CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Gewijzigde motivering.Pdf

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-4620.926 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

4-sporen beleid parkeren 2021 Op 18 november 2021 heeft de raad met betrekking tot parkeren in de binnenstad het 4-Sporenbeleid Parkeren en Deelmobiliteit vastgesteld. Dit houdt onder andere in dat bij een nieuwe ontwikkeling de ontwikkelaar in de basis nog steeds geacht wordt het parkeren op de eigen ontwikkelplot op te lossen, maar dat er meer handvatten komen waarmee de gemeente een helpende hand kan bieden. De vier sporen zijn: 1. Het beter benutten van restcapaciteit in openbare parkeergarages Hiervoor zijn nieuwe abonnementsvormen ingevoerd waarbij de garages op rustige momenten beter worden gebruikt en op drukke momenten voornamelijk ruimte bieden voor bezoekersparkeren. Voor bezoekers van bewoners wordt een bezoekersregeling in de garages ontwikkeld. 2.

Met een hoogwaardig en betaalbaar aanbod deelmobiliteit een goed alternatief bieden voor de eigen auto Met behulp van een vergunningenstelsel voor deelscooters en deelfietsen wordt actief gestuurd op een hoogwaardig aanbod. Ook voor deelauto’s is een dergelijk vergunningenstelsel volgens planning eind 2023 beschikbaar. In de nota parkeernormen zijn de voorwaarden voor deelmobiliteit opgenomen. 3. Gebiedsgericht aan de rand van de binnenstad openbare parkeercapaciteit toevoegen Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat er aan de oostkant van het centrum een aantal van 500 á 600 extra parkeerplaatsen in openbare gebouwde voorziening wordt gerealiseerd. Daarnaast wordt aan de westzijde van de binnenstad een tijdelijke garage van ca. 350 parkeerplaatsen gerealiseerd. 4. Transferia bij de toegangspoorten van de stad Op 26 mei 2023 heeft het college besloten dat een tweetal transferia, bij de Kempenbaan en in Noord, worden uitgewerkt. Deze worden voorzien van hoogwaardig natransport, waaronder snelle en frequente buslijnen. Agenda voor het stedelijk openbaar vervoer in Tilburg De Tilburgse OV-agenda vormt een uitwerking van actuele kaders, waaronder de Mobiliteitsaanpak Tilburg (2016), Verstedelijkingsstrategie (2022), Parkeerstrategie (2022) en de Netwerkanalyse (2020). In het bestuursakkoord ‘Meer voor Elkaar’ (2022) is opgenomen dat voor het realiseren van de woningbouwopgave

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

26

en voor een prettig en gezond verblijfsklimaat een mobiliteitstransitie noodzakelijk is met inzet op hoogwaardig openbaar vervoer voor de lange termijn. Om Tilburg leefbaar en bereikbaar te houden, dient het aantal reizigers in 2040 met een factor 3-4 te zijn gegroeid ten opzichte van 2019. Om dat te bereiken, zet Tilburg op hoofdcorridors in op Bus Rapid Transit (BRT). Hier reizen inwoners en bezoekers snel en comfortabel over busbanen naar hun bestemming. Aanvullend op BRT worden sterke ontsluitende stads- en streeklijnen gehandhaafd. Een hoogfrequente stadslijn door de oude stad van noord naar zuid verbindt de Parkring, het Museumkwartier, Wagnerplein en mogelijk het ziekenhuis en te ontwikkelen transferia in Noord en Zuid. Tenslotte gaan reizigers voor de kleine vervoersbehoeften gebruik maken van flexibele, ondersteunende, toegankelijke diensten. Nota 'Parkeernormen Tilburg 2026', parkeernormen voor de auto en voor de fiets In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2026' zijn de geactualiseerde parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze zijn voor zowel autoparkeren als fiets- en scooterparkeren opgenomen. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een te realiseren aantal parkeerplaatsen. Voor de auto betreft dit een minimum en meteen ook maximum norm. Voor fietsparkeren betreft dit een minimumnorm.

Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, te worden gerealiseerd. Een ontwikkeling kan uit verschillende functies bestaan. De parkeereis wordt per functie bepaald. De Tilburgse parkeernorm is gebaseerd op de parkeerkencijfers van het CROW. Dit zijn normen van de belangrijkste functies die in de gemeente voorkomen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. De mogelijkheid van inzet van deelmobiliteit is uitgebreid en er zijn rekenregels voor opgenomen. Tenslotte is de richtlijn laadpunten opgenomen. Beschrijving verkeerssituatie en toets aan de Nota parkeernormen Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de Nota parkeernormen van de gemeente Tilburg (april 2026 in werking getreden). Het projectgebied is gelegen in zone ‘C’. Uit de parkeerberekening blijkt dat voor de toekomstige ontwikkeling in totaal 123 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit aantal is gebaseerd op de parkeerbehoefte van de nieuwe functies in het projectgebied, zonder rekening te houden met de huidige (planologische) parkeerbehoefte, deze is buiten beschouwing gelaten.

Het parkeren voor de werknemers en bezoekers van de locatie zal plaats gaan vinden op het nieuwe te realiseren eigen parkeerterrein rondom de nieuwe gebouwen. De nieuwe parkeerplaats biedt ruimte aan minimaal 170 parkeerplaatsen (waarvan 131 parkeerplaatsen voor personenauto’s en 39 voor vrachtwagens, zie inrichtingsschets in de bijlage). Uit deze parkeerbalans blijkt dat ruim voorzien wordt in parkeergelegenheid voor de ontwikkeling.

Verkeer

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

27

De herontwikkeling van de bestaande situatie naar de realisatie van een bedrijventerrein zorgt voor een verandering in de parkeersituatie en de verkeersstromen. In de huidige situatie staat een bedrijfswoning en een schuur op het perceel. Alhoewel deze functie ook verkeer genereert, wordt dit beschouwd als verwaarloosbaar in relatie tot de nieuwe functies en zal buiten beschouwing worden gelaten. De nieuwe functies zorgen voor extra verkeersbewegingen. Op basis van de CROW 2024 kengetallen is de verkeersproductie van de toekomstige functies: kantoor (ondergeschikt en showroom) in beeld gebracht. Hierbij is uitgegaan van ligging rest bebouwde kom en sterk stedelijk (overeenkomstig met zone C en D).

Voor de verkeersbewegingen van de werkplaats is de verkeersgeneratie bepaald op basis van ervaringsgegevens van initiatiefnemer.

De herontwikkeling van het projectgebied geneert dan afgerond 196 personenautobewegingen per etmaal en 17 vrachtwagenbewegingen per etmaal (4350 / 250 werdagen). De verkeersgeneratie van de huidige bestemming is buiten beschouwing gelaten. Effecten op de omgeving Op eigen terrein wordt een voorterrein gerealiseerd met parkeerplaatsen. Het voorterrein heeft een directe ontsluiting op de Grootvenstraat, juist ten westen van de bocht naar de Kraaivenstraat. Beide straten zijn recent gereconstrueerde en er geldt een maximum snelheid van 50 km/u. Naast de hoofdrijbaan ligt een vrijliggend fietspad, wat onderdeel is van de hoofdfietsroute tussen Tilburg en Waalwijk. Bij het ontsluiten van het perceel moet dit fietspad worden gekruist. De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer verloopt via de Kraaivenstraat naar de Zevenheuvelenweg welke weer aansluit op de Midden-Brabantweg welke directe aansluiting geeft op het hoofdwegennet van Tilburg (N261) en de ring rond Tilburg (N260 en A58). De nieuwe functies genereren gemiddeld afgerond 108 aankomende ritten en 108 vertrekkende ritten per etmaal. Deze toename kan verkeerskundig gezien door de bestaande infrastructuur worden afgewikkeld.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

28

5.1.2 Water & watersystemen Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg Het klimaat verandert sneller dan verwacht en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. We willen dat onze stad en dorpen prettig zijn om in te wonen, te werken en te verblijven. Daarom willen we dat de stad leefbaar blijft tijdens hittegolven, dat regenwater geen schade veroorzaakt en dat de Tilburgse bodem niet verder uitdroogt. In de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie is opgeschreven hoe we in Tilburg samenwerken aan een Koel Tilburg. De Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg is tot stand gekomen door in gesprek te gaan met partijen uit de stad. We zetten in op bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten van en met de stad. Om hier een olievlekwerking van uit te laten gaan. Initiatiefnemers, bedrijven en organisaties uit de stad die bijdragen aan de doelstellingen nodigen we nadrukkelijk uit om mee te gaan in de beweging die met de Uitvoeringagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg in gang is gezet. TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

29

Het klimaat verandert sneller dan gedacht. Daarom vinden we dat ieder initiatief moet bijdragen aan het klimaatbestendiger maken van de stad. Om hier richting aan te geven hebben we zes doelstellingen geformuleerd en zijn er beleidsregels voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp vastgesteld. De beleidsregels voor het omgaan met regenwater zijn uitgewerkt in het Programma Water en Riolering 2024 2027. De beleidsregels worden vertaald in het Handboek Openbare Ruimte en in het omgevingsplan. De zes doelstellingen: <0000> Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied; <0000> Robuuste groen-blauwe structuren; <0000> Een koele woonomgeving; <0000> Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld; <0000> Klimaatbestendige bedrijventerreinen; <0000> Klimaatbewustwording en Koel gedrag. Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp: <0000> Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen; <0000> Zorg voor ‘koelte-eilanden’ en koele looproutes; <0000> Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit; <0000> Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen; <0000> Gebruik groen als basis en verharding waar nodig.

Programma Water en Riolering 2024-2027 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen. Als gevolg van het veranderende klimaat is de bestaande situatie vaak niet bestand tegen hevige buien en langdurige droogte. Om wateroverlast (hinder of ernstige hinder) te beperken en de kans op waterschade te minimaliseren, zijn maatregelen nodig. Daarom geldt voor werkzaamheden in de bestaande omgeving een regenwateropgave. Voor nieuwe of vervangende verharde oppervlaktes is de opgave om de nieuwe omgeving klimaatadaptief in te richten, met voldoende ruimte voor waterberging.

De volgende criteria bepalen de regenwateropgave voor verschillende categorieën van werkzaamheden:

*De opgave geldt voor verhard oppervlak waarvan het hemelwater op het watersysteem wordt aangesloten. Verhard oppervlak waar niets mee gebeurt of verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct infiltreert in de bodem zonder overloop, krijgt geen opgave. **Er geldt altijd een minimale opgave van 10 mm voor bergen en infiltreren.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

30

***Bij ruimtelijke ontwikkelingen mag rekening worden gehouden met bestaande berging (mits aantoonbaar en beschikbaar). De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad met het oog op de toenemende verdroging. Weging van het waterbelang Er is een waterparagraaf opgesteld en een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 14. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat. Oppervlaktewater Binnen het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is in de omgeving van het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig met een leggerstatus. Wel is zuidelijk een aangelegde droogvallende waterberging aanwezig en bevindt zich parallel oostelijk van het projectgebied een droogvallende watergang/greppel waarop het maaiveld van het projectgebied en de Midden-Brabantweg afwateren. De verdere afstroming van deze watergangen is globaal in zuidwestelijke richting. Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel. Verder loopt door het projectgebied een transportriool. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij de planinvulling. De ligging is tevens in het bestemmingsplan opgenomen middels een dubbelbestemming.

In het Programma Water en Riolering van de gemeente Tilburg is aangegeven dat hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld dient te worden van het gemengd rioolstelsel en zoveel mogelijk lokaal verwerkt. Het is noodzakelijk om op eigen terrein een gescheiden rioolstelsel aan te leggen, waarbij het vuilwater 100 % gescheiden blijft van het hemelwater. Verharding Ter plaatse is huidig reeds enig verhard oppervlak aanwezig. Door het planvoornemen zal het verhard oppervlak binnen het projectgebied fors veranderen. Nieuw verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden conform de gemeentelijke afkoppelen infiltratieverplichting van de gemeente Tilburg. Deze eis is strenger dan het Waterschap De Dommel waar men uitgaat van een toename aan verhard oppervlak. Tabel 5.4 geeft een overzicht weer van de verwachte toekomstige verharding binnen het projectgebied.

Uit de tabel is af te leiden dat het toekomstig verhard oppervlak binnen het projectgebied circa 23.400 m2 zal bedragen. Ter compensatie dient ter plaatse minimaal een bui van 60 mm per m2 verharding verwerkt te kunnen worden zodat geen verhoogd risico op wateroverlast binnen of buiten het projectgebied ontstaat. Op de toekomstige bebouwing wordt groendak aangelegd, waardoor dit oppervlak in principe niet bijkomend gecompenseerd dient te worden. In het gemeentelijk klimaatbeleid Klimaatscores nieuwbouwontwikkeling is opgenomen dat afhankelijk van het type dak en waterbergend vermogen, een groen dak voor een deel mee telt. Bij een waterbergend vermogen tussen 15 en 29mm telt het dak voor 50% als verharding. Als het dak meer dan 30mm water kan bergen, telt het niet mee als verharding. maar mag het ‘zijn eigen water vasthouden’ wat op dat oppervlakte valt. Dat is dus minder dan de 60mm die elders geldt, dat is de zogenoemde ‘bonusregeling van groene daken’. Als het een simpel groendak is met minder dan 15mm waterbergend vermogen, telt het dak alsnog als 100% verhard oppervlakte mee. Er is nog geen rekening gehouden met de toepassing van halfverharding. De te compenseren nieuwe verharding voor het planvoornemen bedraagt derhalve 13.500 m² + ( 9.900 m² x 0,3) = 16.470 m². De benodigde hemelwaterberging bedraagt hiervoor circa 988,2 m³.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

31

Bij voorkeur wordt het hemelwater verwerkt door middel van infiltratie. Uit het infiltratieonderzoek blijkt echter dat ter plaatse over het algemeen een slechte infiltratiesnelheid aanwezig is met plaatselijk een matige horizontale verspreiding. Ter plaatse wordt dus bij voorkeur een bovengrondse waterbergende voorziening aangelegd. Naast de benodigde waterberging in bijvoorbeeld een wadi wordt een bevordering van de leegloop geadviseerd. In het planvoornemen zijn oostelijk drie grote infiltratiegreppels/wadi’s opgenomen. Met een talud van 1:1 en diepte van maximaal 80 cm (i.v.m. de GHG ter plaatse op 80-100cm-mv) wordt hier in totaal circa 1.268 m³ hemelwater geborgen worden. Dit is meer dan de benodigde waterberging voor een bui van 60 mm. Door het planvoornemen wordt het lokale maaiveld aangepast (zuidelijke opgehoogd), waarbij het water niet mag afstromen naar naastgelegen percelen (afwentelen is verboden). Het terrein dient zo aangelegd te worden dat hemelwater van de bebouwing wegstroomt en bij voorkeur naar de hemelwatervoorziening of een laagte op eigen terrein stroomt waar deze geen overlast veroorzaakt. Door de geadviseerde bouwpeilen is instroom in het pand niet te verwachten. Middels een op te stellen peilenplan bij de verdere planuitwerking kunnen de stromingsrichtingen concreter duidelijk gemaakt worden.

Door de aanleg van minimaal 60 mm waterberging en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten zoals een ruimer infiltratie oppervlak, de lokale ophoging van het perceel eventueel een noodoverloop en een goede maaiveldprofilering is bij het planvoornemen geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. Bij het definitieve bouwplan dienen de uiteindelijke hemel- en afvalwaterstelsels opgenomen te zijn samen met een toekomstig maaiveldprofiel. Er is sprake van een autowasplaats. Dat waswater wordt op de riolering aangesloten en mag niet in de wadi terecht komen. 5.1.3 Natuur en ecologie De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet en is grotendeels bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Natura 2000 Het natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de grenzen van een natura 2000-gebied of die significante gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied vallen onder een ‘Natura 2000-activiteit’ en zijn vergunningplichtig.

Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Soortenbescherming In het wild levende planten en dieren zijn beschermd onder de wet. Bij handelingen of werkzaamheden die effect hebben op deze soorten zal vergunning voor een ‘flora en fauna-activiteit’ aangevraagd moeten worden. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats; <0000> Overige inheemse broedvogels zoals bedoeld in de Vogelrichtlijn; <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; <0000> Soorten vermeld in bijlage II bij het verdrag van Bern; <0000> Soorten vermeld in bijlage I bij het verdrag van Bonn; <0000> Nationaal beschermde soorten vermeld in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

32

andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. Specifieke zorgplicht Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht.

De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij floraen fauna-activiteiten die niet vergunningplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt.

Wanneer de zorgplicht aan de orde is dient de gemeente hiervan te worden geïnformeerd en kan in overleg met de ecologen mogelijk gezorgd worden naar een oplossing. Omgevingsverordening Brabant Naast genoemde wettelijke kaders vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de Omgevingsverordening en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap.

Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Binnen de groenblauwe waarden streeft de provincie naar een samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Binnen Groenblauwe waarden geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Doorwerking projectgebied Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

33

Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen”, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten noordoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een showroom met kantoor en werkplaats betreft, is een verandering aan stikstofuitstoot gedurende de aanleg- en gebruiksfase op voorhand niet met zekerheid uit te sluiten. Er is daarom voor zowel de gebruiks- als de aanlegfase van onderhavige ontwikkeling een stikstof berekening uitgevoerd. Het volledige stikstofonderzoek is als bijlage 4 toegevoegd aan de bijlagen van deze motivering. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de gebruiks- en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het projectgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant.

Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant ligt ongeveer 5 meter ten noorden van het projectgebied. Interne effecten zijn daarmee op voorhand uitgesloten. Externe effecten zoals licht en geluid dienen in de provincie Noord-Brabant ook te worden beoordeeld. Door de beperkte afstand zijn deze niet op voorhand uitgesloten. Uit de beoordeling volgt dat verslechtering van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in de directe omgeving van het projectgebied is redelijkerwijs op voorhand uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Brabant wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Aangezien het projectgebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Omgevingswet bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming Vogels Met het bouwrijp maken van het projectgebied bestaat de kans dat er essentieel leefgebied verloren gaat van de steenuil. Door het verdwijnen van essentieel leefgebied kan een nestplaats mogelijk zijn functionaliteit verliezen. Nesten van de steenuil zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of het projectgebied deel uit maakt van een territorium van steenuil.

Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij het bouwrijp maken van het projectgebied sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gewerkt. Bij sloop van de gebouwen bestaat de kans dat er één of meerdere nesten van de huismus verloren gaan. Nesten van de huismus en gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich onder de daken van de gebouwen nesten van de huismus bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van de sloop sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Daarnaast kan het groen in de tuin gezien worden als essentieel leefgebied voor huismussen gezien de beperkte hoeveelheid groenblijvend groen in de omgeving van het projectgebied. Bij de werkzaamheden kunnen tevens nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.

Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

34

Vleermuizen De gebouwen binnen het projectgebied bevatten geen geschikte doorgangen naar potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust-of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het projectgebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, wezel, steenmarter, boommarter, eekhoorn en das voor. Gezien de ligging, de beperkte omvang waar groen aanwezig is en het relatief kale habitat, betreft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende kleine marterachtigen. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze steenmarter en boommarter. Binnen het projectgebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het projectgebied door de das. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten.

Ondanks het feit dat uit de quickscan flora fauna blijkt dat het projectgebied niet duidt op aanwezigheid van de das is er wel vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de das. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het projectgebied waarnemingen bekend van de ringslang, muurhagedis en levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het projectgebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het projectgebied is daarmee dan ook uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het projectgebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het projectgebied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde rugstreeppad, knoflookpad, poelkikker, heikikker, vinpootsalamander, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het projectgebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het projectgebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing.

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding Omgevingswet is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het projectgebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van vermiljoenkever, bruine eikenpage, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het projectgebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het projectgebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig.

Vaatplanten In de directe omgeving van het projectgebied zijn beschermde soorten bekend als drijvende waterweegbree e kartuizer anjer. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop van het projectgebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

35

Vervolgonderzoek Op basis van de Quickscan flora fauna is er een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de steenuil, huismus, vleermuizen en das. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat. Tabel 5.5 weergeeft een overzicht van de uitgevoerde veldonderzoeken.

Steenuil Tijdens geen van de veldbezoeken zijn waarnemingen van de steenuil gedaan. De aanwezigheid van een nestplaats binnen of in de omgeving van het projectgebied van steenuil kan worden uitgesloten. Steenuilen hebben relatief kleine territoria, waarbij gebruik gemaakt wordt van functioneel leefgebied binnen circa 300 meter van de nestplaats (BIJ12, kennisdocument Steenuil). Binnen het projectgebied zijn geen waarnemingen van steenuil gedaan, waardoor de aanwezigheid van belangrijk foerageergebied kan worden uitgesloten. Ook in de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van steenuil gedaan. Conclusie Met de voorgenomen werkzaamheden gaat geen nestlocaties van steenuil verloren. Gezien de steenuil niet binnen of in de directe omgeving het projectgebied is waargenomen kan worden gesteld dat het projectgebied geen onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een steenuil. Huismussen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

36

Tijdens de veldbezoeken zijn veel huismussen waargenomen rond de woning. In totaal hebben 10 paartjes een nestplaats binnen de woning (zie figuur 5.2). De nestplaatsen zijn toegankelijk via de dakgoot, en bevonden zich onder de dakpannen. Het groen in de siertuinen heeft een foerageer- en schuilfunctie voor de huismus. Het groen rondom de woning zal verdwijnen binnen de voorgenomen plannen. Hierdoor zal de ingreep ook leiden tot het verloren gaan van leefgebied van de huismus.

De huismus is een soort die zowel voorkomt in de stadcentra als op het platteland, maar een voorkeur heeft voor bebouwde gebieden. Hierbij heeft huismus als vaste rust- en verblijfplaats en nestlocatie een voorkeur voor woningen die openingen hebben die toegang verlenen tot geschikte nestlocatie tussen het dak en het dakbeschot met tevens voldoende groen in de omgeving van de woningen. Ten oosten van de Midden-Brabantweg, aan de Puccinihof, zijn meer woningen beschikbaar waar huismussen onder kunnen nestelen doordat de meeste panden in de omgeving een pannendak hebben. Conclusie Binnen het projectgebied zijn in totaal 10 nesten van de huismus aangetroffen. Bij het slopen van de woning worden deze nesten vernietigt. Dit betekent dat er een overtreding is van een verbodsbepaling van artikel 11.37, lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot het vernietigen van nesten van de huismus. Er is een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd en ontvangen voor het verwijderen van de huidige nestplaatsen en leefgebied. Vleermuizen Ondanks de conclusie dat de gebouwen binnen het projectgebied geen geschikte doorgangen bevatten naar potentiële verblijfplaatsen is er vervolgonderzoek uitgevoerd. Gedurende de onderzoeksrondes in het voorjaar is één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen.

De toegang tot de verblijfplaats bevindt zich bij de schoorsteen, tussen het lood en de gevelpannen. Bij de eerste avond in het najaar zijn een

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

37

enkele keer incidenteel sociale roepjes gehoord binnen het projectgebied. Gezien deze roepjes niet met regelmatige vluchten werden waargenomen betreft het waarschijnlijk geen baltsterritorium. Ook is er geen zwermgedrag waargenomen. Tijdens vrijwel ieder veldbezoek is er een enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen rondom het groen in de tuinen waargenomen. Later in de avond trokken deze weg en vloog er slechts incidenteel een individu over. Gezien de vleermuizen hier niet de hele avond aanwezig waren en regelmatig een kwartier of langer verdwenen is het niet de verwachting dat het projectgebied essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis betreft. Daarnaast is er in de directe omgeving genoeg groen aanwezig dat kan dienen als foerageermogelijkheid. De voorgenomen plannen zullen niet leiden tot een afname in essentieel foerageergebied. Tijdens de veldbezoeken zijn in de directe omgeving geen eenduidig vliegpatronen aangetroffen welke door meerdere individuen werd gevolgd. Conclusie Binnen de woning is een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Bij het slopen van de woning wordt deze verblijfplaats vernietigd.

Dit betreft een overtreding een overtreding van artikel 11.46, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het opzettelijk verstoren en artikel 11.46, eerste lid, onder d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het vernielen van rustplaatsen met betrekking tot de vleermuis. Er is een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd en ontvangen voor het verwijderen van de huidige nestplaatsen en leefgebied. Das In het noorden van het projectgebied waren lichte wroetsporen aangetroffen bij het plaatsen van de camera’s. Uit camerabeelden blijkt dat er minimaal één das gebruik maakt van het projectgebied. Deze foerageert vrijwel iedere avond binnen het projectgebied, in het noordoosten. Langs de IJpelareweg zijn geen eenduidige wissels zichtbaar. Gezien de aanwezigheid van dassen binnen en in de directe omgeving van het projectgebied, betreft het projectgebied essentieel foerageergebied. Het projectgebied betreft grotendeels uitloopweide voor koeien. Hierdoor betreft de ondergrond bemest grasland en primair foerageergebied voor de das. Het meest zuidelijke deel van het projectgebied is momenteel in ontwikkeling en in de huidige staat niet geschikt als leefgebied voor de das. Conclusie Met de voorgenomen ontwikkelingen gaat er foerageergebied van de das verloren. Het gaat hierbij om primair foerageergebied in de vorm van bemest grasland.

Er is een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aangevraagd en ontvangen. Er is een activiteitenplan opgesteld, waarin de te nemen mitigerende maatregelen zijn uitgewerkt. Het gaat hier om het realiseren van voldoende alternatief foerageergebied voor de das in de directe omgeving. Er gaan geen burcht, vluchtpijpen of belangrijke wissels verloren. Activiteitenplan Er is een activiteitenplan opgesteld die als bijlage 19 bij de omgevingsvergunningsaanvraag is gevoegd. In het activiteitenplan zijn maatregelen om negatieve effecten te voorkomen dan wel te minimaliseren opgenomen. De maatregelen bestaan achtereenvolgens uit het tijdig aanbrengen van mitigatie, in de vorm van verblijfvoorzieningen en leefgebied, ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen, een controleronde, zorgvuldig handelen (doden en verwonden voorkomen) en het realiseren van permanente verblijfvoorzieningen in de nieuwe situatie. In dit geval gaat het om het treffen van maatregelen ten behoeve van het verwijderen van nest- en verblijfplaatsen van huismus en gewone dwergvleermuis, en het verwijderen van leefgebied van de das. Op figuur 5.3 zijn de te nemen maatregelen op kaart samengevat.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

39

Omgevingsvergunning flora- en faunactiviteit Op 2 januari 2025 heeft Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit ( huismus, gewone dwergvleermuis en das) verleend. Het besluit is als bijlage 18 bijgevoegd. 5.1.4 Bomenverordening Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er te veel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021; <0000> Bomenbeleid; <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden; <0000> Nota 'overige houtopstanden'; <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2021; <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen. Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

Bomenverordening 2021 De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening. Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht enstraatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Omgevingswet een verplichting.

Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Omgevingswet de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Omgevingswet) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Toets van de ontwikkeling aan de bomenverordening Om te voorkomen dat houtopstanden beschadigen of andere negatieve gevolgen ondervinden van voorgenomen werkzaamheden in de nabijheid van de boom, worden er regelmatig Bomen Effect Analyses (BEA’s) uitgevoerd. Met een BEA wordt bekeken wat het effect van de voorgenomen werkzaamheden op de houtopstand zijn en of deze negatieve effecten weggenomen kunnen worden. De BEA is een nauwgezette en

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

40

onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan voorgenomen bouw of aanleg. De BEA waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg. Er is een BEA uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat. In totaal zijn 103 bomen geïnventariseerd. Door het nemen van maatregelen kunnen 2 bomen duurzaam gehandhaafd blijven. 63 bomen kunnen zonder maatregelen blijven staan. Op de overige bomen wordt ruimtelijk beslag gelegd. Er worden nieuw bodem aangeplant in en rond het projectgebied, zie de landschappelijke inpassing paragraaf 2.3. 5.1.5 Groen, klimaat en duurzaamheid Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente.

Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn. Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken.

Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

41

De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. <0000> Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. <0000> In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. <0000> Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). 5.1.6 energie en warmte De nieuwe bedrijfsgebouwen zullen zeer goed geïsoleerd worden en energielabel A++ krijgen. Er worden geen installaties gebruikt die op gas werken. Het rendement van de luchtbehandeling is 95% en er worden luchtwarmtepompen i.c.m. zonnepanelen geïnstalleerd. 5.1.7 archeologie, cultuurhistorie en landschap Toetsingskader archeologie In 1992 heeft Nederland het Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend.

Dit verdrag bepaalt, dat er op verantwoorde wijze dient te worden omgegaan met archeologisch erfgoed, onder andere bij planontwikkelingen. Dit verdrag komt momenteel tot middels artikel 5.130 lid 1 Bkl. Het doel van het verdrag is het beschermen en behouden van archeologisch erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen. Het uitgangspunt hierbij is dat het behoud van archeologische waarden in situ (op de oorspronkelijke plaats) voorgaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. Toetsingskader cultuurhistorie Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd. Het Rijk pleit voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie, dus (onder meer) monumenten en archeologie gezamenlijk, in gebiedsvisies en omgevingsplannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De verwachting daarbij is dat overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijke ontwerpers er toe aangezet worden om de waarde van het cultureel erfgoed als kans te zien bij de ontwikkeling van gebieden en het realiseren van economische en maatschappelijke doelen.

In lijn met de Erfgoedwet neemt de gemeente Tilburg bij planontwikkelingen een onderbouwing op of de het plan betrokken (bouw)historische waarden en de archeologische waarden. Daarbij wordt de planontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke monumenten verordening Tilburg, Routekaart Ruimtelijk Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke welstandsnota. Archeologie Het noordelijke deel van het projectgebied ligt volgens de Archeologische Waarschuwingskaart van de gemeente Tilburg (2003) in een zone met een hoge archeologische verwachting. Het zuidelijke deel ligt in een zone die staat aangemerkt als verstoord. Binnen het bestemmingsplan Lobelia-Spinder-Rugdijk (2013) geldt (abusievelijk) voor alleen het zuidelijke deel de dubbelbestemming Waarde – Archeologie. Er geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 60 centimeter onder peil. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. De archeoloog van de gemeente Tilburg, heeft aangegeven dat een gecombineerd bureauonderzoek en verkennend booronderzoek dient te worden uitgevoerd voor het hele projectgebied.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

42

Derhalve heeft er een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 12 van onderhavige motivering. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies samengevat. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen een groot deel van het projectgebied bestaat uit (deels) intacte hoge zwarte enkeerdgronden. De aangetroffen (deels) intacte podzolbodems zijn gevormd in de top van het pakket Jong Dekzand I /Oud Dekzand. Hierdoor zijn dit naar verwachting oude podzolbodems, mogelijk prehistorisch. Op basis van de (deels) intacte bodem ter plaatse van Type I-boringen geldt er een hoge verwachting voor jager-verzamelaars. Archeologische resten kunnen aanwezig zijn vanaf een diepte van circa 0-60 centimeter onder maaiveld (dikte Ap- en Aa-horizont). Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat, met name ter plaatse van de Type II-boringen, de bodem in meer of mindere mate verstoord is. Ter plaatse van de Type II-boringen is er sprake van een AC-profiel. Aangenomen wordt dat het eventueel aanwezige archeologische niveau ter hoogte van Type II-boringen door de zandwinning is verdwenen. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw reikt de verstoring tot in de top van het Jong Dekzand I /Oud Dekzand.

De kans op het aantreffen van intacte archeologische waarden wordt daarom zeer klein geacht. Om deze redenen blijft de lage verwachting voor de periode laat-paleolithicum – nieuwe tijd gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen ter plaatse van Type I-boringen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid blijft de (middel)hoge archeologische verwachting ter plaatse van Type I-boringen voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode laatpaleolithicum – vroege middeleeuwen gehandhaafd. Archeologische resten kunnen onder de humushoudende bovengrond (0- 60 centimeter beneden maaiveld) aanwezig zijn. Wanneer in dit deel van het projectgebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor dit deel van het projectgebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Zie hiervoor figuur 5.4. Voor dit plandeel is de functie ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen ter waarborging. Voor het overige projectgebied wordt geen verder archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

43

5.2 Milieu & gezondheid 5.2.1 Milieueffectrapportage Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is een wijziging van het omgevingsplan. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

44

Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. Doorwerking projectgebied Met dit omgevingsplan wordt een uitbreiding van een bedrijventerrein (industrieterrein) mogelijk gemaakt. Voor een industrieterrein is een mer-plicht niet van toepassing (zie tabel 4.1, kolom 2). ). Er is sprake van aanleg, wijziging of uitbreiding, waarvoor bij een omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht geldt (zie tabel 4.1, kolom 3. Er is op dit moment geen sprake van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.

Bij de aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit zal op basis van het feit dat er sprake is van installaties voor het vervaardigen van motorvoertuigen of motoren voor motorvoertuigen of het assembleren van motorvoertuigen een mer-beoordeling moeten worden, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de reeds uitgevoerde mer-beoordeling aangevuld met ander informatie m.b.t. de effecten van de milieubelastende activiteit. Onderzocht is of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 15. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie en de kenmerken van de potentiele effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het projectgebied en de directe omgeving ervan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een mer-procedure. 5.2.2 Bedrijven en milieuzonering Invloed omliggende bedrijven op het projectgebied Bij het beoordelen van (binnen het projectgebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het projectgebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46

45

richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Er is een onderzoek Bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 3. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten samengevat. Ter plaatse van het industrieterrein zijn, binnen het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kraaiven 2008”, afhankelijk van het perceel, bedrijven in de milieucategorieën 4.1 t/m 5.2 toegelaten. Vlak ten zuiden van de planlocatie is een tankstation (zonder LPG) gelegen, waarvoor milieucategorie 2 geldt. In het bestemmingsplan is geen nadere verbijzondering voor de toegelaten bedrijfscategorieën opgenomen. Figuur 5.5 geeft de richtafstanden voor de genoemde categorieën, uitgaande van een gemengd gebied.

Uit figuur 5.5 volgt dat slechts een beperkt deel van het projectgebied binnen de richtafstanden ligt. Binnen dit deel zijn geen gebouwen en daarmee geen verblijfsgebieden voorzien. De omliggende bedrijven, waaronder het genoemde bedrijf Van Geloven, leggen daardoor geen beperkingen op aan planrealisatie. Bovendien worden de omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering door planrealisatie. Traditioneel schieten - Grootvenstraat 7 Het bepalende aspect hierbij is gevaar (richtafstand voor een gemengd gebied: 300 m). Het gilde heeft aangegeven dat hun schietactiviteiten vallen onder het “traditioneel schieten”, waarbij zij gebruik maken van een .22 kaliber in de discipline “wip- en vogelschieten”. Bij deze vorm van schieten wordt een onveilige zone in acht genomen waar projectielen direct of indirect terecht kunnen komen. In dit geval omvat deze zone een gebied van twee meter een weerszijden van de kogelvanger bij acht meter. In dit geval zijn beide schietbomen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16829951/1