Raadsvoorstel Beslissing op bezwaar besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht op gronden aan de Bredaseweg Watertorenstraat te Tilburg (1)
Tekst van het document
Voorblad Raadsvoorstel Beslissing op bezwaar besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht op gronden aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg Datum college:
N.v.t.
Afdeling:
Commissie voor de Bezwaarschriften Jac Willemse
Secretaris commissie:
Samenvatting Op 18 november 2024 heeft de gemeenteraad een voorkeursrecht gevestigd op 9 percelen aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg. Hiertegen is door Brabant Water N.V. (die 4 van de 9 percelen in eigendom heeft; hierna bezwaarmaker) bezwaar ingediend en de Commissie voor de Bezwaarschriften heeft advies uitgebracht. Dit advies dient zij, voorzien van een voorstel aan de raad, in middels dit voorstel. De voorkeursrechtbeschikking van 18 november 2024 voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarom adviseert de commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de voorkeursrechtbeschikking in stand te laten.
Ontwerpbesluit De commissie voor de bezwaarschriften stelt de raad voor om: •
• • •
beschikkende op het bezwaar gericht tegen het besluit van 18 november 2024 tot het vestigen van voorkeursrecht op 9 percelen aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg, met kenmerk 2024-1650; gezien het voorstel van de Commissie voor de bezwaarschriften; gelet op de artikelen 9.1 eerste lid sub c, 9.1 tweede lid, 9.4 derde lid, 9.5 eerste lid en 16.82.a eerste lid van de Omgevingswet; gelet op de Algemene wet bestuursrecht;
te besluiten: • het bezwaar ongegrond te verklaren; • het besluit van 18 november 2024 in stand te laten.
Raadsvoorstel Beslissing op bezwaar besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht op gronden aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg Aanleiding Bij besluit van 15 oktober 2024, verzonden op 21 oktober 2024, heeft het college van burgemeester en wethouders (verder te noemen: het college) op grond van artikel 9.1 lid 2 Omgevingswet een (voorlopig) voorkeursrecht gevestigd op de bij dat besluit aangewezen gronden. Dit besluit geldt maximaal 3 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding. Dat tijdstip van inwerkingtreding is 18 oktober 2024, zijnde de datum waarop voornoemd besluit is ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster. Voorts heeft het college bij besluit van 15 oktober 2024 een voorstel aan de raad gedaan tot het nemen van een opvolgende voorkeursrechtbeschikking door de raad op grond van het bepaalde in artikel 9.1 lid 1 sub c van de Omgevingswet. Het ontwerp van dat raadsbesluit is als bijlage bij de voorkeursrechtbeschikking van het college gevoegd. Bezwaarmaker is gedurende 14 dagen in de gelegenheid gesteld om daartegen een zienswijze in te dienen. Bezwaarmaker heeft tegen het besluit van 15 oktober 2024 bezwaar gemaakt op 3 december 2024. Op 18 november 2024 heeft de gemeenteraad besloten: 1.
ten behoeve van de gemeente Tilburg op grond van artikel 9.1 lid 1 sub c van de Omgevingswet een voorkeursrecht in de zin van hoofdstuk 9 Omgevingswet te vestigen op de gronden, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende kadastrale tekening en percelenlijst, een en ander voor de toegedachte functie woningbouw en commerciële en/of maatschappelijke en/of aanverwante voorzieningen (inclusief groen). 2. met betrekking tot de aangewezen gronden binnen 3 jaar na het ingaan van het raadsbesluit over te gaan tot het vaststellen van een planologisch besluit voor de toegedachte functie, hetzij via ofwel een programma ofwel een omgevingsvisie voor deze locatie, ofwel een wijziging van het omgevingsplan. Het voorkeursrecht ziet op een negental percelen aan de Bredaseweg / Watertorenstraat, waarvan de hierna genoemde percelen (verder tezamen te noemen: "de onroerende zaak") bij bezwaarmaker in eigendom zijn: - kadastraal gemeente Tilburg, sectie P, nummer 7073, groot 17 m2; - kadastraal gemeente Tilburg, sectie P, nummer 7030, groot 6626 m2; - kadastraal gemeente Tilburg, sectie P, nummer 4474, groot 1940 m2; - kadastraal gemeente Tilburg, sectie P, nummer 4579, groot 505 m2. Bezwaarmaker heeft tegen het besluit van 18 november 2024 bezwaar gemaakt op 27 januari 2025 en dit is ontvangen op 30 januari 2025.
Tijdens een op 21 mei 2025 gehouden hoorzitting heeft bezwaarmaker haar bezwaren nader uiteengezet in een aangeboden pleitnotitie. De bezwaren komen erop neer dat een onjuiste procedure is gevolgd in het kader van het vestigen van het voorkeursrecht door het college. Verder wordt gesteld dat gezien de wijze waarop bezwaarmaker met de gemeente Tilburg in gesprek was over onder meer deze gronden en de taakstelling van bezwaarmaker, de gemeenteraad niet had kunnen overgaan tot het vestigen van een voorkeursrecht. Bezwaarmaker vraagt daarbij aandacht voor de positie van de gemeente Tilburg, als zijnde één van de aandeelhouders van bezwaarmaker.
De commissie voor de bezwaarschriften heeft een advies uitgebracht over dit bezwaarschrift en voor het nemen van een beslissing op bezwaar dienen wij thans dit raadsvoorstel in.
Voorstel Wij stellen de raad voor om te besluiten: 1. het bezwaar ongegrond te verklaren; 2. de voorkeursrechtbeschikking van 18 november 2024 in stand te laten.
Argumenten Er kleven geen gebreken aan de totstandkoming van de voorkeursrechtbeschikking van 18 november 2024. De bevoegdheid van het college en van de raad om een voorkeursrecht te vestigen zijn twee afzonderlijke trajecten. Ook zonder een voorafgaande vestiging van een voorkeursrecht door het college, kan de raad een voorkeursrecht vestigen. Ten aanzien van het door de raad op 18 november 2024 gevestigde voorkeursrecht, stellen we vast dat dit ingevolge artikel 16.82a lid 1 van de Omgevingswet tijdig is ingeschreven in de openbare registers (namelijk op 14 januari 2025) en tijdig is bekend gemaakt aan bezwaarmaker (eveneens op 14 januari 2025). Hier kleven dus geen gebreken aan. We komen dan verder niet meer toe aan de argumenten die bezwaarmaker heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat aan de voorkeursbeschikking van het college van 15 oktober 2024 gebreken kleven. Het door het college gevestigde voorkeursrecht is vervallen. In artikel 9.4, derde lid, van de Omgevingswet is bepaald dat een voorkeursrecht dat door het college is gelegd, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht dat door de raad is gevestigd, ingaat. Het door het college op gevestigde voorkeursrecht is op 18 oktober 2024 (het tijdstip van inschrijving in de openbare registers) in werking getreden.
Nu het door de raad gevestigde voorkeursrecht op 14 januari 2025 (het tijdstip van inschrijving in de openbare registers) in werking is getreden, kunnen we vaststellen dat het door het college gevestigde voorkeursrecht is vervallen. Het bezwaar dat is gericht tegen de voorkeursbeschikking van het college is gericht tegen de voorkeursbeschikking van de raad. In artikel 16.32.c, eerste lid, van de Omgevingswet is bepaald dat als bezwaar aanhangig is tegen een voorkeursrechtbeschikking van het college en die beschikking vervalt omdat voor de onroerende zaak een voorkeursrechtbeschikking van de raad in werking is getreden, dat dan het wordt bezwaar geacht te zijn gericht tegen de voorkeursrechtbeschikking van de raad. Omdat we hebben vastgesteld dat de voorkeursrechtbeschikking van het college is vervallen, is hier dus sprake van een situatie waarbij het bezwaar wordt bezwaar geacht te zijn gericht tegen de voorkeursrechtbeschikking van de raad. De voorkeursrechtbeschikking van de raad voldoet aan de gestelde vereisten. Zoals Bezwaarmaker in haar bezwaar heeft gesteld en verder tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften heeft toegelicht, is gebleken dat zij de beste intenties heeft met betrekking tot de onroerende zaak en dat haar handelen niet gericht is op winstmaximalisatie.
Gezien de taakstelling van Bezwaarmaker begrijpen wij dat van haar niet kan worden verwacht dat zij zelf overgaat tot ontwikkeling van de onroerende zaak. Eveneens begrijpen wij de positie van Bezwaarmaker, waarbij zij vanuit een constructieve opstelling gesprekken heeft gevoerd met de gemeente Tilburg (die overigens ook één van de aandeelhouders is van Bezwaarmaker) en dat zij vanuit die optiek geschrokken is van het gevestigde voorkeursrecht. Het vestigen van het voorkeursrecht beperkt het eigendomsrecht niet onevenredig. De vestiging van het voorkeursrecht door de raad op het perceel van Bezwaarmaker is niet onevenredig. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de inbreuk op het eigendomsrecht in zoverre beperkt is dat Bezwaarmaker niet gestoord wordt in het gebruik van het perceel, maar enkel beperkt wordt in de vrijheid om het perceel aan een ander over te dragen. Voor zover Bezwaarmaker vreest dat zij gelet op het belang van de andere aandeelhouders bij aankoop van het perceel door de gemeente geen marktconforme prijs krijgt, is die vrees ongegrond. Van belang is dat met de Omgevingswet in bescherming van de financiële belangen van de eigenaar is voorzien.
Als Bezwaarmaker over zou gaan tot aanbieding van zijn perceel aan de gemeente, moet de gemeente haar een marktconforme prijs voor het perceel aanbieden, die zo nodig door een onafhankelijke deskundige en onder de regie van de rechtbank kan worden vastgesteld. De gemeente is gehouden de gronden te verwerven op basis van een prijs die in het commerciële verkeer tot stand zou zijn gekomen tussen redelijk handelende en denkende partijen, dat wil zeggen een marktconforme prijs zonder een buitensporig prijsopdrijvend effect als gevolg van speculatie. De Omgevingswet biedt op basis van artikel 9.16 voldoende waarborgen om tot een marktconforme prijs te komen. Dit alles resulteert er niet in dat de voorkeursbeschikking van de raad niet in stand kan blijven. Immers, deze voldoet aan de vereisten van artikel 9, eerste lid onder c van de Omgevingswet, waar is bepaald dat aan de onderhavige locatie een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedacht in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of een programma en niet is toegedeeld in een omgevingsplan. Tijdens de hoorzitting is dit overigens erkend door Bezwaarmaker. Voor de volledige motivering wordt verwezen naar het bijgevoegde advies van de commissie voor de bezwaarschriften.
Kanttekeningen en gewogen alternatieven 1. Tegen de beslissing op bezwaar kan in beroep worden gegaan bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. 2. Indien de raad het bezwaar gegrond zou verklaren en de voorkeursrechtbeschikking zou herroepen, dan ligt er geen voorkeursrecht meer op de onroerende zaak. Indien Bezwaarmaker dan tot verkoop over zou willen gaan, dan is zij niet meer verplicht om deze eerst aan de gemeente aan te bieden. Het recht van eerste recht van koop van de gemeente is dan namelijk niet meer aan de orde. De gemeente verliest dan de grip en regie op in aanloop naar toekomstige, gewenste, ruimtelijke ontwikkelingen op de onroerende zaak.
Communicatie Indien de raad instemt met het voorstel wordt het raadsbesluit (de beslissing op bezwaar) samen met het advies van de commissie voor de bezwaarschriften toegezonden aan bezwaarmaker. Bezwaarmaker is voorafgaand aan de behandeling in de raad gewezen op de mogelijkheid om het raadsvoorstel in te zien.
Bijlagen -
Advies commissie voor de bezwaarschriften d.d. 5 juni 2025; Verslag van de hoorzitting van 21 mei 2025 bij de commissie voor de bezwaarschriften; Bezwaarschrift van 27 januari 2025; Raadsbesluit tot het vestigen van voorkeursrecht op 9 percelen aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg, van 18 november 2024; Raadsvoorstel tot het vestigen van voorkeursrecht op 9 percelen aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg, van 18 november 2024.
Tilburg, 5 juni 2025 De commissie van de bezwaarschriften,
de secretaris, mr. J.A.C.J.M. Willemse
de voorzitter, mr. J.M.B. van Overdijk
Raadsbesluit De raad van de gemeente Tilburg; -
-
beschikkende op het bezwaar gericht tegen het besluit van 18 november 2024 tot het vestigen van voorkeursrecht op 9 percelen aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg, met kenmerk 2024-1650; gezien het voorstel van de Commissie voor de Bezwaarschriften; gelet op de 9.1 eerste lid onder c, 9.1 tweede lid, 9.4 derde lid, 9.5 eerste lid en 16.82.a eerste lid van de Omgevingswet; gelet op de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit -
het bezwaar ongegrond te verklaren; het besluit van 18 november 2024 in stand te laten.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van
de griffier,
In overeenstemming met het ondertekeningsmandaat raadsstukken worden raadsbesluiten alleen door de griffier ondertekend.