Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2026
Tekst van het document
Lid 6. Ook bij langer durende bovengebruikelijke hulp geldt het uitgangspunt dat ouders verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Ook die hulp valt onder de zorgplicht en de ‘eigen kracht’ van de ouders. Toch kunnen er omstandigheden zijn waaronder dat niet langer van de ouders kan worden gevraagd. Dat wordt beoordeeld op basis van de afwegingsfactoren uit het vijfde lid. Uiteindelijk gaat het bij langer durende bovengebruikelijke hulp om de vraag hoe de balans in het gezin hersteld kan worden en welke rol de gemeente daarin kan spelen. Enige verstoring van die balans moet in de regel ook worden geaccepteerd door de ouders. Dan kan extra inzet van de ouders nodig zijn. Duurt dat langer en is de balans ernstig verstoord, dan komt aanvullende inzet van de gemeente in beeld.
Lid 7. Van ouders wordt verwacht dat zij zich – binnen hun mogelijkheden – inzetten om zelf de problemen bij de opvoeding en het opgroeien op te lossen, zodat de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk is. Het is uiteindelijk hun taak kinderen te verzorgen en op te voeden, niet die van de gemeente. Dat kan soms bijvoorbeeld door aanpassing van werkritme en -patroon, of door beperking van andere activiteiten buiten het gezin. Maar ook andere opties kunnen in beeld komen. Artikel 3.5 Vervoer naar jeugdhulpaanbieder De zorgplicht van de gemeente omvat ook het vervoer van de jeugdige naar de jeugdhulpaanbieder, als de jeugdige door een (fysieke, psychisch of psychosociale) beperking in de zelfredzaamheid niet daartoe in staat is, én de ouders het vervoer niet kunnen verzorgen, al dan niet met de inzet van het sociaal netwerk, of met behulp van andere voorzieningen. Dat vloeit voort uit artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet, en is hier concreter geregeld om daarover geen misverstand te laten bestaan.
Het jeugdvervoer is voor de zwaardere vormen van jeugdhulp geregeld in de regio Hart van Brabant. Het vervoer voor lichtere vormen van jeugdhulp is in principe aan de ouders zelf overgelaten, maar zijn zij daar niet toe in staat en zijn er geen andere opties, dan geldt ook voor die vormen een vervoersplicht van de gemeente als de jeugdige door een beperking niet zelf bij de jeugdhulpaanbieder kan komen. Een verdergaande verantwoordelijkheid van de gemeente is er niet. Het college is dus niet verplicht om het vervoer te regelen van jeugdigen die om andere redenen niet of lastig (bijv. vanwege de afstand) bij de jeugdhulpaanbieder kunnen komen. Als ouders het vervoer kunnen regelen (zelf of op andere manier), dan wordt dat van ze verwacht. Bij het onderzoek naar de eigen mogelijkheden van de ouders speelt het afwegingskader van de regio Hart van Brabant een grote rol (lid 3). Met toepassing van de daarin opgenomen beslistappen en afwegingsfactoren kan worden nagegaan of er een vervoersvoorziening moet worden ingezet en zo ja welke.
Hoofdstuk 4 – Het persoonsgebonden budget In artikel 8.1.1 van de Jeugdwet zijn in algemene bewoordingen de voorwaarden genoemd om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb, kortweg: 1. De jeugdige of zijn ouders moet in staat zijn een pgb te beheren (regievaardig zijn), 2. de jeugdhulp moet van goede kwaliteit zijn en 3. de jeugdige/ouders moeten motiveren waarom zij jeugdhulp in natura niet passend vinden. In dit hoofdstuk worden de eerste twee voorwaarden verder ingekleurd. Tevens worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder een pgb kan worden toegekend voor iemand uit het sociale netwerk (zie artikel 8.1.1 lid 3 Jeugdwet), en regels over de manier waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c Jeugdwet). Artikel 4.1 Aanvullende regels voor pgb
Lid 1. Om te kunnen bepalen of de jeugdhulp die wordt ingekocht met een pgb van voldoende kwaliteit is, en of de jeugdige/ouders voldoende ‘regievaardig’ zijn, wordt in de praktijk gewerkt met een budgetplan. De jeugdige of zijn ouders is verplicht om dit budgetplan op te stellen (er is een format beschikbaar), op basis waarvan wordt beoordeeld of aan de voorwaarden is voldaan. In Nadere regels kan verder worden uitgewerkt aan welke voorwaarden het budgetplan moet voldoen.
Lid 2. Hier staan de voorwaarden om een pgb in te kopen bij iemand uit het sociale netwerk. De ‘kwaliteits-eis’ wordt verder uitgewerkt in artikel 4.2. Vormen van jeugdhulp die specifieke kennis en vaardigheden vragen, zoals specialistische behandelingen, zijn uitgesloten.
Lid 3. Het pgb is alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke jeugdhulp, niet van bijkomende kosten. Een vrij besteedbaar deel van het pgb is ook niet aan de orde.
Lid 4. Ook samenhangend met kwaliteit: als de zorgverlener ook de pgb-beheerder is, dan is er sprake van belangenverstrengeling en kan in dergelijke situaties geen pgb worden toegekend. Dat doet zich voor, als de jeugdige en zijn ouders niet in staat zijn het pgb zelf te beheren en dit uitbesteden aan bijv. iemand uit het sociale netwerk, die zelf ook de jeugdhulp verleent. Artikel 4.2 Kwaliteitseisen jeugdhulp
Lid 1. In dit artikel staan de algemene kwaliteitseisen die worden gesteld aan degene die feitelijk de jeugdhulp verleent, concreter verwoord. Deze eisen zijn in regionaal verband opgesteld. Kernwoorden zijn: samenwerking, gestructureerd en doelgericht werken, integriteit en betrouwbaarheid, administratieve correctheid, en alertheid op signalen. De kwaliteitseisen uit hoofdstuk 4 hebben
betrekking op professionele jeugdhulpaanbieders en betreffen o.a.: kwaliteitsmonitoring, meldcode huiselijk geweld en planmatig werken.
Lid 2. Dit spreekt voor zichzelf. Artikel 4.3 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp
Lid 1. Afhankelijk van de hulpvraag kan het college professionele hulp en andere vormen van hulp (informele hulp) inzetten via een pgb. Het onderscheid is van belang voor de tariefstelling. De gemeente kan voor informele hulp een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek uit de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Wanneer het professionele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen.
Lid 2. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep én als voldaan wordt aan een aantal kwaliteitscriteria. De hulp moet worden verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van professionele hulp is sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ- of andere erkende registratie heeft. Dat kan verder worden ingekleurd in Nadere regels.
Lid 3. Onder informele hulp wordt alle hulp verstaan die geboden wordt door personen die niet aan de gestelde criteria voor beroeps- of bedrijfsmatige jeugdhulp voldoen. Personen die jeugdhulp bedrijfsof beroepsmatig verlenen, maar niet aan de gestelde kwaliteitscriteria uit het tweede lid voldoen, worden daarom ook aangemerkt als informele hulpverlener.
Lid 4. Bij de hier genoemde groep personen is er altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een sociale relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Artikel 4.4 Tarieven – hoogte
Lid 1. Het budgetplan vormt de basis om vast te stellen of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en zo ja, wat dan de hoogte van het tarief voor het pgb wordt. Als het budgetplan onvoldoende informatie bevat, kan het college om aanvulling vragen. Geeft het budgetplan uiteindelijk nog onvoldoende zekerheid, dan kan het pgb worden afgewezen en wordt zorg in natura ingezet. Het college kan over het budgetplan nadere regels stellen.
Lid 2. Het tarief voor professionele jeugdhulp wordt gesteld op een percentage (85%) van de zorg in natura tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden (lid 6). Het tarief is lager dan de zorg in natura-tarieven, gelet op het ontbreken van een aantal kosten voor de budgethouder.
Lid 3. Ook voor de tarieven voor professionele jeugdhulp geldt, dat deze wijzigen vanaf de datum waarop de tarieven voor zorg in natura wijzigen.
Lid 4. Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan. Blijkt dat in een individueel geval niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt
aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
Lid 5. In aansluiting op de jurisprudentie over individuele begeleiding binnen de Wmo2015 (CRvB 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580) is in lid 5 geregeld dat het tarief voor een pgb voor informele hulp afgeleid wordt van de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT).
Lid 6. In aansluiting op het uitgangspunt, dat voor de minst kostbare oplossing wordt gekozen om aan de hulpvraag tegemoet te komen, als er verschillende passende oplossingen zijn, geldt ook voor de tariefstelling, dat uitgegaan wordt van een lager tarief dan de norm, als degene die jeugdhulp verleent, bereid is om dat voor een lager bedrag te doen.
Lid 7. Om duidelijkheid te geven over de actuele tarieven, neemt het college in Nadere regels de geldende tarieven op.
Hoofdstuk 5 - Toezicht en handhaving Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden opgenomen over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb, en ook van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit hoofdstuk is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Artikel 5.1 Informatieplicht, intrekking en terugvordering
Lid 1. Voor een juiste besluitvorming over jeugdhulp is het noodzakelijk dat het college over juiste informatie beschikt. Een algemene informatieplicht kent de Jeugdwet niet. Wel is dit voor pgb’s geregeld (artikel 8.1.2 van de Jeugdwet). In lid 1 wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura.
Lid 2. In lid 2 is geregeld, wanneer een individuele voorziening kan worden beëindigd of gewijzigd (naar de toekomst toe, of herzien of ingetrokken (naar het verleden). Dit is in de Jeugdwet alleen geregeld als het gaat om herziening en intrekking van pgb’s (artikel 8.1.4) en wordt hier uitgebreid voor jeugdhulp in natura. Het gaat in de opsomming van gevallen om situaties waarin de behoefte aan jeugdhulp niet langer aanwezig is, niet langer kan worden vastgesteld, of waarin onvoldoende zeker is dat jeugdhulp passend of doelmatig is.
Lid 3. Hier is specifiek de bevoegdheid geregeld om de kosten van een individuele voorziening terug te vorderen als niet voldaan is aan de informatieplicht. Voor pgb’s is dit al geregeld in artikel 8.1.4 Jeugdwet, maar hier wordt die bevoegdheid uitgebreid naar zorg in natura. Daaraan wordt toegevoegd de bevoegdheid om de kosten (geldswaarde) van de voorziening in te vorderen, dwz. de incasso te starten. Artikel 5.2 Bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik
Lid 1. Het is van belang dat jeugdigen en ouders zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Het college moet de jeugdige en ouders hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke gevolgen het kan hebben als zij zich niet houden aan deze verplichtingen.
Lid 2. In deze bepaling is de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezig houdt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de
jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat wordt gedaan door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Het gaat hier o.a. over het toezicht op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders.
Lid 3. Het college is belast met het toezicht op de naleving van verplichtingen op grond van de regels uit de Jeugdwet, de daarop berustende regelingen, en de verordening en daarop beruste regelingen. Daarnaast houdt het college ook toezicht op de overeenkomsten die met jeugdhulpaanbieders zijn gesloten. Dat geldt ook voor de inzet van jeugdhulp via doorverwijzing vanuit het medisch domein. De controle kan allerlei vormen hebben, bijvoorbeeld n.a.v. incidenten, periodiek d.m.v. een steekproef, of per doelgroep. Als het om controle gaat waarvoor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevoegd is, is er geen rol voor de gemeente.
Lid 4. Het tegengaan van misbruik of oneigenlijk gebruik van voorzieningen is niet exclusief een zaak van de gemeente. Ook voor organisaties als de SVB, Belastingdienst, CIZ e.a. is dit een belangrijke taak. In lid 4 is de opdracht aan het college vastgelegd om met dergelijke organisaties samen te werken.
Lid 5. Specifiek met jeugdhulpaanbieders zijn afspraken gemaakt over te leveren prestaties en een passende administratieve organisatie. Het college krijgt in lid 5 de opdracht om regelmatig te controleren of die afspraken worden nagekomen.
Hoofdstuk 6 – Reële tarieven jeugdhulp De gemeente moet regels maken over het waarborgen van een goede prijs en kwaliteitverhouding. Dit is opgenomen in artikel 2.11 van de Jeugdwet. Doel is dat de kwaliteit en continuïteit van de jeugdhulp gewaarborgd blijft, door middel van reële tarieven voor jeugdhulpaanbieders. In dit hoofdstuk staat met welke kostprijselementen het college rekening moet houden bij het vaststellen van tarieven, in samenhang met artikel 2.3 Besluit Jeugdwet. Artikel 6.1 Prijs-kwaliteitverhouding jeugdhulp, kinderbescherming en jeugdreclassering
Lid 1. Hier staan de kostprijselementen genoemd waarmee het college rekening houdt. Belangrijk element wordt gevormd door de kosten van beroepskrachten. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten verbonden aan wettelijke verplichtingen. Uitgangspunt is dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet rekening houden met een aantal aspecten, zoals de mate van deskundigheid van de beroepskrachten, de arbeidsvoorwaarden, waaronder de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs in ieder geval gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reis- en opleidingskosten, indexatie van loon en prijs. De kostprijselementen gelden ook voor onderaannemers.
Lid 2. De verplichting om een reële prijs voor ingekochte jeugdhulp te rekenen, geldt ook als de jeugdhulp wordt bekostigd via een subsidierelatie. Het moet dan wel gaan om subsidie die bedoeld is om de jeugdhulp volledig te financieren.
Hoofdstuk 7 - Afstemming met andere domeinen en overgang 18+ Voor een optimaal resultaat van de jeugdhulp moet de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening worden afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. In de verordening moeten daarover regels worden vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel b Jeugdwet).
Artikel 7.1 Afstemming met andere voorzieningen
Lid 1. In lid 1 zijn drie manieren beschreven waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere vormen van hulp en zorg. Onderdeel a beschrijft het attent maken op en doorverwijzen naar andere vormen van hulp en zorg, en de begeleiding daarbij, al dan niet met ondersteuning van een ‘meedenker’ van MEE of ContourDeTwern. Onderdeel b beschrijft de beleidsmatige component: het college zorgt ervoor, dat het belang van jeugdigen betrokken wordt bij beleidsvorming op andere vlakken, zoals onderwijs, werk en inkomen en wonen. Dat is geheel in lijn met de wens van de Kinderombudsman (zie het jaarverslag 2024). De Kinderombudsman pleit ervoor om bij het maken van regels een kinderrechtentoets uit te voeren. Deze toets helpt beleidsmakers om bij nieuw én bestaand beleid steeds te checken: “Hoe raakt dit kinderen?” Onderdeel c legt een zorgplicht op het college om voorzieningen echt op elkaar af te stemmen, zodat een optimaal effect voor jeugdhulp én jeugdigen wordt bereikt. Denk daarbij aan het inzetten van Wmo- en jeugdhulpvoorzieningen door dezelfde aanbieder (waar mogelijk).
Lid 2. Gaat het om de inzet van jeugdhulp via de genoemde organisaties, dan is overleg over de inzet van jeugdhulp belangrijk, om ervoor te zorgen dat de jeugdigen zo goed mogelijk ondersteund worden. Daarover zijn afspraken gemaakt. Artikel 7.2 Overgang 18- naar 18+
Lid 1. Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert meestal het wettelijk kader van waaruit zorg geleverd wordt. Als de jeugdige vanaf dat moment nog hulp nodig heeft, informeert het college de jeugdige over de overgang naar een andere wet, of dat tijdig verlengde jeugdhulp wordt ingezet. Voor een soepele overgang wordt de jeugdige vóór de 18e verjaardag op de hoogte gesteld welke veranderingen er op komst zijn en wat er nodig is om de ondersteuning aan de jeugdige zo goed mogelijk door te laten lopen.
Lid 2. Een belangrijke rol bij een soepele overgang naar een ander wettelijk zorg-kader is weggelegd voor jeugdhulpaanbieders. Zij stellen een ‘perspectiefplan 18+’ op. In dat plan staat wat er nodig is op de verschillende leefgebieden: zorg, onderwijs, werk, vrije tijd, gezondheid en financiën en hoe dat kan worden geregeld.
Lid 3. Het perspectiefplan wordt niet solo geschreven door de jeugdhulpaanbieder, maar de betrokkenen (jeugdige, ouders en college) krijgen daarbij ook een rol. De regie ligt echter bij de jeugdhulpaanbieder.
Hoofdstuk 8 – Klachtregeling, vertrouwenspersoon en inspraak Artikel 8.1 Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten. Het gaat dan over klachten m.b.t. gedrag van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn, zoals Toegang Tilburg in het kader van deze verordening. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoerig geregeld. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouders zich richten tot de jeugdhulpaanbieder. Dat is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. Jeugdwet.
Artikel 8.2 Vertrouwenspersoon Met de vertrouwenspersoon wordt een vertrouwenspersoon van ‘Jeugdstem’ bedoeld, de organisatie van vertrouwenspersonen binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor deze functie. Het is aan de gemeente om de inzet van vertrouwenspersonen waar mogelijk te faciliteren. Artikel 8.3 Inspraak In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap/inspraak bij de gemeente. Daarmee wordt voldaan aan de verplichting om in de verordening daarover regels te stellen. Het betreft de inspraak van inwoners op de voorbereiding van besluiten. Besloten is om die inspraak langs de lijn van de Sociale Raad Tilburg te laten verlopen. Zij zijn in dit kader het aangewezen orgaan om het geluid van de inwoners te vertolken. De mogelijkheid tot inspraak/medezeggenschap tegenover de jeugdhulpaanbieder is geregeld in artikel 4.2.4 e.v. Jeugdwet.
Hoofdstuk 9 - Slotbepalingen Artikel 9.1 Hardheidsclausule Niet alle situaties kunnen in een verordening ‘geregeld’ worden. Omdat de Jeugdwet een maatwerkkarakter heeft, is het van belang dat er een hardheidsclausule is. Daarop kan een beroep worden gedaan als in bijzondere gevallen toepassing van de regels voor de jeugdige of zijn ouders onredelijk uitwerkt. Artikel 9.2 Nadere regels jeugdhulp In deze verordening zijn kaderstellende regels opgenomen, ter uitvoering van wettelijke verplichtingen, op grond van een aantal artikelen uit de Jeugdwet. Soms is het praktisch om meer op uitvoeringsniveau regels te maken die de kaderstellende regels verder invullen. Denk bijvoorbeeld aan regels over de functie en inhoud van het budgetplan (zie artikel 4.4). Dergelijke regels worden ‘nadere regels’ genoemd en zijn een verantwoordelijkheid van het college. De gemeenteraad moet echter wel in de verordening daarvoor de grondslag scheppen. Dat is in dit artikel gedaan voor wat betreft een aantal thema’s die verder door het college kunnen worden ingeregeld. Artikel 9.3 Intrekking oude verordening
Lid 1. Dit spreekt voor zichzelf Lid 2. Uitgangspunt van regelgeving is, dat bij de inwerkingtreding van een nieuwe regeling is die regeling direct van toepassing is op alle besluiten die vanaf dat moment worden genomen. Om voor zgn. doorlopende voorzieningen onduidelijkheid te voorkomen, is in dit lid bepaald dat dergelijke voorzieningen hun rechtskracht behouden, totdat anders is beslist.
Lid 3. Deze - nieuwe – verordening is direct van toepassing op alle aanvragen waarop nog niet is beslist op de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Lid 4. Op de behandeling van bezwaarschriften blijft de ‘oude’ regeling van toepassing, tenzij de nieuwe gunstiger is voor de jeugdige of zijn ouders. Artikel 9.4 Inwerkingtreding Dit artikel spreekt voor zich.