CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ontwikkelleidraad Zorgcampus, beleidsregel ruimtelijke structuur d.d. 14 april 2026

Raadsvergadering 8 juni 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Actualisatie Ontwikkelleidraad Zorgcampus14.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ONTWIKKELLEIDRAAD ZORGCAMPUS BELEIDSREGELS RUIMTELIJKE STRUCTUUR

MEI 2026

H+N+S Landschapsarchitecten

2

H + N + S · O N T W I K K E L L E I D R A A D z or g C A M P U S

INHOUD 1. INLEIDING 

5

2. PROCES 

7

3. UITGANGSPUNTEN

11

3.1 Stedenbouw en architectuur

11

3.2 Landschap

21

3.3 Ecologie

25

3.4 Hydrologie

29

4. ONTWERPPRINCIPES

H+N+S Landschapsarchitecten

31

4.1 Beekdal De Leij

33

4.2 Wadizone

37

4.3 Entreezone

39

4.4 Hoofdontsluiting en parkeren

45

4.5 Ambities aansluiting omgeving

47

5. WESTELIJKE UITBREIDING ZORGCAMPUS

49

BIJLAGE: Referenties vergunde en gerealiseerde projecten

59

COLOFON 

63

4

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

95

66

2

97

62

ijpa

68

60

an

ndla

rkw

eg

10 1

67

10

aat

3

69 70

64

37

10

71

5

66

MASTERPLANKAART

72

39

99

wstr alu Zw

65

Are

35

Le

60

31 33

36

t

58

29

traa

SCHOOL

eks

SCHOOL

Sno

10

73

68

7

41

74

75

70

76

72

43

45

78

20 80

47

82

5

9 10

85

/04

84

1-66

83

66/0

77

81

49

1 11

79 3 11

86 5 11

88

11 9

96 12 1

98

3 12

aat

ifstr

0

10

12 5 12 7

4 11

2 11

8 10

6

10

6 11

0 11

2 10

4 10

Du

weg

Vogelenzang

94

renbeekse

g

126

134

Pro

vaa

136

van

an

mla

che

Bu

rst t

148

144 146

150

Professor Stoltehof

raa

142

170

168

fe

ie Oo

140

130

138

172

166 152

156

154

180

174

178

eg

EVZ zone

9

Leij

176

uch

r sso

w park

17

an B

129

128

2 12

0 12

162

160

2

4

or v

132

4

12

8 11

164

158

20

fess

7

92

38

Oude Hilva

15

Vogelenzan

Pro

11

90

SCHOOL

7/01-7/24

LEIJ an

1

kse we

bee

ren

Hilv a

emla

g 8 10 3

ambulancehal

LEIJ

nieuwe locatie OCL

fietsverbinding wordt onderzocht 12

SEH plein

47

entree plein

N.A.P

renbe

48

ZIEKENHUIS

buitenspeelruimte OCL Hilva

H ET AB IS LIS HU T E EN SIN ZIEK

60-60/30

SINT ELISABETH

landschappelijk ingepast maaiveldparkeren

LEIJ

wadizone zorgcampus

wadizone

park Dokter Bloemenlaan

eksew

eg

9

8-10

11

beekdal met poelen gelaagd parkeren

15

M. GE

RG

BU

tijdelijke fietsverbinding langs de Leij

TIL

50

energiegebouw

60

eg

Leijw

Leijweg

LEIJ

LEIJ

Rijksweg

58

Rijksweg 58

Vers ie m as ter planka ar t met maa iveld p ar keren ( 28 novemb er 2024) : D e mas t er p l a n k a a r t i s een s c h em a t i s c h e ver t a l i n g va n het m a s t er p l a n en wo rd t a l n a a r g e l a n g de vo o r tg a ng g eac tu alis eerd.

1. INLEIDING

5

1. INLEIDING In juni 2020 is een masterplan voor het gebied ten westen van Kempenbaan west, onderdeel van het zorgcluster (Omgevingsvisie Tilburg 2040) opgeleverd. In dit document is deze ontwikkeling benoemd als zorgcampus. Dit masterplan maakt de vernieuwing van de zorgcampus en omgeving mogelijk. Concreet gaat het over het gebied tussen de Hilvarenbeekseweg, Professor van Buchemlaan, het Leijpark, de Leyhoeve en de A58. De ambitie van het masterplan is om de zorgcampus en omgeving gefaseerd te ontwikkelen tot een ruimtelijk samenhangend beeld (gebouwen, landschap en openbare ruimte) dat op een goede manier is ingebed in de omgeving. De masterplankaart op de pagina hiernaast is een schematische vertaling hiervan. Inmiddels is er een inrichtingsplan opgesteld voor de zorgcampus en zijn de eerste ontwikkelingen van verschillende partijen van start gegaan. De ontwikkeltermijn van de zorgcampus is lang (tot 2050) en de uitvoering vindt plaats terwijl alle instellingen op de zorgcampus volledig operationeel zijn. Dit betekent dat gebouwen pas afgebroken worden als de nieuwe in gebruik zijn genomen. Er zal sprake zijn van tijdelijke aanpassingen om het zorgproces gedurende de bouwfases te borgen. Om te zorgen voor voldoende flexibiliteit maar ook voor een robuuste borging van de belangrijkste waarden is deze ontwikkelleidraad opgesteld.

De ontwikkelleidraad maakt het mogelijk het gebied globaal te bestemmen (flexibiliteit in de toekomst) en de belangrijkste waarden te borgen.

de Leij, relatie met het Leijpark en Prof. van Buchemlaan, doorgaande wandel- en fietsverbindingen, OV-routing en -haltering, integratie grondwal langs de A58. De aandachtspunten, die binnen het projectgebied vallen, worden wel behandeld in deze ontwikkelleidraad. De ontwikkelleidraad gaat eerst kort in op het proces dat moet leiden tot het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit (hoofdstuk 2). In hoofdstuk 3 worden de ruimtelijke uitgangspunten en waarden voor stedenbouw, architectuur, landschap, ecologie en hydrologie benoemd, zoals die zijn geformuleerd in de verschillende beleidsdocumenten van gemeente Tilburg, de provincie, het waterschap en in het masterplan. Maar ook als gevolg van de lessons learned vanuit de reeds vergunde gebouwen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 de gewenste ruimtelijke kwaliteit beschreven aan de hand van ontwerpprincipes per deelgebied. Tot slot is in hoofdstuk 5 de ontwikkeling van het westelijke gedeelte van de zorgcampus opgenomen. Dit gedeelte heeft een aparte paragraaf, omdat deze zone ook een eigen bestemmingsplan kent.

TILBURG

Op basis van het masterplan zijn in deze ontwikkelleidraad de ruimtelijke uitgangspunten en ontwerpprincipes voor de toekomstige stedenbouwkundige opzet, architectuur, landschap en ecologie op de zorgcampus vastgelegd. Deze ontwikkelleidraad dient als toetsingskader en geldt voor alle organisaties die gevestigd zijn binnen de plangrenzen van de zorgcampus. Deze ontwikkelleidraad (juli 2026) is een geactualiseerde versie van de eerder opgestelde ontwikkelleidraad uit juni 2022 en zal de eerste versie vervangen na vaststelling door de gemeenteraad. De zorgcampus is echter geen afgesloten terrein en het is belangrijk om aan te sluiten op de context. Grotendeels valt dit buiten de scope van de zorgcampus en zal daarom geen onderdeel zijn van de leidraad, maar wat er in de omgeving gebeurt zal zeker de aandacht hebben van het Q-team. Aandachtspunten zijn o.a. ruimtelijke samenhang en kwaliteit Dr. Bloemenlaan, aansluiting op hydrologisch systeem en stroomgebied

LEIJ PA R K

ZORGCAMPUS

S i t ua t i ek a a r t zo rg c a m p u s en o m g ev i n g

6

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Zi c ht op d e Leij

2. PROCES

7

2. PROCES De langdurige ontwikkeling van de zorgcampus vraagt om flexibiliteit en aanpasbaarheid van het plan zonder dat de belangrijkste ruimtelijke waarden in het geding komen. Om dat goed vorm te geven hebben is besloten om een bestemmingsplan op te stellen met daarbij een ontwikkelleidraad. Het gaat om een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op basis van de Crisis- en herstelwet. Dit betekent dat beleidsregels onderdeel uit kunnen maken van het bestemmingsplan en als toetsingskader gelden bij omgevingsvergunningen. Deze ontwikkelleidraad wordt als beleidsregel vastgesteld bij het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan regelt voornamelijk de programmatische aspecten van het plan, het maximaal aantal m2 bebouwing en maximale hoogtes, ontsluiting en parkeren, de ecologische verbinding, de watervoerende zones, de helikopter landplaats enz. Al deze aspecten zijn van belang om de relevante onderzoeken te kunnen uitvoeren en de omgeving voldoende inzicht te geven in WAT er gaat komen. HOE het er komt wordt vooral geregeld door deze ontwikkelleidraad, het kwaliteitsteam (Q-team) en de omgevingscommissie (OC), die alle plannen beoordelen die in het gebied tot uitvoering worden gebracht. Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Verbeelding 2. Toelichting 3. Regels De ontwikkelleidraad is als beleidsregel onderdeel van de regels.

De 3 onderdelen vormen één onlosmakelijk geheel. Waar het wet- en regelgeving betreft wordt door de omgevingsdienst getoetst aan de onderdelen 1 t/m 3. Waar het het beschrijven van ruimtelijke kwaliteiten betreft is de ontwikkelleidraad richtinggevend. De tekeningen in deze ontwikkelleidraad zijn ter illustratie en derhalve niet definitief. De voorgestelde en nog uit te werken ontwerpen en ontwikkelingen worden getoetst aan de in de ontwikkelleidraad beschreven kwaliteiten. De ontwikkelleidraad wordt door de gemeenteraad vastgesteld.

DOEL Q-TEAM Het Q-team bewaakt de integrale kwaliteit van de ruimtelijke ontwikkeling (landschap, stedenbouw, architectuur, ecologie, water en verkeer) zoals deze is voorgesteld in de ontwikkelleidraad en denkt hierin mee. Het Q-team toetst ontwerpvoorstellen, inrichtingsvoorstellen en aanpassingen aan de openbare ruimte aan de ontwikkelleidraad (september 2025). Het Q-team adviseert aan de gemeente en initiatiefnemers voordat een ontwerpvoorstel in de Omgevingscommissie (OC) wordt behandeld. Daarnaast adviseert het Q-team de gemeente over de actualiteit en werkbaarheid van de ontwikkelleidraad. Als daar aanleiding voor is kunnen partijen de gemeente adviseren om de leidraad aan te passen of aan te vullen om zo de huidige en toekomstige waardes en kwaliteiten in het gebied beter te beschermen of tot stand te brengen.

DOEL OMGEVINGSCOMMISSIE De OC toetst aanvragen voor een omgevingsvergunning aan redelijke eisen van welstand. De OC adviseert over bouwplannen, stedenbouwkundige plannen, ontwerpen voor de openbare ruimte of het hergebruik van monumenten.

R O LV E R D E L I N G T U S S E N Q - T E A M E N O C Het Q-team neemt het voortouw. Doordat de integrale kwaliteitsbewaking op het bredere niveau van de ontwikkelleidraad in het Q-team plaatsvindt kan de OC zich concentreren op haar toetsende rol in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag. Het Q-team stemt hun advies af met de OC. De OC beschikt op het moment van de aanvraag over het Q-team advies en weet op die manier wat het Q-team van bepaalde ontwerpvoorstellen vindt.

8

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

P roc es s c he ma aa nvra ag omgeving s verg unning

2. PROCES

OVERLAP

I N R I C H T I N G S P L A N E N W E T N AT U U R B E S C H E R M I N G

In de ontwikkelopgave voor de zorgcampusontwikkeling verricht het Q-team werk binnen het bestemmingsplan proces. Deels geeft dit een overlap met het werk van de OC. De overlap vindt plaats op het grensgebied waar de kwaliteiten van een gebouw overgaan van het bestemmingsplan niveau naar het architectuur niveau. Het is wenselijk dat deze inhoudelijke overlap inzichtelijk is en voldoende uitgediscussieerd/uitgewerkt is waardoor er door de overlap geen tegengestelde beslissingen worden genomen/adviezen worden geformuleerd door de OC of het Q-team waardoor de initiatieven klem komen te zitten. Daarbij is een rol weggelegd voor de onafhankelijke voorzitter van het Q-team en de voorzitter van de OC om de samenwerking tussen beide commissies soepel te laten verlopen en de toetsing op elkaar af te stemmen. Verslaglegging speelt daarbij een belangrijke rol.

Voorafgaand aan de realisatie van de plannen wordt in samenwerking met ETZ (namens de zorgpartners), het waterschap, de gemeente en de provincie een inrichtingsplan opgesteld met een ecologische onderbouwing m.b.t. het functioneren van de verbindingsfunctie van de Ecologische VerbindingsZone (EVZ). De provincie dient goedkeuring te verlenen aan dit inrichtingsplan. De gemeente Tilburg toetst het inrichtingsplan op het functioneren. Een ontheffing Wet natuurbescherming, voor zowel het gedeelte stikstof als soortenbescherming, moet voorafgaand (per fase) geregeld zijn. Mitigerende of compenserende maatregelen moeten passen binnen de kaders van de ontwikkelleidraad.

WERKWIJZE (ZIE TEVENS PROCESSCHEMA) Alvorens aanvragen worden voorgelegd aan de OC is vooroverleg met het Q-team gepland waarin het Q-team wordt geïnformeerd over de ontwikkeling. Dit vooroverleg vindt plaats zo vaak als nodig is, bijv. bij start, in schetsontwerp- en/of voorlopig ontwerpfase. Het overleg vindt plaats vooraf in onderlinge afstemming voor het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning. Het overleg vindt plaats minimaal 2 maanden voor het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning. Als het Q-team adviseert met positief advies, dan kan een bouwplanuitwerking door naar de OC.

BEZETTING Q-TEAM Het Q-team bestaat uit vertegenwoordigers van de gemeente (projectleider en stedenbouwkundige), het waterschap, een onafhankelijk voorzitter, onafhankelijk landschappelijk expert, aangevuld met projectleden van het betreffende project.

9

4

5

04

1 11

79 3 11

86 5 11

88 9 1 12 3

10 0 12 5 12

2 10

4 10 7

10

8 10

6

4 11

2 11

126 129

128

4

130

aa

iev aa rstr

142

170

168

136 138

134

Oo

140

2 12

0 12

172

166 146

150

Professor Stoltehof

t

148

144

152

156

176

178

eg arkw

154

180

174

9

uch

Pro

n

laa

em

uch

nB

r va

so fes

p

Leij

17

an B

132

12

8 11

162

160

2

4

or v

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

12

98

0 11

6 11

164

158

20

fess

7

11

96

94

Du

eg

Vogelenzang

aat

ifstr

enbeeksew

Vogelenzang

Pro

11

92

38

Oude Hilvar

15

10

90

SCHOOL

7/01-7/24

LEIJ an

are

Hilv

emla

nbe 1

e we

eks g 8 10

LEIJ

3

12

LEIJ

enbe

N.A.P

Hilvar

47

ZIEKENHUIS

48

H ET AB IS LIS HU T E EN SIN ZIEK

60-60/30

SINT ELISABETH

Dokter Bloemenlaan

eksew

eg

9

8-10

11

15

M.

GE RG

BU

TIL

50

(1) (2) 60

eg

Leijw

Leijweg

(3) (4)

LEIJ

(5)

LEIJ

P lattegron d st r uct uuront wer p geb o uw Rijksweg

58

Rijksweg 58

36000+ 9e verdieping

parkeergarage 7 lagen + dak

21000+ techniek

techniek

D o ors n ed e st r uct uuront wer p gebo uw

verpleging

28000+ 7e verdieping

verpleging

24000+ 6e verdieping

verpleging

20000+ 5e verdieping techniek

polikliniek

polikliniek

polikliniek polikliniek

techniek

flexibiliteit 1 laag mogelijke uitbreiding

specifiek

polikliniek

patio

32000+ 8e verdieping

techniek

flexibiliteit 1 laag mogelijke uitbreiding

polikliniek

verpleging

12000+ 3e verdieping

specifiek

verbinding

16000+ 4e verdieping

8000+ 2e verdieping

staf/logistiek

verbinding

OK

publiek

verbinding

spoed

4000+ 1e verdieping patio

acuut

0+ begane grond

3 . uitgangspunten

3. UITGANGSPUNTEN 3.1 UITGANGSPUNTEN STEDENBOUW EN ARCHITECTUUR

Het masterplan voor de transformatie van de zorgcampus kenmerkt zich door een door het landschap slingerend beddenhuis. Deze slinger zweeft boven het landschap middels een plint die over twee verdiepingen transparant is vormgegeven. Het masterplan voorziet in een transparante as waaraan diverse paviljoens worden gekoppeld, die in en op het maaiveld in een parklandschap komen te staan.

RUIMTELIJKE OPZET Om het beddenhuis en de paviljoens te structureren wordt er gebruikt gemaakt van een gridstructuur (zie figuur blz. 10). ◼ De paviljoens hebben altijd een zekere afstand van het beddenhuis en zijn middels, zoveel mogelijk transparante, verbindingen functioneel gekoppeld. De campusgedachte die zo ontstaat valt of staat met de ligging en onderlinge afstand van de paviljoens. ◼ Bij de situering van de gebouwen wordt uitgegaan van de gridstructuur. Afwijkingen zijn toegestaan mits gemotiveerd en het parkkarakter van de campus niet wordt aangetast, het de gebouwde omgeving ten goede komt en rekening wordt gehouden met de ecologische functie van de EVZ.

HOOFDOPZET GEBOUWEN Er zijn 5 gebouwtypologieën: Het beddenhuis (1) fungeert als ‘ruggengraat’ met publieke boulevard op de begane grond. Paviljoens (2) worden verbonden met elkaar en via de ruggengraat door middel van transparante verbindingen (3). De ondergeschikte gebouwen en bouwwerken (4) horen bij de laag van het landschap en worden ook dusdanig ingepast. ‘Specials’ (5) kunnen incidenteel voorkomen en hebben een geheel eigen vormgeving. Vanwege de veiligheidszone langs de snelweg zijn een aantal gevoelige functies, zoals acute zorg, ten noorden van het beddenhuis gesitueerd. ◼ Het beddenhuis is een herkenbare entiteit van het ziekenhuis en heeft vanuit functionaliteit waar nodig een verschil in hoogte.

◼ Variatie in hoogte kan ook voorkomen als een stedenbouwkundige/architectonische reactie op ruimtelijke structuren vanuit de directe omgeving of vanuit de organisatie van het gebouw. ◼ In hiërarchie is het beddenhuis de meest prominente. Qua architectuur en vormentaal zullen alle paviljoens zich daarbij aansluiten. Ze zijn als het ware familie. ◼ Omdat het beddenhuis het hoogste element wordt is dit het herkenningselement van het nieuwe ziekenhuis. Het ziekenhuis is hierdoor vanaf zowel de rijksweg A58 als vanaf de Dokter Bloemenlaan straks als eerste zichtbaar.

G E B O U W I N R E L AT I E T OT H E T L A N D S C H A P De hoofdopzet leidt voor alle onderdelen tot gebouwen met een alzijdigheid naar de omringende omgeving en maakt het mogelijk voor het omringende landschap om als een tapijt onder en door de bouwdelen heen te lopen. Hierdoor krijgen de hoofdstructuren een zekere mate van continuïteit en wordt het gebied doorwaadbaar ondanks de in het landschap geplaatste bouwdelen. ◼ De omliggende parkstructuur kan worden gecontinueerd door op een paar plekken de routes door te laten lopen onder/door de gebouwverbindingen. ◼ Afhankelijk van beheersbaarheid en veiligheid, zouden routes plaatselijk door het nieuwe ziekenhuis heen kunnen lopen. Met deze toegankelijkheid wordt bereikt dat het nieuwe ziekenhuis ook voor de omliggende buurt van meerdere kanten bereikbaar en passeerbaar is. ◼ Op ooghoogte zijn doorkijkjes mogelijk door gebouwdelen heen, dit verhoogt vanuit landschappelijk oogpunt de herkenbaarheid en doorwaadbaarheid. ◼ De positionering van de gebouwdelen zal zorgvuldig moeten gebeuren zodat het gebouw niet te kolossaal overkomt. ◼ De gebouwvorm en plek van het parkeergebouw zal zoveel mogelijk opgenomen moeten worden in het landschap. Herkenbaarheid, oriëntatie en vindbaarheid mogen daarbij niet uit het oog worden verloren.

11

12

2. flexibiliteit in organisatie plattegrond

H + N + S · O N T W I K K E L L E I D R A A D z or g C A M P U S

Ui t b rei d i n g e n vo l g e n d e g r i d s t r uc t uu r

d

Paviljoens aa n c entrale as

3 . uitgangspunten

G E FA S E E R D B O U W E N E N T I J D E L I J K H E I D

HEALING ENVIRONMENT FYSIEK EN ZICHTBAAR

Het masterplan zal over een lange periode (van 2020 t/m 2050), in verschillende fases ontwikkeld worden. Dat betekent dat de functionaliteit van de verschillende plekken op het terrein in de tijd zal wijzigen. Dit kan leiden tot een andere vraag en een andere invulling van onderdelen dan in het aanvankelijke plan. De opzet die gekozen is zal de wijzigingen in de tijd op kunnen vangen. ◼ In de aanvraag van een ontwerp worden tijdelijke posities of tijdelijke oplossingen meegenomen in de beoordeling. Alle tijdelijke ontwikkelingen worden getoetst door het Q-team. ◼ Tijdelijke ontwikkelingen (die langer dan 5 jaar staan) vormen altijd een ruimtelijk samenhangend geheel.

Doordat het landschap zo prominent aanwezig is en zichtbaar vanuit alle delen van de campus, werkt dit voor patiënten en cliënten als een ‘healing environment’ ◼ Het is wetenschappelijk aangetoond dat een natuurlijke omgeving meewerkt aan het herstel van patiënten. ◼ Een natuurlijke omgeving met veel bomen en water zorgt voor verkoeling van de gebouwde omgeving.

G E B O U W M E T R E ACT I E O P D E D O K T E R B LO E M E N L A A N De nieuwe structuur van de zorgcampus is erop gericht om een duidelijkere en directere toegang te bieden vanaf de snelweg en vanaf de hoofdstructuur van de stad . Daar waar nu een omweg moet worden gemaakt naar de entree van het bestaande ziekenhuis is er straks een directe en duidelijke ontsluiting van de hoofdingang mogelijk. In de fasering komt een moment dat de hoofdingang zal worden gewisseld. Met de realisatie van het acute centrum zal de nieuwe entree gebruikt worden voor de ontsluiting van de acute functies. De Dokter Bloemenlaan wordt daarmee de ontsluitingsweg om het acute centrum te bereiken. ◼ De ontwikkeling van de zorgcampus kent een gridstructuur, die de richting van de Dr. Bloemenlaan volgt. ◼ Er zal een stedenbouwkundige reactie komen op de zichtas vanaf de Dokter Bloemenlaan (om de Dokter Bloemenlaan te beëindigen, te verwijzen naar de hoofdentree en de campusstructuur te benadrukken).

REEDS ONTWIKKELD Architectuur die in 2023 is ontwikkeld gaat beeldbepalend zijn voor de toekomstige ontwikkelingen, uitstraling van de zorgcampus, oriëntatie op de campus en aansluiting van gebouwen op de openbare ruimte. Referenties van vergunde en gerealiseerde projecten zijn opgenomen in de bijlage. ◼ De uitgangspunten voor de opbouw van het beddenhuis, paviljoens en bijgebouwen zijn in 2023 bepaald en dit zijn uitgangspunten voor de rest van de vormgeving van deze elementen op de zorgcampus. ◼ Het beddenhuis kent minder vrijheden, de paviljoens kennen meer vrijheden. De gebouwen staan in een ruimtelijk samenhangend landschap dat doorloopt tot aan de gevels van de gebouwen.

13

14

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Fu n c ties

Plint: zoveel m o g el i j k g l a zen g evel s

Pa s s a g e/ s l u i s o p t wee p l a a t s en i n d e r u g g en g ra a t

Pas s a ge: een ver bijzonder in g in d e gevel d ie d oorloopt over a lle verdieping en

Pas s ag e: zo wel f ys i eke a l s v i s uel e ver b i n d i n g

3. UITGANGSPUNTEN

UITGANGSPUNTEN PER GEBOUWTYPE Op de zorgcampus staan 5 gebouwtypologieën. Er volgen eerst 2 algemene uitgangspunten en daarna specifieke uitgangspunten per gebouwtypologie. ◼ De functionele eisen en flexibiliteit zijn voor het ontwerp van de diverse bouwdelen leidend ◼ Variaties op de gevel van de diverse bouwdelen zijn toegestaan: daar waar vanwege de functie een afwijking van de gevel nodig is, bijvoorbeeld bij de entree, ambulancehal, grote wachtruimte, buitenruimte, droogloop.

paviljoens die elk weer een eigen identiteit kunnen hebben maar ook passen bij de vormentaal van het geheel. ◼ De plint is daarbij op de eerste twee lagen het verbindende element van het ziekenhuis. ◼ Vanuit deze plint is de verbinding met de andere bouwdelen op verschillende plaatsen zichtbaar en logisch. ◼ Functioneel worden er vanzelfsprekende en korte verbindingen gemaakt zodat deze voor patiënt en bezoeker op elk moment duidelijk zijn.

1 – B E D D E N H U I S / R U G G E N G R A AT

G E V E L B O V E N D E P L I N T (2 E T / M 8 E V E R D I E P I N G )

FUNCTIES

◼ Begane grond is publiek gebied en verbindt de paviljoens. Deze publieke, openbare laag is op verschillende plekken vanuit de zorgcampus toegankelijk. Hier zijn zoveel mogelijk de algemene functies opgenomen zodat ze ook kunnen dienen voor aangenaam wachten en restauratieve en ondersteunende voorzieningen. Het moet er aangenaam toeven zijn voor patiënten die een hele dag in het ziekenhuis moeten doorbrengen, voor bezoek, maar ook een passant die koffie komt drinken. ◼ De 1e verdieping is gereserveerd voor logistiek (geen bedden over de begane grond/ publiek gebied) ◼ De 2e en 3e verdieping hebben een specifieke, variabele invulling, zoals verloskunde, oncologische dagbehandeling etc. ◼ De 4e verdieping is gereserveerd voor techniek ◼ De 5e t/m 8e verdieping zijn uniforme verpleegafdelingen.

PLINT (BEGANE GROND EN 1E VERDIEPING)

◼ In de plint worden zoveel mogelijk glazen gevels toegepast van vloer tot 2e verdieping om het transparante karakter te benadrukken. ◼ Begane grond en 1e verdieping van het beddenhuis hebben een hoge mate van transparantie, waardoor de binnen- en buitenomgeving zoveel mogelijk contact maken en er doorzicht ontstaat. ◼ De vormgeving van de plint zal zoveel mogelijk aansluiten bij de afzonderlijke

◼ Gevels worden uitgevoerd met plaatmateriaal. ◼ Het beddenhuis is niet voorzien van uitval zonwering. Reductie van zoninval wordt gerealiseerd met de uitvoering van de gevel.

PA S S A G E / S L U I S

◼ Op twee plaatsen in de ruggengraat zal een ‘passage/sluis’ worden aangebracht waardoor een visuele knip ontstaat in de gevellijn. ◼ Ter plekke van de passage wordt een verbijzondering (verticaal accent) in de gevel aangebracht die doorloopt over alle verdiepingen. ◼ Aan weerszijden van de passages/sluizen (per L-vorm van het beddenhuis) worden de gevelmodules op elkaar afgestemd. ◼ Op de geveldelen voor en na de passage/sluis kan een verbijzondering (verticaal accent) in de gevel worden aangebracht die door loopt over de alle verdiepingen. Daarmee gaan ze ordenend werken in de hele campus, vormen zo een oriëntatiepunt in het gebied en zijn ze aanleiding om eventuele toekomstige hoogteverschillen in de ruggengraat op te vangen. ◼ De passage/sluis is transparant van aard op de onderste twee bouwlagen. ◼ De passages zijn zowel een fysieke als een visuele verbinding. Ter plaatse van de passage/sluis loopt een wandelroute op de begane grond door in het interieur; hierdoor ontstaat een vanzelfsprekende/natuurlijke overgang van buiten naar binnen (en van binnen naar buiten).

15

16

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Paviljo ens z ijn o r tho g o naal en alz ijd ig

B oven s t e verd i e p i n g k a n t er ug s p r i n g en t .o .v. h o o fd vo l u m e

G evel: zoveel mo gelijk trans p arantie in d e p l i n t

Pav i l j o en k r i j g t zweven d k a ra k t er d o o r

+ land s c hap lo o p t d o o r

d o o r t rek ken v l o er

3 . uitgangspunten

2 - PAV I L J O E N S VORM

◼ De paviljoens kunnen in vorm en hoogte verschillen (bijvoorbeeld als gevolg van de verschillende functies van de gebouwen), maar het uitgangspunt is de orthogonale, rationele opzet met een centrale groene ruimte (patio). ◼ De paviljoens zijn compacte volumes en alzijdig georiënteerd. Dit versterkt het principe van een campus (waar gebouwen te gast zijn in een parkachtig landschap). Het uitgangspunt is dat er voor het hele gebouw één gevelprincipe wordt gehandhaafd, dit versterkt de alzijdigheid van het gebouw. ◼ De bovenste verdieping is in principe onderdeel van het hoofdvolume en doet mee in het verticale spel van de gevel. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, bijvoorbeeld de techniekruimte op de bovenste verdieping waarvan de gevel terugspringt.

GEVEL

◼ De paviljoens zijn familie van elkaar, denk hierbij aan het ontwerp van de gevel, geveluitstraling en materialisering. ◼ In de plint wordt gestreefd naar zoveel mogelijk transparantie (glas van vloer tot plafond), zodat een sterke relatie met de campus ontstaat. Dit kan alleen wanneer het gebruik dit toelaat, bijv. ter plaatse van wachtkamers. ◼ Om het zwevende karakter van de paviljoens te benadrukken (dit versterkt het principe van een campus waar gebouwen te gast zijn in een parkachtig landschap), wordt de vloer van de begane grond waar mogelijk buiten de gevels doorgetrokken, waardoor het lijkt alsof het landschap er onderdoor loopt. ◼ Het paviljoen is niet voorzien van uitval zonwering. Reductie van zoninval wordt gerealiseerd in het platte gevelvlak met bijvoorbeeld de uitvoering en materialisering van de gevel, waarbij het gebruik van screens (niet zijnde uitval screens) niet is uitgesloten.

PAT I O ’ S

◼ Centraal in de paviljoens komen patio’s met een natuurlijke uitstraling en opgaande groenelementen. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken als de functie of de organisatie van het gebouw daar om vraagt. ◼ De patio’s hebben verwantschap met het landschap buiten de paviljoens. Ze worden natuurinclusief en klimaatadaptief ingericht en borduren voort op de beekdaltypologie, die ook de inspiratie vormt voor het landschap van de campus. ◼ Het is daarbij niet de bedoeling dat elke patio een eigen thema, kleurtje of afwerking krijgt. Dat betekent overigens niet dat door toevoeging van individuele elementen zoals kunst de patio niet herkenbaar kan worden gemaakt.

17

18

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Verb indingen z ijn zo t ra nsparant en o p en

Ver b ind ingen k un n e n m e erd ere l a g en ho o g zi j n .

m ogelijk, wa ardoor groene tus s enr uimtes een

Ver b i n d i n g en wo rd en wa a r m o g el i j k o p de 1e verd i ep i n g o f h o g er g erea l i s ee rd .

c on tinu ka rakt er hebben.

On d ergeschikt e gebouwen en b o uw w er ken z ijn

Hekw er ken wo rd en to eg e p a s t i n d ezel fd e k l eu r a l s

Een ‘s p ec i a l ’ o n d e r s c h ei d t zi c h i n m aa t en scha a l ,

in gep ast in het landschap.

het b ijg eb o uw, b eg ro ei d m et k l i m p l a n t en .

vo r m g ev i n g , m a t er i a l i s e r i n g en k l eu rg ebrui k.

3. UITGANGSPUNTEN

3 – VERBINDINGEN

4 – ONDERGESCHIKTE GEBOUWEN EN BOUWWERKEN

FUNCTIE

◼ De verbindingen zijn rechtlijnig van vorm. ◼ De verbindingen kunnen meerdere lagen hoog zijn. ◼ Waar mogelijk worden verbindingen op de 1e verdieping of hoger gerealiseerd, zodat het landschap eronder door kan lopen.

Onder ondergeschikte gebouwen en bouwwerken verstaan we verschillende voorzieningen zoals parkeergebouw, fietsenstalling, energievoorzieningen en nutsvoorzieningen. ◼ De ondergeschikte gebouwen en bouwwerken zoals fietsenstallingen, pompgebouwen enz. dienen integraal onderdeel te zijn van het landschapsontwerp en worden ingepast in het landschap. ◼ De ondergeschikte gebouwen en bouwwerken zijn qua materialisering en kleurstelling familie van elkaar, ze hebben een eenduidige uitstraling. ◼ De vormgeving is zo ingetogen mogelijk en gaat geen directe relatie aan met het beddenhuis en de paviljoens. ◼ Bij voorkeur worden geen hekwerken toegepast rondom ondergeschikte gebouwen en bouwwerken en loopt het landschap door tot aan de gevel. Indien een afscherming toch noodzakelijk is, dan worden hekwerken toegepast in dezelfde kleur als de gevel van de bijgebouwen en zullen deze begroeid dienen te worden met klimplanten. ◼ Kleinere, losse objecten in de openbare ruimte, zoals nutskasten, afvalcontainers etc. worden zo zorgvuldig mogelijk ingepast. Het Q-team zal in de beoordeling aandacht besteden aan deze objecten.

GEVEL

5 – SPECIALS

◼ Waar verbindingen kruisen met de wandelroutes in de buitenruimte vormen deze verbindingen geen blokkade. Zo wordt geborgd dat de tussenruimtes toegankelijk blijven en geen veredelde binnentuinen worden. ◼ De verbindingen kunnen, afhankelijk van hun functie, een eigen identiteit hebben in het ontwerp en de detaillering. ◼ Bij het ontwerp wordt er rekening mee gehouden dat de verbindingen zo transparant en open mogelijk kunnen blijven en zo min mogelijk uitnodigen tot blokkeren van het zicht. ◼ De transparantie zorgt ervoor dat de groene tussenruimtes tussen de gebouwen een continu karakter hebben, waardoor het idee van een doorlopend landschap met daarin bebouwing gehandhaafd blijft.

VORM

◼ De verbindingen zijn eigenstandig qua architectuur ten opzichte van de ruggengraat en paviljoens, waarbij de verbindingen onderling wel een uniforme uitstraling hebben. ◼ De gevels van de verbindingen worden zo transparant mogelijk uitgevoerd. Hierin wordt een uitzondering gemaakt, wanneer de functionaliteit hiervoor aanleiding geeft (bijv. een verbinding met een OK). ◼ Er is een eenduidige aansluiting op de verschillende gevels van ruggengraat en paviljoens.

◼ Er is ruimte voor een beperkt aantal ‘specials’. ◼ Een gebouw is een ‘special’ als het zich onderscheidt in functie, bijv. restaurant, auditorium, kapel, gedenkplaats, sporthal of zwembad. ◼ Een ‘special’ staat altijd op zichzelf. Het gebouw onderscheidt zich in maat en schaal, vormgeving, materialisering en kleurgebruik van beddenhuis, paviljoens en bijgebouwen. ◼ Er wordt duidelijk gemotiveerd waarom een gebouw een ‘special’ is. Dit wordt getoetst door het Q-team.

19

20

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Natuur beleving tot aa n/in h et geb o uw ...

Par kro utes t u s s en g eb o uwen d o o r

O ve rg a n g va n p a r k a c ht i g n a a r n a t uu rl i j k

... d us ook in de binnent uin en

U itno d igende wa n d el ro u t es over d e zo rg c a m p u s

D r i e wa t er r i j ke zo n es a l s r u i m t el i j ke dra g er (de Lei j m e t p o el e n & t wee wa d i zo n es )

3. UITGANGSPUNTEN

3.2 UITGANGSPUNTEN LANDSCHAP

LANDSCHAPPELIJKE OPBOUW

Het ontwerp voor het landschap is geïnspireerd op enerzijds het historische beekdallandschap van de Leij en anderzijds op het naastgelegen Leijpark. Beiden worden op de zorgcampus met elkaar verbonden en krijgen een eigentijdse interpretatie. Een prettige landschappelijke uitloopruimte voor de stad en een plek waar bezoekers en gebruikers van de zorgcampus zich comfortabel kunnen voelen.

De landschappelijke opbouw van de campus wordt gevormd door een cultuurrijke/ parkachtige component en een meer natuurlijke component. De parkachtige component legt de verbinding met de sfeer van de Engelse landschapsstijl van het Leijpark en zal op de gehele campus rond de (intensievere) gebruikszones te vinden zijn. De meer natuurlijke component wordt gevormd door het beeksysteem en biedt ruimte aan het vergroten van biodiversiteit.

DOORWAADBAAR LANDSCHAP

◼ Het beeksysteem wordt uitgebreid naar drie waterrijke zones, bestaande uit de beek zelf met begeleidende poelenzone en twee wadizones t.b.v. regenwateropvang. ◼ De wadizone die tussen de paviljoens doorloopt zal de historische beekloop van de Leij zoveel mogelijk volgen. ◼ Door de combinatie van parkachtige en meer natuurlijke sferen zal de campus een afwisselend en vriendelijk karakter hebben. Samen met een comfortabele en herkenbare inrichting van de buitenruimte zal dit bijdragen aan een ‘healing environment’ die van belang is voor de zorgfunctie van de campus. ◼ Bijzondere aandacht is nodig voor de ruimtelijke samenhang en continuïteit, onder andere m.b.t. materiaalgebruik, meubilair en verlichting op het gehele terrein. ◼ Omdat het landschapsplan in fases uitgevoerd zal worden, is het van belang dat de materialen die in de eerste fase toegepast gaan worden de standaard vormen voor de latere fases.

Het landschap loopt als een tapijt langs, onder en door de verschillende gebouwen heen. ◼ Het landschap sluit naadloos aan op de gevels van de gebouwen, de paviljoens zweven als het ware in het landschap. ◼ Er wordt gestreefd naar zo min mogelijk verhard oppervlak ten behoeve van klimaatadaptatie, ecologie en landschap. ◼ Bestaande bomen, van goede kwaliteit en levensverwachting, worden zo veel mogelijk behouden. ◼ De patio’s van de paviljoens worden zo groen mogelijk ingericht. ◼ Transparante gevels versterken het gevoel van het doorlopende landschap. ◼ Het is de ambitie om gebiedseigen en natuurinclusief te bouwen en in te richten. Denk hierbij aan vergroening van daken en/of gevels en voorzieningen voor fauna. ◼ Door minimaal 2 openbare doorsteken door de ruggengraat te maken wordt een doorwaadbaar en toegankelijk landschap gerealiseerd. Hierdoor is het uitnodigend voor zowel patiënt, bezoeker als personeel om een rondje te lopen over de campus, met in ieder geval één duidelijke hoofdroute die altijd toegankelijk is en waar zitplekken aan gekoppeld zijn. Ook worden hiermee verschillende groenstructuren aan elkaar gekoppeld wat erg positief is voor het bevorderen van biodiversiteit.

21

22

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

BRUG

ZIEKENHUIS ZIJDE

min. 2.50 m oever D o o r s t ro o m p ro f i el o n d e r b r ug g en

gemiddelde vrije hoogte van ca. 1.40 m

A58 ZIJDE

min. 10 m oever

3 . uitgangspunten

TIJDELIJKHEID

BRUGGEN

Ook voor de buitenruimte geldt dat er gedurende de hele ontwikkeling aandacht moet zijn voor het realiseren van een afgerond geheel na elke fase.

De bruggen in het landschap manifesteren zich als één ‘ontwerpfamilie’ en hebben een iconische en aantrekkelijke uitstraling. Ze houden rekening met de ecologische verbinding langs de beek. Het eerste brugontwerp is daarmee voorbeeld voor de latere bruggen.

◼ Eventueel kan er een tijdelijke inrichting gemaakt worden. Bijvoorbeeld door het inzaaien met kruidenrijk mengsel voor een groene uitstraling, waar later de definitieve beplanting komt. ◼ Iedere fase zal een samenhangend ruimtelijk geheel moeten zijn en als zodanig moeten kunnen functioneren. ◼ De volgende fase zal verder bouwen op de voorgaande, met masterplan en leidraad als ruimtelijk kader. ◼ Beslissingen en ontwerpkeuzes die in een eerder stadium worden gemaakt gelden vervolgens als leidend voor de volgende ontwikkelfase, om de ruimtelijke samenhang te waarborgen.

◼ Aan de zuid- en oostzijde van de beek (kant van de A58) minimaal 10m oever vanaf winterpeil tot aan bruggenhoofd. ◼ Aan de noord- en westzijde van de beek (kant van ETZ) minimaal 2.5m oever vanaf winterpeil tot aan bruggenhoofd. (Dit geldt alleen ter plaatse van de bruggen, algemene regel is: minimaal 4m oever). ◼ Voor beide oevers geldt: als blijkt uit de systeemstudie (er loopt een onderzoek naar gehele beekdal) dat er negatieve effecten zijn qua veiligheid etc. dan zijn er aanpassingen nodig. ◼ De bruggen moeten functioneren voor de aangegeven doelsoorten en aanwezige soorten (bijvoorbeeld hoog genoeg boven het water komen dat ze voor vleermuizen passeerbaar zijn). De breedte van de brug en schaduwwerking onder de bruggen moet worden afgestemd op de aangegeven doelsoorten en aanwezige soorten. ◼ Het uitgangspunt is dat de brugconstructie droog moet blijven bij een T100-peil van de beek en minimaal 50cm boven het T10-peil moet liggen. ◼ Een gemiddelde vrije hoogte onder de brug van ca. 1.40m (e.e.a. afhankelijk van de breedte van de brug en de klimaatmodellen). ◼ Onder de brug een bekleding van het talud i.v.m. onderhoud. ◼ De kolommen van de brug moeten rond/ovaal zijn. ◼ Scheiden van auto’s en langzaamverkeer (bijv. door middel van een tweede brug of duidelijke scheiding op de brug).

◼ De verlichting op de brug mag niet in de beek schijnen ten behoeve van functioneren als ecologische verbinding. ◼ Voor koplampen van auto’s is een mitigerende oplossing noodzakelijk.

23

24

E R ZO N

m S L AN

DO

E L SOO RT

RA

D

G

25

EV

E

mi n.

O

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

1:10 BOS

50 m

/S

TRUW

DO

natuurvriendelijke oever

E L SOO

EEL

m.

RT

ge

DO

E L SOO RT

terrastalud

Corridor

D r ie zo nes

M i c ro m i l i eu s o eve r s

kans voor beekbosontwikkeling + beschaduwing beek

NOORD- EN WESTZIJDE (KANT VAN ETZ)

ZUID- EN OOSTZIJDE (KANT VAN A58)

de Leij

5m onderhoudspad

min. 4 m oever

min. 10 m oever

5m onderhoudspad

Profiel beekda l, bij voor keur één o nd er ho ud s p ad en kans vo o r b eekb o s o n t wi k kel i n g

sp a d erhoud ond j de L e i

◼ Oever: oeverplanten (riet, lisdodde); rietvogels (rietzanger, oeverzwaluw, ijsvogel), libellen, amfibieën, kleine zoogdieren ◼ Gras: kruidig grasland; insecten (dagvlinders, sprinkhanen) ◼ Struweel: inheemse struiken en heggen (braam, meidoorn, sleedoorn); vogels, insecten en amfibieën

G e wen s t e i n d b ee l d Bron : G roen e sc ha kel s, voorbeel d en boek ec ol og i sc he verbi n di n g szon es, P rovi n cie No o rd-Brab ant

3 . uitgangspunten

3.3 UITGANGSPUNTEN ECOLOGIE De Leij en haar oevers vallen binnen het Natuurnetwerk Brabant en dienen als ecologische verbindingszone (EVZ) in een stedelijke omgeving. De kwaliteit, omvang en samenhang van de (aanwezige) natuur wordt daarmee zoveel mogelijk gewaarborgd. Deze status heeft consequenties voor de afmeting en inrichting van het beekdal, dat voldoende robuust moet zijn om menselijke invloeden op te nemen. Een verscheidenheid in vegetatie en grote variatie in milieuomstandigheden, zoals nat-droog en voedselarm-voedselrijk zijn daarbij belangrijk. De genoemde maatregelen in het beekdal mogen geen negatieve impact hebben op het functioneren van de beek op systeemniveau (stroomopwaarts en -afwaarts). Dit zal moeten worden aangetoond en zal een aandachtspunt zijn van het Q-team.

D E E C O LO G I S C H E V E R B I N D I N G S ZO N E Uitgangspunt is dat de ecologische verbindingszone in de toekomst én gedurende het gehele ontwikkelingsproces moet (blijven) functioneren voor de doelsoorten waarvoor de verbinding bedoeld is. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. ◼ De EVZ is minimaal 25 m breed, gemiddeld 50 m breed (5 ha. over lengte van 1 km.). De oevers aan beide zijden van de Leij dienen te functioneren voor de aanwezige soorten en vastgestelde doelsoorten. ◼ De aanleg van secundaire (wandel- en/of fiets) paden binnen of buiten de EVZ is enkel mogelijk indien dit past binnen het Visiedocument De Nieuwe Leij Vallei binnen gemeente Tilburg (juni 2023). ◼ Compensatie voortkomend uit de aantasting van bestaande natuur (Wnb, NNB en stadsnatuurkaart 2040) zal voorafgaand dan wel minimaal tegelijkertijd aan de aantasting van de betreffende natuurwaarde gerealiseerd zijn. ◼ Langs de wegen die de verbindingszone kruisen is geleiding aangebracht, bijvoorbeeld in de vorm van amfibieschermen, zodat amfibieën en reptielen richting de faunapassages worden geleid.

D E L E I J A L S E C O LO G I S C H E V E R B I N D I N G S ZO N E ◼ Het beekdal bestaat uit (vochtig) bloemrijk grasland, struweel/bos en natuurvriendelijke oevers. ◼ Doelsoorten in de EVZ: bunzing, serpeling, bosbeekjuffer, watervleermuis, kamsalamder (zie visiedocument, De Nieuwe Leij Vallei binnen gemeente Tilburg). ◼ Aanvullende inrichtingsmaatregelen voor de droge soorten als hermelijn, wezel, kleine ijsvogelvlinder en ijsvogels leveren een extra plus op, maar vormen geen harde eis. ◼ De beek en oevers mogen niet aangelicht worden. ◼ Oevers lopen door onder de bruggen, incl. een droge faunapassage. Voor specificaties, zie het kopje ‘Bruggen’. ◼ Plaatselijk steil talud is toegestaan mits de oevers aan beide zijden van de Leij functioneel blijven voor de aanwezige soorten en doelsoorten. ◼ Verschillende zones in het beekdal moeten toegankelijk zijn voor beheer. ◼ Voorkeur voor één onderhoudspad van minimaal 5m aan de noord- en westzijde van de beek, zodat op de zuid- en oostoever beplanting (beekbosontwikkeling) kan groeien die mede voor de gewenste 40% beschaduwing gaat zorgen. Of één onderhoudspad volstaat moet worden aangetoond.

◼ Natuurvriendelijke oevers met flauw profiel (1:10) creëren nieuw micromilieu, plaatselijk steil talud voor oeverzaluw en ijsvogel; bij beperkte ruimte kan een terrastalud worden toegepast (vormt een plas-dras situatie), mits de oever in zijn geheel kan blijven functioneren voor de betreffende doelsoorten.

25

26

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

min. 100 m2 voorkom schaduwvorming

Nieu w e poel

1:5

min. 75 cm

max. 300 - 400 m

Po el en

3. UITGANGSPUNTEN

POELEN ◼ Een nieuwe poel moet worden toegevoegd in het gebied voorafgaand aan het dempen van de aanwezige poel. Eventueel kunnen extra poelen in het beekdal worden toegevoegd. ◼ Oppervlakte van minimaal 100 m2, jaarrond minimale diepte van 75 cm, langgerekte oever op de noordelijke kant (profiel 1:5). ◼ Poelen zijn onderdeel van het beekdal, maar liggen altijd geïsoleerd t.o.v. de waterloop. Dit ook ter voorkoming van een vissenpopulatie die een bedreiging vormt voor amfibieën (één van de doelsoorten). De poelen moeten zo min mogelijk overlopen met water uit de Nieuwe Leij. Ze moeten eens in de drie jaar droogvallen, zodat amfibieën meer kans hebben. In geval van hoogwater zal ook de poel vollopen met water uit de beek. ◼ Voor toekomstige poelen moet tevens uitgegaan worden van een geïsoleerde ligging t.o.v. mogelijk vervuild grondwater uit de voormalige stortlocatie. ◼ Situering idealiter in de buurt van struweel of bos, waarin de dieren beschutting kunnen zoeken, maar bomen mogen niet te dicht langs de poel staan, vanwege de schaduwvorming (voor amfibieën is een zonnige poel van belang i.v.m. de opwarming van de eieren). ◼ Voor de doelsoorten (waaronder de kamsalamander) is het van belang dat de verschillende poelen maximaal 300-400m van elkaar liggen, zodat het leefgebied wordt vergroot.

◼ Uitgangspunt bij aanleg poelen is dat wordt voldaan aan de milieutechnische eisen m.b.t. het in stand houden van de leeflaag op de voormalige vuilstort.

M i c ro m i l i eu s o eve r s

27

28

H + N + S · O N T W I K K E L L E I D R A A D z or g C A M P U S

Bron af bee l d i ng : V i si e d o c ume nt Ni e uwe L e ij

M ic ro meander ing d.m.v. sto b b en o f lang s ho ut

He r m ea n d er i n g

zo lang mogelijk regenwater vasthouden

realiseren van voldoende waterberging

Leij heeft een geisoleerde ligging

Water veiligheid

voorkom instroom vervuild grondwater

Wa t er re t e n t i e

3 . uitgangspunten

3.4 UITGANGSPUNTEN HYDROLOGIE In het algemeen kan gesteld worden dat de nieuwe ruimtelijke inrichting gericht moet zijn op duurzaam waterbeheer, waarbij rekening wordt gehouden met overstromingen en het tegengaan van verdroging. Onder andere door het reserveren van voldoende ruimte om water zo lang mogelijk vast te houden in het gebied. Uiteindelijk zal het water met een zo hoog mogelijke kwaliteit afgevoerd worden op de beek. Ruimte wordt zowel in/op de nieuwbouw gezocht als in de buitenruimte. Bij de verdere uitwerking is afstemming nodig met het waterschap, vanwege de samenhang van hydrologische en ecologische ambities met plannen op de zorgcampus en in de directe omgeving. Algemeen aandachtspunt is dat de ontwikkelingen op de zorgcampus geen wateroverlast in de toekomst mogen veroorzaken en dat ze moeten bijdragen aan de doelen van de beek vanuit de Kaderrichtlijn Water en vanuit de functie als ecologische verbindingszone. Hieronder worden de uitgangspunten voor de buitenruimte benoemd, waarbij we onderscheid maken tussen de beek en de omgang met regenwater.

DE LEIJ ◼ Borging watervoerende functie o.a. in relatie tot klimaatverandering (toenemende hoogwaterafvoer). ◼ Waar weinig ruimte is, zal de smallere Leij binnen het huidige profiel liggen, met een zomer- en winterbed van minimaal 12m. Deze minimummaat van 12m is nodig om de huidige afvoercapaciteit tijdens piekbuien te kunnen behouden. ◼ Zorgen dat de Leij kan doorstromen en niet wordt beperkt in de doorstroming.

◼ Waarborgen en zo mogelijk verbeteren waterkwaliteit in De Leij. Door eenzijdig de waterloop te beheren en te schonen kan aan de andere oever spontaan beekbos tot ontwikkeling komen, wat gunstig is voor de waterkwaliteit door de beschaduwing. Minimaal 40% van de beek dient beschaduwd te zijn. ◼ Randvoorwaarde: instroming van vervuild grondwater vanuit voormalige stortplaats moet voorkomen worden, bijv. bij aanpassing oostelijke oever van de beek en bij aanleg wadi’s op huidige zorgcampusterrein. ◼ Randvoorwaarde: verlaging grondwaterstanden als gevolg van de campusontwikkeling moet voorkomen worden en het huidige verval tussen voormalige stortplaats en oppervlaktewater beek moet behouden of verkleind worden. ◼ Voor toekomstige retentiebekkens moet uitgegaan worden van een geïsoleerde ligging t.o.v. mogelijk vervuild grondwater uit de voormalige stortlocatie.

O M G A N G M E T R E G E N W AT E R ◼ Zo lang mogelijk vasthouden regenwater op eigen terrein door het realiseren van voldoende waterberging. De waterbergingscapaciteit dient te voldoen aan de geldende regels. ◼ Een gewenste verbinding/overloopmogelijkheid tussen de Nieuwe Leij en de toekomstige wadizones moet i.s.m. het waterschap nader onderzocht worden bij verdere uitwerking. ◼ Regenwaterberging dient minimaal tegelijk met de aanleg van verhard oppervlak aangelegd te worden, maar bij voorkeur voorafgaand.

29

30

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

DEELGEBIEDEN

Vijf d eelgebieden: beekda l de l eij, w ad izo ne, entreezo ne, ho o fd o nts luiting en p a r keren & a a n s l u i t i n g o m g ev i n g

31

4. ONTWERPPRINCIPES In het vorige hoofdstuk zijn de uitgangspunten benoemd met betrekking tot stedenbouw en architectuur, landschap, ecologie en hydrologie. Dit hoofdstuk gaat over de ontwerpprincipes. De ontwerpprincipes doen uitspraak over de integrale ruimtelijke kwaliteiten en zijn deels geordend naar deelgebied en deels thematisch ingestoken. De uitgangspunten uit het vorige hoofdstuk zijn integraal in ontwerpprincipes verwerkt. We maken onderscheid in de volgende samenhangende deelgebieden; het beekdal, het entreegebied en de wadizone tussen de toekomstige gebouwen. De ontwerpprincipes aangaande ‘hoofdontsluiting en parkeren’ en ‘aansluiting omgeving’ zijn vervolgens wel thematisch opgenomen.

32

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Profiel beekloop

N

1:10

N

1: 10

Afw is selende oever s voor ver s c hillend e mic o ro klimaten

R eferen t i eb e el d en b eekd a l

4. ONTWERPPRINCIPES

4.1 BEEKDAL DE LEIJ Naast een watervoerende functie en ecologische verbindingszone vormt het beekdal ook een belangrijke landschappelijke structuur, die de verschillende gebieden in de omgeving aaneenrijgt. Dit vraagt een integraal landschappelijk ontwerp, waarin alle functies een plek krijgen. Niet alleen hydrologische en ecologische functies, maar bijvoorbeeld ook recreatieve gebruiksmogelijkheden en de rol als ‘healing environment’ voor de zorgcampus.

BEEKDAL ◼ Karakter: transparante uitstraling beekdal met afwisselend bloemrijk gras, opgaande beplanting/bomen groepsgewijs gesitueerd, natuurvriendelijke oevers en open water. ◼ De functionaliteit dient voorafgaand aan de plantoetsing en realisatie bebouwing getoetst en geborgd te zijn a.d.h.v. het inrichtingsplan. ◼ Verstoring door licht op het beekdal en op de oevers moet voorkomen worden. Verlichting van bruggen, wegen en gebouw wordt op zodanige manier vormgegeven dat er geen directe straling op water en oevers is. ◼ Onderhoud wordt uitgevoerd vanuit een aparte onderhoudsstrook. Het onderhoudspad zal geen onderdeel uitmaken van de natuurvriendelijke oevers. De oevers vormen juist het leefgebied van de planten- en diersoorten waarvoor de natuurzone is bedoeld. Ruimtereservering voor het onderhoudspad is daarom nodig vanaf de insteek van de oevers (buiten het ‘flauwe’ deel).

B E E K LO O P ◼ Incidentele omlegging beekloop ter hoogte van nieuwbouw. De beek mag niet door vuile grond lopen, indien aanwezig dan moet dit afgegraven worden en aangevuld met schone grond. ◼ Bevorderen stroomsnelheid door versmallen van het profiel, bijv. door toevoegen van dood hout in beekloop. Hierdoor worden ook aantrekkelijke micromilieus gecreëerd. Bij verdere uitwerking (o.a. hoe en waar) zal afstemming nodig zijn met het waterschap. De huidige afvoercapaciteit dient behouden te blijven. ◼ Afwisselend flauwe en steile oevers met verschillende oriëntatie op de zon. Doorlopende natuurvriendelijke oever, ook t.p.v. bruggen, aan de zuid- en oostzijde (A58) van de beek. ◼ Toekomstige bruggen overspannen de hele beekloop, incl. oeverzone en overstroombare delen, om een goede doorstroming te behouden en ecologische passage mogelijk te maken. Voor specificaties, zie het kopje ‘Bruggen’. ◼ Behoud continuïteit beekloop en voorkom fragmentatie, bijv. door (te veel) bruggen.

33

34

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Poelen pr incipe

R eferen t i eb e el d en p o el en

4. ONTWERPPRINCIPES

POELEN ◼ Inrichting poelen voldoet aan ecologische uitgangspunten, maar maakt tegelijkertijd integraal deel uit van het landschapsontwerp. Voor specificaties, zie het kopje ‘Poelen’ op pagina 27. ◼ De poelen zijn onderling verbonden t.b.v. doelsoorten die van de poelen gebruik maken. Ze kunnen over land van poel naar poel migreren door geleidende structuren als ruigtestroken, houtwallen, struweel of hagen en faunapassages onder wegen en bruggen. De poelen worden afgeschermd van de weg.

35

36

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

t us s en bebo uwi ng

wadi zone min. 15 meter

overgangs zo ne

diepte voor water overschot wadi zone

b ek ken

diepte voor water overschot wadi zone

Doors neden ‘landschappelijke laag tes ’

R eferen t i eb e el d en l a n d s c h a p p e l i j ke wa d i ’s

4. ONTWERPPRINCIPES

95

66

2

36 97

62

ijpa

68

60

an

ndla

rkw

eg

10 1

raa wst

67

10 3

69

t

70

64

37

10

71

5

66

72

39

99

alu Zw

65

Are

35

Le

60

31 33

58

29

raat

SCHOOL

ekst

SCHOOL

Sno

37

10

73

68

7

41

74

75

70

76

72

43

45

78

20

80

47

5

10 9

85

04

84

66/

82

01-

83

66/

77

81

49

11

79

1

11 3

86 11 5

88 7

99 11 11 11 12 12

94 94 33 12 12

00 10 10

98 98 55 12 12

44 10 10 77 12 12

22 10 10

88 10 10

66 10 10

44 11 11

126 126 129 129

128 128

132 132

44 12 12

88 11 11

164 164

158 158

134 134

138 138 136 136

170 170

168 168

22

142 142

172 172

166 166

t aa rstr aa iev Oo

140 140

130 130

22 12 12

00 12 12

162 162

160 160

20

sor fes Pro

van

an mla che Bu

144 144

148 148

f

4

150 150

146 146

Professor Stolteho

152 152

156 156

154 154

180 180

174 174

eg

176 176

178 178

arkw

17 17

9

Leijp

Pro fess or va nB uche mla an

LEIJ

1

eg

beek sew

Hilv aren

Om in de toekomst het regenwater zoveel mogelijk vast te houden op de zorgcampus, worden er twee zones met wadi’s geïntroduceerd. Net als bij het beekdal fungeren deze wadizones niet alleen als regenwaterbuffer, maar kan een stevige landschappelijke structuur worden gevormd in zowel het hart van de nieuwbouw als bij de entreezone. De wadizones vormen een aantrekkelijk en comfortabel gebied zowel voor de gebruikers van de zorgcampus als voor omwonenden. De wadizone te midden van de nieuwbouw volgt grofweg de ligging van de historische loop van De Leij en is daarmee een knipoog naar het verleden. Aan de oostzijde van de nieuwbouw en bij de entree heeft de wadizone bij voorkeur een overstromingsmogelijkheid op De Leij.

11

92 92

96 96

aat

tr Duifs

22 11 11

Vogelenzang

00 11 11

ng

66 11 11

4.2 WADIZONE

Vogelenza

38

15 15

g renbeeksewe Oude Hilva

4

90

SCHOOL

7/01-7/2

88 10

LEIJ

3

12

LEIJ

47 N.A.P

ZIEKENHUIS

48

H ET AB IS LIS HU T E EN SIN ZIEK

60-60/30

wadizone zorgcampus

SINT ELISABETH

wadizone voorterrein Dokter Bloemenlaan

Hilva renbe eksewe g

9

8-10

15

M.

GE RG

BU

TIL

50

◼ Karakter: parkachtige uitstraling met glooiende hoogteverschillen en geleidelijke overgangen tussen smalle en brede delen met inzet op ecologische kwaliteiten. De wadizone moet een aantrekkelijk beeld opleveren, zowel op de momenten dat de wadi’s vol met water staan, maar ook in tijden van droogte. ◼ Ook op het smalste deel tussen de gebouwen wordt zoveel mogelijk een parkachtige uitstraling nagestreefd, strakke greppels moeten worden voorkomen. De padenstructuur loopt door aan tenminste één zijde van de wadi. ◼ De wadizone draagt bij aan een aangenaam klimaat in het gebied, gaat verdroging tegen en geeft natuurlijke verkoeling. ◼ Afmetingen wadi’s: benodigde capaciteit moet in later stadium onderzocht worden. ◼ Beplanting: parkachtige uitstraling met inheemse boom- en heestergroepen in (afwisselend bloemrijk en gemaaid) gras ter versterking van biodiversiteit. ◼ Padenstructuur: nodigen zowel patiënt, bezoeker en personeel uit om een rondje te lopen over de campus, met in ieder geval één duidelijke hoofdroute die altijd toegankelijk is en waar zitplekken aan gekoppeld zijn. Aan de noordzijde is een directe verbinding met het Leijpark gewenst. ◼ Ruimte voor gebruiks- en verblijfsmogelijkheden, zoals steigertjes en natuurlijke speelvoorzieningen/spelaanleidingen. ◼ In de wadizone te midden van de nieuwbouw vindt geen parkeren plaats.

11

60

eg

Leijw

Leijweg

LEIJ LEIJ

Rijksweg 58

S i t uer i n g wa d i zo n e

Rijksweg 58

38

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

door op te hogen creëren we ruimte om hoogteverschillen te maken en bomen aan te planten, en tegelijkertijd de bestaande leeflaag in stand te houden.

bewortelings-

huidige leeflaag

diepte

extra aan te brengen grond

afgraven/ophogen

huidige (vervuilde) ondergrond

Hoofd pr incipe reliëf en bepl anting

Doors nede over ent reezone

R eferen t i eb eel d p a d en s t r u c t uu r

4. ONTWERPPRINCIPES

4.3 ENTREEZONE De entreezone is het visitekaartje van de zorgcampus. Naast functies voor de zorgcampus is in dit gebied ruimte voor (moeras)natuur en waterberging, afgewisseld met hoger gelegen ‘eilanden’ die bereikbaar zijn via bruggen en dammen. Het is een samenhangend ensemble van bebouwing en landschap met een uitnodigend karakter.

39

◼ Aanleg maaiveld entreezone baseren op ophogen in plaats van afgraven i.v.m. vervuilde ondergrond. Ophoogstrategie biedt mogelijkheid voor o.a. aanplanten bomen en realiseren poelen en wadi’s binnen de (milieu)regelgeving die hiervoor geldt. ◼ Er dient een leeflaag aangebracht te worden ter plaatse van nieuwe watergangen en aanleg van groen.

Niet alleen het beekdal maakt deel uit van de entreezone, het waterrijke karakter wordt versterkt door de aanleg van een wadizone aan de meest oostelijke zijde van het terrein. De delen tussen beekdal en wadizone vormen de ‘eilanden’ waar ruimte is voor andere functies, zoals maaiveldparkeren. Deze functies worden op een landschappelijke manier ingepast in het entreegebied.

EVZ

wadizone

Vanaf het moment dat de entreezone betreden wordt is er een monumentaal zicht op het ziekenhuis, waarbij het gebouw zich op een contrastrijke manier manifesteert in de natuurlijke en parkachtige omgeving. De parkeervoorzieningen zijn zodanig gesitueerd, dat het zicht op de entree van het ziekenhuis gewaarborgd blijft wat de orientatie en vindbaarheid ten goede komt. De hoofdontsluiting passeert een wadizone, eilanden en beekdal met poelen en eindigt op het entreeplein, waarmee een geleidelijke overgang ontstaat van een natuurlijk en parkachtig karakter naar een meer stedelijke uitstraling. De bestaande grondwal, die nu geïsoleerd aan de zuidzijde van het plangebied ligt, moet integraal onderdeel gaan uitmaken van het toekomstige ontwerp.

SEH plein

landschappelijk ingepast maaiveldparkeren entree plein

LANDSCHAP 8-10

◼ Karakter: natuurlijke uitstraling t.h.v. beekdal met poelen en wadizone, parkachtige uitstraling op de eilanden met boom- en heestergroepen in (afwisselend bloemrijk en gemaaid) gras. ◼ Padenstructuur (indien passend binnen het Visiedocument De Nieuwe Leij Vallei gemeente Tilburg, 2023) aantakken op het Leijpark en de Leyhoeve. Grondwal betrekken in padenstructuur.

beekdal met poelen

S i t uer i n g en t reezo n e

gelaagd parkeren

40

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Doors nede ver zonken maa iveld p ar keren

Doors nede ‘ba st ion aa n de beek’

Verd i ep t p a r kere n p r i n c i p e

4. ONTWERPPRINCIPES

41

landschappelijk ingepast maaiveldparkeren

8-10

S i t uer i n g m a a i vel d p a r keren e n t reezo n e

R eferen t i eb e el d c o n t ra s t g eb o u w en b e ek

42

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

Gron d wal pr incipe

R eferen t i eb e el d en i n t eg ra t i e g ro n d wa l

4. ONTWERPPRINCIPES

43

I N PA S S I N G M A A I V E L D PA R K E R E N ◼ Maaiveldparkeren wordt zo landschappelijk mogelijk ingepast, bijv. door verhoogde walletjes en parkachtige bomen rondom en op het parkeerterrein. Hierdoor worden de auto’s gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Deze walletjes kunnen worden opgenomen in het glooiende maaiveldontwerp. ◼ Regenwaterinfiltratie zoveel mogelijk bevorderen, bijv. door infiltratiegreppels of (deels) halfverharding.

ENTREEPLEIN ◼ Het entreeplein ligt aan de ‘overkant’ van de beek en maakt deel uit van het ensemble van gebouwen door de (keer)muur die het hoogteverschil met het water overbrugt. Daarmee wordt een bastion aan het water gevormd. ◼ Het bastion vormt een contrast met het natuurlijke karakter van het beekdal (bij bebouwing van de oever dient een goed functionerende faunapassage opgenomen te worden, afgestemd op de aanwezige soorten en vastgestelde doelsoorten, zie kopje ‘De Leij als EVZ’. ◼ Entree en plein zijn goed zichtbaar vanaf de ontsluitingsweg, maar mogen geen verstorend effect hebben op de beek en oeverzones om de werking van de ecologische verbindingszone te waarborgen. ◼ Karakter: het plein heeft een uitnodigende en vriendelijke uitstraling met ruimte voor voetgangers en een bescheiden afzetmogelijkheid. Het stimuleert comfort en gemak voor de bezoeker, loopafstanden worden zo beperkt mogelijk gehouden.

A M B I T I E I N T E G R AT I E G R O N D W A L

◼ Integratie bestaande grondwal met entreezone door een meer geleidelijke en landschappelij overgang, streven naar één ruimtelijk geheel. Evt. i.c.m. gebouwde parkeervoorziening. ◼ Beplantingsstructuur op grondwal en overig maaiveld in samenhang ontwerpen. De leeflaag biedt de mogelijkheid voor aanplant van bomen en struiken. ◼ Grondwal opnemen in wandelpadenstructuur, zodat de grondwal ook extensief recreatief gebruikt kan worden. Er zou ook evt. een trap met uitzichtpunt toegevoegd kunnen worden dit alles past binnen de regels van de Omgevingsdienst (OMWB).

44

H+N+S · ONTWIKKELLEIDRAAD zORgCAMPUS

n e v r i j va wa d i zo n e re n park





T h em aka ar t ont sluit ing en p ar keren

R eferen t i eb e el d l a n d s c h a p p el i j k i n g ep a s t m aa i vel d p a r kere n

4. ONTWERPPRINCIPES

4 . 4 H O O F D O N T S L U I T I N G E N PA R K E R E N De hoofdontsluiting van het ziekenhuis vindt plaats vanaf de Dokter Bloemenlaan. Eenmaal op het terrein splitst de ontsluiting zich in drieën: de toegang tot de SEH naar het noorden, de toegang tot het entreeplein om mensen af te zetten en de zuidelijke aftakking naar de parkeergarage voor bezoekers en naar de uitgang met een aansluiting via een rotonde op de Hilvarenbeekseweg. De parkeervoorzieningen voor de medewerkers worden zoveel mogelijk via de westzijde georganiseerd. Hiermee wordt de weginfrastructuur zo efficiënt, compact en onnadrukkelijk mogelijk gehouden. De zorgcampus is goed bereikbaar voor langzaamverkeer. De verkeersstromen worden zo georganiseerd dat langzaam- en snelverkeer elkaar niet hoeven te kruisen. ◼ Streven naar een minimale wegbreedte i.v.m. minimaliseren verharding en om foutparkeren tegen te gaan. ◼ Maaiveldparkeren dient op een landschappelijke manier te worden ingepast met zoveel mogelijk capaciteit voor regenwaterinfiltratie. Denk hierbij aan greppels waarin water opgevangen kan worden en waterdoorlatende verharding. ◼ De parkeerplaatsen liggen ruimtelijk los van de bebouwing en worden als losse velden of ‘eilanden’ in het landschap gesitueerd. ◼ Er is een duidelijk zicht op de entree van het ziekenhuis vanaf de parkeervoorzieningen.

◼ Aangename, comfortabele en sociaal veilige paden, die voldoen aan de richtlijnen m.b.t. toegankelijkheid voor mindervaliden, verbinden de parkeervoorzieningen met de entree. De afstand is overzichtelijk, de bezoekers moeten gemakkelijk hun weg kunnen vinden en zich goed kunnen oriënteren. Bij de inrichting dient rekening gehouden te worden met de benoemde doelsoorten (bijvoorbeeld uitstraling van licht i.v.m. vleermuizen). ◼ De zorgcampus is goed bereikbaar met het openbaar vervoer (gedurende de fasering vanaf de huidige bushalte aan de Professor van Buchemlaan, in de toekomst via de Dr. Bloemenlaan). ◼ De zorgcampus is goed bereikbaar met de fiets (gedurende de fasering via het huidige fietspad, in de toekomst via de nieuw aan te leggen fietsverbinding).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16916687/2