Raadsvoorstel Ongegrond verklaren bezwaar op Bp Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4)
Tekst van het document
raad 2024_1527 definitief
Voorblad Raadsvoorstel Ongegrond verklaren bezwaar op Bp Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4) Datum college: Portefeuillehouder: Afdeling:
Niet van toepassing Niet van toepassing Commissie voor de bezwaarschriften
Samenvatting Op 16 december 2-10 stelde de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘Berkel 2018, 9e herziening (Durendaelweg 2-4)’ vast Hiertegen is bezwaar ingediend en de Commissie voor de Bezwaarschriften heeft advies uitgebracht. Dit advies dient zij, voorzien van een voorstel aan de raad, in middels dit voorstel.
Ontwerpbesluit De raad van de gemeente Tilburg: beschikkende op het bezwaar, gericht tegen het besluit van 26 juni 2020, inhoudende het afwijzen van het verzoek om het bestemmingsplan “Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4)” voor wat betreft de bouwhoogte van de woningen te wijzigen, gezien het voorstel van de Commissie voor de bezwaarschriften; gelet op artikel 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening gelet op de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit Het bezwaar van bezwaarmakers, gericht tegen het besluit van 26 juni 2020, inhoudende het afwijzen van het verzoek om het bestemmingsplan “Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4)” voor wat betreft de bouwhoogte van de woningen te wijzigen, ongegrond te verklaren.
raad 2024_1527 definitief
1/6
Raadsvoorstel Raadsvoorstel Ongegrond verklaren bezwaar op Bp Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4) Aanleiding Op 16 december 2019 stelde de gemeenteraad het bestemmingsplan “Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4) gewijzigd vast. Hiertegen is door omwonenden beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). Hangende dit beroep heeft het college namens de raad bij de AbRS bij brief van 6 april 2020 verzocht om zelf in de zaak te voorzien. Voorgesteld is om de bouwhoogte van twee in het bestemmingsplan opgenomen patiowoningen te maximeren op 8,2 meter. Het voorstel is gedaan in het kader van finale geschillenbeslechting, naar aanleiding van een vaststellingsovereenkomst tussen de omwonenden en de eigenaren van de percelen waarop de woningen zijn gerealiseerd. De AbRS is vervolgens niet toegekomen aan inhoudelijke behandeling van het beroep omdat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Bij brief van 8 juni 2020 hebben omwonenden de raad gevraagd om de verbeelding bij het bestemmingsplan te wijzigen voor wat betreft de bouwhoogte van de woningen. Uit de brief van 8 juni 2020 blijkt dat het verzoek ertoe strekt om de verbeelding aan te passen conform hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen.
Het college heeft de omwonenden bericht geen raadsvoorstel voor te bereiden tot ambtshalve aanpassing van het bestemmingsplan. De reden hiervoor is dat het bestemmingsplan niet is vernietigd door de AbRS, waardoor geen reden bestaat om tot een wijziging over te gaan. Hiertegen hebben de bezwaarmakers bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat voornoemde brief volgens hem niet gezien kan worden als een aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan in de zin van artikel 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening. De reden daarvoor is volgens het college dat de gemeente geen partij was bij de vaststellingsovereenkomst, uit deze overeenkomst voor de gemeente geen verplichtingen voortvloeien en dat in de brief slechts wordt gesproken over het corrigeren van het bestemmingsplan en het herstellen van een omissie. Omdat het bestemmingsplan niet is vernietigd door de AbRS bestaat er geen reden om tot wijziging over te gaan, aldus het college. In de daarop volgende beroepsprocedure oordeelde de AbRS in de uitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:608, echter dat er, gelet op de omstandigheden, wel degelijk sprake is van een aanvraag. De AbRS heeft de beslissing op bezwaar vernietigd hetgeen ertoe leidt dat er een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen waarbij alsnog inhoudelijk op het bezwaar wordt beslist.
Daartoe dienen wij thans dit raadsvoorstel in.
Voorstel Wij stellen voor het bezwaar ongegrond te verklaren. Dat betekent dat na heroverweging het besluit van 6 oktober 2020 in stand wordt gelaten, onder aanvulling van de in dit besluit gegeven motivering. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten dient te worden afgewezen.
Argumenten Tijdens een op 13 september 2023 gehouden hoorzitting hebben bezwaarmakers en een vertegenwoordiging van de afdeling Ruimte de gelegenheid gehad zich te laten horen door de Commissie voor de bezwaarschriften. Van deze gelegenheid is door beide partijen gebruik gemaakt. De bezwaren Bezwaarmakers stellen – kort samengevat – dat er thans nog steeds sprake is van een omissie in het bestemmingsplan voor zover het de hoogte betreft. Het enkele feit dat de gemeente geen partij is bij de vaststellingsovereenkomst, zou niet betekenen dat de gemeente zich niet gebonden hoeft te achten aan
raad 2024_1527 definitief
2/6
hetgeen partijen daarin hebben opgenomen. De gemeente zou met het vaststellingsbesluit en de brief van 6 april 2020 bij bezwaarmakers het vertrouwen hebben gewekt dat het bestemmingsplan conform de vaststellingsovereenkomst zou worden vastgesteld. Beoordeling/heroverweging Wij merken op dat de beslissing om wel of niet het bestemmingsplan te herzien bij de raad ligt. Bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar dient de raad een volledige heroverweging te maken op grond van het ingediende bezwaar. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden meegenomen. 1. Er is geen sprake van een omissie in het bestemmingsplan Wij zijn van mening dat er geen sprake is van een omissie. Het kan zo zijn dat het bestemmingsplan niet is vastgesteld conform de vaststellingsovereenkomst. Dat neemt niet weg dat de in het bestemmingsplan vastgestelde maximale bouwhoogte ons inziens voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Dat is hetgeen ons inziens moet worden getoetst. Wij merken hierbij op dat de bouwhoogte in overeenstemming is met de standaard bestemmingsplansystematiek van de gemeente Tilburg. Er zijn in planologisch opzicht geen redenen van die systematiek af te wijken. Weliswaar hadden wij ten tijde van de vaststellingsovereenkomst kunnen instemmen met de verlaging van de maximale bouwhoogte in het bestemmingsplan.
Dat is nu niet meer aan de orde vanwege de realisering van het bouwplan conform de verleende omgevingsvergunning. Het zou namelijk betekenen dat wij aan derden een belastend besluit opleggen terwijl die derden daar niet om hebben verzocht en er uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen reden voor is. Verzocht is de bouwhoogte voor de twee patiowoningen vast te stellen op 8,2 meter. De maximale bouwhoogte is evenwel vastgesteld op 9 meter. De woningen zijn met een omgevingsvergunning gerealiseerd met een hoogte van 8,8 meter. Ex nunc toetsend betekent dat het verzoek thans in wezen neerkomt om een hoogte van 60 centimeter onder overgangsrecht te plaatsen. In dat verzoek kunnen wij niet meegaan. Overgangsrecht is een tijdelijke situatie die uiteindelijk met zich brengt dat de feitelijke situatie zou moeten worden aangepast aan de juridische situatie of andersom. Gezien het feit dat er een vergunning is verleend, is het aanpassen van de feitelijke situatie niet aan meer de orde. Het aanpassen van de juridische situatie is evenmin aan de orde. Dat zou in strijd zijn met de rechtszekerheid voor de vergunninghouder en de huidige eigenaars. Het zou bovendien nergens toe leiden. Het is niet toegestaan om de toegestane bouwhoogte van een bestaand bouwwerk zomaar te verlagen en onder het overgangsrecht te brengen.
Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS, zie onder meer de uitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:281, geldt het beginsel dat een bestaand legaal bouwwerk bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig positief wordt bestemd. Hierop is een uitzondering mogelijk als de oude bestemmingsplanregeling op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen (vgl. AbRS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2447). Aan deze voorwaarde wordt niet voldaan. Daarbij komt dat indien de bouwhoogte wordt beperkt tot de huidige 8,8 meter in het bestemmingsplan ook moet worden geregeld dat geen gebruik kan worden gemaakt van een (binnenplanse) afwijkingsmogelijkheid omdat anders de bouwhoogte alsnog veel hoger zou kunnen worden. In de brief van 6 april 2020 heeft de raad niet erkend dat de bouwhoogte van 9 meter ruimtelijk niet aanvaardbaar zou zijn. In beroep heeft de raad altijd de stelling gehandhaafd dat 9 meter ruimtelijk aanvaardbaar was. Enkel het sluiten van de vaststellingsovereenkomst (waarbij de gemeente geen partij was) vormde aanleiding voor die brief. Wij zien dan ook geen planologische argumenten waarom de maximale bouwhoogte van 9 meter niet meer in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. 2.
Beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen Voor wat betreft de stelling van bezwaarmakers dat de gemeente met het vaststellingsbesluit en de brief van 6 april 2020 bij bezwaarmakers het vertrouwen heeft gewekt dat het bestemmingsplan conform de vaststellingsovereenkomst zou worden vastgesteld, merken wij het volgende op.
raad 2024_1527 definitief
3/6
In heroverweging moet beoordeeld worden in hoeverre de raad gebonden is aan het eerdere aanbod om de bouwhoogte aan te passen. De AbRS beoordeelt een beroep op het vertrouwensbeginsel sinds haar uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, aan de hand van drie stappen. 1. stap 1: is er sprake van een toezegging? 2. stap 2: kan de toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend? 3. stap 3: staan er zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg? Voor voornoemde stap 1 is van belang of sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Het is aan degene die zich op de toezegging beroept om het bestaan daarvan te onderbouwen. Er is overigens geen sprake van een toezegging als er uitdrukkelijk over het concrete geval aan de betrokkene een voorbehoud is gemaakt. Het staat vast dat de raad met zijn brief van 6 april 2020 steun heeft uitgesproken voor het opnemen van een maximale bouwhoogte van 8,8 meter. Dit kan naar onze mening worden beschouwd als een welbewuste standpuntbepaling van het bevoegde bestuursorgaan.
Het is daarbij wel de vraag of de mededeling richting de AbRS dat het aanbod enkel wordt gedaan om finale geschillenbeslechting te bevorderen kwalificeert als voorbehoud. Ten eerste is het voorbehoud niet rechtstreeks richting de betrokken burgers (waaronder bezwaarmakers) gemaakt. Ten tweede kan hieruit niet worden opgemaakt dat de raad zijn standpunt verlaat zodra voorliggende beroepsprocedure zou zijn beslecht. Van een toezegging in de zin die de rechtspraak hieraan toekent, is naar onze mening derhalve geen sprake. Wat betreft stap 2 staat naar onze mening voldoende vast dat deze is toe te rekenen aan de raad als zijnde het bevoegd orgaan. Het gaat er bij toerekening namelijk om dat de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat deze personen de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkten. Gelet op het feit dat de brief van 6 april 2020 door het college is ondertekend en is ingebracht in een beroepsprocedure tegen een besluit van de raad, kan deze uitlating aan de raad worden toegerekend. Vervolgens is in het kader van stap 3 nog de vraag of er zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Het kan daarbij gaan om het algemeen belang of de belangen van derden (zie onder meer de uitspraak van de AbRS van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:638).
Bezwaarmakers stellen dat een lagere bouwhoogte gunstiger is, maar de huidige eigenaren van de percelen waarvoor de lagere bouwhoogte komt te gelden kunnen hier anders over denken. Wij zijn dan ook van mening dat aan de belangen van de huidige eigenaren van de percelen meer gewicht moet worden toegekend dan aan de belangen van bezwaarmakers. Temeer daar de huidige eigenaren van de percelen geen partij zijn bij de vaststellingsovereenkomst en zich dus niet hebben gecommitteerd aan de lagere bouwhoogte. In de belangenafweging speelt ook de vraag welke belang bezwaarmakers hebben bij aanpassing van het bestemmingsplan nu er woningen zijn gebouwd met een hoogte van 8,8 meter waarvoor een onherroepelijk omgevingsvergunning is verleend. Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat het vertrouwensbeginsel er niet toe noopt dat de raad gehouden is de maximale bouwhoogte in het bestemmingsplan te verlagen. Ten eerste is de brief van de raad tijdens de bestemmingsplanprocedure enkel bedoeld om een einde te maken aan de beroepsprocedure en is de brief niet gericht aan bezwaarmakers. Ten tweede staan de belangen van derden (de huidige eigenaren) in de weg aan wijziging van het bestemmingsplan.
Samenvattend De inhoudelijke beoordeling zoals de AbRS heeft bevolen in zijn uitspraak van 15 februari 2023 leidt ertoe dat het bezwaar alsnog op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen nu niet valt in te zien dat de bouwhoogte niet voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
Vervolg Indien de raad instemt met het voorstel zal de griffie het raadsvoorstel en ondertekende raadsbesluit doorsturen naar het Secretariaat van de afdeling Juridische Zaken. Deze zal de bezwaarmakers een afschrift van het raadsvoorstel en raadsbesluit toesturen.
raad 2024_1527 definitief
4/6
Tilburg, 24 januari 2024 De Commissie voor de Bezwaarschriften, de secretaris, mr. R. Visser
de voorzitter, mr. J.M.B. van Overdijk
raad 2024_1527 definitief
5/6
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
-
beschikkende op het bezwaar, gericht tegen het besluit van 26 juni 2020, inhoudende het afwijzen van het verzoek om het bestemmingsplan “Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4)” voor wat betreft de bouwhoogte van de woningen te wijzigen, gezien het voorstel van de Commissie voor de bezwaarschriften; gelet op artikel 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening gelet op de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit het bezwaar van bezwaarmakers, gericht tegen het besluit van 26 juni 2020, inhoudende het afwijzen van het verzoek om het bestemmingsplan “Berkel 2008, 9e herziening (Durendaelweg 2-4)” voor wat betreft de bouwhoogte van de woningen te wijzgen, ongegrond te verklaren.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 februari 2024, de griffier,
voorzitter,