Bijlage 5. Tussenuitspraak d.d. 28 april 2026 rechtbank Zeeland West-Brabant
Tekst van het document
tussenuitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda B e stu u rs recht zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
tussen uitspraak van de voorzieningen rechter van 28 april 2026 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in (le zaken tussen 5.1.2e
(gemachtigde: 5.1.2e
. uit Tilburg, verzoeker ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. het college. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting WonenBreburg. uit Tilburg. vergu nn i nghouder (gemachtigde: 5.1.2e ). Procesverloop
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
Vergunninghouder heeft op 23 mei 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd 1. voor een bouwactiviteit ten behoeve van het project ‘Prikkelarm Wonen Tilburg’. Dit project ziet op 30 prikkelarme wooneenheden, waarvan een als algemene ruimte voor sociaal beheer. De woningen zijn bestemd voor 1 â 2-persoons huishoudens. Het project omvat twaalf grondgebonden, negen rolstoel-beneden- en negen bovenwoningen met bergingen, inclusief’terreininrichting (parkeren, verharding, groen. geluidswal). De bouwactiviteit moet plaatsvinden aan de in Tilburg (kadastraal bekend als gemeente Tilburg. sectie F. nummers 7211, 7212. 7213. 7215). Het college heeft op 20 december 2024 een omgevingsvergunning verleend voor 1 1. de activiteit ‘afwijken van regels in het omgevingsplan’ (buitenplanse omgevingsplanactiviteit ((BOPA)) (het primaire besluit). .
5.1.2e
Verzoeker, wonend en met zijn atmtohandelsbedrijf gevestigd aan de in Tilburg, heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
1.2.
Het college heeft op 2 oktober 2025 een beslissing op bezwaar genomen, waarbij 1.3. het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard (het bestreden besluit). Wel heeft het college het primaire besluit in het bestreden besluit aangevuld door het afwijken van de parkeernorm nader te motiveren en door het opstellen van een beheerplan als voorwaarde toe te voegen aan de omgevingsvergunning. 1 .4.
Verzoeker heeft op 10 november 2025 beroep ingesteld.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
Op 3 maart 2026 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening 1.5. ingediend. 1 .6.
1-let college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft liet verzoek op 14 april 2026 op zitting behandeld. 1.7. 5.1.2e Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker cii diens gemaclitigde, namens liet college 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e en namens vergunninghouder de gernachtigde en en 5.1.2e . Beroeps- en verzoeksgronden Verzoeker voert aaii dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft 2. verleend voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Hij vindt namelijk dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeliiig vaii functies aan locaties (hierna: ETFAL). Om dit te onderbouwen haalt verzoeker de aspecten geluid, locatiekeuze en de aard vaii liet project aan. Daarnaast stelt verzoeker dat liet college bij liet verlenen van de omgevingsvergunning ten oiirechte geen rekening gehouden heeft met de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf en met de vermindering van zijn uitzicht. Ook voert verzoeker aan dat de spuitvrije zone van minder dan tien meter tussen de te bouwen woningeii en zijn als Agrarisch’ bestemde perceel ontoereikend is. dat het bestreden besluit in strijd is met Omgevingsverordcning Noord-Brabant en dat liet opstellen van een beheerplan ten behoeve van de woonsituatie bij de 30 prikkelarme woningen. waar het college mee heeft ingestemd, ten onrechte niet handhaafbaar is.
Tot slot stelt verzoeker dat liet college in liet bestredeii besluit ten onrechte is afgeweken van de parkeernorm uit de Nota Parkeeriiormen Tilburg 2023 en dat liet college ten onrechte de genieenteraad heeft gepasseerd. Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang De voorzieningenrechter neemt aaii dat sprake is van een spoedeisend belang bij 3. liet verzoek om een voorlopige voorziening nu vergunninghouder ter zitting heeft bevestigd dat zij in april 2026 kan en wil starten met de bouw vaii liet project. 1-let verzoek is ontvankelijk en de voorzieningenrechter zal liet verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
Korisluifen en beslissing op het ver:oek De voorzieningenrechter is van oordeel dat iiader onderzoek redelijkerwijs niet 4. kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat ook geen beletsel om uitspraak te doen in de beroepszaak. Artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt de voorzieningenrechter die mogelijkheid. De voorzieningenrechter is vaii oordeel dat liet bestreden besluit een gebrek bevat. 5. De voorzieiiingenrechter stelt liet college in de gelegenheid om dit gebrek te herstellemi. De voorzieningenrechter wijst daarnaast het verzoek om een voorlopige voorzienimig echter af op grond van een belangenafeging. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en elke verdere gevolgen dit oordeel heeft.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
3
Wettelijk kader 6. De toepasselijke wettelijke regels en beleidsregels staan in de bijlage bij deze uitspraak (voor zover relevant). Het bestreden besluit is tot stand gekomen op grond van de Omgevingswet. Op 1 6.1. januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een verzoek om handhaving is ingediend véér het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vôôr dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 23 mei 2024. Dit betekent dat de Omgevingswet van toepassing is op de omgevingsvergunning.
5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
6.2. Op grond van artikel 5.1. eerste lid. aanhefen onder a. van de Omgevingswet is het verboden om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Op de voorziene bouwlocatie, de , is het Omgevingsplan gemeente Tilburg (hierna: het Omgevingsplan) van toepassing. Het voorinal ige besteirim ingsplan Lobelia-Spinder-Rugd ij k’ (het bestemmingsplan) maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. De voorziene bouwlocatie bestaat uit twee percelen, waarvan een de bestemming Bedrijf kent en het ander de bestemming Agrarisch. Er gelden geen dubbelbestemmingen voor de gronden. In dit geval is sprake van een BOPA omdat de activiteit in strijd is met het Omgevingsplan. Beide percelen mogen namelijk niet gebruikt worden voor wonen, niet uitzondering van het wonen in een bedrjfswon ing.’ 6.3. Uit artikel 8.Oa, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een BOPA alleen wordt verleend met het oog op een ETFAL. 6.4. Een van de vragen die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is of liet college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde bouw van de 30 prikkelarme woningen voldoet aan liet criterium van een ETFAL ‘Evenichtige toedeling’ is een open norm en het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om deze in te vullen.
Beoogd is om aan te sluiten bij liet criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige
toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of liet besluit in overeenstemming is met liet recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van liet besluit onevenredig zijn in verhouding tot de niet de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.2
‘Zie artikel 3.4.1. van het bestemmingsplan en artikel 6.5.1 van het bestemmingsplan. Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter Zeeland-West-Brabant van 23januari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:282.
2
4
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
Bespreking van de beroepsgronden ETFAL 7.
Verzoeker voert aan dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft
verleend voor het afwijken van regels in het omgevingsplan. Hij vindt namelijk dat er geen sprake is van een ETFAL. Om dit te onderbouwen haalt verzoeker de aspecten locatiekeuze, de aard van het project en geluid aan. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker op zitting ook nog een argument 7.1. over de geuroverlast van een nabijgelegen mestfabriek heeft genoemd. Hoeel het college hierop gereageerd heeft dat dit de aandacht heeft van de gemeente, acht de voorzieningenrechter dit standpunt te laat aangevoerd en dus in strijd met de goede procesorde. Dit aspect neemt de voorzieningenrechter dus niet mee in de beoordeling. Locaiiekeu.e
5.1.2e
Verzoeker begrijpt niet dat de onderzochte alternatieve locaties minder geschikt 7.2. 5.1.2e 5.1.2e en zouden zijn dan de gekozen locatie. De locaties hebben namelijk al een woonbestemming en zijn omgeven door groen. De locatie 5.1.2e heeft een maatschappelijke bestemming en is omgeven door 5.1.2e heeft ook deels al een woonbestemmingen en groen. De locatie woonbestemming en is verderaf gelegen van de bedrjvigheid Verzoeker stelt dat dit locaties zijn die (planologisch) ruimtelijk makkelijker ingezet hadden kunnen worden voor prikkelarm wonen. Verzoeker heeft de indruk dat is gekozen voor de locatie aan de 5.1.2e , vanwege de vrees voor veel bezwaarschriften vanuit een drukkere omgeving. Dat een perceel snel beschikbaar komt, heeft volgens verzoeker ook niets te maken met of een locatie passend is. Ook een versterking van de entreefunctie van de kan volgens verzoeker niet dienen als onderbouing waarom bij deze Stokha 5.1.2e ontwikkeling sprake zou zijn van een ETFAL. 5.1.2e
5.1.2e
Het college stelt dat de procedure niet vereist dat alle mogelijke alternatieve 7.3. locaties onderling vergeleken moeten worden. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een BOPA moet getoetst worden of het initiatief leidt tot een ETFAL. Het college meent dat de locatiekeuze binnen de ETFAL past. Daarbij is gekeken naar aspecten zoals de beschikbaarheid van een perceel, eigendomssituatie en perceelgrootte. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke inpasbaarheid en de entreefunctie. Het is stedenbouwkundig geenst om enerzijds niet bebouwing de stadsentree beter te begeleiden en anderzijds het groene karakter te behouden. Deze factoren zijn op zichzelf niet doorslaggevend. Bepalend blijft of er sprake is van een ETFAL. Dat is volgens liet college het geval. Voorafgaand aan de vergunningverlening heeft er daarnaast ook een uitgebreid partic ipatietraject plaatsgevonden. Er zijn meerdere informatiebijeenkomsten en klankbordgroepbijeenkomsten georganiseerd, waaraan ook verzoeker heeft deelgenomen. De klankbordgroep heeft ook een notitie ontvangen met een onderbouwing van de locatiekeuze. De locatiekeuze is daarmee uitvoerig aan bod gekomen tijdens de omgevi ngsd ialoog. Tijdens de klankbordgroepbijeenkomsten zijn ook wensen en aandachtspunten vanuit de omgeving verzameld. Alle door de klankbordgroep voorgestelde
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
ijzigingen zijn in liet plan ver\verkt. Daarmee is de omgeving naar de mening van het college voldoende betrokken. Ten slotte merkt het college op dat de door verzoeker geuite vrees dat op andere locaties meer bezwaarschriften zouden worden ingediend. geen eiikele rol heeft gespeeld bij de bes 1 u itvorm lig.
De aard i’aii hei project 7.4. Verzoeker stelt zich op liet standpunt dat onvoldoende onderbouwd is waarom liet project niet in een andere vorm uitgevoerd kan worden, bijvoorbeeld door liet kleinschalig huisvesten van personen die prikkelarni zouden moeten wonen. Verzoeker vindt dat een andere vorm van opvang ook onderzocht had kunnen dan wel moeten worden. 7.5. Het college is van mening dat de ontwikkeling van 30 oningen op deze locatie, gelet op de grootte van liet perceel. de inrichting daarvan en op de andere functies in de omgeving passend is. De behoefte aan geschikte huisvesting voor deze specifieke doelgroep is groot. Het project voorziet daarom in een substantieel aantal woningen, dat aansluit bij deze behoefte. Daarnaast is liet van belang om verschillende woonbehoeften binnen de doelgroep te faci 1 iteren. Er worden drie verschillende won ingtypen gerealiseerd (grondgehonden woningen, bovenwoningen en rolstoelgeschikt benedenwoningen) waarmee wordt voorzien in een gedifferentieerd en doelgroepspecifiek woonaanbod.
De schaalgrootte van liet project, bestaande uit 30 woningen waarvan één beheerderswoning, is ook noodzakelijk oiii een (financieel) haalbaar project te ontwikkelen, De grondkosten, de relatief hoge onderhoudslasten (mede door de ruimere opzet van de woningen vergeleken met reguliere sociale woningbouw) en de structurele kosten van sociaal beheer moeten over voldoende woningen verdeeld kunnen worden om de lasten evenwichtig te kunnen verdelen. Een aanzienlijk kleiner project zou leiden tot een onevenredige kostenverdeling, waardoor realisatie niet verantwoord of uitvoerbaar zou zijn. De toewijzing van de woningen vindt plaats via liet Toetsingsteam, bestaande uit (zorg)professionals in samenwerking met vergunninghouder. Dit team beoordeelt per kandidaat, in overleg met alle bij de aangemelde persoon betrokken partijen (de persoon zelf en zijn/haar naasten) of prikkelarni woneii passend en haalbaar is. Hierbij wordt ook rekeiiiiig gehouden met een match met de huidige bewoners. Als iemand niet past binnen deze woonvorm of locatie, wordt geen woning toegewezen. Hiermee is geborgd dat uitsluitend personen voor wie deze woonvorm geschikt is, worden gehuisvest.
Geluid 7.6. Verzoeker vraagt zich af of de locatie voor liet project wel geschikt is voor prikkelarm wonen nu in de conclusie van liet akoestisch onderzoek staat dat ‘uit liet onderzoek naar maatregelen blijkt dat bronmaatregelen en een schermmaatregel liet geluid
niet kunnen veriii inderen tot de voorkeurswaarde/standaardw aarde’.
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e 5.1.2e 5.1.2e
5.1.2e
7.7. Het college stelt dat uit liet akoestisch onderzoek van 29januari 2024 vaii Adviesbureau De Haaii B.V. blijkt dat de geluidbelasting vanuit de omliggende bedrijvigheid voldoet aaii de standaardwaarde uit het Bkl ( 8 1<1). Het langtijdgemiddelde beoordehingsniveau door de omliggende bedrijven in het plangebied op de adressen 5.1.2e is ten hoogste 39 dB(A). Hiermee voldoet deze waaide aaii de standaardwaarde uit het Bkl. Ook liet maximaal geluidsniveau voldoet aan de grens aarde
6
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
5.1.2e
uit het Bkl. De conclusie van het onderzoek is dat het plan geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Daarnaast is de invloed van wegverkeerslawaai van zowel provinciale wegen als gemeentewegen onderzocht. Voor de provinciale weg 5.1.2e geldt dat de geluidbelasting weliswaar de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt, maar voldoet aan de maximale toelaatbare waarde van 53 dB. Voor de gemeentelijke wegen geldt dat op het merendeel van de gevels wordt voldaan aan de standaard aarde van 53 dB. Alleen op de kopgevels van de bouwbiokken haaks op de weg bedraagt de geluidbelasting 57 dB. Dit is hoger dan de standaardwaarde, maar blijft ruim onder de grenswaarde van 70 dB uit het Bkl. Daarmee is de geluidsbelasting planologisch 5.1.2e concrete uitbreid ingsplannen aanvaardbaar. Omdat voor het perceel bestaan, is voor dit perceel aanvullend onderzoek uitgevoerd. Ook hieruit blijkt dat zowel het langtijdgemiddelde als het maximale geluidsniveau binnen de streefwaarden blijft. De toekomstige bedrijfsactiviteiten vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde woningen. Gelet op de uitgevoerde onderzoeken kan volgens het college worden vastgesteld dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het verlenen van de omgevingsvergunning en dat zowel de belangen van de toekomstige bewoners als die van de omliggende bedrijven voldoende zijn gewaarborgd.
Uit informatie van de betrokken zorgaanbieders blijkt bovendien dat monotoon verkeersgel uid niet behoort tot de belangrijkste pri kkelbronnen voor de doelgroep van de prikkelarme woningen. Een zekere mate van omgevingsgeluid is voor deze bewoners aanvaardbaar. De woningen worden tevens goed geïsoleerd. zodat bew oners zich kunnen terugtrekken in een prikkelarme leefomgeving wanneer zij dat wensen. Daarnaast beschikken alle woningen over een geluidluw e gevel en buitenruimte.
5.1.2e
De voorzieningenrechter is vati oordeel dat de gronden. zoals hiervoor samengevat 7.8 weergeven, niet slagen. Uit wat onder 6.4 is overwogen, past de bestuursrechter terughoudendheid bij de toetsing van het bestreden besluit aan het criterium ETFAL. De voorzieningenrechter acht de uitgebreid en deugdelijk gemotiveerde standpunten van het college ten aanzien van de aspecten locatiekeuze, aard van het project en geluid navolgbaar. Specifiek voor de locatiekeuze betrekt de voorzieningenrechter daarbij nog het volgende. In 5.1.2e ’ en in het bestreden besluit heeft het document ‘Onderbouwing ETFAL het college uiteengezet waarom alternatieve locaties zijn afgevallen. In het verweerschrift is 5.1.2e 5.1.2e en . het college nog verder ingegaan op de locaties 5.1.2e 5.1.2e . Zo is de eerste locatie niet direct beschikbaar en kent deze locatie samen met de derde locatie het nadeel van geluidsbelasting door een rijksweg en daarnaast een beperkte perceelgrootte. De tweede en derde locatie liggen in een PACT-w ijk. waar sprake is van een tamelijk slecht woon- en leefklimaat, waarbij in de wijk van de tweede locatie ook nog sprake is van bestaande overlast. De voorzien ingenrechter overweegt dat aan verzoeker kan worden toegegeven dat ook de door het college gekozen locatie. naast de percelen van verzoeker, nadelen kent.
Dit maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter nog niet dat sprake is van een onevenwichtige toedeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college blijk gegeven van een zorgvuldige belangenafweging. Van onevenredig nadelige gevolgen is de voorzieningenrechter niet gebleken. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat liet college in zoverre tot de conclusie heeft kunnen komen dat voor dit project sprake is van ETFAL. 5.1.2e
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
7
Uitbreidingsmogelijkheden bedrijf
8. Verzoeker stelt dat het vergunde project de uitbreidingsmogelijkheden voor zijn bedrijf(sperceel) beperkt en dat in het bouwplan daarmee geen rekening is gehouden.
8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat voor bedrijven in milieucategorie 2. waar het bedrijf van verzoeker onder valt, een richtafstand geldt van 30 meter tot een gevoelige functie, die in een gemengd gebied kan worden teruggebracht tot tien meter. Het college meent dat de omgeving van het plangebied, gelet op de aanwezigheid van diverse bedrijven, een tuincentrum en (bedrijfs)woningen. aangemerkt moet worden als een gemengd gebied. Daarmee is een richtafstand van tien meter planologisch aanvaardbaar. Aan deze afstand ordt voldaan, ook als verzoeker op vijf meter afstand vanaf de perceelsgrens gaat bouwen. De nieue woningen liggen namelijk op een afstand van minimaal tien meter vanaf de perceelgrens. Gelet op deze afstanden, bestaat volgens het college geen aanleiding om aan te nemen dat de voorgenomen ontwikkeling negatieve gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van verzoeker, ook niet wanneer er wordt uitgegaan van de maximale bebouwingsmogeljkheden voor zijn perceel. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek, dat heeft geleid tot het rapport van Adviesbureau De Haan B.V., gekozen voor meetpunten op de perceelgrens van verzoeker. Uit het rapport blijkt dat ook bij een meetpunt op de perceelsgrens wordt voldaan aan de geldende geluidnormen. De hoogste gemeten waarde betreft een dichtklappend portier op de erfgrens.
maar ook dit blijft binnen de normen vaii het Bkl. Het plan voor prikkelarm wonen staat bedrijfsuitbreiding dus niet in de weg. 8.2. De voorzieningenrechter is gelet op de toelichting van het college van oordeel dat het project wordt voorzien in een gemengd gebied. Daarom kan worden uitgegaan van een richtafstand van tien meter en wordt verzoeker niet beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden. De beroepsgrond slaagt niet. Uitzicht 9.
Verzoeker is van mening dat de voorziene geluidswal tussen zijn bedrijf met
woning en het voorgenomen woonproject leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van zijn uitzicht.
9. 1. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van vaste rechtspraak geen recht op vrij uitzicht bestaat en evenmin in een stedelijk gebied een woonsituatie vrij van enige inkijk kan worden gegarandeerd. Daarnaast merkt de voorzien ingenrechter op dat de drie meter hoge geluidswal op basis van het bouwplan aan de zuidoostelijke rand van het plangebied gerealiseerd wordt. Dat betekent dat de geluidswal aan de noordwestelijke zijde van de woning van verzoeker komt te liggen. Omdat aan deze kant geen groot raam zit, zoals bijvoorbeeld aan de zuidkant van de woning van verzoeker. is de voorzieningenrechter daarbij van oordeel dat de geluidswal niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het uitzicht van verzoeker. Deze beroepsgrond slaagt niet. Spuitzone 10. Verzoeker is eigenaar van perceel met de kadastrale aanduiding 3646. waarop een agrarische bestemming rust. Verzoeker stelt niet uit te sluiten in de toekomst agrarische
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
8
activiteiten te gaan ontplooien dan wel dit perceel te verkopen waarbij ook belangrijk is dat agrarische activiteiten uitgeoefend kunnen worden. Verzoeker is van mening dat een afstand van minder dan tien meter tussen de te bouwen woningen en perceel 3646 ontoereikend is, vanwege de spuitvrije zone. 10.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen dat in het algemeen een afstand van 50 meter als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschcrmingsrniddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Dit brengt niet met zich dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn. maar aan het hanteren van een kortere afstand dient een deugdelijke motivering ten grondslag te worden gelegd.3 10.2. Het college neemt het standpunt in dat in dit geval sprake is van een uitzonderingssituatie waarin een kleinere spuitzone dan 50 meter (circa zes meter) gerechtvaardigd is. Om dit te onderbouwen wijst het college op het onderzoek van 10 april 2025 dat liet college heeft laten uitvoeren door Adviesbureau de Haan BV. Uit liet onderzoek blijkt allereerst dat liet plan voorziet in driftbeperkende maatregelen.
Over een groot deel van cle grens met liet agrarisch perceel worden houtwallen gerealiseerd, bestaande uit een opgeworpen grondwal met een begroeid topscherm (totale hoogte drie meter). aangevuld met lage struiken en bomen. Volgens het deskundigenonderzoek heeft deze inrichting een sterk driftbeperkend effect bij eventuele spuitactiviteiten op het perceel van verzoeker. Uit het onderzoek blijkt verder dat het niet aannemelijk is dat in de omgeving van liet plangebied gewassen zullen worden geteeld waarvoor beschermingsmiddelen zullen worden toegepast. Ook voor het agrarisch perceel van verzoeker is liet niet aannemelijk dat het huidige gebruik zal worden gewijzigd naar een vorm van agrarisch gebruik waarbij mechanisch spuiten of intensieve gewasbescherming aan de orde is. Het agrarische perceel van verzoeker is in de afgelopen tien jaar uitsluitend gebruikt als dierenweide en/of voor graswinning. De omliggende bedrijven, waaronder het autobedrijf van verzoeker en liet fietsenbedrijf van familie van verzoeker. zijn geen bedrijven die actief zijn op liet gebied van akkerbouw of fruitteelt. Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn waaruit volgt dat de bedrijfsactiviteiten van verzoeker of het fietsenbedrjf in de nabije toekomst worden beëindigd of aangevuld met agrarische activiteiten die spuitzones vereisen.
Voorts blijkt uit het onderzoek dat het niogelijk is dat er op de schapenweide met de hand onkruid wordt gespoten. maar dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet intensiever en grootschaliger dan dat zal zijn. Het perceel is relatief klein en. gelet op het huidige en historische gebruik, is alleen handmatig spuiten van onkruid aannemelijk. Voor liet handmatig spuiten van onkru idbestrijd ingsm iddelen is volgens het onderzoek geen spuitzone van 50 meter noodzakelijk, omdat dat zeer lokaal, beheerst en gedoceerd moet worden gespoten. Dit gebeurt met de hand. De kaiis op drift naar de nieuwe woningen is met die wijze van spuiten volgens het onderzoek verwaarloosbaar. Daarnaast is volgens het onderzoek de frequentie van spuiten en de hoeveelheid bestrijdingsmiddelen ook aanzienlijk lager dan bij het mechanisch spuiten van bestrijdingsmiddelen op gewassen of bij fruitteelt. De driftbeperkende groenstrook langs de perceelsgrens versterkt dit effect. 1-let hanteren van een spuitzone voor onkruidbestrijding wordt niet iioodzakel ij k geacht.
Zie de ukspraak van de Afdeling van 5 maart 2025. ECLI:NL:RVS:2025:807.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
9
Tot slot is het volgens het onderzoek liet onaarschijnljk dat liet perceel zal worden verkocht of verpacht voor agrarische activiteiten die intensieve ge asbescherm ing vereisen. De onderbouwing hiervoor is dat het perceel te klein is om efficiënt te kunnen worden ingezet voor gewasteelt of fruitteelt. Het heeft ook geeii ontsluiting aan de openbare weg, aiiders als via recht van overpad over liet terrein van de huidige eigenaar. Voor aantrekkelijk gebruik door eeii akkerbouw zouden daarmee ook de naastgelegen percelen bij de verkoop of het verpachten moeten worden gebruikt. De eigenaren van die percelen hebben geen bezwaar aangetekend tegen de verleende omgevingsvergunning voor het woningbouwplan. Gelet op dit onderzoek is liet college van mening dat een spuitzone van zes meter kan worden gehanteerd eii dat hiermee eeii aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd. Ter zitting is hierop aangevuld dat de Afdeling op 11 maart 2026 ook heeft geoordeeld dat het feit dat gewasbeschermingsmiddelen alleen handmatig kunnen worden toegepast. een relevante omstandigheid is om een kleinere spuitzone te rechtvaardigen.4 In die zaak werd een afstand van tien meter toereikend geacht. mede vanwege driftbeperkende maatregelen en de beperkte omvang vaii liet perceel.
Ook de voorzieniiigenrechter Overijssel oordeelde dat met ccii spuitzone van tien meter eeti aanvaardbaar woon- en leefkl i iii aat kan worden gewaarborgd Uit het beroepschrift van verzoeker blijkt niet dat hij coiicrete plannen heeft om het huidige gebruik te wijzigen naar een vorm van agrarisch gebruik die intensieve chemische gewasbescherming vereist. De enkele opmerking dat verzoeker niet uitsluit’S in de toekomst agrarische activiteiten te ontplooien, is onvoldoende om te concluderen dat een afstaiid van minder dan tien meter oiitoereikend is. Voor eventuele schade door waardevermindering. kan een verzoek om nadeelcompensatie worden ingediend. Tot slot merkt liet college op dat de gemeenteraad van Tilburg een voorbereidingsbesluit iiiet voorbeschermingsregels heeft vastgesteld, waarin het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op liet perceel vaii verzoeker wordt verboden.6 Dit voorbereid ingsbesluit wordt binnen anderhalf jaar gevolgd door een wijziging van liet Omgevingsplan met dezelfde inhoud. De ontwerpwijziging heeft reeds ter inzage gelegen en de nota vaii zienswijzen is in voorbereiding. .
10.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat een bestuursorgaan op liet advies van eeii deskundige niag afgaan, nadat liet bestuursorgaan is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De zogeheten vergewisphicht is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb voor niet-wettelijke adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aaii de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies. de begrijpehijkheid van de in liet advies gevolgde redenering of liet aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. iiiag liet bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op liet advies afgaan. Zo nodig vraagt liet bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat die partij over liet advies heeft aangevoerd.7 Naar liet oordeel vaii de voorzieningenrechter heeft verzoeker geen concrete aanknopingspunten voor t ijfel naar voren heeft gebracht. Daarom mocht liet college afgaaii op het onderzoek van Adviesbureau de Haan BV. De voorzieningenrechter acht gelet op dit onderzoek. de recente Afdehingsuitspraak en de voorgenomen wijziging van liet Omgevingsplan, een kleinere spoitzone in liet voorhiggende geval aanvaardbaar. Deze beroepsgrond slaagt iiiet. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 niaart 2026, ECLI:NL:RVS:2026: 1410.
Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter Overijssel van 24 april 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:2225. 6 Genieenteblad 2025, nr. 224397. Zie de uitspraak van cle Afdeling van 19mei2021, ECLI:NL:RVS:2021:1062.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
10
Beheerplan
Verzoeker voert aan dat de toevoeging in het bestreden besluit, namelijk dat de 11. prikkelarme woningen niet in gebruik mogen worden genomen voordat een beheerplan is opgesteld en goedgekeurd,juridisch niet afdwingbaar is. Het beheerplan zou als voorwaardelijke verplichting geborgd moeten worden in de omgevingsvergunning. zodat hierop gehandhaafd kan worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het opstellen van een beheerplan als II 1. voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen van de prikkelarme woningen wel degelijk juridisch afdwingbaar is. Deze voorwaarde is immers in het bestreden besluit opgenomen en daarmee rechtstreeks aan de voorwaarden van de omgevingsvergunning toegevoegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. .
On Igevings verordening iVoord—Brahani Verzoeker voert aan dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar een 12. gespreksverslag van 5 december 2024 van een overleg met de provincie Noord-Brabant. maar dat dit verslag niet is opgenomen in de ter inzage gelegde stukken. Daarom handhaaft verzoeker zijn in het bezwaarschrift ingenomen standpunt dat het besluit in strijd is met de Omgevi ngsverorden ing N oord-Brabant. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit verslag bij bijlage 37 van de door het 12.1. college overgelegde stukken van het dossier van deze zaak zit. Er is daarom geen sprake van een gebrek. Deze beroepsgrond slaagt niet. Parkeren Niet in geschil is dat voor het bouwplan een parkeernorm van twintig 13. parkeerplekken geldt en dat het bouwplan voorziet in slechts veertien parkeerplekken. Het college heeft de hardheidsclausule uit artikel 5.7 van de Nota Parkeernormen 2023 toegepast om af te kunnen wijken van de parkeernorm. Volgens verzoeker heeft het college ten onrechte deze bepaling toegepast. Artikel 5.7 van de Nota Parkeernormen 2023 bepaalt dat in gevallen waarin strikte 13.1. toepassing van deze nota parkeernormen tot een bijzondere hardheid leidt, het college kan besluiten af te wijken van de parkeereis.
Dit kan alleen indien de aanvrager van de olngevingsvergunning aantoont dat de parkeereis niet (volledig) kan worden opgelost en het college een zwaarwegend belang heeft om af te wijken van de parkeereis. 13.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het project in de behoefte voorziet van prikkelarme woningen voor kwetsbare burgers met een woon- en ondersteuningsbehoefte. Deze groep beschikt over voldoende woonvaardigheden om zelfstandig te wonen, maar heeft een rustige, prikkelarme leefomgeving nodig. Voor deze doelgroep bestaat momenteel geen passende woonvorm, waardoor zij tussen val en schip dreigt te raken. De gemeente, woningcorporaties en zorgpartijen willen voorkomen dat deze burgers dakloos worden. langdurig afhankelijk blijven van maatschappelijke opvang of onnodig in beschermde woonvoorzieningen verblijven. Het bieden van passende huisvesting aan deze doelgroep is
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
een essentieel onderdeel van het gemeentelijk streven naar een inclusieve stad. waarin voor iedereen plek is. Dit vormt een zvaarwegend maatschappelijk belang dat toepassing van de hardheidclausule rechtvaardigt. Daarnaast blijft de te verwachten parkeerbehoefte voor dit project beperkt tot veertien parkeerplaatsen. De verwachting is dat een groot deel (tweederde) van de personen die voor prikkelarm wonen in aanmerking zullen komen geen auto zal hebben. Dit heeft enerzijds te maken met de lage inkomsten van de bewoners (vaak geen inkomsten uit arbeid, maar een bijstandsuitkering) en anderzijds medicatiegebruik dan wel reactiesnelheid. Uit de verklaringen van RIBW Brabant en Amarant, die worden ondersteund door praktijkvoorbeelden van een vergelijkbare doelgroep, blijkt dat veertien parkeerplaatsen ruim voldoende zal zijn voor de te verwachten parkeerbehoefte. Tot slot kent het plan ruimtelijke en functionele kenmerken die maken dat het realiseren van extra parkeerplaatsen feitelijk ook niet mogelijk is. In het midden van liet plangebied wordt een ecologische wadi van circa 245 m2 gerealiseerd, die essentieel is voor waterberging en landschappelijke inpassing. Het realiseren van parkeerplaatsen in de binnentu men is hierdoor niet mogelijk. Rondom de bebouwing wordt groen aangebracht, noodzakelijk voor de landschappelijke kwaliteit.
De interne verkaveling en opzet van de woningen zijn specifiek afgestemd op het minimaliseren van prikkels voor de doelgroep. Binnen het project is geen ruimte voor extra parkeerplaatsen zonder de kern van het plan aan te tasten en de financiële haalbaarheid onder druk komt te staan. 13.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de parkeereis met toepassing van de hardheidsclausule. Uit de motivering die het college heeft gegeven, blijkt van een zwaarwegend belang van passende huisvesting voor een kwetsbare doelgroep. Het college heeft voldoende onderbouwd dat en waarom voor die doelgroep een beperkte parkeerbehoefte geldt, waarbij het college zich ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunninghouder aannemelijk heeft gemaakt dat de parkeereis zonder toepassing van de hardheidsclausule niet (volledig) kan worden opgelost. De beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van een maatschappelijk gevoelig initiatief?
Naar de mening van verzoeker is de gemeenteraad ten onrechte gepasseerd bij het 14. verlenen van de omgevingsvergunning. Volgens verzoeker gaat het in dit geval om een Maatschappelijke activiteit, voor zover sprake is van een maatschappelijk gevoelig initiatief, waardoor (bindend) advies aan de gemeenteraad had moeten worden gevraagd. De vergelijking die door het college gemaakt wordt met ouderen met thuiszorg, waarbij ook sprake is van zorg en begeleiding aan huis, gaat volgens verzoeker niet op. 14.1. De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 16.15 van de Omgevingsw et bij algemene maatregel van bestuur bestuursorganen of andere instanties worden aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van deze wet. In artikel 16. 1 5a, aanhef, onder b, onder 10, van de Omgevingswet staat dat de gemeenteraad in ieder geval als adviseur wordt aangewezen als het gaat om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA in door de gemeenteraad aangewezen gevallen.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
12
Op 26juli 2024 heeft de gemeenteraad van Tilburg in een besluit (het 14.2. Aanwijzingsbesluit) categorieën BOPA’s aangewezen waarvoor de gemeenteraad een bindend advies dient uit te brengen.8 In dit besluit is in categorie 2, onder c, bepaald dat een bindend advies van de gemeenteraad nodig is bij “Maatschappelijke activiteiten, voor zover sprake is van een maatschappelijk gevoelig initiatief”. Wanneer hier sprake van is. is verder uitgewerkt in de Richtlijn maatschappelijke voorzieningen (hierna: de Richtlijn).9 Volgens de Richtlijn is de vraag of sprake van een maatschappelijk gevoelig initiatief afhankelijk van verschillende factoren. Deze factoren staan in paragraaf 3.3. onder 2, van de Richtlijn.
Het college heeft betoogd dat de BOPA. waarvoor de omgevingsvergunning is 14.3. verleend, geen maatschappelijk gevoelig initiatief is, omdat überhaupt geen sprake is van een maatschappelijke activiteit. Het college ziet de activiteit slechts als regulier wonen. Er worden namelijk woningen gebouwd die door de bewoners zelfstandig bewoond zullen worden. Iedere woning beschikt over alle noodzakelijke voorzieningen. De bewoners zullen zorg op aanvraag ontvangen, in de vorm van ambulante begeleiding of behandeling. Zij zijn niet afhankelijk van 24-uurszorg. Daarnaast zal er een sociaal beheerder aanwezig zijn. Daarbij gaat het ook om een woonfunctie in planologische zin. Er is geen sprake van zorgwoningen. een instelling of een maatschappelijke voorziening. Een maatschappelijke bestemming is daarom niet aan de orde. Omdat het project planologisch moet worden beoordeeld als een woonfunctie, is ook geen sprake van een situatie waarin een bindend advies van de gemeenteraad nodig is. Daarnaast heeft het college op zitting toegelicht dat het bestaan van een beheerplan niet il zeggen dat automatisch sprake is van gevoeligheid. 1-let beheerplan biedt borging tegen overlast. De voorzieningenrechter kan het standpunt van liet college dat geen sprake is van 14.4.
maatschappelijke activiteit en een maatschappelijk gevoelig initiatief’ waarvoor de een gemeenteraad om bindend advies had moeten worden gevraagd, vooralsnog niet volgen. Het bestreden besluit is in zoverre nog onvoldoende gemotiveerd. Dit gebrek kan het college herstellen dooi’ middel van een verbeterde motivering of— indien het college dit standpunt laat varen—door alsnog een positief (bindend) advies te vragen aan en te verkrijgen van de gemeenteraad. Kiest het college voor een verbeterde motivering dan dient het college in ieder 14.5. geval het volgende in acht te nemen. 14.6. De voorzieningenrechter volgt vooralsnog niet de stelling van het college dat de activiteit die de BOPA mogelijk maakt, geen maatschappelijke activiteit is. In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de Richtlijn wordt gesproken over een grote diversiteit aan maatschappelijke voorzieningen, waaronder de voorziening voor wonen met een beperkte vorm van zorg en met veel vrijheid. waar het voorliggende geval ook gemakkelijk onder lijkt te kunnen worden geschaard. Nu onder meer een dergelijke voorziening in de Richtlijn als maatschappelijke voorziening wordt aangeduid, valt moeilijk in te zien waarom er geen sprake is van een maatschappelijke activiteit en er slechts sprake is van regulier wonen.
Aanwijzing gevallen bindend adviesrecht gemeenteraad bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. 26juli 2024. Gemeenteblad 2024. 328437. Richtlijn maatschappelijke voorzieningen. https: tilburg.notubiz.nl.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
13
Ten aanzien van de vraag of sprake is van een gevoelig initiatief overweegt de 14.7. voorzieningenrechter dat hierbij acht moet worden geslagen op de Richtlijn en de daarin genoemde factoren en uitgangspunten. Dat heeft het college nu onvoldoende gedaan. Gelet op de formulering van de Richtlijn lijkt al snel sprake van een gevoelig initiatief. Zo maakt het benodigd zijn van een beheerplan. zoals in liet voorliggende geval, al snel dat een voorziening gevoelig is. Ook in de omvang van het plan kan een aanwijzing voor gevoeligheid worden gezien. Er is wehisaar geen sprake vaii eeii heel groot project. maar liet heeft met dertig wooneenheden toch een zekere omvang waar tenminste dertig maar waarschijnlijk meer bewoners kunnen worden gehuisvest. Teii aaiizieii van de doelgroep waarvoor de prikkelarme woningen bestemd zijn. is de voorzieningenrechter reeds nu van oordeel dat deze niet valt onder “bijzondere doelgroepen” genoemd in paragiaaf 3.3, onder het kopje interne afstemniing’, ouder 2, van de Richtlijn. Het college en vergunninghouder liebbeii in de stukken en ter zitting voldoende duidelijk uiteengezet dat van de huisvesting van deze doelgroepen geeii sprake is. Conclusie cii gevolgen Gelet op het voorgaaiide slagen de beroepsgronden niet, op één na. De 15.
voorzieningenrecliter oordeelt nog niet dat de gemeenteraad om advies had nioeten worden gevraagd omdat liet college liog een kans krijgt om beter uit te leggen waarom dat volgens hein niet nodig was. Als het college dat in zijn herstelpoging goed uitlegt, dan zal liet beroep naar verwachting weliswaar gegrond zijii en zal liet bestreden besluit worden vernietigd. maar kunnen mogelijk de rechtsgevolgen van de omgevingsvergunning in staiid worden gelaten. Als het college niet slaagt in de herstelpoging dan zal de voorzieningenrechter naar verwachting oordelen dat de gemeenteraad alsnog om advies moet worden gevraagd. Alsdan is sprake van een situatie dat liet college in dat geval niet bevoegd was tot verlening van de BOPA. Dc voorzieningenrechter kaii dit nu nog niet goed beoordelen; er is geen sprake vaii ccii evident geval waarbij de gemeenteraad om advies had moeten worden gevraagd. Eerst is ccii aanvullend standpunt vaii het college nodig.
Het college kan er echter ook voor kiezen om iii plaats vaii ccii verbeterde motivering direct de gemeenteraad oiii (bindend) advies te vragen. Die keus laat dc voorzieningenrecliter aaii liet college. Het college kan liet gebrek dus op twee manieren herstellen. Het gebrek kan door liet college worden hersteld hetzij met een verbeterde motivering aarom geen sprake is van ccii niaatschiappelij ke activiteit, voor zover liet een maatschappelijk gevoelig initiatief betreft, hetzij door de gemeenteraad om (bindeiid) advies te vragen. Dc voorzieningenrechter bepaalt dc tcrmijii waarbiniicn liet college liet gebrek kaii 15.1. herstellen op acht weken na verzending vaii deze tussenuitspraak. Het college moet op groiid van artikel 8:51 b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkoineii zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk biiinen twee weken, mecdeleii aaii de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid liet gebrek te herstellen. Als liet college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de voorzicningenrechtcr verzoeker in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reagereii op dc herstelpoging vaii liet college. In beginsel, ook in de situatie dat liet college de herstelterinijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechiter zonder teede zitting uitspraak docii op liet beroep.
zaaknummers: BRË 26/1273 en 25/5810
14
15.2. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Het verzoek om een voorlopige voorziening 16. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. 1-Tij overweegt daartoe dat de meeste geschilpunten in het voorgaande zijn beslecht. Er is nog één belangrijk geschilpunt over, waarbij het college eerst de gelegenheid krijgt om een geconstateerd gebrek te herstellen. In het voor vergunninghouder meest ongunstige scenario slaagt het college daar niet in en geeft de gemeenteraad geen positief advies af. Dan is sprake van een scenario waarbij de BOPA niet in stand kan blijven en ook de rechtsgevolgen daarvan niet. Dat scenario acht de voorzieningenrechter echter onwaarschijnlijk nu de gemeenteraad al op de hoogte is van het (bouw)plan door vaststelling van een ontwerp-omgevingsplan voor de locatie. Daarbij zijn alle stukken met betrekking tot het project ook ter beschikking gesteld aan de gemeenteraad. De voorzieningenrechter gaat er daarom bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening vanuit dat de gemeenteraad positief tegenover het plan staat.
Verder betrekt de voorzieningenrechter dat het college en vergunninghouder en vele andere betrokken partijen gedurende lange tijd veel inspanningen hebben verricht om te voldoen aan de maatschappelijke opgave om te voorzien in de behoefte aan een dergelijke woonvorm. Aan die omstandigheid en de daarmee gepaard gaande belangen kent de voorzien ingenrechter een zwaar gewicht toe. Daartegenover staan de belangen van verzoeker die om hierboven genoemde redenen niet wil dat het plan op deze locatie wordt gerealiseerd. Nu het meeste van wat verzoeker heeft aangevoerd niet slaagt. kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoeker minder gewicht toe. waardoor de afweging van de belangen in zijn nadeel uitvalt. —
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/58 10
‘5
Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af: draagt liet college op binnen twee weken de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid liet gebrek te herstellen: stelt liet college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak liet gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; stelt verzoeker in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van de herstelpoging daarop te reageren; houdt iedere verdere beslissing aan. -
-
-
-
-
5.1.2e
Deze uitspraak is gedaan door , voorzieningenrechter. in aanwezigheid van 5.1.2e . griffier, griffier, op 28 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op vww.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
29 APR 2026
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
16
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:2 Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Het voormalig bestemmingsplan Lobelia-Spinder-Rugdijk’ Artikel 3.4. 1. Onder gebruik in strijd met de bestemming Agrarisch ordt in elk geval begrepen:
{. d.
het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning.
Artikel 6.5. 1. Tot een gebruik van gronden en bouw erken strijdig met de bestemming Bedrijf wordt in elk geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning. uitgezonderd ingevolge de regels toegelaten bedrijfswoningen;
Richtlijn maatschappelijke voorzieningen 3. 3 Onderdelen van de Richtlijn 2. Interne fsteniini,ig
De volgende factoren kunnen (mogelijk) leiden tot vragen en zorgen bij belanghebbenden. Of het daadwerkelijk tot een escalatie komt verschilt per wijk, straat en eerdere ervaringen en mensbeeld van belanghebbenden. Hieronder volgt een opsomming van bekende cactoren. 1. De gevoeligheid wordt groter wanneer het gaat om grotere groepen personen die tegelijkertijd van een voorziening gebruik maken of als er in de wijk of buurt eerder discussies zijn geweest waarbij voorzieningen als gevoelig erden beschouwd.
zaaknummers: BRE 26/1273 en 25/5810
2.
3.
17
Er is een grotere kans dat een voorziening gevoelig ligt in een wijk wanneer er bij de doelgroep sprake is van een ernstige situatie op meerdere leefgebieden (wonen, financiële situatie, gezondheid, daghesteding, gezinssituatie, overlast en justitie). Of wanneer er sprake is van een onveilige situatie voor de persoon zelf of ernstige overlast voor de omgeving. Het gaat dan over zogenaamde bijzondere doelgroepen. Voorbeelden van bijzondere doelgroepen: —(ex-) dak- en thuislozen: -(ex-) verslaafden: -ex-gedetineerden en gedetineerden in de extra murale fase; -sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten: -GGZ-patiënten met meervoudige problematiek; -risicojongeren waaronder zwerfjongeren (1 8-23 jaar): -personen die vallen onder de Persoons Gebonden Aanpak (PGA). Wanneer er (in overleg met de omgeving) een beheers- en monitoringsplan moet komen dan kan dit aanleiding zijn voor de omgeving om de komst van de voorziening ter discussie te stellen. Een voorziening waarbij een beheerplan nodig is wordt dan al snel gevoelig.
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens definitief geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
1, 2, 3, 4, 5, 6, 15