CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Nota van zienswijzen en wijzigingen Uiterste stuiver West 3

Raadsvergadering 24 november 2025, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan ‘Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 3e herziening (Uiterste Stuiver West 3)’2.807 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van zienswijzen en staat van wijzigingen bestemmingsplan 'Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 3e herziening (Uiterste Stuiver West 3)'. Het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 3e herziening (Uiterste Stuiver West 3)' heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken, van maandag 27 september tot en met 8 november 2021 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Zienswijzen konden worden ingediend door eenieder. Er zijn in totaal twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn gedurende de termijn ingediend en zijn zodoende ontvankelijk. Hierna volgt een zakelijke, puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijzen en het standpunt van de gemeente hierover. Het standpunt is gebaseerd op de volledige tekst van de zienswijze; er heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. N.B.: in verband met de toepassing van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven. Zienswijzen Zienswijze 1 – provincie Noord-Brabant 1.1

Vestiging bedrijf op grond van de Iov

Reactie gemeente

Gevraagd wordt om nader te onderbouwen waarom het te vestigen bedrijf niet gezien moet worden als agrarisch verwant of agrarisch technisch hulpbedrijf zodat het inpasbaar is binnen de regels van de Interim Omgevingsverordening (Iov). De provincie is van mening dat de locatie passend is binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. De provinciale reactie is gestoeld op de toen geldende versie van de Iov. In dit zienswijzenverslag sluiten wij hierbij aan. Inmiddels geldt de (TAM)omgevingsverordening (Ov). De regels in deze omgevingsverordening zijn inhoudelijk vergelijkbaar met de Iov. In de Iov (Interim Omgevingsverordening) worden agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch-verwante bedrijven alleen passend geacht binnen het Gemengd Landelijk Gebied (artikel 3.61 Iov). Hieruit kan impliciet worden afgeleid dat vestiging van dergelijke functies niet passend is binnen het gebied met groenblauwe waarde welk gebied hier van toepassing is. In de Iov wordt een agrarisch-technisch hulpbedrijf als volgt gedefinieerd: bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, waaronder loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking.

Het bedrijf Biofreshi richt zich op de locatie aan de Uiterste Stuiver West uitsluitend op het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van landbouwproducten. Deze handelingen vallen onder het vervoeren of bewerken van agrarische producten. Er is dan ook sprake van een agrarisch technisch hulpbedrijf. In de toelichting van de Iov is echter bij artikel 3.61 opgenomen dat binnen de groenblauwe mantel toch agrarisch-technische bedrijven toelaatbaar zijn, mits sprake is van een kleinschalige ontwikkeling en voldaan wordt aan de eisen van artikel 3.73. Dit artikel heeft betrekking op de vestiging van een nietagrarische functie (niet zijnde een agrarisch technische of agrarisch verwant bedrijf) in het landelijk gebied.

De vestiging van Biofreshi is kleinschalig. Weliswaar is er sprake van een behoorlijke oppervlakte, maar de oppervlakte is fors kleiner dan de op grond van de Iov maximaal toegestane oppervlakte van een agrarisch-technisch bedrijf. Daarnaast is er geen verdere groei van het bedrijf mogelijk, zowel met betrekking tot de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing als met betrekking tot de oppervlakte van de bestemming ‘Bedrijf’. De bedrijfsbestemming is immers ingeklemd tussen verkeers-, natuur- en groenbestemmingen en kan dus niet meer groeien. Daarnaast is ook de aard van het bedrijf (een bedrijf in categorie 2) vastgelegd zodat omschakeling naar een zwaarder agrarischtechnisch bedrijf niet mogelijk is. Hiermee is de vestiging van dit bedrijf gewaarborgd. In de toelichting van het bestemmingsplan is onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 3.73 van de Iov wordt voldaan. Het gaat erom dat er in groenblauwe mantel geen nieuwe grootschalige bedrijvigheid plaatsvindt. Hier wordt met deze ontwikkeling invulling aan gegeven.

1.2

Conclusie

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan. Wel wordt in de toelichting de bovenstaande motivering opgenomen.

Landschappelijke inpassing en compensatie

a. Het inpassingsplan geeft niet voldoende weer welke maatregelen nieuw zijn; b. De onderbouwing ontbreekt, waarom de gekozen inpassing bijdraagt aan versterking van het landschap behorend tot de groenblauwe mantel op grond van artikel 3.32 IOV; c. Er worden maatregelen toegevoegd aan de berekening van de benodigde investering in het landschap die niet mogen worden opgevoerd (zoals groene daken, sloop bestaande loods).

Reactie gemeente

Ad a Het inpassingsplan is aangevuld en aangepast zodat nu duidelijk is welke maatregelen direct gekoppeld zijn aan de investering die plaatsvindt. Ad b Gelet op de ligging van de locatie in de directe nabijheid van het stedelijk gebied en een sterk gemengde agrarische omgeving en, de noodzaak van een goede bereikbaarheid van dit bedrijf qua ligging en ontsluiting is er een afweging geweest van de inpassing. Hierover is er meermaals overleg geweest tussen de stedenbouwkundigen en landschapsontwerper van gemeente en initiatiefnemer. Vanwege de ligging in een sterk gemengde agrarische omgeving, als overgang tussen bestaand stedelijk gebied en buitengebied, komt het samenspel tussen landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit samen. Gekozen is om hier invulling aan te geven door de nieuwe bedrijfsloods niet direct uit het zicht te onttrekken vanaf de N632 maar uit te voeren met een gedeeltelijke ‘groene muur’, in plaats van hout. Aan de westzijde van het nieuwe pand wordt een struweelhaag van 4 meter aangelegd waardoor de manoeuvreerruimte en laaddocks uit het zicht van de N632 worden onttrokken. Ondanks de vergroting van de loods binnen het plangebied wordt deze, door middel van het beeldkwaliteitsplan én de landschappelijke inpassing, passend geacht in de omgeving.

Met deze ontwikkeling worden de reeds aanwezige ecologische én landschappelijke waarden en kenmerken in stand gehouden en versterkt. Deze waarden zijn reeds beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan, op locatie zijn reeds groenvoorzieningen aanwezig welke worden verstrekt en behouden. Ad c De provincie merkt terecht op dat er maatregelen opgenomen zijn in de berekening die niet bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. Het ziet onder andere op de sloop van de stallen en het toevoegen van een sedum dak. Deze onderdelen zijn in overleg met initiatiefnemer uit de berekening gehaald. In overleg met initiatiefnemer is besloten de benodigde investering in het landschap financieel te compenseren en deze direct te koppelen aan een project binnen de gemeente Tilburg waar een opgave ligt. Het gaat om het natuurontwikkelingsproject Lange Rekken in de gemeente Gilze-Rijen. Dit project ligt in de nabijheid van Uiterste Stuiverwest 3. Hier vindt onder andere aanleg van plas-dras plaats, deel ter compensatie van de aanleg van de B. Bechtweg.

Figuur 1: in rood is aangegeven waar de investering op ziet

Conclusie

De gronden waar de kwaliteitsverbetering is gepland zijn in ons eigendom. In een allonge op de reeds gesloten overeenkomst kwaliteitsverbetering landschap is de storting in het landschapsfonds afgesproken. De zienswijze leidt tot aanpassing van het plan. In de toelichting en de regels voegen we het aangepaste landschapsplan toe. Verder wordt dit in de toelichting verder onderbouwd.

Zienswijze 2 – Bewoners/eigenaren Uiterste Stuiver West 40 2.1

Locatie bedrijf

Het bedrijf hoort niet in het buitengebied, maar op een bedrijventerrein thuis. Er is sprake van een nieuw gebouw van 1.500 m2 waar eerst een gebouw van 600 m2 mocht. Dit leidt tot een beperking van het uitzicht.

Reactie gemeente

Het bedrijf is sterk aan het landelijk gebied gebonden, doordat het zich richt op het sorteren, klaarmaken, tijdelijk opslaan en de verdeling van biologische landbouwproducten. Deze producten

worden vanaf het land, rechtstreeks met trekker en oplegger of per vrachtwagen naar de het bedrijf gebracht. Het ligt daarom in de rede om het bedrijf in het landelijk gebied, nabij grote wegen te vestigen. Momenteel is er een loods aanwezig welke qua uitstraling niet meer van deze tijd is. De nieuwe loods krijgt een moderne uitstraling waarbij de kleurstellingen worden bepaald aan de hand van de omgevingskleuren, waardoor het aanzicht zal verbeteren. Wat betreft de planologische mogelijkheden is het momenteel al mogelijk om binnen het plangebied een bedrijfsgebouw te realiseren met een goot- en nokhoogte van respectievelijk 7 en 11 meter, dit wordt met de beoogde situatie niet gewijzigd. Hierbij moet worden aangetekend dat de huidige feitelijke bedrijfswoning aan de westzijde van de bedrijfsloods van reclamant is gelegen vanuit waar geen direct zicht mogelijk is op de locatie. Reclamant heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor een nieuwe bedrijfswoning op een locatie op een moment dat zij bekend waren met de plannen van initiatiefnemer. Hiermee hebben zij zichzelf in een eventuele nadelige positie geplaatst. De omvang van het beoogde bedrijf kan nooit meer worden, omdat het perceel ligt ingesloten in een wegenstructuur en een ecologische verbindingszone aan de oostzijde. Hiermee is een (toekomstige) grootschalige ontwikkeling niet mogelijk.

Gezien de directe relatie / aanvoer van de agrarische producten vanaf het land is het niet doelmatig om dit bedrijf op een bedrijventerrein te situeren. Een locatie in het landelijk gebied, nabij grote wegen ligt meer voor de hand. 2.2

Conclusie Omgevingsdialoog

Reactie gemeente

Conclusie

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan. Allereerst merken reclamanten op dat er een omgevingsdialoog met hen heeft plaatsgevonden, maar ook met een directe buur die zelf initiatiefnemers zijn van het plan. De andere personen/bedrijven die zijn benaderd voor de omgevingsdialoog wonen er niet of zitten te ver weg. Reclamanten vinden dit een vreemde gang van zaken. Verder stellen zij zich op het standpunt dat er met de bezwaren die zij kenbaar hebben gemaakt tijdens de omgevingsdialoog niets is gedaan. Bij een omgevingsdialoog is het gebruikelijk om direct omwonenden én omwonenden die zicht hebben op het plangebied te betrekken. Zo is er voor deze ontwikkeling bepaald dat dit 6 woningen betreffen. Het feit dat een aan initiatiefnemer gelieerd bedrijf ook benaderd wordt doet niet af aan het feit dat deze ook direct betrokken is. Als eerste is initiatiefnemer zelf bij alle 6 adressen langs geweest om de beoogde ontwikkeling door te spreken waarna 4 van de 6 adressen akkoord waren met het plan. Daarna is bij de twee overgebleven adressen het plan toegelicht door de ruimtelijke adviseur, waarbij de openstaande vragen zo goed mogelijk zijn beantwoord. In bijlage 17 van de toelichting is het verslag van de omgevingsdialoog weergegeven, hierin zijn ook de vragen opgenomen welke door indiener van de zienswijze zijn gesteld en welke zijn beantwoord. Dit gaat o.a.

over de vragen 1, 3-8 en 10. Alle reacties/vragen vanuit de omgeving zijn tijdens de dialoog of later per mail beantwoord naar de betreffende omwonende. Met de gemaakte opmerkingen is dus wel degelijk rekening gehouden. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan.

2.3

2.4

Geluid

Reclamanten vrezen voor geluidsoverlast van het aantal verkeersbewegingen van en naar het gebied, het gebruik van de laaddocks en koelmotoren. Er is reeds sprake van een hoog belaste omgeving door de aanleg van het Noordwest Tangent. Het is onduidelijk waarom nu mee wordt gewerkt aan de ontwikkeling op deze locatie. Reclamanten zien het bedrijf ook niet als zelfstandig bedrijf maar een onderdeel van het naastgelegen bedrijf.

Reactie gemeente

In het kader van het bestemmingsplan is er een akoestisch onderzoek ‘geluiduitstraling bedrijfsbestemming Uiterste Stuiver 3 West te Tilburg’ uitgevoerd. De locatie ligt naast andere bedrijven en hoofdverkeerswegen. Hier is sprake van gemengd gebied. Het bedrijf is qua geluiduitstraling vergelijkbaar met een cat2 bedrijf. De langtijdgemiddelde geluidbelastingen van activiteiten op het bedrijventerrein en het geluid van de verkeersaantrekkende werking voldoet aan de 50 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 van de VNG. Ter plaatse van de bestaande woningen voldoen de geluidbelastingen eveneens. Hiermee is aangetoond dat bij de bestaande woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Verder betreft (BioFreshi) een zelfstandig bedrijf welke een eigen locatie wil ontwikkelen.

Conclusie Zienswijze Verkeersdruk en verkeersveiligheid

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan. Het plan zorgt voor veel verkeersbewegingen. De Uiterste Stuiver West en de aansluiting op de Vierbundersweg zijn niet toereikend voor vrachtverkeer. Er moet daarnaast voldoende ruimte gegarandeerd blijven voor fietsers. Om het passeren van twee vrachtwagens/trekkers met opleggers mogelijk te maken en voldoende veiligheid voor de fietsers te garanderen moet de rijbaan worden verbreed tot minimaal 6,5 meter. Hiervoor is een plan opgesteld om de Uiterste Stuiver West aan beide zijden te verbreden door middel van asfaltverharding inclusief fundering en grasbetontegels. Zie ook de bijlage bij de regels. De opgewaardeerde straat is voldoende breed om een fietser te passeren zonder dat deze fietsen op de grastegels hoeft te fietsen. Deze grastegels bieden voldoende ruimte om twee vrachtwagens te laten passeren. Aan de zijde van de weg zijn kabels/leidingen gelegen, door gebruik te maken van grastegels blijft het mogelijk om onderhoud uit te voeren aan deze kabels/leidingen. Wanneer de weg volledig wordt verbreed door asfaltering is het niet meer mogelijk onderhoud te plegen aan de leidingen/kabels onder de grond, dit is een onwenselijke situatie. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan. Reclamanten vrezen net als bij het naburig gelegen bedrijf, geuroverlast van het nieuwe bedrijf.

Zij vragen zich af wat er gebeurt met het afvalwater. De locatie zal puur aangewend worden voor het sorteren, wassen, klaarmaken, tijdelijk opslaan en verdeling van biologische producten onder geconditioneerde omstandigheden. Er is geen sprake van bereiden/bakken van de producten waarbij aroma ontstaat. Doordat het proces wordt uitgevoerd onder geconditioneerde omstandigheden wordt eventuele stankhinder zoveel mogelijk tegengegaan. Daarnaast is er conform de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 30 meter opgenomen voor het aspect geur. De woning aan de Uiterste Stuiver-West 40 is gelegen op een afstand van 55 meter, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Reactie gemeente

2.5

Conclusie Stankhinder Reactie gemeente

2.6

Conclusie Watervoorziening

Reactie gemeente

2.7

Conclusie Landschappelijke inpassing

Reactie gemeente

Conclusie

Het huishoudelijk afvalwater zal worden geloosd via een minizuiveringsinstallatie (IBA). De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan. Reclamanten vragen zich of er een bron zal worden geslagen voor de watervoorziening. Indien dat geval is, heeft dit direct gevolgen voor de grondwaterstand op het perceel van cliënten. Op locatie is geen drukriolering aanwezig, het aanleggen van een drukriolering is gezien de afstand en gronden van derden niet wenselijk. Hierdoor dient er alternatieven te worden gezocht. In overleg tussen gemeente, waterschap en initiatiefnemer zijn er afspraken gemaakt met betrekking tot water. Het huishoudelijk afvalwater dat binnen de inrichting ontstaat zal worden geloosd via een minizuivering (IBA). De aan te leggen retentievoorziening voldoet aan de eisen voor het bergen van hemelwater. Er is reeds een grondwaterbron op locatie aanwezig welke voor deze ontwikkeling wordt verplaatst, er komt per saldo geen extra bron bij. Het plan is in het kader van het wettelijk vooroverleg besproken met het Waterschap Brabantse Delta. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing zijn bomen voorzien aan de zijde van de gronden van reclamanten. Zij willen dit niet. Zeker niet nu zij concrete plannen hebben een nieuwe woning te bouwen op het eigen perceel.

Als er ter compensatie bomen moeten worden aangeplant, dan zou het normaal zijn dit op eigen terrein te doen. En niet de omwonenden daarmee te belasten. Er is geen verplichting de kwaliteitsverbetering op het eigen terrein op te lossen. In het openbaar gebied zijn er mogelijkheden om een deel van de inpassing te realiseren. Wij hebben het landschappelijk inpassingsplan goedgekeurd omdat wij van mening is dat o.a. het versterken van de bomenrij langs de Uiterste Stuiver West bijdraagt aan een betere landschappelijke inpassing. Ook op basis van de huidige planologische regeling zouden er overigens bomen geplant kunnen worden binnen de van toepassing zijnde bestemming Verkeer. Planologisch wijzigt hier de regeling niet. Hiervoor zijn de bouwplannen van reclamanten reeds aan de orde gekomen. Ook wat betreft de bekendheid van de plannen en de relatie tot dit plan. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het plan.

Staat van wijzigingen 3.1

Verbeelding

De bestemming Natuur ter plaatse van de wadi wordt gewijzigd in een bestemming Groen. Er wordt een geactualiseerd landschapsplan toegevoegd aan de regels.

3.2

Regels

In de regels wordt een aantal typefouten hersteld. Er wordt een geactualiseerd landschapsplan toegevoegd aan de regels. Bij de voorwaardelijke verplichting met betrekking tot water wordt als toevoeging ook verwezen naar bijlage 16 en de toelichting met betrekking de te realiseren waterretentie. In artikel 3.5.5. wordt een voorwaardelijke verplichting toegevoegd voor de uitvoering van de natuurinclusieve maatregelen zoals deze zijn opgenomen in bijlage 7 en 8.

3.2

Actualisatie onderzoeken

3.3

Toelichting

In verband met de actualisatie van het plan wordt in artikel 14.3.1. verwezen naar de parkeernormen van 2023. De bij de toelichting behorende onderzoeken zijn geactualiseerd. Het betreft hier het ecologisch onderzoek, stikstofonderzoek en de onderbouwingen met betrekking tot parkeren, archeologie, de bomenverordening en natuur- en klimaatadaptief bouwen. In de toelichting is het geactualiseerd landschapsplan en een aangepaste berekening van de kwaliteitsverbetering opgenomen. In de toelichting wordt verwezen naar de geactualiseerde onderzoeken. De waterparagraaf is aangepast en aangevuld in overleg met het waterschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16074705/2