CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Nota van zienswijzen en Staat van wijzigingen

Raadsvergadering 20 oktober 2025, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan ‘Bgb West, 9e herziening (Hultenseweg 62)’4.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van zienswijzen en Staat van wijzigingen bestemmingsplan ‘Bgb West 9e herziening (Hultenseweg 62)’ Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Bgb West 9e herziening (Hultenseweg 62)’ heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 18 december 2023 tot en met maandag 29 januari 2024. Er is één zienswijze ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is er een reactie ingediend door het Rijksvastgoedbedrijf (Defensie). Of deze binnen de termijn van terinzagelegging is ingediend, kan niet worden achterhaald. Er is enkel een email van het Rijksvastgoedbedrijf ontvangen na de termijn. In deze nota wordt deze reactie toch inhoudelijk behandeld. Het bestemmingsplan is gereed om te worden vastgesteld, met inachtneming van de onderstaande reacties op de zienswijze. De gemeente stelt deze nota bij de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch beschikbaar als bijlage bij het bestemmingsplan. Hierna volgt een zakelijke, puntsgewijze samenvatting van de ingekomen zienswijze en het standpunt van de gemeente hierover. Het standpunt is gebaseerd op de volledige tekst van de zienswijze; er heeft een integrale beoordeling plaatsgevonden. Nr. 1. 2.

Zienswijze (kenmerk) Provincie Noord-Brabant Rijksvastgoedbedrijf (Defensie)

Zienswijze 1 – Provincie Noord Brabant Eerder heeft ambtelijk vooroverleg over dit plan plaatsgevonden tussen de gemeente en de provincie. De provincie deelt mede in beginsel geen overwegende bezwaren tegen het plan te hebben maar wel enkele opmerkingen. De provincie stelt dat het bestemmingsplan nog niet geheel in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening (IOV). Zienswijze 1.1 Onderbouwing van woonbestemming Gelet op de omvang van de woonbestemming en de omvang van de loods voor de statische opslag, is het de vraag of hier nog sprake is van een woonbestemming of een niet-agrarische bedrijfsbestemming eerder aan de orde is. Wij vragen nader te verduidelijken of te onderbouwen, waarom hier sprake is van een woonbestemming. Standpunt Er ontstaat inderdaad een woonbestemming van ruim 3000 m2. Binnen de gemeentebestuur woonbestemming wordt een bestaande loods van 825 m2 gebruikt voor opslag. Een woonbestemming van ruim 3000 m2 is inderdaad behoorlijk fors, maar in dit gebied gebruikelijk. De woonbestemming valt niet uit de toon en vinden wij hier passend. Zeker ook omdat er een goede, ruime, landschappelijke inpassing plaatsvindt. Ook statische opslag ter grootte van 825 m2 vinden wij passend bij een woonbestemming als economische activiteit ná beëindiging van een agrarisch bedrijf.

Statische opslag is extensief van aard en heeft een beperkte ruimtelijke uitstraling. De milieuzwaarte ervan is veel beperkter dan de agrarische activiteiten die eerder mogelijk waren en juist ook passend bij een woonbestemming. Ook de verdiensten van statische opslag zijn relatief beperkt. Juist in het buitengebied vinden wij deze functie dan ook passend. Het agrarisch bouwvlak is met ruim 1100 m2 verkleind en herbestemd naar een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden. Hiermee wordt voorkomen dat er verdere bebouwing bij het perceel kan plaatsvinden. Wij vinden verder in dit gebied een woonbestemming meer passend dan een bedrijfsbestemming. Juist een woonbestemming vermindert het risico op toekomstige intensivering en uitbreiding van bedrijfsmatig gebruik omdat in de regels de maximale oppervlakte aan bebouwing . Conclusie De zienswijze is ongegrond en geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te 1

Zienswijze 1.2

Standpunt gemeentebestuur

Conclusie Zienswijze 1.3

Standpunt gemeentebestuur Conclusie Zienswijze 1.4

Standpunt gemeentebestuur

Conclusie

passen. Onderbouwing ontwikkelingsrichting Indien sprake is van de vestiging of wijziging naar een niet-agrarische functie zal het bestemmingsplan nader onderbouwd moeten worden op grond van artikel 3.73 IOV. Er zal ingegaan moeten worden op de vraag of de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied en de overige daarin opgenomen voorwaarden. In paragraaf 2.2.2. (provinciaal beleid) was artikel 3.73 Iov inderdaad niet opgenomen als relevant artikel. Tevens was de ontwikkelingsrichting niet expliciet onderbouwd, hoewel in de paragraaf met betrekking tot het gemeentelijk beleid wel is ingegaan op beleid. Wij hebben paragraaf 2.2.2 aangevuld met een verwijzing naar artikel 3.73 Iov. In paragraaf 3.2 wordt explicieter ingegaan op de ontwikkelingsrichting .In deze paragraaf wordt onderbouwd dat het plan past in het beleid voor het stadsregionaal park 'Stadsbos 013'. Stadsregionale parken zijn gebieden waar stad en land meer in elkaar overgaan. En waar de transformatie van het gebied enerzijds moet bijdragen aan de versterking van het landschap en anderzijds ruimte moet bieden aan meer stedelijke functies die elders in de stad niet passen en waarmee leegstand en verloedering in het gebied wordt voorkomen.

In het ruimtelijk raamwerk voor dit gebied (het landbouwgebied van Klein Tilburg) geldt dat het langzaam transformeert van een puur agrarisch gebied naar een meer gemengd gebied. Dat betekent dat een gebied ontstaat dat gaat dienen als uitloopgebied voor de stad, waaruit de puur agrarische functie (althans, de bouwvlakken) langzaam verdwijnt, kleinschaliger wordt of transformeert naar andere functies. Zo ontstaat er meer ruimte voor stedelijke functies en groen, landschap en recreatie. De zienswijze geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. In de toelichting van het bestemmingsplan is dit aspect nader onderbouwd. Berekening kwaliteitsverbetering Deze berekening is niet transparant, omdat enkel de waarden voor de huidige en toekomstige situaties benoemd worden, zonder daarbij de waardes aan te geven die gehanteerd worden voor de bestemming én de gehanteerde oppervlakten. Wij vragen dat de verduidelijken. De tabel met de berekening van de benodigde kwaliteitsverbetering met bestemmingswaardes wordt transparant gemaakt zodat duidelijk wordt waarop de uitkomsten zijn gebaseerd. De zienswijze geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. In de toelichting van het bestemmingsplan is de aangepaste tabel opgenomen.

Beheerkosten komen niet overeen met STILA Daarnaast valt op dat de beheerkosten in vergelijking met de kosten die voor de STILA zijn opgenomen niet met elkaar overeenkomen, met de bedragen die daarvoor staan. De opgevoerde kosten in de berekening zijn veelal hoger dan de bedragen uit de STILA-regeling. De eerdere berekening was inderdaad niet gebaseerd op de laatste STILA-normen. De tabel met de berekening van de landschappelijke tegenprestatie wordt aangepast aan de normen van de STILA-regeling. Uit de berekening volgt dat de gerealiseerde kwaliteitswinst voldoende is. De zienswijze geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. In de toelichting van het bestemmingsplan is de aangepaste tabel opgenomen.

Zienswijze 2 – Rijksvastgoedbedrijf (Defensie) Zienswijze 2.1

Hoogtes binnen de funnel en ILS Hultenseweg 62 is gelegen binnen de aan- en uitvliegfunnel en de Instrumental Landing System zonering van de Vliegbasis Gilze-Rijen. Deze beperkingengebieden dienen om de luchtvaartverkeersveiligheid van de vliegbasis te waarborgen. De geldende hoogtebeperkingen in deze zoneringen zijn in principe vaste hoogtes

2

Standpunt gemeentebestuur

Conclusie

Zienswijze 2.2

Standpunt gemeentebestuur

Conclusie

Zienswijze 2.3

Standpunt gemeentebestuur

waarvan niet kan worden afgeweken in verband met de luchtverkeersveiligheid. In artikel 11 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om 10 % af te wijken van de vigerende maatvoeringen. Daarmee is de regeling mogelijk in strijd met de luchtverkeersveiligheid. Om die reden verzoek ik u om in artikel 11 in de voorwaarden ook de voorwaarden van artikel 10 op te nemen. Wij hebben met betrekking tot de reactie van het Rijksvastgoedbedrijf overleg gevoerd met gemeente Gilze-Rijen. In samenspraak met deze gemeente is een beschrijving opgesteld met betrekking tot het huidige toetsingskader van plannen in relatie tot wet- en regelgeving met betrekking tot vliegveld Gilze-Rijen. Deze (uitgebreide) beschrijving is hieronder opgenomen onder A, B en C en zal in de toelichting van het bestemmingsplan worden opgenomen. Op basis hiervan concluderen wij dat de zienswijze van het Rijksvastgoedbedrijf geen aanleiding geeft voor aanpassing van het bestemmingsplan. Wij hebben echter geen probleem met het opnemen van de gevraagde voorwaarden van artikel 10 bij artikel 11. Daarmee wordt het duidelijker dat ook bij toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden in artikel 11 voldaan moet worden aan de in artikel 10 opgenomen maximale bouwhoogtes op basis van luchtverkeersveiligheid. De zienswijze is ongegrond en geeft geen geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.

Wel wordt de toelichting van het bestemmingsplan aangevuld met de motivering onder A, B en C. In artikel 11 wordt verwezen naar de voorwaarden van artikel 10. Toevoegen woning is in strijd met Bml Het omzetten van de agrarische bedrijfswoning aan de Hultenseweg 62 naar een reguliere burgerwoning is gelegen in de 45 tot 50 Ke contour van het Luchthavenbesluit van Vliegbasis Gilze en Rijen. In een dergelijke contour mogen op grond van artikel 7 van het Besluit militaire luchthavens buiten de bebouwde kom enkel woningen worden toegevoegd ter vervanging van reeds aanwezige woningen. Het voorgenomen bestemmingsplan betreft het toevoegen van een nieuw geluidgevoelig gebouw buiten de bebouwde kom en is op grond van het Bml dus niet uitvoerbaar. Zie onder 2.1. Als toevoeging hierop het volgende. Het door het Rijksvastgoedbedrijf genoemde Besluit militaire luchthavens (Bml) is geen toetsingskader voor geluid maar alleen voor hoogte(beperkingen). Geluid moet worden getoetst aan het op de Luchtvaartwet gebaseerde BGGL’97. Het bestemmingsplan voldoet aan het bepaalde in het BGGL’97 omdat er geen sprake is van nieuwvestiging van een woning maar van een bestaande woning. Dat is toegestaan. In de hieronder opgenomen toelichting wordt onder B verder ingegaan op de eisen met betrekking tot geluid in het BGGL’97.

Deze onderbouwing zal ook worden opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. De zienswijze is ongegrond en geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Wel wordt de toelichting van het bestemmingsplan aangevuld met de motivering onder A, B en C. geluidwering Daarnaast is niet duidelijk in hoeverre bij de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning ook voldoende geluidwering aan de woning wordt aangebracht. Ik verzoek u dan ook om een voorwaardelijke bepaling op te nemen voor het moeten voldoen aan artikel 4.104 (Geluidwering bij luchtvaartlawaai) Besluit bouwwerken Leefomgeving (hierna: Bbl) voor wat betreft voldoende geluidwering voor de woning in relatie tot luchtvaartlawaai. Regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen niet worden voorgeschreven in een bestemmingsplan (voorwaardelijke verplichting), deze zijn namelijk al van rechtswege van toepassing op bouwactiviteiten. Het in de zienswijze genoemde artikel 4.104 Bbl is geplaatst in Hoofdstuk 4 Bbl. Op grond van art. 4.1 Bbl zijn deze regels ‘automatisch’ van toepassing als er nieuwbouw plaatsvindt. Dit hoeft dus niet ook nog in een bestemmingsplan te worden geregeld.

3

Conclusie

De zienswijze is ongegrond en geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Wel wordt de toelichting van het bestemmingsplan aangevuld met de motivering onder A, B en C.

Ambtshalve wijzingen 1. Wijziging

Reden

2. Wijziging

Reden

3. Wijziging

Reden

4. Wijziging Reden 5.

Naamgeving bestemming Op de verbeelding wordt de naam van de bestemming ‘Wonen’ gewijzigd in ‘Wonen – Buitengebied". De naamgeving van de aanduiding voor de weegbrug wordt gewijzigd in ‘specifieke vorm van wonen – buitengebied – weegbrug'. In de verbeelding staat de enkelbestemming ‘Wonen’ en in de regels de enkelbestemming ‘Wonen – Buitengebied’. Deze zijn wel naar elkaar gelinkt maar de naamgeving moet overeenkomen. De naam van de enkelbestemming op de verbeelding dient aangepast te worden naar ‘Wonen – Buitengebied’. Deze naamwijziging heeft ook tot gevolg dat de naam van de aanduiding voor de weegbrug moet worden aangepast. Realisering landschappelijke inpassing ter plaatse van weegbrug In artikel 5.4.3 wordt opgenomen dat ter plaatse van de weegbrug de landschappelijke inpassing binnen 6 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan moet worden gerealiseerd. In de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing (artikel 5.4.3) is een termijn van 2 jaar opgenomen nadat het plan onherroepelijk is geworden voor de realisering van de landschappelijke inpassing. De inpassing ter plaatse van de weegbrug kan echter niet binnen 2 jaar gerealiseerd worden, omdat deze weegbrug maximaal 5 jaar gehandhaafd mag blijven. Een aanpassing van de regeling is daarom nodig.

Binnen 1 jaar na afloop van deze termijn moet de landschappelijke inpassing ter plaatse van de weegbrug worden gerealiseerd. Wijziging landschappelijke inpassingsplan ter plaatse van grond van de gemeente 1. Het landschappelijk inpassingsplan wordt aangepast in die zin dat inpassing op gemeentegrond wordt geschrapt en inpassing op eigen grond wordt toegevoegd. 2. 2. In een bodemonderzoek wordt aangetoond dat deze grond bruikbaar is voor deze functie. 1. Het is niet gewenst om op gemeentegrond in de berm van de weg dichte landschappelijke inpassing aan te brengen. Daarom wordt de inpassing hier geschrapt. Omdat wel inpassing gewenst is bij de voormalige stal, wordt daar wel inpassing aangebracht. Het inpassingsplan wordt hierop aangepast. 2. De locatie Hultenseweg 62 is verdacht voor asbestverontreiniging. Daarom was in het ontwerpbestemmingsplan voorgeschreven dat er bij bodemwerkzaamheden bodemonderzoek nodig was. Ter plaatse van de vereiste landschappelijke inpassing is nu bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt geen verontreiniging zodat de inpassing kan worden gerealiseerd. Grootte internetwinkel In artikel 5.4.2 lid c wordt de grootte van de opslag voor de internetwinkel van 30 m2 gewijzigd in 50 m2. De feitelijke omvang van de opslag voor de internetwinkel is groter dan de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen oppervlakte van 30 m2. Hoogte erfafscheiding

4

Wijziging Reden

In artikel 3.2.3. onder c wordt 1m gewijzigd in 2m. In artikel 3.2.3 lid c is opgenomen dat een erfafscheiding niet hoger mag zijn dan 1,0 meter. Maar aan de noordzijde én aan de westzijde van het perceel is reeds een hekwerk/perceelsafscheiding aanwezig van 1,60 meter. Op basis van het nu geldende bestemmingsplan is binnen een agrarische bestemming een dergelijke erfafscheiding toegestaan. Daarom vinden we het redelijk om deze hoogte ook hier, behalve voor de voorgevel van de woning, in dit plan toe te staan.

6. Wijziging

Verwijzing naar object In artikel 10 wordt object toegevoegd na ‘gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde’ zodat de hoogtebegrenzing geldt voor gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en objecten.

Reden

7. Wijziging

In het bestemmingsplan wordt alleen de hoogte van bouwwerken gereguleerd. Dit dient op basis van het Barro de hoogte van objecten te zijn (ECLI:NL:RVS:2019:3815, r.o. 7). Sleufsilo's toevoegen aan te slopen bebouwing In artikel 5.4.4. wordt na ‘bebouwing’ ‘en sleufsilo's’ toegevoegd. In de regels was opgenomen dat alle bebouwing die als ‘te slopen’ op het landschapsplan stond, moest worden gesloopt. Voor de duidelijkheid wordt hieraan ‘en sleufsilo's’ toegevoegd om aan te geven dat die ook onder bebouwing vallen.

Op te nemen in de toelichting van het bestemmingsplan: A. Toetsingskader bestemmingsplan Op het bestemmingsplan “Buitengebied West, 9e herziening (Hultenseweg 62)” is het volgende toetsingskader van toepassing:  op grond van art. 4.3, tweede lid Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient een bestemmingsplan met inachtneming van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) te worden vastgesteld;  op grond van art. 2.6.2, derde, vierde en vijfde lid Barro is de aanwijzing en geometrische plaatsbepaling van de in dat besluit bedoelde militaire luchtvaartterreinen, geluidszones en obstakelbeheergebieden vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, inclusief de daarbij behorende bijlagen (Rarro);  op grond van art. 2.1, derde lid Rarro in samenhang gelezen met Bijlage 3 en Bijlage 3.6 bij het Rarro is Vliegbasis Gilze-Rijen aangewezen en begrensd als militair luchtvaartterrein;  op grond van art. 2.1, vierde lid Rarro in samenhang gelezen met Bijlage 4 en Bijlage 3.6 bij het Rarro is de geluidzone als weergegeven in Bijlage 3.6 de geluidzone behorend bij het militaire luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen;  op grond van art.

2.1, vijfde lid Rarro in samenhang gelezen met Bijlage 5 en Bijlage 3.6 bij het Rarro is het obstakelbeheergebied als weergegeven in Bijlage 3.6 het obstakelbeheergebied behorend bij het militaire luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen;  op grond van art. 2.6.4, tweede lid Barro dienen bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan de voor het betrokken militaire luchtvaartterrein op grond van de Luchtvaartwet en Wet geluidhinder vastgestelde geluidzones en beperkingen als genoemd in het vierde lid in acht te worden genomen;  op grond van art. 2.6.4, vierde lid Barro dient de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in een obstakelbeheergebied in overeenstemming te zijn met het bepaalde in art. 16 van het Besluit militaire luchthavens (Bml);  op grond van de Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens (Rbml) (Stb. 2008, 561) wordt het systeem van aanwijzing van (militaire) luchtvaartterreinen en bijbehorende beperkingengebieden op grond van de Luchtvaartwet vervangen door een nieuw wettelijk kader op grond van de Wet luchtvaart (luchtvaartbesluiten). Op grond van artikel XVIII, eerste lid Rbml houdt een aanwijzing tot luchtvaartterrein op grond van de Luchtvaartwet zijn geldigheid totdat zij is vervangen door een luchthavenbesluit doch niet langer dan tot 1 januari 2030 (deze laatste datum is bepaald in Stb.

2021, 282, artikel I, onderdeel A). Op grond van artikel XVIII, tweede lid Rbml behoudt

5

een besluit tot vaststelling van een geluidszone rondom een luchtvaartterrein zijn geldigheid totdat de geldigheid als bedoeld in het eerste lid is geëindigd; van 22 januari 2018 t/m 4 maart 2018 heeft een ontwerp-luchthavenbesluit voor militaire luchthaven Gilze-Rijen ter inzage gelegen. De Staatssecretaris van Defensie heeft op 21 april 2020 aan de Tweede Kamer laten weten het (ontwerp-)luchthavenbesluit voor militaire luchthaven Gilze-Rijen voorlopig niet verder te brengen (31 936, nr. 738). Het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit en de geluidszone op grond van de Luchtvaartwet blijven voorlopig gelden; het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is gelegen in: o de op grond van de Luchtvaartwet vastgestelde geluidszone; zie hieronder onder B; o het obstakelbeheergebied, als gevolg waarvan de regelgeving als bedoeld in art. 16 Bml van toepassing is: zie hieronder onder C.

B. Geluidszone militair luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen (Luchtvaartwet) Voor het bestemmingsplan “Buitengebied West, 9e herziening (Hultenseweg 62)” geldt in relatie tot de op grond van de Luchtvaartwet vastgestelde geluidszone het volgende:  Het BML is geen toetsingskader vwb geluid maar alleen voor wat betreft hoogte(beperkingen);  rond militair luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen is op 9 november 1993 een geluidszone vastgesteld (nr. MG93089862). Deze geluidszone is op 7 februari 1997 onherroepelijk geworden;  op grond van art. 25, tweede lid Luchtvaartwet wordt de maximaal toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur;  uit het besluit van 9 november 1993 volgt dat: o het plangebied aan de Hultenseweg 62, Tilburg is gelegen in de 45-50 Ke-zone; o met de algemene maatregel van bestuur wordt gedoeld op het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen (Stb. 1988, 151);  het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaartterreinen is in 1997 vervangen door het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart (BGGL’97) (Stb. 1996, 668 en navolgende wijzigingen);  uit § 8 van de Nota van Toelichting BGGL’97 volgt dat – ten opzichte van het BGGL’81 – het begrip ‘woning’ is geschrapt, omdat deze geen toegevoegde waarde blijkt te hebben.

In het BGGL’81 was dit begrip gedefinieerd als: ‘woning: een gebouw dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe bestemd is;’  Hoofdstuk 3 bevat regels die van toepassing zijn binnen de geluidszone. In Hoofdstuk 3 van het BGGL’97 zijn 3 titels opgenomen: o Titel 1: nieuwe situaties: dit zijn woningen die op het tijdstip van vaststelling geluidszone daarbinnen nog niet aanwezig zijn en waarvoor nog geen bouwvergunning is verleend. In de artikelsgewijze toelichting (§ 8 NvT) staat hierover: ‘Als de bouwvergunning eenmaal verleend is op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone, dan is voor de toepassing van het BGGL geen sprake meer van nieuwbouw, maar van bestaande bouw.’ o Titel 2: nieuwbouw ter vervanging van bestaande geluidsgevoelige bebouwing: dit zijn woningen die woningen die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone aanwezig waren vervangen. In de artikelsgewijze toelichting (§ 8 NvT) staat hierover: ‘Ten slotte zij opgemerkt dat het bij artikel 6 hoe dan ook om nieuwbouw gaat.’ o Titel 3: bestaande situaties (afdeling 1): dit zijn woningen die op het tijdstip van vaststelling geluidszone daarbinnen reeds aanwezig zijn of nog niet aanwezig zijn, maar waarvoor de bouwvergunning is verleend.

 op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied West, 9e herziening (Hultenseweg 62)” is het bouwen van woningen uitsluitend toegestaan ter plaatse van een bouwvlak (art. 5.2.2, aanhef en onder a – hier zal zijn bedoeld b.). Ter plaatse is niet méér dan 1 woning toegestaan (art. 5.2.2, aanhef en onder a). Op deze specifieke locatie is op dit moment 1 woning aanwezig. Voor deze woning is op 4 april 1979 een bouwvergunning verleend;  de woning aan de Hultenseweg 62, Tilburg was vergund (en aanwezig) vóór 9 november 1993 (tijdstip vaststellen geluidszone). Het bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van de woning. Uit de toelichting op het plan volgt dat uitsluitend een functiewijziging is beoogd (van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning). Gelet hierop is beoogd een ‘bestaande situatie’ (titel 3) vast te leggen;  Titel 3, afdeling 1, BGGL ’97 maakt een onderscheid tussen woningen met een geluidsbelasting hoger of lager dan 40 Ke. De woning aan de Hultenseweg 62, Tilburg is gelegen in een zone met een geluidsbelasting hoger dan 40 Ke (art. 10);

6

op grond van art. 10 BGGL’97 is 55 Ke de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van een woning die op het tijdstip van vaststelling van de geluidszone daarbinnen reeds aanwezig is of nog niet aanwezig is maar waarvoor de bouwvergunning is verleend en een geluidsbelasting ondervindt van meer dan 40 Kosteneenheden. Hiervan is sprake ter plaatse van de Hultenseweg 62, Tilburg, omdat de geluidsbelasting niet meer bedraagt dan 50 Ke; onverlet het voorgaande maakt het bestemmingsplan “Buitengebied West, 9e herziening (Hultenseweg 62)” het mogelijk om de aanwezige en vergunde woning aan de Hultenseweg 62, Tilburg te slopen en opnieuw te bouwen. In dat geval is sprake van ‘nieuwbouw ter vervanging van bestaande geluidsgevoelige bebouwing’ (titel 2), te meer omdat het vigerende bestemmingsplan reeds een woning toestaat (art. 4.1.1., aanhef en onder b van bestemmingsplan “Buitengebied West”). Op grond van art. 6, eerste lid BGGL’97 is dit toegestaan tot een geluidsbelasting van 55 Ke (hier wordt aan voldaan). Er moet worden voldaan aan de criteria als gesteld in art. 6, tweede lid BGGL’97. Door de wijze van regelen in het bestemmingsplan (art.

5.2.2) is in afdoende mate verzekerd dat aan deze criteria wordt voldaan, want: o a-grond: door het met een aanduiding exact vastleggen van de locatie van de woning – dezelfde locatie als de vergunde woning – kan geen ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige structuur ontstaan; o b-grond: het aantal woningen – en daarmee het aantal geluidgehinderden – kan niet toenemen, omdat het aantal woningen in het vigerende bestemmingsplan en het nieuwe bestemmingsplan hetzelfde is; o c-grond: er kan geen sprake zijn van een wezenlijke toename van de optredende geluidsbelasting, omdat de locatie van de woning onveranderd blijft. regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen niet worden voorgeschreven in een bestemmingsplan (voorwaardelijke verplichting), deze zijn namelijk al van rechtswege van toepassing op bouwactiviteiten. Het in de zienswijze genoemde artikel 4.104 Bbl is geplaatst in Hoofdstuk 4 Bbl. Op grond van art. 4.1 Bbl zijn deze regels ‘automatisch’ van toepassing als er nieuwbouw plaatsvindt. Dit hoeft dus niet ook nog in een bestemmingsplan te worden geregeld.

Het bestemmingsplan voldoet aan het bepaalde in het BGGL’97, zodat in zoverre ook wordt voldaan aan de regels uit het Barro/Rarro. C. Obstakelbeheergebied militair luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen (Besluit militaire luchthavens) Voor het “Buitengebied West, 9e herziening (Hultenseweg 62)” geldt in relatie tot de op grond van het Besluit militaire luchthavens in acht te nemen (hoogte)beperkingen het volgende:  op grond van art. 16, eerste lid (IHCS/funnel) en tweede lid (ILS) dient de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in het obstakelbeheergebied in overeenstemming te zijn met een in Staatscourant 2006, 226 (p. 11) bekendgemaakte mededeling. Dit betreft de mededeling van 27 oktober 2006, waarin wordt verwezen naar een afzonderlijke nog te verzenden brief. Dit is de brief van 6 november 2006, met de daarbij behorende bijlagen. In de bijlagen is een kaart opgenomen met hoogtebeperkingen t.o.v. NAP. Deze kaart is (bewerkt) opgenomen in het bestemmingsplan het “Buitengebied West, 9e herziening (Hultenseweg 62)”;  m.b.t. de funnel geldt dat de maximaal toelaatbare hoogte van objecten ca. 32 meter t.o.v. NAP bedraagt. Het NAP is gelegen op een hoogte van ca. 10,40 m (op basis van AHN-viewer). Dit houdt in dat objecten maximaal 21,6 meter hoog mogen worden t.o.v. het peil (art. 1.87 planregels). Op grond van art.

4.2.4, aanhef en onder a, sub 1 mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een hoogte van 15 meter worden opgericht. Dit is de bebouwing met de hoogste bouwhoogte die rechtstreeks mogelijk wordt gemaakt. Op grond van art. 11.1 kan worden afgeweken van deze maatvoering met ten hoogste 10%. Dit komt neer op een verhoging met 1,5 meter = 16,5 meter. Deze hoogte valt nog steeds binnen de ‘vrije ruimte’ van 21,6 meter;  m.b.t. de ILS geldt dat de maximaal toelaatbare hoogte van objecten ca. 26 meter t.o.v. NAP bedraagt. Het NAP is gelegen op een hoogte van ca. 10,40 m (op basis van AHN-viewer). Dit houdt in dat objecten maximaal 15,6 meter hoog mogen worden t.o.v. het peil (art. 1.87 planregels). Op grond van art. 4.2.4, aanhef en onder a, sub 1 mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een hoogte van 15 meter worden opgericht. Dit lijkt me de bebouwing met de hoogste bouwhoogte die rechtstreeks mogelijk wordt gemaakt. Op grond van art. 11.1 kan worden afgeweken van deze maatvoering met ten hoogste 10%. Dit komt neer op een verhoging met 1,5 meter = 16,5 meter. Deze hoogte is hoger dan de ‘vrije ruimte’ van 15,6 meter. Evenwel leidt dit niet tot strijd met het Bml, omdat op grond van

7

art. 16, tweede lid, aanhef laatste volzin en onder b niet hoeft te worden voldaan aan de ‘mededeling’ indien het objecten betreft die waren voorzien in het op 1 november 2006 geldende bestemmingsplan. Destijds gold het bestemmingsplan “Buitengebied” (1986) van de gemeente Gilze en Rijen. Ter plaatse van de nu aangewezen bestemming ‘Verkeer’ gold destijds de bestemming ‘Verkeersdoeleinden A’ (artikel 48). Op grond van artikel 48, lid A, onder 1 waren bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van het verkeer ongeclausuleerd toegestaan (zonder maximale bouwhoogte). Nu de bouw van deze objecten destijds reeds was voorzien (zonder maximale hoogte), mogen deze ook in een nieuw bestemmingsplan aldus worden toegestaan; onverlet het voorgaande hebben de bouwwerken, geen gebouwen zijnde als bedoeld in art. 4.2.4, aanhef en onder a, sub 1 m.i. betrekking op straatmeubilair als bedoeld in art. 2.27, tweede lid, aanhef en onder i, sub 10 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De hoogte van 15 meter dient m.i. te worden gerelateerd aan het bouwen van straatverlichting. Straatverlichting wordt aangemerkt als straatmeubilair (ECLI:NL:RVS:2012:BY1003, r.o. 7.2); het Bml bevat overigens een mogelijkheid om af te wijken van de ILS-zonering (art. 16, vierde lid Bml).

Indien het Rijksvastgoedbedrijf/Defensie van oordeel is dat niet aan de regels voor de ILS wordt voldaan, dan kan (op verzoek) worden afgeweken (op basis van onderzoek). In veel gevallen is afwijken mogelijk.

Het bestemmingsplan voldoet aan het Bml, zodat in zoverre ook wordt voldaan aan de regels uit het Barro/Rarro.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15896094/3