CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026

Raadsvergadering 20 oktober 2025, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 202611.002 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de artikelen 5.4 tot en met 5.12 staan de aanvullende criteria voor een persoonsgebonden budget voor specifieke voorzieningen.

Artikel 5.13 regelt de indexeringen van de bedragen die in hoofdstuk 5 staan. In lid 3 staat de opdracht aan het college om jaarlijks de maximale bedragen te publiceren.

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten Van een inwoner wordt, in beginsel, een eigen bijdrage gevraagd. De hoogte van die bijdrage wordt aan de hand van dit hoofdstuk berekend. In artikel 6.1 lid 1 wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid uit artikel 2.1.4a lid 1 en lid 2 Wmo 2015 om bij verordening te bepalen dat een inwoner een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd is voor een maatwerkvoorziening, zolang van die voorziening gebruik gemaakt wordt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. In lid 2 is bepaald dat ouders of voogden deze bijdrage moeten betalen als de inwoner minderjarig is en aan hem een woningaanpassing, of een persoonsgebonden budget om die te realiseren, verstrekt is. Lid 3 bepaalt dat het college bij nadere regeling kan bepalen dat voor bepaalde maatwerkvoorzieningen geen eigen bijdrage betaald hoeft te worden. In artikel 6.2 staat de wijze waarop de hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld. Het uitgangspunt is dat de inwoner, op grond van lid 1, het abonnementstarief, waarvan de hoogte in artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 staat, betaalt. In lid 2 en lid 3 staat een uitzondering op het eerste lid; artikel 3.8 lid 1 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 maakt het mogelijk om voor vervoersvoorzieningen een eigen bijdrage op een andere wijze te bepalen.

De actuele tarieven worden door Regiovervoer Midden-Brabant gepubliceerd op regiovervoermiddenbrabant.nl. In lid 4 staat de andere uitzondering die krachtens de wet in formele zin al is geregeld; omwille van de volledigheid is deze bepaling in de verordening opgenomen. Artikel 2.1.4a lid 7 Wmo 2015 en de paragrafen 3 en 4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepalen al dat op de eigen bijdrage voor beschermd wonen en opvang het abonnementstarief niet van toepassing is. De wetgever heeft deze intramurale ondersteuningsvormen uitgezonderd van het abonnementstarief, Kamerstukken II, 2018/19, 35093, nr. 3, p. 4. In lid 6 staat te lezen hoe de kostprijs, als bedoeld in lid 1, wordt bepaald.

Hoofdstuk 7 Kwaliteit en veiligheid Voorzieningen moeten van goede kwaliteit zijn en veilig zijn. In dit hoofdstuk staan de minimale kwaliteitseisen van de voorzieningen, zodat het voor de aanbieders en de zorg- en dienstverleners, maar ook voor de inwoners, inzichtelijk is welke eisen er gesteld worden aan de kwaliteit. In artikel 7.1 lid 1 staan de kwaliteitseisen voor voorzieningen die in natura worden geleverd. In lid 2 is bepaald dat het college bij nadere regeling de kwaliteitseisen kan aanvullen. Artikel 7.2 lid 1 benoemt de kwaliteitseisen voor de diensten die de inwoner met een persoonsgebonden budget betaalt. Voor de professionele zorg- of dienstverlener gelden aanvullende kwaliteitseisen; deze staan in lid 2. De kwaliteitseisen in lid 1 en lid 2 zijn geen limitatieve opsommingen, omdat tussen de inwoner en de zorg- of dienstverlener, op grond van artikel 2a lid 1 Uitvoeringsregeling Wmo 2015, een zorgovereenkomst gesloten wordt en het mogelijk is dat in die overeenkomst nog aanvullende kwaliteitseisen opgenomen worden. Op grond van lid 3 heeft het college de bevoegdheid om bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen voor de zorg- of dienstverlener vast te stellen. De regels in artikel 7.3 zijn gebaseerd op artikel 2.6.6 lid 1 Wmo 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Het doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. In lid 1 is geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. Bij het vaststellen van de prijs moet het college, zo bepaalt lid 2, rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De aanbieder die de opdracht

gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. In lid 3 staan de kostprijselementen waar het college de vaste prijs of de reële prijs minimaal op moet baseren. In lid 4 is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 7.4 lid 1 bepaalt dat het college een regeling treft voor het melden van calamiteiten. Daarmee wordt beoogd om het voor de aanbieders duidelijk te maken hoe zij kunnen voldoen aan de verplichting uit artikel 3.4 lid 1 aanhef en onderdeel a Wmo 2015 in geval er zich een calamiteit heeft voorgedaan bij de verstrekking van de voorziening. Omwille van de leesbaarheid is diezelfde verplichting nogmaals in lid 2 opgenomen. In lid 3 is deze verplichting ook opgenomen voor de zorg- of dienstverleners die met een persoonsgebonden budget worden betaald. In artikel 7.5 wordt de bevoegdheid aan het college gegeven om beleidsregels vast te stellen voor de handhaving van de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 3 Wmo 2015, de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 7 van deze verordening en de regels die krachtens deze bepalingen zijn vastgesteld. De Wmo 2015 kent zelf geen handhavingsbevoegdheden, zoals een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom.

Daarom worden, naast de herziening of intrekking van een beschikking op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015, andere maatregelen genomen, zoals het opleggen van een verbeterplan aan de aanbieder of de zorg- of dienstverlener, waarin vermeld staat welke normen van het college verbeterd moeten worden. Omdat het opleggen van een verbeterplan geen grondslag heeft in de Wmo 2015, wordt de collegebevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels in deze verordening geregeld. Daarmee wordt voldaan aan de bepaling uit artikel 4:81 lid 2 Awb.

Hoofdstuk 8 Mantelzorgers Mantelzorg is het onbetaald geven van zorg aan familieleden of een andere sociale relatie. In artikel 8.1 is de bevoegdheid van het college opgenomen om ondersteuning te bieden ten behoeve van het behoud van de mantelzorger. Hoewel in het onderzoek rekening gehouden wordt met de balans tussen de draagkracht en draaglast, kan later alsnog blijken dat het noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten door aan de inwoner een maatwerkvoorziening te verstrekken.

Hoofdstuk 9 Klachten en medezeggenschap In dit hoofdstuk is geregeld dat inwoners klachten kunnen indienen en dat zij inspraak kunnen leveren op het gemeentelijk beleid. Artikel 9.1 lid 1 wordt invulling gegeven aan de bepaling van artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel d Wmo 2015 door te bepalen dat, in beginsel, alle aanbieders een klachtenregeling moeten hebben. In lid 3 is bepaald dat er een uitzondering van de verplichting uit lid 1 gemaakt kan worden als het verlangen van een klachtregeling, vanuit het oogpunt van de grootte van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn. In lid 4 is bepaald dat deze verplichting en de mogelijkheid om een uitzondering te maken ook gelden voor zorg- en dienstverleners die betaald worden vanuit een persoonsgebonden budget. In lid 2 is bepaald dat het college toezicht houdt op de naleving van de klachtregelingen van de aanbieders. Het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen door de zorg- dienstverleners gebeurt door de, op grond van artikel 6.1 lid 1 Wmo 2015, aangewezen toezichthouders. In artikel 9.2 lid 1 wordt invulling gegeven aan de bepaling van artikel 2.1.3 lid 2 aanhef en onderdeel e Wmo 2015 door te bepalen dat, in beginsel, alle aanbieders een medezeggenschapsregeling moeten hebben.

In lid 3 is bepaald dat er een uitzondering van de verplichting uit lid 1 gemaakt kan worden als het verlangen van een medezeggenschapsregeling, vanuit het oogpunt van de grootte van de organisatie van de aanbieder of de aard of omvang van de opdracht, onevenredig zou zijn. In lid 2 is bepaald dat het college toezicht houdt op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van de aanbieders.

Artikel 9.3 verwijst voor het betrekken van ingezetenen bij de voorbereiding van het beleid naar de Verordening Sociale Raad Tilburg, waarmee de raad invulling heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen In dit afsluitend hoofdstuk staan regels over het gebruik van de hardheidsclausule, het overgangsrecht en regels rondom de inwerkingtreding. In artikel 10.1 is een hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan dus nooit ten nadele van de betrokken inwoner gebeuren. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Het overgangsrecht is in artikel 10.2 opgenomen. Op een aanvraag wordt beslist op grond van de nu geldende verordening, ook als de aanvraag eerder is ingediend. Als de beslissing op grond van de oude verordening is genomen en tegen die beslissing bezwaar wordt gemaakt, wordt de heroverweging op basis van die oude verordening gemaakt, tenzij het voor de inwoner gunstiger uitvalt om de nieuwe verordening bij de heroverweging te betrekken. In artikel 10.3 lid 2 wordt bepaald hoe de verordening wordt aangehaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15873873/2