Bijlage 1 bij Randweg, Geesteren Begripsbepalingen
Tekst van het document
Begripsbepalingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen: 1. Bijlage 1 bij dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Randweg, Geesteren' bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan. 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I b ij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Randweg, Geesteren', tenzij in bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken.
1.1 plan: de 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Randweg, Geesteren', met identificatienummer ‘NL.IMRO.0183.TAMGKWBRANDWEG -VG01’ van de gemeente Tubbergen; 1.2 aan-huis-verbonden beroep of bedrijf: een dienstverlenend beroep of een bedrijf dat op kleine schaal in of bij een (bedrijfs)woning wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of bedrijf; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aaneengebouwde woning: meer dan twee woningen waarvan ten minste 1 gevel van de hoofdgebouwen aaneen zijn gebouwd; 1.6 agrarisch gebruik: het gebruik van gronden voor het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 1.7 archeologische waarden: oudheidkundige waarden in de bodem die van belang zijn voor de kennis en studie van (de culturele overblijfselen van) de beschavingsgeschiedenis; 1.8 bebouwing: één of meer
gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, een aan huis verbonden beroep daaronder niet begrepen; 1.10 bedrijfsvloeroppervlakte: De totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten; 1.11 bestaande: ten aanzien van de legaal aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik: • bestaand ten tijde van het inwerkingtreden van het plan; 1.12 bijbehorend bouwwerk: een architectonisch ondergeschikte uitbreiding van een woonhuis/bedrijfswoning dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend woonhuis/bedrijfswoning verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.13 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.14 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.15 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop volgens de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelsgrens: een grens van een bouwperceel; 1.17
bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar volgens de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.19 containerteelt: het niet in de volle grond telen van gewassen, oftewel een niet-grondgebonden teelt; 1.20 cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt; 1.21 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.22 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verk oop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.23 erf: een al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en waarbij geldt dat deze inrichting niet in strijd is met het TAM-IMRO plan; 1.24 evenement: elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optocht,
georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten, met uitzondering van markten als bedoeld in d e Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, voorzover de activiteiten een aaneengesloten periode van ten hoogste 14 dagen omvatten; 1.25 functievlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie; 1.26 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.27 gebruiksmogelijkheden: de mogelijkheden om gronden en bouwwerken overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming te gebruiken; 1.28 geomorfologische waarden: de waarden van een gebied die uitdrukking geven aan de vormen van het aardoppervlak in verband met de wijze van hun ontstaan; 1.29 gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr.
1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309); 1.30 hoofdgebouw: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.31 houtopstand als zelfstandige eenheid: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen; 1.32 huishouden: een zelfstandig dan wel samenwonend persoon of personen die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen, zoals keuken, sanitaire voorzieningen en entree, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.
Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen worden daaronder niet begrepen; 1.33 inpassingsplan: een plan waarin inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze een ontwikkeling wordt ingepast op het betreffende perceel en in relatie tot de omgeving; 1.34 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf, en geen bouwwerk is waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist; 1.35 kap: een dak met een zekere helling; 1.36 kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand; 1.37 kas: een bouwwerk, niet zijnde een tunnelkas of een naar de aard daarmee vergelijkbaar bouwwerk, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander licht doorlatend materiaal, dienend tot het kweken van groente, vruchten, bloemen, bomen, struiken of planten; 1.38 kleinschalige duurzame energiewinning: winning van energie uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en waarvan de bronnen in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals zon, wind, water, aard- en omgevingswarmte; 1.39 landschappelijke waarden: waarden in verband met de
verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied; 1.40 natuurlijke waarden: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied; 1.41 overkapping: een bouwwerk, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand; 1.42 parkeren: een geparkeerd voertuig is een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in - en uitstappen of voor het laden en lossen; 1.43 peil: a. indien op het land wordt gebouwd: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 3. voor zover op de verbeelding de aanduiding ‘vloerpeil t.o.v. NAP (m)’ is opgenomen, geldt in afwijking van het bepaalde onder 1 en 2 het peil in meters boven Normaal Amsterdams Peil dat per bouwvlak is aangeduid op de verbeelding. b. indien over of in het water wordt gebouwd: 1.
het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); 1.44 permanente bewoning: bewoning door een of meer personen die niet elders over een hoofdverblijf beschikken; 1.45 productiegebonden detailhandel: een ondergeschikte vorm van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.46 recreatiewoning: een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf; 1.47 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.48 stacaravan/chalet: een kampeermiddel, al dan niet voorzien van een as/wielstelsel, dat mede gelet op de afmetingen kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen; 1.49 tuin: beplant deel van het erf; 1.50 voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of; indien het een gebouw betreft zonder of met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de feitelijke indeling van het gebouw, als voorgevel moet worden aangemerkt; 1.51 weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeergelegenheden; 1.52 wonen: het gehuisvest zijn in een woning; 1.53 woning: een complex van ruimten in een gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.54 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen
omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden. Alle aangebouwde bijbehorende bouwwerken make n daarbij onderdeel uit van het woonhuis;