CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Rapport motivering ETFAL

Raadsvergadering 8 juni 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend adviesrecht raad BOPA Bosscheweg 11, Berkel-Enschot (hotel De Druiventros)16.683 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

12 alinea's met “bopa”: 175 207 232 237 238 242 273 278 379 461 498 519

Tijdelijke opvanglocatie Berkel-Enschot Onderbouwing van de Effecten op de Fysieke Leefomgeving

Centraal Orgaan opvang asielzoekers 11 februari 2026

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Adres

Tijdelijke opvanglocatie Berkel-Enschot Centraal Orgaan opvang asielzoekers

Onderbouwing van de Effecten op de Fysieke Leefomgeving Definitief 03 11 februari 2026 148874/26-002.069

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Projectlocatie

6

1.2.1 1.2.2

Ligging projectlocatie Begrenzing projectlocatie

6 7

Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

8

1.3.1

8

1.3

Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Tilburg

1.4

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

9

1.5

Leeswijzer

10

2

BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

11

3

BELEIDSKADER

12

3.1

Rijksbeleid

12

3.1.1 3.1.2

12 12

3.2

3.3

3.4

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Instructieregels Rijk

Provinciaal beleid

15

3.2.1 3.2.2

15 15

Omgevingsvisie Noord-Brabant Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant

Waterschap

16

3.3.1

16

Waterschapsverordening Waterschap de Dommel 2024

Gemeentelijk beleid

16

3.4.1

Omgevingsvisie Tilburg 2040

16

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

17

4.1

Milieueffectrapportage

17

4.1.1 4.1.2 4.1.3

17 17 18

Toetsingskader Resultaten Conclusie

4.2

4.3

4.4

4.5

4.6

Ladder voor duurzame verstedelijking

18

4.2.1 4.2.2 4.2.3

Toetsingskader Resultaten Conclusie

18 18 19

Duurzaamheid en gezondheid

19

4.3.1 4.3.2 4.3.3

19 19 19

Verkeer en parkeren

20

4.4.1 4.4.2 4.4.3

20 20 22

4.8

22

4.5.1 4.5.2 4.5.3

22 22 22

4.10

4.11

4.12

4.13

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Natuur

22 Toetsingskader Resultaten Conclusie

22 23 24

Luchtkwaliteit

25

4.7.1 4.7.2 4.7.3

25 25 27

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Geluid 4.8.1 4.8.2 4.8.3

4.9

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Weging van het waterbelang

4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7

Toetsingskader Resultaten Conclusie

27 Toetsingskader Resultaten Conclusie

27 28 29

Bodem en Ontplofbare Oorlogsresten

29

4.9.1 4.9.2 4.9.3

29 29 30

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Omgevingsveiligheid

30

4.10.1 4.10.2 4.10.3

Toetsingskader Resultaten Conclusie

30 31 32

Archeologie en cultuurhistorie

33

4.11.1 4.11.2 4.11.3

33 33 33

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Activiteiten en milieuzonering

33

4.12.1 4.12.2 4.12.3

33 34 34

Toetsingskader Resultaten Conclusie

Sociale veiligheid

34

4.13.1 4.13.2 4.13.3

Toetsingskader Resultaten Conclusie

34 34 34

5

UITVOERBAARHEID

35

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid en participatie

35

5.2

Economische uitvoerbaarheid

35

5.3

Handhaving

35

Laatste pagina

35

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Ontwerptekeningen

5

II

Stikstofdepositieberekening (referentie 148874/26-002.069 d.d. 11 februari 2026) Participatieverslag

18

III

2

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is landelijk bezig om nieuwe opvangplaatsen te realiseren. In dat kader wordt de huidige Tijdelijke Gemeentelijke Opvang (TGO) aan de Bosscheweg 11 te Berkel-Enschot ontwikkeld tot een tijdelijke opvanglocatie van het COA voor een periode van maximaal 2,5 jaar (inclusief 3 x 6 maanden verlenging tot einddatum 1 januari 2028) voor 150 personen (statushouders). De tijdelijke opvanglocatie bevindt zich in het pand van hotel de Druiventros. Het COA is voornemens om kleine inpandige aanpassingen te maken aan het bestaande pand. Op het terrein worden geen aanpassingen gedaan. Het gebruik van het hotel als tijdelijke opvanglocatie past niet binnen het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente Tilburg. Het planvoornemen is in strijd met de vigerende functie ‘Gemengd-Dorps’ zoals vastgesteld in artikel 11 van bestemmingsplan Enschot 2008, 1e herziening (Bosscheweg 11). De tijdelijke opvanglocatie kan planologisch mogelijk worden gemaakt middels een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.1, eerste lid, onder a Omgevingswet).

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA) is een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan of een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van deze regels kan het bevoegde gezag een omgevingsvergunning voor een BOPA slechts verlenen: - met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid Besluit kwaliteit leefomgeving); - als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b (niet provinciaal of nationaal belang). Hiervoor dient een onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving overlegd te worden, waarin wordt aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De toetsingsvereisten hiervan zijn, dat het tijdelijke planvoornemen voldoet aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de provinciale- en waterschapsverordening en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit rapport voorziet in deze onderbouwing. Dit rapport voorziet in deze onderbouwing en dient als basis voor de aanvraag van de omgevingsvergunning.

1.2

Projectlocatie

1.2.1

Ligging projectlocatie

De projectlocatie bevindt zich aan de Bosscheweg 11 in Berkel-Enschot, Tilburg. De globale ligging van de projectlocatie is weergegeven in afbeelding 1.1 en afbeelding 1.2. De locatie is kadastraal bekend onder de gemeentenaam Berkel, sectie A en perceelnummer 4406 (kadastrale aanduiding: BKL04-A-4406). De locatie is gelegen in de buurt Enschot Oost. De dichtstbijzijnde bushalte met verbindingen naar het Centraal Station van Tilburg ligt op 2 minuten loopafstand. De A65 ligt direct aan de oostzijde van de locatie. Op circa 0,6 km ten zuiden bevindt zich een spoorlijn.

6 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Afbeelding 1.1 Globale ligging projectlocatie Tilburg

Afbeelding 1.2 Globale ligging projectlocatie Bosscheweg

1.2.2

Begrenzing projectlocatie

Deze onderbouwing ten aanzien van de effecten op de fysieke leefomgeving heeft betrekking op het rood gemarkeerde vlak weergegeven op afbeelding 1.3. De rode markering geeft aan waar afgeweken gaat worden van het omgevingsplan ten behoeve van de tijdelijke opvanglocatie van het COA.

7 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Afbeelding 1.3 Luchtfoto projectlocatie (rode markering)

1.3

Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de bestemmingsplannen van gemeenten van rechtswege onderdeel geworden van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan (artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van onder andere de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) naar de Omgevingswet (Ow).

1.3.1

Toetsing vigerend omgevingsplan gemeente Tilburg

De tijdelijke opvanglocatie ligt binnen het omgevingsplan van de gemeente Tilburg. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn van rechtswege verschillende bestemmingsplannen opgenomen waaraan getoetst dient te worden. De volgende bestemmingsplannen zijn toepassing ter plaatse van de projectlocatie: - Enschot 2008, 1e herziening (Bosscheweg 11), hierna: Enschot 2008 (onherroepelijk vastgesteld op 29 mei 2010); - Tilburg, Parkeerregeling 2017 (onherroepelijk vastgesteld op 7 augustus 2018); - Tilburg, parapluplan waterberging & grondwaterbescherming (onherroepelijk vastgesteld op 27 mei 2024); - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j, regeling flitsbezorgingsbedrijven, hierna: Regeling flitsbezorgingsbedrijven (vastgesteld op 31 maart 2025). Bestemmingsplan Enschot 2008, 1e herziening (Bosscheweg 11) Op de projectlocatie gelden de volgende bestemmingen en maatvoeringen vanuit het bestemmingsplan Enschot 2008, 1e herziening (Bosscheweg 11): - enkelbestemming Gemengd-Dorps (artikel 3 planregels); - bouwvlak; - functieaanduiding horeca van categorie 3; - maatvoering maximum bouwhoogte/goothoogte divers.

8 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

De voor ‘Gemengd-Dorps’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven, kantoren, ontspanning, sport, dienstverlening en bouwwerken van algemeen nut. Het beoogde gebruik van de projectlocatie als tijdelijke opvang is strijdig met de geldende enkelbestemming ‘Gemengd-Dorps’. Afbeelding 1.4 weergeeft een uitsnede van het ter plaatse geldende bestemmingsplan van de projectlocatie.

Afbeelding 1.4 Uitsnede bestemmingsplan Enschot 2008, 1e herziening (Bosscheweg 11) projectlocatie

Bestemmingsplan Tilburg, parapluplan waterberging & grondwaterbescherming Ter plaatse van de beoogde tijdelijke opvanglocatie geldt het paraplubestemmingsplan waterberging & grondwaterbescherming. Het bestemmingsplan bepaalt vervolgens onder artikel 3.4.3 dat het verboden is om bouwwerken te gebruiken ten behoeve van de bestemming, indien de waterberging zoals bedoeld in 3.4.2 niet (volledig) is aangelegd dan wel niet (volledig) in stand wordt gehouden. In paragraaf 4.5 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het thema waterbelang. Hieruit volgt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het thema waterbelang. Bestemmingsplan Parkeerregeling 2017 en Regeling flitsbezorgingsbedrijven Ter plaatse van de projectlocatie gelden de bestemmingsplannen Parkeerregeling 2017 en Regeling flitsbezorgingsbedrijven. Artikel 2 Parkeerregeling 2017 bevat wijzigingen die van toepassing zijn voor het geldende bestemmingsplan Enschot 2008. Deze wijzigingen bevatten geen relevantie bepalingen voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie. Ook de Regeling flitsbezorgingsbedrijven bevat geen relevante bepalingen voor de tijdelijke opvang. Een nadere toetsing aan deze regelingen is derhalve niet nodig.

1.4

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Het planvoornemen is strijdig met de functie 'Gemengd - Dorps' zoals vastgelegd in artikel 3 van de planregels. Een tijdelijke opvanglocatie van het COA wordt niet genoemd onder de toegestane activiteiten en is daarmee in strijd met het tijdelijke deel van het vigerende omgevingsplan. Het plan biedt geen binnenplanse mogelijkheden om het planvoornemen mogelijk te maken.

9 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

De voorgenomen opvanglocatie kan planologisch mogelijk worden gemaakt door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een BOPA betreft een activiteit die niet voldoet aan of in strijd is met het omgevingsplan. Het bevoegde gezag mag een vergunning voor een BOPA alleen verlenen als de activiteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals beschreven in artikel 8.0a, lid 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De initiatiefnemer moet aantonen dat wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, evenals aan de provinciale- en waterschapsverordening, en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor een BOPA-aanvraag geldt de reguliere procedure met een beslistermijn van 8 weken, die met 6 weken kan worden verlengd. Tegen het besluit op de aanvraag is bezwaar en beroep mogelijk.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 van dit rapport wordt een nadere beschrijving van het voornemen gegeven. Zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie worden geschetst. Hoofdstuk 3 omvat een toetsing van de tijdelijke opvanglocatie aan relevante ruimtelijke beleidskaders van Rijk, provincie en gemeente. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 voor alle relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd wat de effecten zijn van de tijdelijke opvanglocatie. In hoofdstuk 5 worden de maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid en handhaving toegelicht.

10 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

2 BESCHRIJVING PROJECTLOCATIE In dit hoofdstuk wordt de projectlocatie beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie.

2.1

Huidige situatie

De beoogde tijdelijke opvanglocatie bevindt zich aan Bosscheweg 11 in de wijk Enschot-Oost en betreft het pand van hotel De Druiventros. Het terrein heeft een ruim parkeerterrein met circa 130 plaatsen en ligt direct bij twee rotondes waar meerdere wegen samenkomen, waardoor de locatie goed per auto bereikbaar is. Ook met het openbaar vervoer is de locatie gunstig gelegen: het dichtstbijzijnde busstation is op circa 2 minuten loopafstand. Momenteel is in het pand de Tijdelijke Gemeentelijke Opvang (TGO) gevestigd. Er worden maximaal 150 statushouders tijdelijk opgevangen totdat zij elders gehuisvest kunnen worden.

2.2

Toekomstige situatie

In het huidige hotel is een Tijdelijke Gemeentelijke Opvang (TGO) gevestigd. De TGO wordt beëindigd en de locatie wordt overgenomen door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Het COA is voornemens de huidige TGO te ontwikkelen tot een tijdelijke COA-opvanglocatie voor maximaal 150 statushouders, voor een periode van maximaal 2,5 jaar (tot 1 januari 2028), met beperkte inpandige aanpassingen aan het pand. De aard en omvang van het gebruik sluiten grotendeels aan bij de huidige situatie, waardoor de feitelijke impact beperkt blijft. Het gebouw wordt in totaal vijf bouwlagen in gebruik genomen, waarbij niet het gehele pand wordt benut. De sportfaciliteiten en het restaurant met bijbehorende keuken op de begane grond blijven buiten gebruik. Ook op de tweede en vierde verdieping wordt een gedeelte van opslagruimten niet door het COA aangewend. De invulling van de verdiepingen is in lijn met het bestaande gebruik (een hotel waar nu een TGO in gesitueerd is). Op de begane grond komen gemeenschappelijke voorzieningen ondergebracht, waaronder een eetzaal, een activiteiten- en recreatiezaal, een vergaderzaal, een beveiligingskantoor en een spreekkamer. De eerste verdieping bestaat uit 27 zelfstandige eenheden met in totaal 54 verblijfsplaatsen. De tweede en derde verdieping bestaan elk uit 13 zelfstandige eenheden, goed voor 26 verblijfsplaatsen per verdieping.

Alle zelfstandige eenheden beschikken over een eigen sanitaire ruimte. Per woonlaag zijn tevens een gezamenlijke woonkamer en een opslagruimte aanwezig. De vierde verdieping wordt niet voor huisvesting gebruikt en is uitsluitend ingericht als kantoorruimte.

11 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor de voorgenomen te ontwikkelen tijdelijke opvanglocatie relevant ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Tilburg beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het project en het beleid. Daarnaast wordt getoetst of het project in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling In de NOVI wordt het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften benoemd als nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt om een groei van de woningvoorraad. Voorzien in de huisvesting van asielzoekers is onderdeel van de opgave. In de NOVI wordt het Rijk aangewezen als resultaatverantwoordelijke voor de huisvesting van asielzoekers.

Gezien de tijdelijke opvanglocatie statushouders huisvest draagt het voorafgaande voornemen in globale zin bij aan het in de NOVI vervatte rijksbeleid.

3.1.2

Instructieregels Rijk

Artikel 8.0b, eerste lid onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat bij een aanvraag om een BOPA de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving het beoordelingskader vormen van een BOPA. Afdeling 5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving bevat over de volgende onderwerpen instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties: - waarborgen veiligheid; - beschermen van waterbelangen; - beschermen van gezondheid en milieu; - beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed;

12 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

-

behoud van ruimte voor toekomstige functies; behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling Hoe met de voor de ontwikkeling van de opvanglocatie relevante instructieregels is omgegaan wordt in deze paragraaf onderbouwd. Waarborgen veiligheid Paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de algemene bepalingen betreft het waarborgen van de veiligheid. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. In de BOPA moet rekening gehouden worden met het belang van: - de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, beperken en bestrijden; - de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; - de geneeskundige hulpverlening. Het pand van de beoogde opvanglocatie beschikt over technische installaties, waaronder brandmeldinstallaties die in goede technische condities verkeren gedurende de periode van de opvanglocatie. Het COA borgt dat de technische installaties het juiste preventief en correctief onderhoud krijgen. Ook is er op de gehele opvanglocatie 24/7 een BHV’er aanwezig en is er beveiliging aanwezig. Voor nadere informatie over het waarborgen van veiligheid en de maatregelen die het COA neemt in relatie tot (sociale) veiligheid wordt verwezen naar paragraaf 4.14.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid voor bepaalde gevallen. Deze specifieke regels zijn niet van toepassing op het voornemen. In paragraaf 4.10 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het thema (omgevings-)veiligheid. Beschermen van waterbelangen Paragraaf 5.1.3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat de algemene bepalingen betreft het beschermen van het waterbelang. In een BOPA moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. In paragraaf 4.5 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het waterbelang. Hieruit volgt dat de tijdelijke ontwikkeling geen gevolgen heeft voor het beheer van watersystemen binnen het beheergebied van het waterschap de Dommel. De paragrafen 5.1.3.2 tot en met 5.1.3.5 Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten specifieke regels over het waarborgen van het waterbelang. Deze specifieke regels zijn niet van toepassing op het voornemen. Beschermen van gezondheid en milieu Voor het beschermen van gezondheid en milieu zijn instructieregels opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit.

In hoofdstuk 4 van deze rapportage wordt ingegaan op diverse onderwerpen die een raakvlak hebben met gezondheid of milieu.

13 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed In paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Artikel 5.129g bepaalt dat voor zover een omgevingsplan/BOPA voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in de BOPA rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. En, als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Besluit kwaliteit leefomgeving gedefinieerd als ‘een ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is’. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het voornemen voorziet in een functiewijziging in vergelijking met de vigerende planologische situatie en welk beslag op de ruimte de nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt. Er is sprake van een tijdelijke ontwikkeling met een beperkte duur en niet van een permanente ontwikkeling. Artikel 5.129g richt zich op permanente of langdurige stedelijke ontwikkelingen. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking in relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling. Behoud van ruimte voor toekomstige functies In paragraaf 5.1.6 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn een aantal reserveringsgebieden opgenomen, waar vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten, regels gelden over activiteiten die een dergelijke aanleg zouden kunnen bemoeilijken. Het gaat om reserveringen voor gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, het aanleggebied voor de Tweede Maasvlakte voor diepzee gebonden activiteiten en de reservering van de Parallelle Kaagbaan.

De locatie is niet gelegen op een aangewezen gebied voor toekomstige functies op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten In paragraaf 5.1.6 Besluit kwaliteit leefomgeving zijn een aantal reserveringsgebieden opgenomen, waar vanwege de voorzienbare toekomstige aanleg van werken of objecten, regels gelden over activiteiten die een dergelijke aanleg zouden kunnen bemoeilijken. Het gaat om reserveringen voor gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, het aanleggebied voor de Tweede Maasvlakte voor diepzee gebonden activiteiten en de reservering van de Parallelle Kaagbaan. De locatie is niet gelegen op een aangewezen gebied voor toekomstige functies op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen In artikel 5.162 Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

Dit artikel is niet van toepassing op het voornemen.

14 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft in 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld voor het jaar 2050. Met de omgevingsvisie stelt de provincie Noord-Brabant hun ambities. De omgevingsvisie agendeert en nodigt gemeenten uit om hier mee aan de slag te gaan. De omgevingsvisie sluit aan bij de hoofdopgave van het Rijksbeleid, Europees beleid en mondiale doelstellingen. De omgevingsvisie bevat één basisopgave en vier hoofdopgaven. Met deze basisopgave en de hoofdopgaven geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van Noord-Brabant. De basisopgave luidt: - werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit, met de vier hoofdopgaven: werken aan de Brabantse energietransitie; · werken aan een klimaatproof Brabant; · werken aan de slimme netwerkstad; · werken aan een concurrerende duurzame economie. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling Omdat de ambities en opgaven in de Omgevingsvisie op een hoog abstractieniveau zijn geformuleerd, heeft de visie geen directe doorwerking naar deze ontwikkeling. Wel sluit de realisatie van de opvanglocatie aan bij de provinciale ambities. De opvang biedt een bijdrage aan het oplossen van een urgent sociaal maatschappelijk vraagstuk. Bovendien benadrukt de Omgevingsvisie het belang van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Door een bestaand pand te hergebruiken, wordt de druk op de schaarse ruimte zoveel mogelijk beperkt. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan de hoofdopgave ‘werken aan een slimme netwerkstad’.

3.2.2

Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant

De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie provincie Noord-Brabant zijn verankerd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant (vastgesteld op 5 december 2023). De omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking op de leefomgeving hebben, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) en de Waterverordening. Ter plaatse van de projectlocatie gelden vanuit de omgevingsverordening de volgende gebiedsaanwijzingen: - beperking grootschalige logistiek; - diep grondwaterlichaam; - norm wateroverlast stedelijk gebied; - stalderingsgebied; - stedelijk gebied. Relatie met de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling In de instructieregels van de ter plaatse geldende gebiedsaanduidingen staan geen regels opgenomen over een tijdelijke opvanglocatie van het COA. Het voorgenomen initiatief is niet in strijd met de instructieregels uit de provinciale verordening. De projectlocatie behoort volgens de Omgevingsverordening niet tot een gebied met een bijzondere bescherming zoals grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied, Natuurnetwerk Nederland of andere aanduiding.

15 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

3.3

Waterschap

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet zorg worden gedragen voor de waterbelangen. Door middel van een watertoets wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst wat de gevolgen zijn op het waterhuishouden. Onder de Omgevingswet blijft dit proces bestaan, maar dan onder de noemer ‘weging van het waterbelang’. Per waterbeheerder kan het verschillen welke elementen van belang zijn om te toetsen. De beoogde tijdelijke opvanglocatie ligt in het beheersgebied van het Waterschap De Dommel.

3.3.1

Waterschapsverordening Waterschap de Dommel 2024

De waterschapsverordening Waterschap de Dommel bevat regels voor activiteiten die in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De waterschapsverordening onderscheidt drie hoofdactiviteiten: - activiteiten bij oppervlaktewaterlichamen; - activiteiten bij waterkering; - activiteiten in bergingsgebieden. Voor activiteiten kan een zorg-, meld-, of vergunningsplicht gelden. Daarnaast kan het waterschap een maatwerkvoorschrift opleggen voor het uitvoeren van activiteiten. Relatie met voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De projectlocatie ligt binnen het beheergebied van waterschap De Dommel. In paragraaf 4.5 van deze rapportage wordt nader ingegaan op het thema waterbelang. Hieruit volgt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het thema waterbelang.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Tilburg 2040

De Omgevingsvisie (vastgesteld op 3 oktober 2015) richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. Een omgevingsvisie geeft richting aan gemeentelijk beleid door bestaande strategische beleidsplannen, zoals de gemeentelijke structuurvisie, de agenda Ruimte voor de Stad, de agenda Groen voor de Stad, de mobiliteitsvisie en de watervisie, in samenhang uit te werken. Het brengt alle kwaliteiten van de fysieke leefomgeving en de belangen die er spelen samen en weegt deze tegen elkaar af. De Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvisie een breed scala aan thema’s moet omvatten. Om antwoord te geven op een breed palet aan vragen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: 1 de Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking; 2 de Regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad; 3 de Stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat. Relatie met voorgenomen tijdelijke ontwikkeling De tijdelijke opvanglocatie is in lijn met de Omgevingsvisie Tilburg 2040. De locatie draagt bij aan de regionale verantwoordelijkheid van Tilburg als centrumstad, door een rol te vervullen in de opvang van statushouders in samenwerking met omliggende gemeenten en ketenpartners.

Door de opvang kleinschalig, tijdelijk en zorgvuldig in te passen, wordt tevens recht gedaan aan de leefbaarheid en de menselijke maat binnen de stad.

16 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een omgevingsvergunning voor een BOPA door middel van een integrale ruimtelijke benadering rekening te worden gehouden met de consequenties van het project voor de omgeving. Dit gebeurt in het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is van toepassing op alle ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met het omgevingsplan. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de behandeling van de voor de ontwikkeling relevante milieu- en omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij wordt getoetst aan wet- en regelgeving met de volgende thematische onderverdeling: - milieueffectrapportage; - ladder voor duurzame verstedelijking; - duurzaamheid en gezondheid; - verkeer en parkeren; - weging van het waterbelang; - natuur; - luchtkwaliteit; - geluid; - bodem en Ontplofbare Oorlogsresten; - omgevingsveiligheid; - archeologie en cultuurhistorie; - activiteiten en milieuzonering; - sociale veiligheid.

4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Toetsingskader

Een onderdeel van de beoordeling of een aanvraag van een BOPA volledig is, is toetsen aan de regels omtrent milieueffectrapportage. Deze staan opgenomen in de Omgevingswet paragraaf 16.4.2 en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Het besluit of de activiteit is mer-beoordelingsplichtig wanneer het opgenomen staat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Artikel 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit geeft een nadere onderbouwing hiervan.

4.1.2

Resultaten

Een tijdelijke opvanglocatie van het COA staat niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Echter, is uit jurisprudentie1 gebleken dat in specifieke gevallen het opvangen van personen mogelijkerwijs gezien kan worden als een stedelijke ontwikkeling. Dit is voornamelijk afhankelijk van de duur van de opvang en de omvang van het aantal op te vangen personen. 1

Rb. Oost-Brabant 6 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5778.

17 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Voor de tijdelijke opvanglocatie in Berkel-Enschot is het COA voornemens om maximaal 150 statushouders voor een periode van maximaal 2,5 jaar op te vangen (huurovereenkomst van 1 jaar plus 3 x 6 maanden verlenging tot de einddatum 1 januari 2028). Hier heeft de gemeente Tilburg akkoord op gegeven. Het tijdelijke planvoornemen is gelet op de jurisprudentie, van dermate korte duur en kleine omvang dat het verdedigbaar is om het planvoornemen niet aan te duiden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast zijn op basis van de criteria uit de Europese richtlijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt, kort en lokaal zijn. Daarmee geldt er geen mer-(beoordelings-)plicht.

4.1.3

Conclusie

Gezien de aard, omstandigheden en plaatselijke situatie gelijk blijven van onderhavig plan, zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten voor het milieu en is de voorgenomen tijdelijke ontwikkeling niet mer-beoordelingsplichtig.

4.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.2.1

Toetsingskader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het doel van het instrument is zorgvuldig ruimtegebruik in Nederland te waarborgen. Onder de Omgevingswet kent de ladder een nieuwe wettelijke verankering in het Bkl artikel 5.129g. Artikel 5.129g Bkl is een instructieregel voor het omgevingsplan en een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, en stelt dat de Ladder moet worden toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 8.0 Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

4.2.2

Resultaten

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen bestaande uit de ontwikkeling of uitbreiding een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g van het Bkl zijn geen grenzen opgenomen van wat aangeduid kan worden als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een opvanglocatie is niet specifiek aangeduid als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Echter is uit jurisprudentie gebleken dat in sommige gevallen opvanglocaties wel als nieuwe stedelijke ontwikkeling worden aangeduid. Dit is afhankelijk van diverse factoren, zoals functie, duur van de opvang, locatie, omvang van de opvanglocatie en effecten op de omgeving. Het planvoornemen betreft het in gebruik nemen van een bestaand pand als opvanglocatie. Als een stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ligt en voorziet in een behoefte dan is voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking volgens de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 20 januari 20161. De laddertoets dient voor de beoogde ontwikkeling niet doorlopen te worden.

1

ABRvS 20 januari 2016; ECLI:NL:RVS:2016:125.

18 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

4.2.3

Conclusie

Uit jurisprudentie blijkt dat de laddertoets voor duurzame ontwikkeling niet doorlopen hoeft te worden bij een stedelijke ontwikkeling in een bestaand stedelijk gebied en deze voorziet in een behoefte. Deze is van toepassing op de beoogde tijdelijke opvanglocatie in Berkel-Enschot en zodoende vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.3

Duurzaamheid en gezondheid

4.3.1

Toetsingskader

Per gemeente moet vastgesteld worden of en hogelijk hoe getoetst dient te worden aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid. In het omgevingsplan van rechtswege van gemeente Tilburg (1 januari 2024), gebaseerd op de Bruidsschat, zijn nog geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema gezondheid. In het Besluit bouwwerken leefomgeving staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Zo moet bijvoorbeeld een bouwwerk voldoende energiezuinig zijn.

4.3.2

Resultaten

Er wordt voor de huisvesting van bewoners op de opvanglocatie gebruik gemaakt van een bestaand pand, waardoor er voor de realisatie van de opvangplekken geen nieuwe bebouwing en materialen benodigd zijn. Het pand voldoet aan de in Bbl gestelde bouwtechnische en duurzaamheidseisen. Dit betekent dat wordt voorzien in onder meer voldoende constructieve veiligheid, brandveiligheid en gebruiksveiligheid. Het energieverbruik van de opvanglocatie zal vergelijkbaar zijn met de huidige toegestane planologische situatie. Het thema duurzaamheid heeft daarom geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde opvanglocatie. In het huidige omgevingsplan van gemeente Tilburg zijn geen artikelen toegevoegd met directe betrekking tot het thema gezondheid. Desondanks zijn in dit rapport alle relevante milieuaspecten bekeken die een impact kunnen hebben op het aspect gezondheid. De resultaten hiervan zijn in onderhavig hoofdstuk te vinden en daaruit blijkt dat er uit de desbetreffende relevante milieuaspecten geen belemmeringen naar voren komen. Voor het thema gezondheid zijn geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.3.3

Conclusie

Wat betreft het thema duurzaamheid is de beoogde situatie vergelijkbaar met de huidige situatie door onder andere het gebruik van hetzelfde pand en energievoorziening. Het thema gezondheid wordt nader uitgewerkt in onderhavig hoofdstuk en hieruit volgen geen belemmeringen. Voor zowel de thema’s duurzaamheid als gezondheid zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde tijdelijke ontwikkeling.

19 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1

Toetsingskader

Toetsing aan de aspecten verkeer en parkeren is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid. In deze paragraaf worden de effecten van de herontwikkeling op het thema verkeer en parkeren besproken. Eerst wordt ingegaan op het effect van de beoogde opvanglocatie op de verkeersgeneratie. Daarna wordt ingegaan op de parkeerbehoefte en parkeercapaciteit. Ten aanzien van het thema parkeren vormt ‘Nota Parkeernormen 2023’ het toetsingskader. Ter plaatse van de projectlocatie geldt tevens het bestemmingsplan Parkeerregeling 2017. Artikel 2 Parkeerregeling 2017 bevat wijzigingen die van toepassing zijn voor het geldende bestemmingsplan Enschot 2008. Deze wijzigingen bevatten geen relevantie bepalingen voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie.

4.4.2

Resultaten

Verkeersgeneratie Voor de tijdelijke opvanglocatie is de verwachte verkeersgeneratie ingeschat. In tabel 4.1 wordt het maximaal te verwachten aantal voertuigen per jaar voor de tijdelijke opvanglocatie weergegeven. De vervoersbewegingen van de beoogde tijdelijke opvanglocatie zijn aangeleverd en afgestemd met de opdrachtgever (COA).

Tabel 4.1 Maximale verwachte verkeersgeneratie tijdelijke opvang Berkel-Enschot Categorie

Aantal voertuigen/ jaar

Aantal vervoersbewegingen/ jaar

8.030

16.060

middelzwaar vrachtverkeer

208

416

zwaar vrachtverkeer

52

104

totaal per jaar

8.290

16.580

totaal per dag

23

45

licht verkeer

Het lichte verkeer omvat onder meer begeleiders, beveiliging, conciërges en bezoekers. Middelzwaar vrachtverkeer bestaat uit vuilniswagens en leveranciers. Zwaar vrachtverkeer is uitsluitend afkomstig van leveranciers. Verkeersafwikkeling De hoofdontsluitingsweg vindt plaats via de Bosscheweg (50 km/uur). De locatie is direct aangesloten op de Bosscheweg. De bewoners verplaatsen zich hoofdzakelijk te voet, per fiets of door middel van het openbaar vervoer (OV). Gemotoriseerd verkeer als gevolg van het AZC is in hoofdzaak uitsluitend afkomstig van medewerkers van het COA en ondersteunende diensten en leveranciers. Auto parkeren In ‘Nota Parkeernormen 2023’ is geen aparte parkeernorm opgenomen voor een tijdelijke opvanglocatie of vergelijkbare functie. De parkeerbehoefte van de tijdelijke opvanglocatie bestaat vooral uit het parkeren door personeel, ketenpartners en bezoekers. Desondanks is wel getoetst aan de nota door te kijken naar de meest vergelijkbare functie die onder de hoofdgroep ‘wonen’ valt. Dit is voor autoparkeren ‘Wooneenheid <50 m2 bvo zelfstandig wonen’.

20 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Deze categorie is het meest passend vanwege het feit dat hotelkamers gedeeltelijk zelfstandig zijn vanwege de aanwezigheid van een eigen douche en toilet (badkamer) en de afwezigheid van een keuken. Het personeel en de ondersteunende diensten worden bij bovenstaande categorieën gezien als bezoekers. Daarom is de ‘Parkeernorm bezoek woningen’ voor autoparkeren aangehouden. Verder behoort de projectlocatie tot zone C volgens de ‘zone-indeling parkeernormen’ uit bijlage I van de nota. In tabellen 4.2 en 4.3 zijn de parkeerberekeningen voor het autoparkeren weergegeven.

Tabel 4.2 Parkeereis autoparkeren voor de opgevangen personen volgens de Nota Parkeernormen 2023 Parkeereis auto ‘Wooneenheid <50 m2 bvo zelfstandig wonen’ 0,4 per wooneenheid

Aantal hotelkamers in gebruik (wooneenheid)

Aantal benodigde parkeerplekken

56

22,4

Tabel 4.3 Parkeereis autoparkeren voor personeel en ondersteunende diensten volgens de Nota Parkeernormen 2023 Parkeereis auto ‘Parkeernorm bezoek woningen’ 0,2 per wooneenheid

Aantal hotelkamers in gebruik (wooneenheid)

Aantal benodigde parkeerplekken

56

11,2

Op de projectlocatie zijn circa 130 parkeerplaatsen aanwezig. De berekende parkeervraag is volgens de Nota Parkeernormen 2023 in totaal 34 parkeerplekken (22,4 + 11,2 = 33,6). Op het terrein zijn voldoende parkeerplekken aanwezig om in die parkeerbehoefte voor auto’s te voorzien en kan daarmee ruimschoots opgevangen worden. Fiets parkeren In de Nota Parkeernormen is geen aparte norm opgenomen voor fietsen bij een tijdelijke opvanglocatie of vergelijkbare functie. Desondanks is wel getoetst aan de nota door te kijken naar de meest vergelijkbare functie die onder de hoofdgroep ‘wonen’ valt. Dit is voor fietsparkeren ‘Appartement (zonder fietsenberging)’. In tabel 4.4 en 4.5 zijn de parkeerberekeningen voor het fietsparkeren weergegeven.

Tabel 4.4 Parkeereis fietsparkeren voor de opgevangen personen volgens de Nota Parkeernormen 2023 Parkeereis fiets ‘Appartement (zonder fietsenberging)’ 0,5 per wooneenheid

Aantal hotelkamers in gebruik (wooneenheid)

Aantal benodigde parkeerplekken

56

28

Tabel 4.5 Parkeereis fietsparkeren voor personeel en ondersteunende diensten volgens de Nota Parkeernormen 2023 Parkeereis auto ‘Parkeernorm bezoek woningen’ 0,2 per wooneenheid

Aantal hotelkamers in gebruik (wooneenheid)

Aantal benodigde parkeerplekken

56

11,2

Er wordt gebruik gemaakt van de fietsparkeerfaciliteiten van het hotel die reeds aanwezig zijn. Dit betreffen fietsenrekken voor het hotel met in totaal stallingsruimte voor circa 85 fietsen. De berekende parkeervraag voor fietsen volgende Nota Parkeernormen 2023 komt uit op in totaal maximaal 40 plekken (28 + 11,2 = 39,2).

21 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Deze openbaar toegankelijke voorziening biedt stallingsruimte voor de fietsen van zowel bewoners als medewerkers, waarmee in de fietsparkeerbehoefte van de tijdelijke opvanglocatie ruimschoots wordt voorzien.

4.4.3

Conclusie

Op het terrein van Hotel De Druiventros zijn circa 130 parkeerplaatsen beschikbaar voor auto’s, en is er gelegenheid om circa 85 fietsen te parkeren. De parkeerbehoefte van de auto en de fiets voortkomend uit de tijdelijke opvanglocatie kan ruimschoots worden opgevangen. De verkeersgeneratie van de beoogde tijdelijke opvanglocatie blijft nagenoeg onveranderd ten opzichte van de huidige situatie. De beoogde situatie heeft dus geen significante effecten op de verkeerssituatie. In de parkeerbehoefte van de locatie wordt voorzien op het eigen terrein. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

4.5

Weging van het waterbelang

4.5.1

Toetsingskader

Het watersysteem en de ruimtelijke inrichting van een gebied zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een goede afstemming tussen de waterbelangen en ruimtelijke ordening is daarom essentieel. Om dit te waarborgen is wet- en regelgeving opgesteld. De watertoets vormt het instrument om wet- en regelgeving op het gebied van waterbelangen te borgen in ruimtelijke plannen en projecten. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip ‘weging van het waterbelang’ de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt ook voor het afwijken van een omgevingsplan met een BOPA (zie artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving).

4.5.2

Resultaten

De projectlocatie ligt binnen het beheergebied van waterschap De Dommel. De beoogde opvang ligt niet binnen een door het waterschap aangewezen beperkingengebied. Het plan voorziet niet in activiteiten die invloed hebben op de waterhuishoudkundige situatie of op objecten die onder het beheer van het waterschap vallen. Voor het mogelijk maken van de tijdelijke opvanglocatie vinden alleen inpandige wijzigingen plaats.

4.5.3

Conclusie

De voorgenomen tijdelijke ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het beheer van watersystemen binnen het beheergebied van waterschap De Dommel. Het aspect weging van waterbelang vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de beoogde opvanglocatie.

4.6

Natuur

4.6.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) is beleidsneutraal overgegaan in de Omgevingswet. Het normenkader, de instrumenten en bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het natuurbeschermingsrecht regels op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten (soortenbescherming);

22 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

2 3

bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden (gebiedsbescherming); bescherming van bos en houtopstanden.

Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming wordt er onderscheid gemaakt in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Gebiedsbescherming De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat Omgevingswet de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Op grond van artikel 5.1, eerst lid, onder e van de Omgevingswet is een vergunning vereist voor een project waar op voorhand significante negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten.

Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20191 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar beoordeeld moet worden. Deze voorwaarde geldt voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase van een plan of activiteit. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. De bescherming van het NNN is geregeld via de provinciale omgevingsverordeningen. Houtopstanden Het vellen van houtopstanden is niet zomaar toegestaan in de Omgevingswet.

4.6.2

Resultaten

Soortenbescherming Het pand aan de Bosscheweg 11 is reeds in gebruik als opvanglocatie en wordt gebruikt voor overige functies die hotel de Druiventros faciliteert. De beoogde ontwikkeling kent enkel inpandige wijzigingen. Mogelijke aanwezige soorten worden naar verwachting in de beoogde situatie daardoor niet verstoord, gedood of verwond. Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht in acht genomen te worden. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse vennen’ ligt op 2 km afstand van de beoogde opvanglocatie. 3.3 km ten noorden van de opvanglocatie ligt het gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ (zie afbeelding 4.1). Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en uitvoering van de werkzaamheden, kan worden geconcludeerd dat er geen directe negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Om indirecte negatieve effecten uit te sluiten is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd.

23 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Afbeelding 4.1 Ligging opvanglocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Stikstofdepositie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er met AERIUS Calculator een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van de opvang (bijlage II). Op basis van het voorliggend onderzoek blijkt dat: Hieruit blijkt geen projecteffect (stikstofdepositie toename) van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van bovenstaande resultaten zijn significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op voorhand uit te sluiten. Hiermee wordt geconcludeerd dat voor het beoogde gebruik van het pand geen vergunningplicht geldt voor de bescherming van Natura 2000 in het kader van de Omgevingswet. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de grenzen van het NNN. Daarnaast zijn vanwege de afstand (1.4 km) geen effecten van externe werking te verwachten. Hierdoor is er geen sprake van belemmeringen vanuit het provinciaal NNN- en natuurbeleid. Vervolgstappen zijn niet nodig. Houtopstanden Het uitgangspunt bij de werkzaamheden is dat er geen bomen worden gekapt, daarmee vormt het aspect houtopstanden geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6.3

Conclusie

De beoogde ontwikkeling biedt geen aanleiding tot negatieve effecten op beschermde flora- en faunasoorten en andere gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Ten aanzien van het thema natuur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde tijdelijke opvanglocatie.

24 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Toetsingskader

Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De eisen aan de kwaliteit van de buitenlucht oftewel luchtkwaliteit staan opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Activiteiten zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende waarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij ontwikkelingen dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Onder de Omgevingswet staan aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit opgenomen. De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgen de grenzen voor niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie maatgevende stoffen niet hoger is dan 1.2 μg/m 2.

4.7.2

Resultaten

Aan de hand van de verkeersgeneratie (weekdaggemiddelde) is bekeken of de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie in betekenende mate een bijdrage heeft op de luchtkwaliteit. Door het invullen van de verkeersgeneratie in de NIBM-tool (geraadpleegd op 25 september 2025) is gebleken dat de voorgenomen tijdelijke opvanglocatie niet in betekenende mate bijdraagt (zie afbeelding 4.2). Dit betreft een conservatieve berekening, zie de toelichting op de berekende verwachte verkeersgeneratie in paragraaf 4.3.2.

Afbeelding 4.2 Resultaten NIMB-tool (d.d. 25 september 2025)

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

45

Aandeel vrachtverkeer

3,0%

3

NO2 in μg/m

0,03

3

0,00

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

25 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

1,2

In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tevens gekeken naar de huidige achtergrondconcentraties in en rondom de projectlocatie. De huidige achtergrondconcentraties in en rondom de locatie zijn weergegeven op afbeeldingen 4.3 en 4.4. De achtergrondconcentraties voor NO2 liggen onder de 20 microgram per m3 en voor PM10 onder de 16 microgram per m3. Voor NO2 en PM10 is 40 microgram per m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. De huidige achtergrondconcentraties liggen beneden de wettelijke grenswaarde. Op basis hiervan kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat.

Afbeelding 4.3 Luchtkwaliteit NO2 (d.d. 22 augustus 2025, bron: Atlasleefomgeving)

26 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

Afbeelding 4.4 Luchtkwaliteit PM10 (d.d. 22 augustus 2025, bron: Atlasleefomgeving)

4.7.3

Conclusie

De NIBM-tool bevestigt dat de effecten op de luchtkwaliteit binnen de toegestane grenzen blijven. De huidige achtergrondconcentraties van NO2 en PM10 liggen onder de wettelijke grenswaarden. De verkeersaantrekkende werking door de functiewijziging zal niet verder toenemen en draagt niet in significante mate bij aan de luchtverontreiniging. Hiermee voldoet het project aan de luchtkwaliteitseisen zoals vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Geluid

4.8.1

Toetsingskader

In paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen voor geluid door activiteiten. In artikel 5.55 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het toepassingsbereik vastgelegd. Paragraaf 5.1.4.2 is van toepassing op het toelaten: - op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of, - van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.

27 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

De regels gelden alleen voor geluidgevoelige gebouwen die voor meer dan 10 jaar zijn toegelaten (artikel 5.78 lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving). In paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels met betrekking tot een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van: - wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; - lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en, - verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.

4.8.2

Resultaten

Een geluidgevoelig gebouw (Bijlage 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)) is een: gebouw met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, kinderopvang met bedden en gezondheidszorg met bedden. Een opvanglocatie wordt niet aangewezen als geluidgevoelige functie. Er hoeft daarom geen formele toetsing plaats te vinden, maar wel wordt in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties beschouwd of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De voorgenomen tijdelijke opvang voorziet in een tijdelijke functiewijziging zonder voor het aspect geluid relevante wijziging van bestaande bebouwing. De opvang van statushouders is vergelijkbaar met het exploiteren van een hotel. In het hotel mogen namelijk ook personen overnachten en verblijven. De huidige bebouwing blijft bestaan zoals deze is. De voorgenomen tijdelijke functie kan ook een effect hebben op de omgeving in het kader van geluid. De nieuwe functie heeft voor geluid geen relevante andere effecten dan het exploiteren van een hotel. In afbeelding 4.5 is een uitsnede van de geluidsbelasting weergegeven.

Afbeelding 4.5 Uitsnede kaart geluid in Nederland op de projectlocatie (bron: Atlasleefomgeving)

28 | 35

Witteveen+Bos | 148874/26-002.069 | Definitief 03

In bovenstaande afbeelding is zichtbaar dat rondom het gebouw de geluidsbelasting 66 tot 71 dB op de gevel bedraagt. Dit geluidsniveau kwalificeert als zeer slecht tot extreem slecht conform de methode van Miedema1. Het overgrote deel van de projectlocatie kwalificeert met ongeveer 61-65 dB als slecht. De waarden overschrijden de standaardwaarde van 50 Lden (artikel 3.34 Bkl, Rijkswegen en provinciale wegen). Ook overschrijdt de geluidbelasting de grenswaarde van 65 Lden (artikel 3.35 Bkl, Rijkswegen en provinciale wegen). Gezien de tijdelijkheid, urgentie en de huidige vergelijkbare functie (niet geluidsgevoelig en reeds geschikt voor verblijf van personen) op de locatie, kan het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar worden beschouwd. Verblijf in het gebouw, dat reeds bedoeld is voor verblijf van personen, komt het wooncomfort van de bewoners ook op het gebied van geluid ten goede.

4.8.3

Conclusie

Voor het aspect geluid is conform artikel 5.78 lid 2 Bkl geen formele toetsing noodzakelijk bij een BOPA-aanvraag van korter dan 10 jaar. Desondanks is hieraan getoetst om aan te tonen dat wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Het voornemen brengt geen wijzigingen voor het woon- en leefklimaat met zich mee en het verblijf van personen gedurende dag en nacht in het huidige gebouw is toegestaan. Gezien de urgentie van de situatie, de tijdelijkheid van het initiatief en de vergelijkbare huidige functie (niet geluidsgevoelig en reeds geschikt voor verblijf van personen) op het terrein kan het woon- en leefklimaat als aanvaardbaar worden beschouwd. Verblijf in het gebouw, dat reeds bedoeld is voor verblijf van personen, komt het wooncomfort van de bewoners ook op het gebied van geluid ten goede. Daarmee is ten aanzien van het thema geluid geen belemmering voor de tijdelijke opvanglocatie.

4.9

Bodem en Ontplofbare Oorlogsresten

4.9.1

Toetsingskader

In het geval dat de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie bepaalt de Omgevingswet dat de grond functiegericht gesaneerd moet worden. Dit betekent dat de grond zodanig gesaneerd moet worden dat de grond kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie. Nieuwe functies dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd en bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. De toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan conform artikel 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Sinds de Tweede Wereldoorlog kunnen er tevens in de (water)bodem Ontplofbare Oorlogsresten (OO) aanwezig zijn zoals munitie, vliegtuigbommen, granaten en landmijnen. Hiermee moet men rekening houden bij werkzaamheden op of in de bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16911409/1