CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Nota van zienswijzen en staat van wijzigingen

Raadsvergadering 16 april 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen wijzigingsbesluit "TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22u, tegengaan kleinschalige bedrijfsruimten bedrijventerreinen”946 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van zienswijzen ontwerp-wijzigingsbesluit omgevingsplan "TAM-

omgevingsplan Hoofdstuk 22u, tegengaan kleinschalige bedrijfsruimten bedrijventerreinen” Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22u, tegengaan kleinschalige bedrijfsruimten bedrijventerreinen heeft van maandag 24 november t/m maandag 5 januari 2026 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Zienswijzen konden worden ingediend door een ieder. Bij de gemeente is er gedurende de periode van tervisielegging één zienswijze ingekomen. De zienswijze is tijdig ingekomen en zodoende ontvankelijk. Hierna volgt een samenvatting van de ingekomen zienswijze en het standpunt van de gemeente hierover. Het standpunt is gebaseerd op de volledige tekst van de zienswijze; er heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. N.B.: in verband met de toepassing van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) zijn de zienswijzen van eventuele natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven.

Zienswijze 1 – Provincie Noord-Brabant 1.1

Zienswijze – zorgvuldig ruimtegebruik

Reactie gemeente

Indiener stelt dat het plan onvoldoende aansluit bij de provinciale belangen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant en dat aanpassing of nadere onderbouwing nodig is. Volgens de indiener wordt het doel van zorgvuldig ruimtegebruik – het tegengaan van oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen voor kleinschalige opslag, verhuur en bedrijfsverzamelgebouwen – niet overtuigend bereikt met de huidige planregels. De beperking tot bedrijfsruimten kleiner dan 500 m² bvo zou te beperkt zijn, omdat zowel hoogwaardige bedrijven kleiner dan 500 m² kunnen bestaan als opslaggerichte bedrijven groter dan 500 m². De indiener vindt het daarom logischer om milieucategorieën of specifieke functies te reguleren in plaats van alleen de omvang van gebouwen. Daarnaast merkt de indiener op dat de vraag naar kleinschalige opslag en bedrijfsverzamelgebouwen blijft bestaan en zich verplaatst naar vrijkomende agrarische locaties in het buitengebied. Tot slot wordt verzocht om het weren van dit type bedrijvigheid op de bestaande bedrijventerreinen en de locatie waar dit type bedrijvigheid een plek zou moeten krijgen regionaal op te pakken om gezamenlijk beleid te ontwikkelen. Wij begrijpen de zorg die in de zienswijze wordt geuit over de effectiviteit van de gekozen regeling en de vraag of het reguleren van uitsluitend de omvang van bedrijfsruimten voldoende bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik.

Graag lichten wij toe waarom in dit plan is gekozen voor een maximale bruto vloeroppervlakte (bvo) van 500 m² en waarom dit, binnen de systematiek van de Omgevingswet, een passend en juridisch houdbaar instrument is. Onder de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met milieucategorieën, maar met het begrip milieubelastende activiteiten. De traditionele milieucategorieën hebben geen wettelijke status meer en sluiten niet aan op de systematiek van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het is daarom niet mogelijk – en juridisch niet houdbaar – om bedrijven uit te sluiten op basis van milieucategorieën, zoals in de zienswijze wordt gesuggereerd. De gemeente kan wél regels stellen over de omvang en intensiteit van activiteiten, mits deze ruimtelijk relevant en goed gemotiveerd zijn. De gekozen grens van maximaal 500 m² bvo dient precies dat doel. Door de schaalgrootte van bedrijfsactiviteiten te begrenzen, wordt voorkomen dat kleinschalige bedrijfsruimten (zoals bedrijfsverzamelgebouwen en garages/opslagboxen) zich kunnen vestigen op locaties waar dit niet wenselijk is. De milieubelasting van de toegestane activiteiten wordt aanvullend gereguleerd via de rechtstreeks werkende regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De bvo-grens vormt daarmee een effectief en juridisch robuust instrument om zorgvuldig ruimtegebruik te borgen en een goed woon- en leefklimaat te

Conclusie

waarborgen. Daarnaast sluit deze benadering aan bij de landelijke beweging om ruimtelijke sturing te baseren op feitelijke impact in plaats van op generieke categorie-indelingen. Wij herkennen de opmerking dat zowel hoogwaardige bedrijven kleiner dan 500 m² kunnen bestaan als opslaggerichte bedrijven groter dan 500 m². In die situaties biedt het plan bewust ruimte voor maatwerk. Indien zich een initiatief aandient dat qua aard en impact afwijkt van de algemene lijn – bijvoorbeeld een hoogwaardige, economisch waardevolle onderneming onder de 500 m² of juist een opslaggericht bedrijf boven die grens – dan kan via een vergunningprocedure, op basis van een goede ruimtelijke onderbouwing, een zorgvuldige afweging worden gemaakt. Dit zorgt ervoor dat het plan enerzijds duidelijke kaders biedt en anderzijds voldoende flexibiliteit behoudt om uitzonderlijke, ruimtelijk verantwoorde initiatieven mogelijk te maken. Het doel van dit plan is daarmee niet om individuele bedrijfstypen te selecteren of te weren, maar om een ruimtelijk kader te bieden dat oneigenlijk gebruik – zoals grootschalige opslag en bedrijfsverzamelgebouwen – structureel ontmoedigt. De gekozen oppervlaktegrens is hiervoor een effectief middel, omdat dergelijke functies in de praktijk vrijwel altijd een grotere schaal kennen.

Bovendien biedt de Omgevingswet aanvullende instrumenten, zoals maatwerkvoorschriften, om in specifieke gevallen bij te sturen wanneer dat nodig is. Tot slot hebben wij bewust aangesloten bij de aanpak van de gemeente ’s-Hertogenbosch, waar dezelfde bvo-grens wordt gehanteerd. Dit bevordert regionale consistentie en voorkomt ongewenste verplaatsingseffecten tussen gemeenten. Het verzoek tot, het weren van dit type bedrijvigheid op de bestaande bedrijventerreinen en de locatie waar dit type bedrijvigheid een plek zou moeten krijgen, regionaal op te pakken om gezamenlijk beleid te ontwikkelen, zullen wij regionaal bespreken binnen de Regio Hart van Brabant. De zienswijze is ongegrond. De gekozen bvo-grens van 500 m² is binnen de Omgevingswet het juiste en juridisch houdbare instrument om zorgvuldig ruimtegebruik te borgen, omdat uitsluiten op basis van milieucategorieën niet meer mogelijk is. Voor uitzonderlijke gevallen kan via een vergunningprocedure, met een goede onderbouwing, alsnog een passende afweging worden gemaakt.

Staat van wijzigingen Ambtshalve wijziging van de verbeelding Bij de digitale terinzagelegging van het ontwerp-TAM-omgevingsplan is gebleken dat de bijlage met de verbeelding (PDF) niet volledig overeenkwam met de correcte weergave op ‘Regels op de kaart’ in het DSO. In de PDF-bijlage ontbrak per abuis één bedrijf op industrieterrein Vossenberg binnen het werkingsgebied. Dit betrof een technische omissie. De verbeelding is inmiddels ambtshalve gecorrigeerd zodat beide weergaven weer volledig in overeenstemming zijn. De aangepaste verbeelding zal als nieuwe bijlage worden toegevoegd aan het plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16606675/4