2026-02-05 Motivering TAM-IMRO Breemorsweg 13 Fleringen_v4.pdf
Tekst van het document
Motivering ten behoeve van een TAM-omgevingsplan TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Buitengebied Breemorsweg 13 Fleringen
Plannaam: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ac Buitengebied Breemorsweg 13 Fleringen Plantype: Motivering behorende bij een TAM-omgevingsplan Status: Vastgesteld Datum: Februari 2026
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ................................................................................................. 3
1.1 1.2 1.3
Inleiding en aanduiding plangebied .......................................................................... 3 Beoordelingskader en belangenafweging ................................................................. 5 Leeswijzer .................................................................................................................. 6
2
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL ........................................................ 7
2.1 Gewenste ontwikkeling .................................................................................................. 7 2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving ..................................................... 7
3
TOETSING AAN HET OMGEVINGSPLAN ........................................................ 9
3.1 Omschrijving nieuwe situatie ......................................................................................... 9 3.2 Toetsing aan het omgevingsplan ................................................................................... 9
4
TOETSING AAN VISIE EN BELEID, VOOROVERLEG EN PARTICIPATIE .......... 12
4.1 Visie en beleid voor het plangebied ............................................................................. 12 4.1.1 Nationale omgevingsvisie ........................................................................................ 12 4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 .................................... 12 4.1.3 Omgevingsvisie Tubbergen ....................................................................................... 15 4.1.4 Buitengebied met kwaliteit ....................................................................................... 16 4.2 Voorbereidingsfase/ verkenningsfase met stakeholders ............................................. 17
5
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU ......................................... 19
5.1 5.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4 5.3.5 5.3.6 5.3.7 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.4.4
Ladder voor duurzame verstedelijking .................................................................... 19 M.e.r.-beoordeling.................................................................................................... 20 Milieuaspecten ......................................................................................................... 20 Bodem ...................................................................................................................... 20 Geluid ....................................................................................................................... 21 Luchtkwaliteit .......................................................................................................... 25 Omgevingsveiligheid ................................................................................................ 27 Geurhinder ............................................................................................................... 29 Trillingen .................................................................................................................. 30 Gewasbeschermingsmiddelen ................................................................................. 30 Fysieke aspecten ......................................................................................................
31 Archeologie .............................................................................................................. 31 Gebiedsbescherming en soortenbescherming ......................................................... 33 Waterbelang............................................................................................................. 35 Verkeer en parkeren ................................................................................................ 37
6 7
FINANCIËLE HAALBAARHEID ..................................................................... 39 TOELICHTING PLANREGELS ...................................................................... 40
7.1 7.2 7.2.1 7.2.2 7.2.3
Inleiding ................................................................................................................... 40 Opzet regels ............................................................................................................. 40 Preambule ................................................................................................................ 40 Inleidende bepalingen ............................................................................................. 41 Functies en activiteiten ............................................................................................ 41 1
7.2.4 Algemene regels voor activiteiten ........................................................................... 41 7.2.5 Nadere toelichting op de regels ............................................................................... 41
8
BIJLAGEN ................................................................................................. 43
2
1 Inleiding 1.1 Inleiding en aanduiding plangebied Aan de Breemorsweg 15 te Fleringen exploiteert Varkens K.I. Twenthe (hierna: initiatiefnemer) een coöperatieve bedrijfsvoering met als doel het produceren van sperma ten behoeve van varkensfokkerijen in Twente. Op locatie is er sprake van twee vergunde bedrijfswoningen. Een van de bedrijfswoningen betreft Breemorsweg 13. Deze tweede bedrijfswoning betreft een vrijstaande woning (bouwjaar 1967) met een bebouwd oppervlak à 125 m2. Tot de tweede bedrijfswoning behoort ook een vrijstaand bijgebouw inclusief een ontsluiting en een afgeschermde tuin die de vrijstaande woning scheidt van het naastgelegen agrarisch bedrijf en omliggende agrarische gronden. Ter impressie zie navolgende afbeeldingen.
Afbeelding 1 Luchtfoto met globale aanduiding Plattelandswoning Breemorsweg 13 Fleringen
Initiatiefnemer wenst de tweede bedrijfswoning Breemorsweg 13 te wijzigen naar een plattelandswoning. Het is voor de bedrijfsvoering niet noodzakelijk dat twee toezichthouders op het erf wonen. De bedrijfswoning behoort dus niet meer bij het bedrijf. De gewenste situatie komt dan niet overeen met de bestemming. Om de ontwikkeling in juridisch planologische zin mogelijk te maken dient een procedure worden doorlopen via een Wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO). Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vormt de motivering dat daarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies (ETFAL) behorende tot Wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO). Het plangebied Breemorsweg 13, met een omvang van 945 m2, is kadastraal gekenmerkt als Tubbergen, sectie G, nummer 2808 (ged.) en is gelegen ter hoogte van de Breemorsweg. Het plangebied maakt onderdeel uit van het Varkens K.I. Twenthe (Breemorsweg 15).
3
Afbeelding 2 Luchtfoto met kadastrale gegevens en duiding Plattelandswoning (rood omlijnd)
Afbeelding 3 Uitsnede drone-opname plangebied Breemorsweg 13 Fleringen (noordelijke richting d.d. 02-05-2021)
4
1.2 Beoordelingskader en belangenafweging Beoordelingskader De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen. De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing: - de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl; - de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; - eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieuaspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat. Belangenafweging De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen. Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het project bij aan de visie en het beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan wordt voor periode van zes weken 5
ter inzage gelegd. Het is voor eenieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen. Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt: • • •
• • • • •
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject en of een bindend advies van de gemeenteraad benodigd is. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 wordt de financiële haalbaarheid beschreven; In hoofdstuk 7 wordt getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; In hoofdstuk 8 wordt beschreven hoe het TAM-omgevingsplan is opgesteld; Gedetailleerde informatie zoals tekeningen, onderzoeksrapportages en verslagen zijn bijgevoegd in de separate bijlagen in hoofdstuk 9.
6
2 Gebiedsprofiel en besluitprofiel 2.1 Gewenste ontwikkeling De woning aan Breemorsweg 13 te Fleringen zal in de toekomst als plattelandswoning worden bewoond. Initiatiefnemer wenst de huidige bedrijfswoning met het adres Breemorsweg 13 ongewijzigd om te zetten naar een plattelandswoning. Voor de bedrijfsvoering is het niet noodzakelijk dat twee ondernemers op het erf wonen. De bedrijfswoning behoort dan formeel niet meer tot het bedrijf. De agrarische functie en bedrijfsvoering blijft ongewijzigd met het plan. Het is gewenst om deze woning te gebruiken voor bewoning door derden, zonder dat de woning beschermd moet worden tegen hinder van het agrarisch bedrijf. In het kader van onderhavig initiatief vinden geen gebouwelijke ontwikkelingen plaats, de huidige situatie blijft gehandhaafd. Er zijn voldoende parkeervoorzieningen aanwezig op het terrein en de bestaande (aparte) ontsluiting blijft ongewijzigd. Ter impressie zie navolgende afbeelding.
Afbeelding 4 Uitsnede Google Streetview Plattelandswoning Breemorsweg 13 Fleringen (september 2021)
In de vigerende vergunning voor Varkens K.I. Twenthe van 22 januari 2015 zijn 180 dekberen toegestaan. Dit aantal is van belang om te bepalen of er ter plaatse van het bedrijf sprake kan zijn van een (omzetting naar een) plattelandswoning in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.96 Bkl wordt namelijk als ‘plattelandswoning’ (nu aangeduid als ‘voormalige functionele binding’) onder meer verwezen naar een geurgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met een activiteit in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Daarvan is sprake bij de Breemorsweg 13, nu deze bedrijfswoning momenteel als geurgevoelig object verbonden is aan een agrarisch vergunde bedrijfsvoering van Varkens K.I. Twenthe. Zodoende valt de woning aan de Breemorsweg 13 onder het wettelijke bereik van de plattelandswoning en zijn er mogelijkheden om tot een omzetting over te gaan. Hiertoe moet het omgevingsplan worden gewijzigd om de voorliggende plannen mogelijk te maken.
2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving Het plangebied maakt onderdeel uit van een bestaand bedrijfsmatig (agrarisch) perceel. Het erf betreft tweedelijns bebouwing ten opzichte van het bebouwingslint aan de Ootmarsumseweg. De omgeving 7
van het plangebied betreft een agrarisch cultuurlandschap waar agrarische bedrijfsactiviteiten en agrarisch grondgebruik de boventoon voeren. Het plangebied Breemorsweg 13 ligt op 470 meter afstand ten noordoosten van Fleringen. Het dorp Reutum ligt op circa 2 km in noordoostelijke richting van het plangebied en Tubbergen ligt op circa 2,5 km in noordwestelijke richting van het plangebied.
Afbeelding 5 Uitsnede topografische kaart met aanduiding ligging Plattelandswoning (rode pijl)
Met het planvoornemen is er geen sprake van een gebouwelijke ontwikkeling. De bestaande situatie blijft ongewijzigd met onderhavig planvoornemen. Met het planvoornemen wijzigt enkel het gebruik van tweede bedrijfswoning naar plattelandswoning. Derhalve wordt geconcludeerd dat het plan zowel op de korte als op (middel) lange termijn, geen negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten tot gevolg heeft voor de omgeving. In dit kader wordt met voorliggend plan ook niet voorzien in een landschappelijk inpassingsplan. Het erf is namelijk reeds landschappelijk ingepast met enkele solitaire bomen. De gronden zijn daarnaast reeds in gebruik als tuin en er is sprake van een afscherming ten opzichte van het naastgelegen bedrijfsperceel en omliggende agrarische percelen. De bestaande situatie blijft ongewijzigd met het planvoornemen, omdat er enkel sprake is van een functiewijziging. Kortom, vanuit landschappelijk oogpunt wordt het planvoornemen niet belemmerd.
8
3 Toetsing aan het omgevingsplan 3.1 Omschrijving nieuwe situatie De woning aan Breemorsweg 13 te Fleringen zal in de toekomst als plattelandswoning worden bewoond. Initiatiefnemer wenst de huidige bedrijfswoning met het adres Breemorsweg 13 ongewijzigd om te zetten naar een plattelandswoning. Dit betekent dat er enkel sprake is van een planologisch juridische functiewijziging waarbij het bestaande object gebouwelijk niet wordt gewijzigd, uitgebreid of verplaatst. Ter impressie zie navolgende afbeelding.
Afbeelding 6 Impressie verbeelding
3.2 Toetsing aan het omgevingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege. elke gemeente heeft met de inwerktreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 een omgevingsplan van rechtswege, welke bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit: • (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; • rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat). Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit de volgende onderliggende plannen: • 'Omgevingsplan gemeente Tubbergen'; • 'Tubbergen Buitengebied 2016'; • 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan'.
9
In onderhavig geval zijn met name de plannen 'Tubbergen Buitengebied 2016' en 'Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan' relevant. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de plankaart van het geldende planologisch regime, met de ligging van de plattelandswoning in het rood omkaderd.
Afbeelding 7 Uitsnede vigerend bestemmingsplan en globale aanduiding Plattelandswoning (rood omlijnd)
De locatie heeft hierin de bestemming ‘Bedrijf’ met een functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – ki-station’. Verder gelden de dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie 4’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radarverstoringsgebied’. Ter impressie zie navolgende afbeelding. Met betrekking tot wonen, is wonen binnen deze bestemming enkel toegestaan in bedrijfswoningen, die evenwel uitsluitend zijn bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon die (dat) werk gerelateerd is met het ter plaatse aanwezige bedrijf. Het aantal bedrijfswoningen zal per bestemmingsvlak één bedragen, tenzij het bestaande aantal meer bedraagt, in welk geval het aantal bedrijfswoningen ten hoogste het bestaande aantal zal bedragen. Uit het voortraject is gebleken dat er op locatie Breemorsweg 13 – 15 sprake is van twee vergunde bedrijfswoningen, waardoor het aantal bedrijfswoningen maximaal twee bedraagt. 3.2.1. Strijdigheden met bestemmingsplan ‘Tubbergen Buitengebied 2016’ Omdat binnen de functie ‘bedrijf’ enkel wonen is toegestaan in bedrijfswoningen, is het regulier bewonen door een derde huishouden, die geen directe bedrijfsmatige binding heeft met het ki-station, in strijd met de regels in het omgevingsplan. Kortom, het omgevingsplan moet worden gewijzigd om de voorliggende plannen mogelijk te maken.
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing vormt de motivering dat daarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies (ETFAL) behorende tot Wijziging van het Omgevingsplan (TAM-IMRO). 3.2.2. Bruidsschat De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de 10
afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken. De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuivering technisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. De in dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakte activiteiten betreffen, zover bekend, geen milieubelastende activiteiten. Indien dit wel het geval blijkt te zijn, dan worden de regels van afdeling 22.3 van toepassing. De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.
11
4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie 4.1 Visie en beleid voor het plangebied 4.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren.
Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing plan Voor locatie Breemorsweg 13 is de beoogde ontwikkeling een functiewijziging van het gebruik als tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de voormalige ‘Wet plattelandswoningen’ (2013). Er bestaan vanuit de NOVI geen belemmeringen voor de functiewijziging van Breemorsweg 13. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie.
4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024 Provinciale Omgevingsvisie De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
12
Provinciale Omgevingsverordening De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • • •
generieke beleidskeuzes (OF); ontwikkelingsperspectieven (WAAR); gebiedskenmerken (HOE).
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes (OF) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Ontwikkelingsperspectieven (WAAR) Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving.
Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. Gebiedskenmerken (HOE) Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de
13
drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Afbeelding 8 UITVOERINGSMODEL OMGEVINGSVISIE OVERIJSSEL (BRON: PROVINCIE OVERIJSSEL)
Toetsing plan In de omgevingsverordening zijn de artikelen 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en 4.14 Woonafspraken van belang.
Art. 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, lid 1 Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. Er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaand bebouwd gebied; b. De ruimte binnen het bestaand bebouwde gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en c. Mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. De bestaande tweede bedrijfswoning wordt ongewijzigd omgezet naar een plattelandswoning waarmee geen extra ruimtebeslag plaatsvindt in de groene omgeving.
Art. 4.14 Woonafspraken, lid 1 Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
14
Onderliggend geval betreft een bestaande bedrijfswoning welke ook als zodanig is vergund. Er wordt geen extra woning toegevoegd waardoor het voornemen niet in strijd is met de gemaakte afspraken tussen provincie en gemeenten. Kortom, er is op locatie reeds sprake van een woonfunctie en dit blijft het geval met voorliggend planvoornemen. Met onderhavig plan mag de tweede bedrijfswoning, afwijkend van de regels in het omgevingsplan, gebruikt worden voor de bewoning door derden. Het plan handelt binnen de kaders van het provinciale beleid. Conclusie Kortom, het project handelt in lijn met de beleidskaders van de provincie Overijssel.
4.1.3 Omgevingsvisie Tubbergen Algemeen MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen.
Afbeelding 9 gemeentelijke waardenkaart met globale aanduiding ligging Plattelandswoning (rode pijl)
MijnOmgevingsvisie gaat in op: 1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten); 2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten); 3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan); 4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).
15
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn: -
We doen het samen; We geven het goed voorbeeld; We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt. We wentelen niet af op volgende generaties.
Toetsing Eén van de hoofdonderwerpen binnen de speerpunten uit MijnOmgevingsvisie Tubbergen is ‘Buitengebied in balans’. In het buitengebied komen veel verschillende functies voor die allemaal ruimte nodig hebben. Al deze functies leggen samen veel druk op het buitengebied. Daarom het uitgangspunt: de goede functies op de goede plek. Combinaties van functies zullen nodig zijn, om alles aan bod te laten komen. Een functiewijziging van een tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning waarbij de bedrijfsvoering van Varkens K.I. Twenthe ongewijzigd blijft, sluit hierbij aan. Het plangebied is gelegen in een gebied met de ontwikkelingsrichting ‘gericht op ontwikkeling door lage waarden en hoge dynamiek’ en ‘Lichtgroen gekleurd landschap’. Dit zijn landschappen waar in de afgelopen 80 tot 100 jaar veel veranderd is en waar de lagere landschapswaarde ruimte voor ontwikkeling biedt. Het gebied kenmerkt zich door het open landschap met vergezichten, wegen met bomenrijen en kavelsloten. In dit gebied moet rekening worden gehouden met het agrarische karakter en is de ambitie om gemengde functies te laten plaatsvinden, de biodiversiteit te verbeteren en om een opgeruimd landschap te effectueren.
Voor locatie Breemorsweg 13 is de beoogde ontwikkeling een functiewijziging van het gebruik als tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de voormalige ‘Wet plattelandswoningen’ (2013). Er was reeds sprake van een woonfunctie op locatie en dit blijft het geval met voorliggend planvoornemen. Met onderhavig plan mag de tweede bedrijfswoning, afwijkend van de regels in het omgevingsplan, gebruikt worden voor de bewoning door derden. Er worden geen gebouwelijke wijzigingen gepleegd met onderhavig voornemen. Conclusie Er zijn geen beleidsmatige overwegingen die zich tegen dit plan verzetten. Het plan past daarmee binnen de omgevingsvisie van de gemeente.
4.1.4 Buitengebied met kwaliteit In het beleid ‘Buitengebied met Kwaliteit’ wordt onder paragraaf 4.6 ‘Plattelandswoning’ de mogelijkheid geboden tot omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Alvorens gebruik kan worden gemaakt van paragraaf 4.6 is gekeken of Varkens K.I Twenthe valt onder de functie ‘Agrarisch bedrijf’.
Functie ‘Agrarisch bedrijf’
Tot de functie ‘Agrarisch bedrijf’ worden alle bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering gerekend. Het gaat hierbij om bedrijven die gericht zijn op het voortbrengen van producten door middel van het
telen van gewassen en/of het houden van dieren maar ook om bedrijven waarvan de werkzaamheden in hoofdzaak bestaan uit het houden van dieren en/of het telen en bewerken van gewassen, maar niet in hoofdzaak gericht zijn op het voortbrengen van producten, al dan niet in combinatie met het verlenen van diensten aan derden. Ook paardenhouderijen (zowel productiegericht als gebruiksgericht) en sierteelt-, boomkwekerij- en glastuinbouwbedrijven, niet zijnde een hoveniersbedrijf of tuincentrum, worden in deze beleidsregeling geschaard onder de functie ‘Agrarisch bedrijf’.
De bedrijfsvoering van Varkens K.I. Twenthe bestaat uit het houden van 180 dekberen voor het produceren van sperma voor varkensfokkerijen in Twente. De bedrijfsvoering sluit aan bij het
16
voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en kan daarom worden gerekend tot de functie ‘Agrarisch bedrijf’. Paragraaf 4.6 Plattelandswoningen kan worden toegepast.
Paragraaf 4.6 Plattelandswoning
Voor het toekennen van de status ‘plattelandswoning’ aan een agrarische bedrijfswoning binnen de functie ‘Agrarisch bedrijf’ gelden de volgende voorwaarden: 1. Er moet sprake zijn van een agrarische bedrijfswoning op een functionerend agrarisch bedrijf die ook als zodanig is bestemd; 2. De (oorspronkelijke) bedrijfswoning moet minimaal 10 jaar geleden zijn opgericht; 3. De betrokken partijen, de eigenaar van het agrarische bedrijf en de (toekomstige) eigenaar van de woning, moeten een schriftelijke akkoordverklaring hebben ondertekend dat men de voormalige agrarische bedrijfswoning van de status “plattelandswoning” wenst te voorzien; 4. In afwijking van het bepaalde in lid 3 geldt dat als er geen sprake is van overeenstemming tussen de agrarische ondernemer en de eigenaar van de woning, maar de afsplitsing al langjarig gaande is (meer dan 10 jaar), er medewerking kan worden verleend voor het toekennen van een status ‘plattelandswoning’; 5. Indien het de enige bedrijfswoning betreft dan kan er alleen een status “plattelandswoning” worden toegekend als de situatie is ontstaan vóór 1 januari 2013. In dit geval is het niet meer mogelijk om bij het de functie ‘Agrarisch bedrijf’ een nieuwe bedrijfswoning op te richten. Ad 1. Varkens K.I.
Twenthe is een gezond functionerend bedrijf waarbij is geconstateerd dat de bedrijfsvoering passend is binnen de functie ‘Agrarisch bedrijf’; Ad 2. De bedrijfswoning aan de Breemorsweg 13 is omstreeks 1965 gebouwd en is zichtbaar op de luchtfoto van 1998 uit de gemeentelijke kaart-viewer en is hiermee ouder dan 10 jaar; Ad 3. De betrokken partijen hebben een schriftelijke akkoordverklaring ondertekend, waarmee men aangeeft de voormalige agrarische bedrijfswoning van de status “plattelandswoning” wenst te voorzien; Ad 4. Niet van toepassing; Ad 5. Niet van toepassing, het bedrijf kent twee bedrijfswoningen. Conclusie Er hoeft geen investering te worden gedaan in de Groene Omgeving volgens het Beleid Buitengebied met kwaliteit.
4.2 Voorbereidingsfase/ verkenningsfase met stakeholders In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een principe-uitspraak heeft gedaan. 4.2.1 Vooroverleg provincie De provincie Overijssel heeft de ‘uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023’ vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Voor locatie Breemorsweg 13 is de beoogde ontwikkeling een functiewijziging van het gebruik als tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de voormalige ‘Wet plattelandswoningen’ (2013). Er was reeds sprake van een woonfunctie op locatie en dit blijft het geval met voorliggend planvoornemen. Met onderhavig plan mag de tweede bedrijfswoning, afwijkend van de regels in het omgevingsplan, gebruikt worden voor de bewoning door derden. Er worden geen gebouwelijke wijzigingen gepleegd met onderhavig voornemen.
17
De ontwikkeling is dusdanig kleinschalig dat deze onder de uitzonderingslijst valt. De provincie is in kennis gesteld inzake het planvoornemen. 4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de opstelling van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In voorliggend geval is er uitsluitend sprake van een planologische functiewijziging, namelijk de omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Een watertoets is dan ook niet noodzakelijk. De bestaande situatie blijft ongewijzigd en van toepassing voor de toekomst. Gelet op de aard en omvang van het plan kan gesteld worden dat er verder geen waterschapsbelangen geschaad worden. 4.2.3 Participatie omgeving Participatie bij het planvormingstraject geeft in een vroegtijdig stadium meer inzicht in de belangen en wensen van betrokken partijen en meer gelegenheid om deze in dat traject mee te wegen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het participatieproces en de wijze waarop er invulling is gegeven aan het toepassen van participatiebeleid van de gemeente Tubbergen (conform art. 10.2 Omgevingsbesluit). Aangegeven wordt hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
Omgevingsdialoog Gemeente en initiatiefnemers achten het van belang dat de ontwikkeling vroegtijdig aan omwonenden wordt toelicht en met de omgeving wordt besproken. Doel van een omgevingsdialoog is om omwonenden de informeren en in gelegenheid te stellen hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken en verbeterpunten op te halen. Voorafgaand aan de formele voorbereidingsprocedure wordt een omgevingsdialoog gevoerd met de buurtbewoners nabij Breemorsweg 13. Een samenvatting van de omgevingsdialoog wordt hieronder kort beschreven. Voor een gedetailleerde weergave zie bijlage 1. Initiatiefnemer heeft een rondgang gemaakt langs de deuren in de buurt. Alle omwonenden hebben positief gereageerd op de plannen en wensten initiatiefnemer succes met het voltooien hiervan. Omwonenden hebben daarnaast de mogelijkheid om formeel te reageren tijdens de procedure van de Wijziging Omgevingsplan.
18
5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing: • de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl; • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieuaspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing plan Voor locatie Breemorsweg 13 is de beoogde ontwikkeling een functiewijziging van het gebruik als tweede bedrijfswoning naar een plattelandswoning.
Er was reeds sprake van een woonfunctie op locatie en dit blijft het geval met voorliggend planvoornemen. Met onderhavig plan mag de tweede bedrijfswoning, afwijkend van de regels in het omgevingsplan, gebruikt worden voor de bewoning door derden. De ontwikkeling wordt niet als een stedelijke ontwikkeling gekwalificeerd, waardoor de ladder formeel niet doorlopen hoeft te worden. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er naar aard en omvang geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladder hoeft daarmee niet doorlopen te worden.
19
5.2
M.e.r.-beoordeling
Algemeen Onderdeel van de beoordeling of toelichting volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet en afdeling 11.1 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een plan-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.1 van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r. is verplicht als het plan/programma kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)-plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van natuurwetgeving. In twee situaties dient een plan-mer-beoordeling opgesteld te worden: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V van het omgevingsbesluit, maar het gaat om een kleine wijziging van een plan of een plan voor kleine gebieden op lokaal niveau. Toetsing Voor de vraag of sprake is van een m.e.r-(beoordelings)plichtig besluit dient allereerst te worden gekeken naar de omschrijving in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien met het initiatief geen sprake is van een project als in kolom 1 van bijlage V is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)plicht.
In die zin is het Omgevingsplan geen kaderstellend plan voor het besluit. Bovendien is geen sprake van een situatie waarvoor een passende beoordeling opgesteld dient te worden op grond van natuurwetgeving. Aangezien het plan niet mer-plichtig is, dient beoordeelt te worden of een plan-mer-beoordeling uitgevoerd moet worden. De plan-mer-beoordeling is enkel noodzakelijk indien sprake is van een plan dat kaderstellend is voor projecten die niet zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar die wel milieueffecten kunnen hebben. Uit onderhavige onderbouwing (navolgende paragrafen) volgt dat het voornemen niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen, mede door een beperkte aard en omvang van het initiatief. Derhalve is een mer-beoordeling niet noodzakelijk. Conclusie Uit onderhavige onderbouwing blijkt dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-(beoordelings)rapportage.
5.3 Milieuaspecten 5.3.1 Bodem In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Algemeen Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de 20
gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Toetsing plan In voorliggend geval is er sprake van het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning, waarbij de functie niet verandert. In het kader van deze functiewijziging vinden geen gebouwelijke ontwikkeling plaats en de grond wordt niet geroerd. Een onderzoek naar de bodem- en grondwaterkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de omzetting naar plattelandswoning.
5.3.2 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Algemeen Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen.
De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
21
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: • woningen; • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal); • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 1: Standaardwaarden (bron: Art. 5.78T van het BKL) Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluidbeleid De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend. Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB). Toetsing plan
Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai
Een plattelandswoning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. De afstand van de dichtstbijzijnde weg naar de plattelandswoning bedraagt enkele tientallen meters. Op grond van artikel 74, lid 1, sub b van de Wgh bedraagt de geluidszone van een weg bestaande uit een of twee rijstroken 250 meter. De locatie is dus gelegen binnen de geluidzone. Echter omdat de Wet geluidhinder geen onderscheid maakt tussen bedrijfswoning, woning, plattelandswoning, er reeds sprake is van een woonfunctie op locatie is de ‘woning’ binnen de Wgh 22
reeds gelegaliseerd. De ligging van de planlocatie ten opzichte van de nabije weg vormt derhalve geen belemmering. In het kader van het inzichtelijk maken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is wel de bestaande geluidbelasting op locatie inzichtelijk gemaakt. Dit is 48 dB (voorkeursgrenswaarde). Ter impressie zie voorgaande afbeelding.
Afbeelding 8 Uitsnede kaart Geluid van wegverkeer Atlas Leefomgeving met aanduiding Plattelandswoning (rood omlijnd)
Situatie plangebied, industrielawaai
Het plangebied is niet gelegen binnen een geluidszone van industrie en spoorwegen. Voor wat betreft de richtafstanden ten aanzien van geluid van bedrijven zie navolgende sub paragraaf. Onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk.
Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten
De beoogde ontwikkeling betreft geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De plattelandswoning Breemorsweg 15, als zijnde voormalige bedrijfswoning, betreft daarentegen wel een milieugevoelige functie. Medewerking aan het voornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de plattelandswoning bedrijven in de omgeving niet in haar activiteiten frustreert. De woning ligt op voldoende afstand van omliggende bedrijven om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Ten opzichte van het eigen bedrijf geldt dat plattelandswoningen niet gezoneerd hoeven te worden ten opzichte van de eigen inrichting. Het dichtstbijzijnde gelegen bedrijf betreft Ootmarsumseweg 283 (Jowat Lijmen). Dit bedrijf grenst direct aan het agrarisch bedrijfsperceel van Varkens K.I. Twenthe. De bedrijfsvoering hier betreft een combinatie van opslag, met kleinschalige zorgboerderij. Voor een opslagfunctie geldt milieucategorie 2 (SBI-2008, 011, 012, 013). Voor het aspect geur en stof dient een afstand te worden gehanteerd van 0 meter. Voor geluid betreft het een afstand van 30 meter. Voor gevaar betreft het een afstand van 10 meter. De plattelandswoning is op meer dan 30 meter afstand gelegen, namelijk 90 meter.
Dit betekent dat in dit geval aan de geldende richtafstand wordt voldaan. Aldus kan worden gesteld dat het initiatief in het kader van de Bedrijven en Milieuzonering geen bezwaar is. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf betreft een akkerbouwbedrijf ter plaatse van Ootmarsumseweg 289 te Fleringen. Dit agrarisch bedrijf wordt gecombineerd met nevenactiviteiten dagbesteding voor ouderen en een vuurwerkwinkel. Voor een akkerbouwbedrijf geldt milieucategorie 2 (SBI-2008, 011, 012, 013). Voor het aspect geur en stof dient een afstand te worden gehanteerd van 10 meter. Voor 23
geluid betreft het een afstand van 30 meter. De plattelandswoning is op meer dan 30 meter afstand gelegen, namelijk 145 meter. Dit betekent dat in dit geval aan de geldende richtafstand wordt voldaan. Aldus kan worden gesteld dat het initiatief in het kader van de Bedrijven en Milieuzonering geen bezwaar is. Voor het overige ligt het planvoornemen op meer dan voldoende afstand ten opzichte van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Daarnaast zijn er in de huidige situatie reeds diverse woningen dichter bij milieubelastende activiteiten gelegen, waardoor deze als maatgevend beschouwd mogen worden. De ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven wordt niet belemmerd door onderhavige ontwikkeling. In relatie tot het beoordelen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Voor meer informatie zie bijlage 3. Samenvattend zijn de resultaten als volgt. De bepaling van de geluidbelasting heeft op twee manieren plaatsgevonden: enerzijds uitgaande van de huidige en vergunde bedrijfssituatie en anderzijds uitgaande van een realistische maximaal mogelijke invulling volgens het huidige bestemmingsplan. Uit de beschouwingen blijkt het volgende: -
-
In de huidige situatie ontstaat ter hoogte van de plattelandswoning een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde hetgeen lager is dan volgens stap 2 uit de VNGpublicatie behorende bij een gemengd gebied wordt aanbevolen. Uitgaande van de maximaal mogelijke invulling zou ter hoogte van de plattelandswoning een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 53 dB(A) etmaalwaarde kunnen ontstaan. Deze waarde is hoger dan volgens stap 2 uit de VNG-publicatie wordt aanbevolen echter de bouwkundige constructie van de woning is zodanig dat in de woonvertrekken sprake is van een geluidbelasting van minder dan 35 dB(A) etmaalwaarde. Volgens het Omgevingsplan en het BKL is onder deze omstandigheden nog sprake van een aanvaardbaar geluidniveau. In de huidige situatie kunnen ter hoogte van de gevels van de plattelandswoning hoge maximale geluidniveaus ontstaan wanneer vrachtwagens gebruik maken van de noordelijke in- en uitrit. Bij een maximaal geluidniveau van 80 dB(A) zou de karakteristieke geluidwering tenminste 25 dB moeten bedragen om in de woonvertrekken te kunnen voldoen aan de grenswaarde van 55 dB(A).
Op grond van bovenstaande wordt geconcludeerd dat bij de te realiseren plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ongeacht de invulling van het zuidelijk gelegen agrarische perceel. Geluidadvies Omgevingsdienst Twente
‘In het Bkl staan geen normen voor piekgeluiden overdag. We moeten wel de aanvaardbaarheid hiervan beoordelen. Wij kunnen motiveren dat een piekgeluid van 70 dB(A) bij een voormalige agrarische bedrijfswoning aanvaardbaar is. Verder wordt voldaan aan de bruidsschat (BS), omdat hier van belang is dat op grond van artikel 22.65 lid 3 onder a het laden en lossen in de dagperiode buiten beschouwing wordt gelaten. In tegenstelling tot wat het ODT in haar advies stelt, is er daarom geen overschrijding van de piekgeluiden in de dagperiode. Het op pompen van mest valt onder het laden en daarom wordt wel voldaan aan de norm van 70 dB(A). Daarom hoeven we geen andere normen in het omgevingsplan op te nemen, omdat wordt voldaan de normen van de BS.’ In de planregels is een bepaling opgenomen in relatie tot de functionele binding. Conclusie Kortom, in de plattelandswoning zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in relatie tot de geluidbelasting. Het plan levert dus geen negatieve effecten op ten aanzien van aspect milieuzonering. Aldus kan geconcludeerd worden dat de functiewijziging op locatie leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 24
5.3.3 Luchtkwaliteit Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).