opgesteld voor:  de gegevens die u bij de melding verstrekt;  de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;  de wijze waarop de melding wordt gedaan;  de situatie waarin u een bos niet mag kappen;  de voorwaarden voor een herplantplicht, de vrijstelling en ontheffing daarvan. Gevolgen plangebied Er worden nauwelijks bomen gekapt. Een nadere toetsing houtopstanden wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

14

Quickscan flora en fauna Concept

4 4 METHODE De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.1

Bureauonderzoek

Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie. Uit landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer). De soortgegevens hebben daarom veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. Tevens is gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren. Het is de meest complete natuurdatabank van Nederland door een bundeling van meer dan 100 verschillende databanken. De databank bevat uitsluitend gevalideerde gegevens, gevalideerd door de (voormalige) Gegevensautoriteit Natuur (GAN). De NDFF is gevuld met gegevens uit databanken van verschillende organisaties die deze gegevens op professionele wijze verzamelen (zoals SOVON Vogelonderzoek Nederland, de Zoogdiervereniging en De Vlinderstichting). Ook de gegevens van verschillende gemeenten, waterschappen, provincies en terreinbeherende organisaties zijn toegevoegd. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen die via de invoerportalen binnenkomen.

Op dit moment bevat de NDFF ongeveer 100 miljoen waarnemingen.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

15

4.2

Terreinbezoek

Naar aanleiding van de beschikbare informatie is op maandag 10 april een lang dagbezoek uitgevoerd door Vincent de Lenne, ecologisch adviseur bij Eelerwoude. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopen onderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten ook genoteerd. Kader – ecologisch deskundige Bron: RVO / Ministerie van Economische Zaken Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging,

RAVON,

Stichting

Das

en

Boom,

Vogelbescherming

Nederland,

Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

16

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of – bescherming.

Quickscan flora en fauna Concept

5 5 BESCHERMDE SOORTEN Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit literatuur en andere informatiebronnen. Tevens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Planten

Voorkomen en functie Binnen het plangebied komen hoge floristische waarden voor. Met name langs aan aantal te verondiepen beken zijn goed ontwikkelde bronbossen aanwezig met ondergroei van bittere veldkers, verspreidbladig goudveil, paarbladig goudveil, groot bronkruid, klimopwaterrononkel, slanke sleutelbloem, gewone dotterbloem en verschillende zeggensoorten. Langs de Hazelbekke zijn ook groeiplaatsen van alpenheksenkruid en schedegeelster aanwezig. Buiten de werkzaamheden rondom deze beken vinden de overige werkzaamheden grotendeels plaats in voedselrijkere agrarische percelen (opheffen/verondiepen sloten en opheffen drainage) met rijkere omstandigheden zonder geschikte groeiplaatsomstandigheden voor kritischere florasoorten. Binnen de nieuwe natuurwet is slechts een beperkt aantal florasoorten beschermd (allen zeer zeldzame soorten met zeer specifieke groeiplaatsen in Nederland). Beschermde soorten die binnen het Dal van de Mosbeek voorkomen zijn dreps, wilde ridderspoor, glad biggenkruid, korensla en drijvende waterweegbree. Drijvende waterweegbree is bekend in de grootste bronvijver ter hoogte van de Blauweweg, tijdens het veldbezoek is deze niet aangetroffen, mogelijk komt deze soort hier ook niet meer voor. Naast deze groeiplaats zijn geen andere groeiplaatsen bekend en zijn tijdens het veldbezoek ook geen andere groeiplaatsen aangetroffen.

De soort heeft een grote voorkeur voor pioniermilieus onder water en op droogvallende venranden. In de schrale graslandjes rond deze bronvijver zijn tevens waarnemingen van glad biggenkruid en korensla bekend. Rondom deze groeiplaatsen en de bronvijver worden geen werkzaamheden uitgevoerd. Wilde ridderspoor is bekend van een houtwal nabij de Paardenslenkte. Dreps komt voor aan de rand van een kleinschalig akkertje in het noordoosten van het plangebied. Voor beide groeiplaatsen geldt dat hier geen werkzaamheden plaatsvinden.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

17

Effecten en ontheffing Gezien de bekende verspreidingsinformatie, de werkzaamheden en het veldbezoek wordt niet verwacht dat er met de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten op beschermde flora optreden. Deze soorten worden op basis van de bekende standplaatsen en het veldbezoek niet verwacht ter hoogte van de locaties waar werkzaamheden worden uitgevoerd. Wel zijn er enkele te verondiepen en te herstellen beken in bronbossen aanwezig met zeer goed ontwikkelde vegetaties. De belangrijkste groeiplaatsen kunnen echter gehandhaafd blijven door toepassing van mitigerende maatregelen als onderdeel van een ecologisch werkprotocol. Mitigerende maatregelen voor flora worden besproken in Hoofdstuk 6. Conclusie: Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten op beschermde flora verwacht. Wel wordt voorgesteld om ten behoeve van de werkzaamheden in de bronbossen een ecologisch werkprotocol op te stellen om groeiplaatsen van kritische flora zoveel mogelijk te ontzien.

5.2

Zoogdieren

5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie Op basis van diverse verspreidingsgegevens blijkt dat binnen het plangebied diverse vleermuissoorten zijn waargenomen. Het gaat om gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis (Eelerwoude, 2015). Op basis van biotoop en verspreidingsgebied zouden in een aantal bospercelen tevens kritischer soorten zoals Bechsteins, Brandt, vale en baardvleermuis kunnen voorkomen. Daarnaast is het waarschijnlijk dat watervleermuis en franjestaart voorkomen binnen het plangebied. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen o.a. de volgende functies hebben: kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats; paar- en/of baltsverblijfplaats; winterverblijfplaats. Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouwbewonende en/of boombewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouwbewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boombewonend en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering.

Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen.

Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats

18

Quickscan flora en fauna Concept

worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Een groot aantal gebouwen en oudere bomen in het plangebied zal gebruikt worden als verblijfplaats door vleermuizen. Op het erf t ’Lippert is onder andere een kraamverblijfplaats van gewone grootoorvleermuis en een zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis bekend (Eelerwoude 2015). De voorgenomen werkzaamheden hebben echter geen negatief op verblijfplaatsen van vleermuizen. Er worden geen oudere bomen met holten gekapt of bebouwing gesloopt, met uitzondering van een aantal vervallen caravans/huisjes ter hoogte van t’ Lippert. Deze gebouwtjes zijn vanwege tocht en de slechte staat niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Foerageergebied en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende alternatieven zijn. Kader – vleermuisvliegroutes Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kroondak heeft hierbij de voorkeur.

Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Verschillende vleermuissoorten kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied. In het hele plangebied is zeer veel geschikt foerageergebied aanwezig op erven in de luwte van bosranden, groenstructuren etc. Het is aannemelijk dat de wandelpaden, singels, lanen, houtwallen en bosranden gebruikt worden als vliegroute tijdens het foerageren. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt geen foerageergebied van vleermuizen aangetast, tevens blijven eventuele vliegroutes behouden. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Het verjagen, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het verstoren of vernielen van vaste verblijfplaatsen (inclusief de functionele leefomgeving) is verboden vanuit de Wnb. De functionaliteit van verblijfplaatsen van vleermuizen dient te allen tijde gegarandeerd te blijven.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

19

Verblijfplaatsen Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen negatieve effecten op verblijfplaatsen verwacht. Geschikte bebouwing en bomen die als verblijfplaats kunnen dienen, blijven gehandhaafd. Vliegroutes en foerageergebied De ontwikkelingen hebben geen negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen. De voorgenomen werkzaamheden hebben naar verwachting een positief effect op het leefgebied van vleermuizen door meer variatie en meer voedsel in de vorm van insecten. Eventuele vliegroutes blijven behouden, ook blijft het foerageergebied behouden. Negatieve effecten worden derhalve niet verwacht. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wnb is voor vleermuizen niet noodzakelijk. 5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Het plangebied en de nabije omgeving maken onderdeel uit van het leefgebied van grondgebonden zoogdieren waaronder egel, konijn, haas, vos, ree, kleine marterachtigen, mol en algemene (spits-)muizensoorten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Overijssel. Tevens geldt dat de ontwikkelingen overwegend positief zijn voor de genoemde soorten. In het plangebied is eveneens het voorkomen van eekhoorn, boommarter, damhert en steenmarter bekend (zoogdiervereniging.nl). Daarnaast is een waarneming bekend van veldspitsmuis rondom Nutter ten zuiden van het plangebied (NDFF).

Deze soort valt onder de nationaal beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling in provincie Overijssel geldt. Veldspitsmuis Ten aanzien van de veldspitsmuis is nog maar weinig bekend. De soort is gebonden aan cultuurlandschap en volgens sommige kenners (Snaak, 2008) is de soort algemeen voorkomend in noordoost Twente , maar wordt de soort slechts sporadisch waargenomen. De soort wordt in diverse terreintypen aangetroffen (jonge aanplant, overhoekjes, tuinen, bomenrijen langs zandwegen, bermen etc. (Snaak, 2008). Binnen het plangebied komt geschikt biotoop van de veldspitsmuis voor: agrarisch terrein in combinatie met een kruidenrijke ondergroei met open stukken. Voldoende openheid in vegetatie en enige dynamiek lijken belangrijke factoren te zijn in het habitat van de soort. Effecten en ontheffing Voor eekhoorn, boommarter en steenmarter geldt dat met de voorgenomen werkzaamheden geen verblijfplaatsen verstoord of vernietigd worden. Eventuele takkennesten van eekhoorn in de bospercelen en oudere bomen met holten die een functie als verblijfplaats voor boommarter of steenmarter kunnen hebben, blijven gehandhaafd. Tevens blijft het foerageergebied gehandhaafd. Ook op damhert worden geen negatieve effecten verwacht, het leefgebied blijft namelijk behouden.

20

Quickscan flora en fauna Concept

Veldspitsmuis Met de inrichtingsmaatregelen worden geen negatieve effecten op veldspitsmuis verwacht. Eventueel aanwezig leefgebied blijft behouden, wel dienen er enkele maatregelen genomen te worden om tijdelijke negatieve effecten op de soort te voorkomen. Met het nemen van aanvullende maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en komt de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in het geding. Indien onderstaande maatregelen worden genomen is nader onderzoek of een ontheffing niet noodzakelijk. 

Bij de planning van de werkzaamheden (met het name het dempen en verondiepen van sloten in agrarische percelen) dient rekening gehouden te worden met de seizoenactiviteiten van de veldspitsmuis om verstoring in de meest kwetsbare perioden (voortplanting, winterrust) te voorkomen. De voortplantingsperiode van de veldspitsmuis loopt globaal van 15 maart tot 1 oktober. Het is niet bekend of de veldspitsmuis ook een echte winterrust houdt. In deze periode is de soort vooral kwetsbaar bij vorst en een sneeuwlaag. Afhankelijk van het seizoen en de weeromstandigheden kunnen deze perioden langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden afgestemd met een deskundige op het gebied van de veldspitsmuis. Tijdens de graafwerkzaamheden dient er één kant opgewerkt te worden. In open water dient altijd naar een open einde gewerkt te worden.

Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk, mits rekening wordt gehouden met mitigerende maatregelen voor de veldspitsmuis.

5.3

Vogels

Alle vogels zijn als soort op een gelijke wijze beschermd in de Flora- en faunawet. Beleidsmatig heeft het Ministerie van Economische Zaken een onderverdeling gemaakt, gericht op de mate van verantwoording en afstemming van werkzaamheden versus het behoud van vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit betreft: vogels met jaarrond beschermde nesten; overige broedvogels . Bij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden kunnen nesten van overige vogels soms ook jaarrond beschermd zijn. Dit is met name aan de orde bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen of zeer bijzondere locaties. In de regel is dit niet aan de orde en zijn de nesten van de vogels alleen beschermd als ze in gebruik zijn. Voorkomen en functie In het plangebied is een groot aantal broedvogels bekend (NDFF). Kritische of schaarse soorten die bekend zijn van het plangebied zijn appelvink, boomleeuwerik, boomvalk, fluiter, grauwe vliegenvanger, houtsnip, grote gele kwikstaart, ijsvogel, kleine en middelste bonte specht, matkop, ransuil, rode wouw, roodborsttapuit, zwarte specht en wespendief.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

21

Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nestlocaties het gehele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing noodzakelijk. Op de erven zijn in het plangebied huismus, kerkuil en steenuil algemeen vertegenwoordigd (bron: Natuur- en vogelwerkgroep de Grutto). Naast deze erfsoorten is het voorkomen in het gebied van boomvalk, ransuil, buizerd, sperwer en wespendief bekend. Daarnaast is een broedpaar van de zeldzame rode wouw bekend op het Springendal (bron: Vogelwerkgroep Ootmarsum). Daarnaast is Grote gele kwikstaart bekend als broedvogel bij de watermolen van Bels en de Molen van Frans. Tijdens het veldbezoek is bij de molen van Frans een grote gele kwikstaart aangetroffen. Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten beschadigen of verstoren. Verstoring kan in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen.

Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Het genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Vogels met jaarrond beschermde nesten Het leefgebied van de aangetroffen soorten blijft behouden, ook blijven de nestlocaties behouden. Om verstoring van deze soorten te voorkomen, dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Conclusie: Bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de kwetsbare broedperiode van vogels. Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.

5.4

Amfibieën en reptielen

Voorkomen en functie Amfibieën Met name in de vele poelen in het gebied komen algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander voor. Daarnaast zijn kamsalamander en poelkikker bekend uit het gebied (beschermde soorten uit de habitatrichtlijn). In 2016 heeft Wageningen Universiteit een uitgebreid onderzoek naar kamsalamander uitgevoerd in het Springendal en het Dal van de Mosbeek. Kamsalamander komt voor in deelgebied Manderstreu en een poel op Holtsuze. In Manderstreu komen in 5 poelen kamsalamander voor met een geschatte populatie tussen de 90 en 190 dieren. De poel op Holtsuze herbergt 50 tot 100 volwassen kamsalamanders. Naast deze poelen is in het verleden ook kamsalamander vastgesteld in een poel bij de bronnen op het Springendal.

22

Quickscan flora en fauna Concept

Poelkikker is bekend in de grote bronvijver op het Springendal, hier zijn enkele tientallen exemplaren vastgesteld. Reptielen Binnen het plangebied komen levendbarende hagedis, hazelworm en zandhagedis voor. Levendbarende hagedis en hazelworm komen verspreid voor door het gehele plangebied, waarbij waarnemingen zich concentreren rondom de drogere heidevelden. Zandhagedis komt voor op het heideveld bij de Paardenslenkte. Buiten het plangebied ter hoogte van de Cirkels van Jannink is tevens een grote populatie van deze soort aanwezig. Effecten en ontheffing Amfibieën De voorgenomen werkzaamheden vinden plaats buiten het bekende verspreidingsgebied van beschermde amfibieën waarvan een goed beeld is. Er vinden geen werkzaamheden plaats ter hoogte van de bronvijver en de kamsalamanderpoel op het Springendal en het bolwerk van kamsalamander rond de Manderstreu. Gezien het voorkeursbiotoop van poelkikker en kamsalamander en de bekende verspreidingsgegevens, wordt niet verwacht dat deze soorten voorkomen in de delen waar de werkzaamheden plaatsvinden. Het retentiebekken en de op te schonen bronvijver staan in verbinding met de beken waardoor deze plekken minder geschikt zijn voor kritische amfibiesoorten. Reptielen Ter hoogte van het leefgebied van zandhagedis op de Paardenslenkte vinden geen werkzaamheden plaats.

Hazelworm en levendbarende hagedis komen voornamelijk voor in de drogere gebiedsdelen en heidevelden verspreid door het plangebied. Dit valt buiten de gebieden waar werkzaamheden plaatsvinden. Alleen ter hoogte van het Lippert vinden werkzaamheden plaats ter hoogte van de voormalige camping in geschikt leefgebied voor hazelworm. Het leefgebied blijft echter geschikt. Wel dienen onderstaande mitigerende maatregelen genomen te worden om negatieve effecten op individuen te voorkomen.  

Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de voortplantingsperiode van de hazelworm (april-augustus). Ter hoogte van de voormalige camping t’ Lippert dient dood liggend hout en puin of stenen vóór de werkzaamheden handmatig verwijderd te worden, zodat er geen schuilmogelijkheden voor de hazelworm zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat de soort aanwezig is tijdens de werkzaamheden.

Conclusie: Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten op amfibieën en reptielen verwacht, mits gewerkt wordt volgens bovenstaande maatregelen ten aanzien hazelworm.

5.5

Vissen

Voorkomen en functie Een beschermde vissoort die voorkomt in het plangebied is beekprik. Overige beschermde soorten komen niet voor. Van de populatie beekprik binnen het plangebied is een goed beeld (kansen voor de beekprik, Ravon 2016). Beekprik komt alleen voor in de

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

23

Springendalse beek. De soort komt daar zowel boven- als benedenstroom voor. Optimale paaigronden zijn alleen bovenstrooms aanwezig (Witteveen en Bos 2011). Effecten en ontheffing Een klein gedeelte van de Springendalse beek ter hoogte van het retentiebekken zal verondiept worden door middel van zandsuppletie. Larven van beekprik leven 3 tot 6 jaar als larve in de modderige delen van de beek waarna ze in het vroege voorjaar veranderen tot volwassen beekprik. Zandsuppletie wordt toegepast in beektracés waar de terreinomstandigheden het niet toelaten om de verondieping met machines uit te voeren. Langs deze tracés wordt op strategische plekken periodiek zand in de beek gebracht. De beek zorgt, afhankelijk van het debiet, zelf voor de verspreiding van het zand. Zandsuppletie heeft geen negatieve effecten voor de beekprik, mits dit niet op modderige delen plaatsvindt waar eventuele larven aanwezig zijn. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is voor beschermde vissoorten niet noodzakelijk. Er dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van beekprik in de Springendalse beek. De suppletie dient hier onder ecologische begeleiding te worden uitgevoerd waarbij modderige delen van de beek worden ontzien in verband met de mogelijke aanwezigheid van larven van de beekprik.

5.6

Beschermde soorten ongewervelden

Voorkomen en functie Beschermde ongewervelden (nationaal beschermde soorten) die voorkomen in het plangebied zijn vliegend hert, kleine ijsvogelvlinder en grote weerschijnvlinder. Het bolwerk van vliegend hert bevindt zich rondom Mander (Mandermaten, Manderstreu, Mander, Braamberg, Manderheide (beheerplan vliegend hert Smit, 2016). Enkele waarnemingen in het plangebied zijn bekend uit het uiterste westen rondom Vasse (Molen Bels en Frans en dorp Vasse). Dit zijn exemplaren afkomstig van de populatie ter hoogte van Mander. Grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder komen verspreid voor in het gebied en zijn voornamelijk gebonden aan de nattere bronbossen met omliggende graslandjes. Effecten en ontheffing Vliegend hert is in sterke mate afhankelijk van ondergronds dood (eiken) hout, waarvan de larven eten. De volwassen kevers zijn vaak te vinden op oude volwassen (bloedende) eiken. In het plangebied komt de soort alleen in het uiterste oosten voor, rondom locaties waar geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Tevens worden geen oude bomen gekapt of dood hout verwijderd. Negatieve effecten op vliegend hert worden dan ook niet verwacht. Kleine ijsvogelvlinder is afhankelijk van de waardplant kamperfoelie, en grote weerschijnvlinder van boswilg en grauwe wilg.

Van beide soorten is de verspreidingslocatie niet goed in beeld maar wel is duidelijk dat beide soorten slechts beperkt voorkomen in het plangebied. De voorgenomen hydrologische herstelmaatregelen hebben geen negatieve effecten op beide soorten. De werkzaamheden leiden niet tot een verlies aan biotoop of van waardplanten.

24

Quickscan flora en fauna Concept

De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op vliegend hert, kleine ijsvogelvlinder of grote weerschijnvlinder. Conclusie: Negatieve effecten voor beschermde ongewervelden worden niet verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing is niet noodzakelijk.

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

25

6 6 NATURA 2000-GEBIED SPRINGENDAL & DAL VAN DE MOSBEEK Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. De Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd. Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Zie ook Hoofdstuk 2 voor een beschrijving van het Natura 2000-gebied.

6.1

Basisgegevens

6.2

Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek

Het gebied Springendal en Dal van de Mosbeek ligt op de stuwwal van Ootmarsum in Noordoost-Twente. Het is belangrijk vanwege de aanwezigheid van kalkmoerassen, beekbegeleidende bossen en het voorkomen van Beekprik en Vliegend hert (Lucanus cervus). Vochtige en droge heiden, heischrale graslanden, Jeneverbesstruwelen, bronnen en beekdalgraslanden completeren het beeld.

26

Quickscan flora en fauna Concept

6.3

Instandhoudingsdoelstellingen

Het Dal van de Mosbeek is aangewezen voor 10 habitattypen en 4 habitatsoorten. Binnen het aanwijzingsbesluit van dit gebied zijn hiervoor instandhoudingsdoelen vastgelegd. Onderstaande figuren gaan hierop in.

Afbeelding 2: instandhoudingsdoelstellingen Dal van de Mosbeek

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

27

6.4

Effectenbeoordeling

Het plangebied valt binnen het Natura 2000-gebied Springendal & Dal van de Mosbeek. Door middel van deze effectenbeoordeling wordt duidelijkheid verkregen over de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied. 6.4.1

Habitattypen

Voorkomen Binnen het Dal van de Mosbeek zijn 10 habitattypen aangewezen als kwalificerend: H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden); H4030 Droge heiden; H5130 Jeneverbesstruwelen; H6230 Heischrale graslanden; H6410 Blauwgraslanden; H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen); H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen; H7230 Kalkmoerassen; H9120 Beuken-eikenbossen met hulst; H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). H4010A - Vochtige heiden (hogere zandgronden) Actueel areaal en kwaliteit habitattype Het habitattype vochtige heiden, hogere zandgronden (subtype A) komt in het gebied op een bescheiden oppervlakte (ca. 2,1 ha) in goed en matig ontwikkelde vorm voor. Het betreft enkele relatief kleine locaties verspreid in het gebied (Paardenslenkte, Het Onland, Vassergrafveld en de Reuterij) (Tauw, 2009). Het habitattype komt grotendeels goed en deels matig ontwikkeld voor. Trends in areaal en kwaliteit habitattype Door lokale herstelmaatregelen is sinds de jaren '80 de oppervlakte toegenomen. Ten opzichte van de situatie voor grootschalige ontginning en ontwatering zijn veel kenmerkende soorten in aantal achteruit gegaan of verdwenen door verkleining van het biotoop en door verdroging en vermesting. De recente trend van de kwaliteit is onduidelijk.

Systeemanalyse: ecologische vereisten Vochtige heiden komen overwegend voor op door regenwater of basenarm lokaal grondwater gevoede plekken. H4030 droge heiden Actueel areaal en kwaliteit habitattype De grootste oppervlakte droge heide in het gebied komt voor in de Manderheide, op de Paardenslenkte en op het Vassergrafveld. Verder komt het habitattype voor op hogere delen in het Springendal voor in mozaïek met habitattype H5130 jeneverbesstruwelen en ook in Manderstreu. Het totale oppervlak beslaat ca. 94 ha. Een groot deel van de droge heide bestaat uit vegetatietypen die duiden op een matige tot goede kwaliteit. De heide is

28

Quickscan flora en fauna Concept

echter arm aan typische planten- en diersoorten. Dit wordt geweten aan verzuring en vermesting (dus gevolg van depositie). Trends in areaal en kwaliteit habitattype Er zijn beperkte gegevens over trends beschikbaar. Door verzuring en vermesting is de heide vaak soortenarm. Door natuurontwikkeling zijn nieuwe voorkomens ontstaan. Daardoor is toch sprake van toename in areaal en kwaliteit. Systeemanalyse: ecologische vereisten Droge heide komt voor op droge zandgronden. Hier zijgt regenwater in naar de ondergrond, waardoor ze van nature basen- en voedselarm zijn. Voor zover buffering optreedt, hangt dat samen met verweerbare mineralen (lemige bodems) of instuiving. Door hun lage voedselrijkdom en geringe buffercapaciteit zijn deze bodems gevoelig voor eutrofiëring en verzuring ten gevolge van atmosferische depositie. H5130 jeneverbesstruwelen Actueel areaal en kwaliteit habitattype Het habitattype komt voor in het Onland, langs de Hooidijk, het Oud-Ootmarsumerveld, de Vasserheide en tussen de Cirkels. In het Springendal (Onland) komt een fraai ontwikkeld jeneverbestruweel voor. Sinds 1998 is er sprake van vestiging van jeneverbes op de voormalige maïsakker De Strengen-Springendal (Eysink et al., 2012). Het wordt met ca. 4,6 ha op de kaart aangegeven, ca. een derde deel daarvan bestaat uit Jeneverbesstruweel met wat betreft vegetatietype een goede kwaliteit.

De kwaliteit kan achteruitgaan door opslag van bomen die voor beschaduwing zorgen. Dit treedt op in de Vasserheide (sterk) en in het voorkomen tussen de Cirkels. De jeneverbesstruwelen bestaan uit oude individuen, die binnen afzienbare tijd degenereren. In de strengen, op aanzienlijke afstand van het bestaande struweel, zijn na plaggen spontaan jeneverbessen opgeslagen. Onduidelijk is of deze verjonging leidt tot nieuwvorming of uitbreiding van oppervlakte van het habitattype. De recente trend in oppervlakte is onbekend. Trends in areaal en kwaliteit habitattype Het areaal blijft gelijk of neemt lokaal toe na plaggen (Strengen, Onland); op beide plekken trad spontaan kieming van Jeneverbes op, wat duidt op een kwaliteitsverbetering. Systeemanalyse: ecologische vereisten Net als droge heide komen Jeneverbesstruwelen vooral voor op droge, zandige gronden. Opslag van Jeneverbes treedt meestal in een korte periode op, waarna geen verjonging meer optreedt. Er is dan sprake van een cohort aan struiken die ook in de zelfde periode degenereren. H6230 *heischrale graslanden Actueel areaal en kwaliteit habitattype In het bronnengebied van de Mosbeek komen natte heidevegetaties voor met veel soorten van heischraal grasland. Lokaal is er sprake van kwalificerend heischraal grasland. Het oppervlak heischrale graslanden bedraagt 2,4 ha.

Wellicht kunnen in aangrenzende percelen heischrale graslanden worden ontwikkeld. De natuurontwikkeling gericht op heischraal grasland in de cirkels van Mander en in de Reuterij heeft lokaal geleid tot de

PAS maatregelen Dal van de Mosbeek Concept

29

ontwikkeling van droge heischrale graslanden. Het type is niet aanwezig in Springendal, Paardenslenkte en Braamberg. Wel is er een Rompgemeenschap van Borstelgras (RG Nardus stricta) en van Hard Zwenkgras (RG Festuca ovina) met enkele kenmerkende soorten (Nardus, Danthonia) aanwezig, die zich naar habitattype H6230 heischrale graslanden kunnen ontwikkelen (Kiwa en EGG, 2007). In het verleden is het habitattype door ontginning, bemesting en verdroging sterk in oppervlakte en kwaliteit achteruitgegaan. Resterende voorkomens hebben hierdoor een sterk geïsoleerde positie. Recente herstelmaatregelen hebben geleid tot nieuwvorming van matig ontwikkelde vormen met kleine oppervlakten (o.a. Dal van de Mosbeek). De meeste typische soorten van het habitattype ontbreken (bron: Werkdocument Beheerplan, Tauw, 2009). Trends in areaal en kwaliteit habitattype Volgens Provincie Overijssel (2008) is de kwaliteit van het heischraal grasland de afgelopen jaren sterk achteruit gegaan. Het is zeer gevoelig voor verzuring door atmosferische depositie en verdroging en voor vermesting door depositie (Tauw, 2009). H6410 blauwgraslanden Actueel areaal en kwaliteit habitattype Het habitattype komt met kleine oppervlakte (ca. 3 ha) versnipperd voor (habitatkaart provincie Overijssel, versie 2014).

Het habitattype is in de oorsprong van de Mosbeek onderdeel van de gradiënt van H7230 kalkmoerassen naar H4010 vochtige heiden en bestaat hier uit Blauwgrasland met soorten als vlozegge, parnassia en kleine valeriaan. Een deel van het habitattype bestaat hier uit een vegetatietype dat duidt op een goede kwaliteit. Door lokale herstelmaatregelen is de oppervlakte recent iets toegenomen. Herstel van de kwaliteit blijft echter achter omdat de meeste kenmerkende soorten niet terugkeren. Trends in areaal en kwaliteit habitattype De provincie Overijssel (2008) stelt dat het areaal blauwgrasland de afgelopen jaren is toegenomen door natuurontwikkeling, echter de kwaliteit blijft achter bij de referentiesituatie door het ontbreken van kenmerkende soorten. Systeemanalyse: ecologische vereisten Blauwgraslanden zijn in het gebied gebonden aan kwel van min of meer basenrijk grondwater. De Veldrusschraallanden die tot het habitattype gerekend worden komen voor bij lokale kwel van licht tot matig aangerijkt grondwater. Het habitattype is op een flink aantal plekken op de habitattypenkaart (Provincie Overijssel, 2014) aangegeven. Een beschrijving van individuele voorkomens is in het werkdocument Natura 2000-beheerplan (Tauw, 2009) niet voorhanden. Het gaat waarschijnlijk om de schrale vormen van het Veldrusschraalland (gebiedservaring M. Jalink. KWR).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://bestuur.tubbergen.nl/api/v1/meetings/646/documents/14036