Bijlage 5 - B3 Financiële onderbouwing ontwikkel en basisbanen
Tekst van het document
Bijlage 3: Financiële onderbouwing voorstel Basisbanen Inleiding Er is aanleiding om voorafgaand aan de begroting 2025 structurele dekking te vinden voor het voorstel basisbanen. De basisbaan wordt door Tilburg gefinancierd uit twee componenten: 1) loonkostensubsidie1 en 2) begeleidingskosten. Daarnaast wordt bij de Diamant Groep de basisbaan gefinancierd door het eigen verdienvermogen van de medewerkers via de opdrachten die zij uitvoeren. De inzet van loonkostensubsidie declareert de gemeente volledig achteraf op basis van realisatie (T-1). We hebben deze kosten dus structureel gedekt. Begeleidingskosten ontvangen wij in de algemene uitkering/gemeentefonds (AU/GF). Per inwoner in de bijstand of werkzaam met LKS is een bedrag beschikbaar van €6.776. Dit bedrag is opgebouwd uit kosten voor begeleiding (€4.902) en kosten voor de uitvoering (€1.874). Deze uitvoeringskosten rekenen we gemakshalve in deze notitie niet mee en we ronden de begeleidingskosten af op €5.000. Probleemstelling Concern control heeft aangegeven dat de gemeente de genoemde middelen voor de begeleiding van €5000 weliswaar via de AU/GF ontvangt, maar dat de begrotingsregels van de gemeente deze middelen niet specifiek alloceert voor het, in dit geval, begeleiden van mensen op een basisbaan. Het geld komt met andere woorden net geoormerkt binnen en is in de begroting.
Deze financiële afspraken rond de begroting maken het met andere woorden vooralsnog niet mogelijk om deze middelen in te zetten ter dekking van de begeleidingskosten basisbaan. Met deze notitie wordt een voorstel gedaan wat mogelijk is om deze kosten wél structureel te dekken. Loonkostensubsidie (LKS) Vanaf 1-1-2023 wordt de LKS vergoed op basis van uitgaven, volgens de t-1 systematiek: dit jaar is de basis voor volgend jaar. Hierdoor worden LKS-uitgaven volledig vergoed, met uitzondering van 1 jaar voorfinanciering. In technische zin zit het iets complexer, maar het landelijke budget groeit voldoende, met circa 50 miljoen per jaar, zodat er de facto volledige vergoeding is. Dit is dan ook geen onderwerp van discussie en hierin zijn geen aanvullende afspraken nodig voor het voorstel basisbanen. Begeleidingskosten Naast LKS-kosten ontvangt een gemeente middelen voor de begeleiding. Tot nu toe kwamen die middelen uit het participatiebudget. Daarbij klonk de zorg dat de LKS-doelgroep op termijn een groot deel van het participatiebudget zou ‘opeten’. Vanaf 1-1-2023 zijn daarom deze middelen voor begeleiding toegevoegd aan het gemeentefonds: ‘de grote gemeentelijke pot’. LKS en de omvang van het doelgroepenregister (mensen met een objectief vastgestelde verminderde loonwaarde waarvoor LKS wordt ingezet) zijn daarbij een aparte indicator voor toedeling van geld geworden.
Meer personen met LKS betekent: meer gemeentefonds. In de meicirculaire worden deze bedragen gedeeld. Voor een willekeurige 100.000+ gemeente betekent dat: €6.776 begeleidingsbudget per LKS-baan – ruim voldoende om meerjarig begeleiding te bieden. De nieuwe LKS-verdeelsystematiek kent veel voordelen. Ten eerste: de begeleidingskosten ‘verdringen’ niet langer andere re-integratietrajecten. Voor elke LKS'er komt apart geld in het gemeentefonds. Per persoon met LKS is er dus altijd voldoende budget beschikbaar voor begeleiding. Financiële afspraken Tilburg In Tilburg is het binnen het huidig financieel beleid niet mogelijk om bedragen, die worden toegekend op basis van een eenheid, te ‘alloceren’ in de Algemene Uitkering/Gemeentefonds (AU/GF) en is er dus geen structureel budget beschikbaar voor de begeleidingsvergoeding van een persoon met LKS. Dit geld bestaat dus wel, maar wordt anders uitgegeven en is niet direct ‘opeisbaar’. Om de dekking van deze begeleidingskosten, en daarmee de basisbanen structureel mogelijk te maken schetsen we drie opties: A. Integrale afweging B. Heroverwegen bestedingen Participatiebudget (en op onderdelen heroverwegen TiiP) C. Aanwenden incidentele middelen uit reservefonds talentontwikkeling
1
Wordt ontvangen door Diamant-groep als werkgever voor de verminderde loonwaarde van de werknemer.
Er zijn meerdere afwegingen om te komen tot structurele financiering van het voorstel basisbanen. Hieronder lichten we de meest voor de hand liggende scenario’s toe. A. Integrale afweging • Het heroverwegen van het beleidskader TiiP en structureel andere keuzes maken in de dienstverlening die hieruit voortvloeit. • Het heroverwegen van het financieel beleid en onmogelijkheid van clusterfinanciering (door de voor de begeleiding in de AU/GF ontvangen middelen ook voor dat doel in te zetten). • Door het mogelijk te maken het inverdieneffect dat ontstaat op de BUIG doordat er minder uitkeringsgeld wordt uitgegeven omdat er meer mensen (deels) aan het werk gaan met LKS in een bestemmingsreserve te plaatsen en ook dit aan te wenden voor de structurele begeleidingskosten voor de mensen met een basisbaan B. Heroverwegen (prioriteiten) Participatiebudget • Het heroverwegen van de organisatiekosten W&I, waarbij de uitstroom van klanten in de bijstand leidt tot een herverdeling van de beschikbare middelen en deze toekennen als begeleidingsvergoeding. • Het heroverwegen van de bestedingen uit het ‘vrije’ deel van het participatiebudget. C. •
Het aanwenden van incidentele middelen Het aanwenden van het reservefonds Talentontwikkeling
D. Een combinatie van de opties A tot en met C • Substantieel deel van de structurele dekking worden meegenomen in de integrale afweging. • De dekking van de overige structurele kosten wordt gevonden via een herverdeling (in het bestedingsplan 2025) van de middelen uit het Participatiebudget. • De incidentele kosten van de ontwikkelbanen wordt gedekt vanuit het reservefonds Talentontwikkeling. Voor dit voorstel is gekozen om uit te gaan van afweging D. De kosten per ontwikkelbaan per jaar zijn €8.152 op dit moment. Om 150 ontwikkelbanen te financieren tot en met 31 december 2029 is er incidenteel €3.180.900,- nodig uit het reservefonds talentontwikkeling. De ontwikkelbaan heeft een maximale looptijd van 3 jaar, waar er de aankomende 3 jaar elk jaar 50 van starten. Dit betekent dat de laatste ontwikkelbaan uit deze lichting over 5 jaar eindig is. Op basis van huidige uitstroomcijfers op eerdere trajecten is de verwachting dat er van de 50 personen per jaar maximaal 8 behoefte hebben aan een basisbaan. Dit zou betekenen dat er na het eindigen van alle 150 ontwikkelbanen uiteindelijk 24 hiervan worden omgezet in een permanente basisbaan. Dit gaat met 8 basisbanen per jaar vanaf 2028 (dan eindigen de eerste 50 ontwikkelbanen pas).
Op basis van de eerdere trajecten TBM die gaan eindigen zijn er tussen het jaar 2025 en 2028 zo’n 60 personen totaal die behoefte hebben aan een permanente basisbaan. Voor deze basisbanen is er ook structurele dekking nodig welke zijn meegenomen in de integrale afweging en de herverdeling in het bestedingsplan van 2025 De portefeuillehouder heeft voor de jaren 2026 tot 2028 een bedrag opgenomen voor de basisbanen oplopend over deze jaarschijven. Deze bedragen dekken een substantieel deel van de structurele kosten en worden meegenomen in de integrale afweging. De dekking van de overige structurele kosten wordt gevonden via een herverdeling (in het bestedingsplan 2025) van de middelen uit het Participatiebudget. De incidentele kosten van de basisbanen worden ten laste gebracht van het reservefonds Talentontwikkeling.
Onderstaande tabel toont de incidentele dekking en de structurele dekking die nodig is: Jaar
Ontwikkelbanen
2025 2026 2027 2028 2029 2030
50 100 150 100 50 0
Incidentele dekking €407.600,00 €815.200,00 €1.222.800,00 €490.200,00 €245.100,00 0
Basisbanen 36 42 60 68 75 83
Structurele dekking €292.249 €346.052 €489.120 €330.885 €367.650 €404.415