CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Omgevingsvisie Deel A digitale opgemaakte versie

Raadsvergadering 2 februari 2026, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsvisie deel A33.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Op ruimte voor parkeren van auto’s kan ruimtewinst behaald worden. In elk geval bij nieuwbouw, waar gebouwd parkeren de norm wordt. Zeer geleidelijk is dit ook mogelijk voor het bestaand areaal op straat, als dit kan verschuiven naar gebouwde voorzieningen. Ook kan meer dubbelgebruik voor bewoners, bezoekers en werkers kwaliteitswinst opleveren in de (openbare) ruimte. In gebiedsontwikkelingen integreren we de ruimtevraag voor de transities met andere ruimteclaims, zoals die voor nieuwe woningen, meer groen en natuur, en nieuwe bedrijfshuisvesting. Door verweving en meervoudig ruimtegebruik benutten we dezelfde vierkante meters voor verschillende functies tegelijk. We maken daarbij ook gebruik van de ruimte onder de grond en op daken. Dat maakt het des te belangrijker om scherp en integraal te sturen op de (her) inrichting van de fysieke ruimte die we hebben, zodat we op het passende schaalniveau steeds aan de voorkant een gedegen afweging kunnen maken van de verschillende ruimteclaims. INFRASTRUCTUUR VOOR DUURZAME ENERGIE De energievoorzieningen zullen in het noorden van de gemeente hun grootste stempel drukken.

Daar wordt nu al de meeste zonne- en windenergie (energiehub De Spinder) opgewekt en wordt forse uitbreiding van windcapaciteit voorzien (Spinder-Groot), daar komt het warmtenet vanuit de Amercentrale de stad binnen en daar loopt het tracé van de toekomstige nationale waterstofleiding (de DeltaRhine Corridor). Maar ook elders zullen regionale energiehubs worden gerealiseerd, zoals in De Baars aan de zuidoostzijde van de stad.

25

Verzwaring van het elektriciteitsnet De vraag naar elektriciteit is in 2050 minimaal verdubbeld door elektrificatie van bedrijfsprocessen, het gebruik van warmtepompen en elektrisch rijden. Om op termijn niet meer afhankelijk te zijn van fossiele bronnen en biomassa, wordt de lokale elektriciteitsproductie met wind en zon in Tilburg in diezelfde periode fors groter. Om in de vraag te kunnen voorzien, benutten we daken voor zonne-energie en combineren we wind- en zonne-energie op De Spinder en omgeving en De Baars. Hiermee kan de elektriciteitsproductie verviervoudigen. De lokaal opgewekte elektriciteit wordt zo dicht mogelijk bij de bron verbruikt om netcongestie te voorkomen. Het elektriciteitsnet wordt aanzienlijk verzwaard met dikkere kabels, uitbreiding van trafostations en honderden nieuwe trafohuisjes – bij voorkeur inpandig en als dat niet mogelijk is in de openbare ruimte. Ook wordt er ingezet op voldoende laadinfrastructuur voor elektrische mobiliteit op bedrijventerreinen, langs hoofdverkeersstructuren en in woonwijken. Voor het opvangen van pieken en dalen in vraag en aanbod worden mogelijk batterijopslagen gerealiseerd. Er zijn zowel kleinschalige oplossingen bij woningen en bedrijven denkbaar, als grootschalige bij trafostations en mogelijk ook op energiehubs zoals De Spinder en De Baars).

Grootschalige uitbreiding van warmtenetten Collectieve warmtesystemen gaan voorzien in een toenemend deel van de verwarmingsbehoefte van de stad. In 2050 is driekwart van de gebouwde omgeving en de helft van de bedrijventerreinen op een collectief warmtenet aangesloten. Op dit moment zijn vrijwel alle woningen in de Reeshof aangesloten op het bestaande regionale warmtenet. Dit net heeft verschillende aftakkingen met aansluitingen in Tilburg-Noord en -West en op bedrijventerreinen zoals Vossenberg en Kraaiven. Dit warmtenet wordt uitgebreid met nieuwe aansluitingen én nieuwe bronnen. Uitbreiding ligt het meest voor de hand in wijken waar het regionale net al aanwezig is. Nu wordt nog gebruik gemaakt van warmte uit de stook van biomassa in de Amercentrale, maar dat zal naar verwachting vanaf 2027 niet meer het geval zijn. Het Amernet schakelt in fases over naar volledig duurzame bronnen, zoals geothermie en e-boilers op duurzame elektriciteit. Kansrijke bronnen voor warmtenetten binnen de gemeente zijn vooral geothermie, aquathermie en restwarmte. Voor geothermie ligt een potentiële bron nabij Moerenburg. Daarnaast is de benutting van restwarmte van de RWZI een interessante optie. Voor aquathermie biedt het Wilhelminakanaal goede kansen. Naast de uitbreiding en verduurzaming van het bestaand warmtenet (Amernet)

ZONNEPANELEN OP HET DAK VAN SPORTCOMPLEX DRIEBURCHT

zijn we intussen gestart met een eigen warmtebedrijf voor Tilburg-Zuid en de grootschalige nieuwbouw in Tilburg-West. Ook deze netten zullen geleidelijk uitbreiden.

TRAFOHUISJE INGEPAST

Nieuwbouw en verduurzaming vormen een logische startmotor voor nieuwe lokale warmtenetten van de vijfde generatie. Op zo’n net kunnen aangesloten gebouwen zowel warmte ontvangen als terugleveren en wordt de energie lokaal uitgewisseld. Het biedt naast warmte ook koeling, en werkt met lagere temperaturen, waardoor het energiezuiniger is en beter aansluit bij goed geïsoleerde gebouwen. In en rond de herontwikkeling van Stappegoor wordt een warmtecluster van de vijfde generatie ontwikkeld met een uitbreiding naar de bedrijventerreinen Katsbogten en Het Laar en de buurten in Tilburg-Zuid buiten de ringbaan. Dit warmtenet wordt gevoed door lokale bronnen (aquathermie, warmte-koude opslag en restwarmte van onder andere de ijsbaan). Ook het Kenniskwartier biedt goede kansen voor een vijfde generatie-warmtenet. Binnen de ringbanen zien we ook mogelijkheden voor warmtenetten. De drukte in de ondergrond is hier een beperkende factor, waardoor het mogelijk een combinatie wordt met individuele oplossingen. In Udenhout, Berkel-Enschot, Biezenmortel en De Blaak ligt de bebouwingsdichtheid lager dan in de meer stedelijke gebieden van Tilburg. Daarom liggen grootschalige collectieve warmtenetten hier niet voor de hand. In deze gebieden zijn individuele oplossingen kansrijk en zetten we in op een forse stimulering van individuele elektrische warmtepompen.

Omdat in deze gebieden energiecoöperaties actief zijn kunnen ook kleinschalige collectieve oplossingen, zoals buurtwarmte, een rol spelen. Uiteindelijke keuzes voor warmteoplossingen zullen gebiedsgericht gemaakt worden in het Warmteprogramma. Inzet op waterstof voor industrie en zwaar transport Waterstof gaat een rol spelen in de verduurzaming van de industrie en zwaar transport. Voor de verduurzaming van industrie is waterstof nodig voor hoge temperatuurprocessen. Deze zijn vaak moeilijk te elektrificeren (zie ook paragraaf ‘Vestigingscondities vanuit energie en water’ verderop in dit hoofdstuk). De verduurzaming van mobiliteit zal hoofdzakelijk elektrisch zijn, maar waterstof biedt kansen voor zwaar transport. Waterstof heeft een hoge energiedichtheid en er kan relatief snel getankt worden. Waterstoftankstations zijn voorstelbaar aan de buitenring of op bedrijventerreinen, in combinatie met elektrische laadinfrastructuur. We hebben een eerste waterstoftankstation in onderzoek langs de Burgemeester Bechtweg. Ook voor de binnenvaart biedt elektriciteit en waterstof kansen. Er varen al hybride schepen en de eerste initiatieven voor door waterstof aangedreven schepen zijn al in ontwikkeling. De ontwikkeling van decentrale energiesystemen Het energiesysteem van de toekomst is steeds meer decentraal.

Opwek en opslag van energie vinden plaats dicht bij de gebruiker, waardoor transportafstanden korter worden en het net minder belast wordt. Nieuwbouwprojecten worden zoveel mogelijk netneutraal ontwikkeld om het elektriciteitsnet zo min mogelijk te belasten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de energiepotentie in het gebied. Dit

26

vraagt lokaal om meer ruimte, omdat naast infrastructuur ook opwek en opslag moeten worden ingepast. Meervoudig ruimtegebruik is hierbij het uitgangspunt. WATER EN BODEM STUREND In lijn met het nationale, provinciale en regionale beleid maken we water en bodem sturend in de inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat het natuurlijke systeem van water en bodem voortaan leidend is bij ruimtelijke keuzes. We ontwerpen niet langer tegen de natuurlijke systemen in, maar nemen ze juist als basis voor inrichting en gebruik van de ruimte. Door water en bodem sturend te maken, perken we overlast in en gaan we verdroging tegen. Een concreet voorbeeld van ‘water en bodem sturend’ is dat we in principe niet meer bouwen in beekdalen, ook niet in de stad. Beekdalen zijn van nature lage plekken waar water stroomt en zich verzamelt. Ze zijn daarom weinig geschikt voor bebouwing. Bouwen op lage plekken kan leiden tot wateroverlast. Beekdalen zijn vaak ecologisch waardevolle zones met rijke flora en fauna waar bebouwing een negatieve impact op kan hebben. Door de beekdalen vrij te houden van stedelijke ontwikkeling houden we op deze plekken ruimte voor het water. Een ander voorbeeld van water en bodem sturend is dat we agrarisch gebruik samen met boeren, de waterschappen en andere betrokkenen afstemmen op de verschillende waterstanden en bodemgesteldheid.

De watersignaleringskaart is daarbij een belangrijk hulpmiddel. We grijpen historische waterstructuren, zoals oude waterlopen en beekdalen, aan om water zichtbaar terug te brengen in de stad en dorpen. Zichtbaar water draagt bij aan de belevingskwaliteit van de leefomgeving, vergroot het bewustzijn van klimaatverandering en vormt een robuuste en toekomstbestendige oplossing binnen het stedelijk waterbeheer.

Schonere bodem en schoner water Onder water en bodem sturend valt ook de verbetering van de kwaliteit van de bodem en het water. Een betere bodemkwaliteit heeft verschillende aspecten. We blijven inzetten op het doelmatig saneren van de bodem waar deze verontreinigd is. Daarnaast ontharden we op plekken waar dat mogelijk en wenselijk is (zie ook de paragraaf over de Oude Stad in dit hoofdstuk), beheren we zo bodemvriendelijk mogelijk, en stimuleren we de aanleg van groene daken en gevels. Dit levert een bijdrage aan de verbetering van de ecologische basiskwaliteit van het landschap. Met het herstel van een solide groenblauwe dooradering kunnen we het bestaande landschap behouden en versterken. Bij civieltechnische ingrepen letten we erop dat de bodemsamenstelling zoveel mogelijk onveranderd blijft. Bij nieuwbouwprojecten is het voor de kwaliteit van de bodem, het bodemleven en de bovengrondse biodiversiteit belangrijk dat er grond van hier (en niet van elders) wordt gebruikt.

WADI IN DE REESHOF

Het verbeteren van de waterkwaliteit is een complexe en grote opgave die door verschillende partijen moet worden opgepakt. Ook de gemeente heeft hier een rol in. Het is echter al duidelijk dat we de deadline van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2027, net als in de rest van Nederland, niet gaan halen. Met de KRWimpuls wordt in Brabant een extra inspanning op de waterkwaliteit geleverd. Daar sluiten we bij aan.

manier dat de landschappelijke kwaliteit erop vooruitgaat en de verschillende stadsregionale parken hun identiteit behouden. Hemelwater dat uit de stad wordt afgevoerd, kan een welkome aanvulling zijn op het grondwater, zodra dat in droge periodes zo laag wordt dat verdroging van de natuur dreigt.

Water vasthouden en afvoeren Het groenblauwe netwerk moet toenemende weersextremen kunnen opvangen. De laatste jaren gold er iedere zomer in grote delen van Noord-Brabant een sproeiverbod en in najaar en winter stonden kelders en kruipruimtes onder water na overmatige regenval. Maar als we water in natte periodes te snel afvoeren, ontstaat er een tekort in periodes met aanhoudende droogte. Met name natuur en stedelijk groen zijn afhankelijk van een voldoende hoog grondwaterpeil. Risico’s op wateroverlast en verdroging liggen dus dicht bij elkaar. Daarom is met de voortgaande klimaatverandering en een verdichtende stad een volgende stap in het toekomstbestendig maken van het stedelijk water- en groensysteem noodzakelijk.

Daarnaast maken we ruimte in stedelijk gebied om schade en overlast bij piekbuien te voorkomen. De blauwe aders alleen zijn daarvoor niet voldoende; bij piekbuien is de belasting te hoog en de afstand tot de waterparken te groot. Daarom vragen we van ontwikkelaars en corporaties om bij nieuwbouwprojecten een minimale hoeveelheid hemelwater op de kavel vast te houden. In de openbare ruimte leggen we ondiepe kuilen en greppels (zogenoemde wadi’s) en verlaagde plantvakken aan om hemelwater op te vangen en in de bodem te laten zakken. We benutten de kansen die zich voordoen bij stedelijke ontwikkelingen (zoals de herinrichting van openbare ruimten) en andere opgaven (zoals het tegengaan van verdroging) om nieuwe waterbergingen te maken. Waterbergingen laten zich landschappelijk goed inpassen. Ze dragen bij aan de ecologische waarde en omgevingskwaliteit. In sommige gevallen zijn technische infiltratievoorzieningen onder de verharding nodig.

In eerste instantie kijken we hoe we water zoveel mogelijk kunnen vasthouden. Vasthouden van het hemelwater waar het valt is de meest effectieve manier om periodes van droogte te kunnen overbruggen. Dat kan verbeterd worden door de sponswerking (wateropname) van de bodem te herstellen, ruimte te maken voor (oppervlakkige) infiltratievoorzieningen en te zorgen voor een robuust grondwatersysteem. In tweede instantie voeren we overtollig water af. We blijven werken aan een systeem van ‘blauwe aders’: buizen met een grote diameter die overtollig hemelwater in de stad opvangen en langzaam afvoeren naar waterparken in Pauwels, Moerenburg, het Leijpark en de singels van De Blaak. Een aantal van die aders is al aangelegd. De waterparken realiseren we op zo’n

VERVOER VAN GEVAARLIJKE STOFFEN OVER HET SPOOR

27

Nog niet overal in het stedelijk gebied hebben we een gescheiden rioolstelsel. De komende jaren completeren we geleidelijk het stelsel van gescheiden riolering (riool- en hemelwater gescheiden), zodat we vanuit meer gebieden in de stad schoon hemelwater kunnen benutten voor de natuur en landbouw en we vuil water kunnen afvoeren en zuiveren.

Voor het beter en vaker vasthouden van hemelwater op de plek waar het valt is een collectieve aanpak en integratie van wateropvang in de openbare ruimte nodig. Zo benutten we water niet alleen functioneel, maar ook als kans voor een groene, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. We werken de komende periode aan gebiedsgerichte Wijkwaterplannen waarin stedelijk waterbeheer in samenhang met andere functies wordt uitgewerkt. Oplossingen variëren van perceelsniveau tot buurt- of wijkniveau, afhankelijk van onder andere de opgave, urgentie en beschikbare ruimte. Drinkwatervoorziening in balans met stedelijke ontwikkeling Brabant Water zorgt voor de drinkwatervoorziening in Tilburg. De hoeveelheid schoon drinkwater is niet onbeperkt. Brabant Water is daarom op zoek naar alternatieve bronnen voor drinkwater. Als gemeente hebben we hier ook een taak. We vullen de grondwatervoorraad zoveel mogelijk aan door hemelwater te laten infiltreren. Daarnaast zijn we zuinig op het drinkwater. We gaan over tot een actieve inzet op waterbesparing en circulair watergebruik op zowel gebiedsniveau als op het niveau van gebouwen, zowel in de woonomgeving als op werklocaties. We stimuleren bijvoorbeeld gebruik van regenwater of douchewater voor toiletdoorspoeling. Zo beperken we het laagwaardig gebruik van drinkwater en dragen we bij aan drinkwaterbesparing.

VERBETERDE OMGEVINGSKWALITEIT DOOR DE MOBILITEITSTRANSITIE De mobiliteitstransitie is noodzakelijk voor de verdichtingsopgave. Het principe van ‘nabijheid en korte lijnen’ brengt meer bestemmingen binnen fiets- en wandelbereik en investeringen in de mobiliteitstransitie scheppen nieuwe mogelijkheden voor binnenstedelijk bouwen. Ze vergroten zo de aantrekkelijkheid en de leefbaarheid van het woonmilieu. Andersom zijn investeringen in mobiliteitsknooppunten, deelvervoer en openbaarvervoerslijnen eerder haalbaar naarmate het reizigersaanbod in de directe omgeving groter is. Investeringen in de verkeersinfrastructuur die we doen of bepleiten, vergroten de kwaliteit van de leefomgeving en het verdichtingspotentieel in woonwijken. Zo versterken de mobiliteitstransitie en de stedelijke ontwikkeling elkaar. Voor het goederenvervoer investeren we in een multimodale infrastructuur, om congestie op de weg te voorkomen en duurzaam transport (bijvoorbeeld over het Wilhelminakanaal) te bevorderen. We willen het vervoer van gevaarlijke stoffen over het bestaande spoor zoveel mogelijk beperken, om de leefbaarheid en de ontwikkelkansen in stedelijk gebied te vergroten. De koers die we voor het goederenvervoer van en naar bedrijventerreinen inslaan, is beschreven in de paragraaf ‘Koppelkansen voor transities op bedrijventerreinen’.

Dit biedt kansen voor een kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte, maar ook serieuze uitdagingen ten aanzien van verkeersontwerp, stallen en verkeersveiligheid. Lopen wordt een essentiële mobiliteitsvorm in de wijk Lopen is op korte afstanden een belangrijke en ruimte-efficiënte vorm van verplaatsen. Aantrekkelijke looproutes maken deel uit van de nieuwe benadering voor de openbare ruimte die we willen opstellen (hoofdstuk 3). Ze dragen niet alleen bij aan de mobiliteitstransitie, maar ook aan een groene en gezonde leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten. Met het sturen op nabijheid van voorzieningen en werk, groeit het aandeel van het lopen in de mobiliteit. Kwaliteitssprong in het openbaar vervoer De compacte, middelgrote stad die Tilburg in 2050 is, biedt nieuwe kansen voor het openbaar vervoer. Er ontstaat draagvlak voor vier of vijf hoogwaardige metrobuslijnen (Bus Rapid Transit, BRT). Samen vormen ze een snel en direct busnetwerk met metrokwaliteit, dat de belangrijkste bestemmingen in de stad en regio hoogfrequent en met korte reistijd zal verbinden. Het aantal reizigers kan daarmee vijf tot zes keer zo groot worden als nu. Dit vraagt op de hoofdroutes om (grotendeels) vrije busbanen met prioriteit voor de bus op kruispunten.

FIETSEN IN DE BINNENSTAD

De fiets wordt de belangrijkste drager van mobiliteit in de stad Bij binnenstedelijke verplaatsingen is de fiets de meest gebruikte vorm van vervoer. De groei van de stad, in combinatie met de verdere opmars van de elektrische fiets en van fietsachtigen (zoals bakfietsen, fatbikes, steps en andere light electric vehicles), zal in de periode tot 2050 leiden tot twee à drie keer zoveel fietsbewegingen. We zetten daarom in op een forse versterking van de hoofdfietsinfrastructuur. Op bredere fietspaden, meer fietscomfort en meer ongelijkvloerse kruisingen. We onderscheiden twee categorieën fietsroutes. De primaire categorie is het Hoofdnet Fiets. Dit bestaat uit hoogwaardige, brede fietsroutes die continue kwaliteit bieden over langere afstanden (snelfietsroutes, doorfietsroutes, regionale routes) en die in de stad de capaciteit hebben om ook de grote fietsstromen veilig en comfortabel te kunnen afwikkelen. We brengen het Hoofdnet Fiets op orde door te voldoen aan de benodigde fietspadbreedtes, de stopkans te minimaliseren en gladde verharding toe te passen. We realiseren het Hoofdnet Fiets actief, zodat in 2050 alle wijken en dorpen hoogwaardig zijn verbonden met elkaar en met de regio, en de fiets de fijnste manier van verplaatsen is op korte en middellange afstanden. De tweede categorie is het onderliggende fietsnetwerk van de stadsroutes.

Via een fijnmazig netwerk van stadsroutes verbinden we buurten met elkaar en met het Hoofdnet Fiets. De fiets kent dus zowel een kwantitatieve opgave (meer fietsers) als een kwalitatieve opgave (meer soorten fietsen met verschillende snelheden en verschijningsvormen).

We starten met een net van twee kruisende lange en directe HOV routes, één Noordzuid en één Oost-west. Het netwerk kan uiteindelijke doorgroeien tot een lijn van het centrum(Station), via universiteit en west naar Reeshof, en één van Noord via centrum naar Zuid (ETZ en Stappegoor). Dit stedelijke HOV-netwerk wordt geïntegreerd in het regionale BRT-systeem dat snelle, frequente busverbindingen biedt naar Waalwijk ‘s-Hertogenbosch, Dongen-Oosterhout, Goirle en (Brainport) Eindhoven. Het BRT verbindt de stations Tilburg en Tilburg Universiteit met omliggende gemeenten en speelt een cruciale rol in het accommoderen van de vervoersvraag in de Stedelijke Regio Breda-Tilburg. De spoorlijn zelf kan beter worden benut door viersporigheid, een frequentere treindienst (zowel sprinters als intercity’s op het traject Breda-Tilburg), een vernieuwd station Tilburg Universiteit, een nieuw station bij Udenhout en minder vervoer van gevaarlijke stoffen over dit spoortracé. Nieuwe binnenring voor het wegverkeer Om ruimte te bieden aan verstedelijking in de stad, herverdelen we het verkeer over wegen die daar het meest geschikt voor zijn. We transformeren de ringbanenstructuur tot een nieuwe binnenring, die vooral bedoeld is voor verkeer met een herkomst of bestemming in de stad.

Ringbaan West blijft een belangrijke route voor autoverkeer, maar de nadruk verschuift naar de Baroniebaan en de Baron van Voorst tot Voorstweg als logische alternatieven binnen de bestaande wegenstructuur. Voor veel doorgaand verkeer – dat geen bestemming in de stad heeft – blijft de buitenring (de Burgemeester Letschertweg en de Burgemeester Bechtweg) de voorkeursroute. Door het verkeer te geleiden via wegen die hiervoor zijn ingericht, benutten we de beschikbare wegcapaciteit efficiënt. Tegelijkertijd ontstaat er ruimte voor hoogwaardig openbaar vervoer en andere vormen van duurzame mobiliteit. Zo zorgen we ervoor dat alle bestemmingen in de stad goed bereikbaar blijven: te voet, met de fiets, met het openbaar vervoer en met de auto.

AI EN MOBILITEIT De mobiliteitstransitie gaat niet alleen over fysieke infrastructuur – wegen, fietspaden, busbanen of parkeerhubs – maar ook over digitale vernieuwing. Mobiliteit is soms een proeftuin voor technologie: van de eerste navigatiesystemen tot deelapps, van zero-emissievervoer tot datagedreven logistiek. Auto’s beginnen steeds meer te lijken op computers, en digitalisering bepaalt voor een belangrijk deel de koers van transport en logistiek. AI vormt de volgende grote stap. In de Mobiliteitsaanpak Tilburg 2040 werd een verbreding van mobiliteitsmaatregelen geïntroduceerd door vier invalshoeken voor mobiliteit: • Hardware: de fysieke infrastructuur • Software: bewegende voertuigen en big data, sensoren en intelligente systemen (smart mobility) • Mindware: het gedrag van mensen en de manier waarop we reizen • Orgware: samenwerking en de wijze van organisatie, zoals spitsmijden of deelconcepten Met de komst van generatieve AI overstijgen we deze lagen. AI gaat niet alleen over slimmer gebruik van data, maar juist over het verbinden van de verschillende ‘wares’. AI maakt het mogelijk om mobiliteit fundamenteel anders te organiseren. Waar smart mobility vooral leidt tot systeemoptimalisatie, opent AI de weg naar systeemtransformatie.

Denk aan zelfrijdende én zelfboekende voertuigen, compact qua maat en dus makkelijk inpasbaar, of parkeergarages die transformeren tot hubs voor autonome deelmobiliteit of zelfs werkplekken. AI kan fundamentele veranderingen inluiden in hoe onze stad en dorpen zijn georganiseerd. (Virtuele) connectiviteit wordt daarmee, naast bereikbaarheid en nabijheid, mogelijk een essentieel onderdeel van mobiliteit.

28

knooppunten in het mobiliteitssysteem worden de parkeervoorzieningen geïntegreerd in mobiliteitshubs. Dat zijn plekken waar reizigers gemakkelijk kunnen overstappen van de ene vervoerssoort op de andere. Ze zijn aangehaakt op loop-, fiets-, OV- en autonetwerken in de stad en bieden verschillende mobiliteitsdiensten zoals deelmobiliteit en fietsparkeren. De ontwikkeling van mobiliteitshubs in combinatie met stedelijke verdichting vergroot niet alleen de vervoerswaarde van openbaar vervoer, maar maakt ook nieuwbouw, vooral de parkeeroplossingen daarbij, betaalbaarder en ruimte-efficiënter. Mobiliteitstransitie in de Oostflank Concepten als mobiliteitshubs, een fietszone en de ringbanenstructuur zijn vooral kansrijk in een stedelijke omgeving. Ook in de Oostflank (Berkel-Enschot, Udenhout, Biezenmortel) zien we kansen om vorm en inhoud te geven aan de mobiliteitstransitie. We willen de OV-bereikbaarheid van de dorpen verbeteren. Zo blijven we inzetten op een nieuw NS-station in Udenhout. Daarnaast biedt het station kansen voor een verantwoorde groei van het inwoneraantal. We waarborgen de autobereikbaarheid. Een hoogwaardig en betaalbaar aanbod van duurzame deelmobiliteit is daarnaast belangrijk om de dorpen bereikbaar en vitaal te houden, vooral voor wie geen eigen auto heeft.

Hubs en parkeeroplossingen Met de hierboven beschreven maatregelen, wordt het gemotoriseerd verkeer minder dominant in de openbare ruimte. Zo creëren we een openbare ruimte die betere mogelijkheden biedt voor fietsen en wandelen en meer uitnodigt tot informele ontmoeting. Dat vraagt ook om nieuwe parkeeroplossingen voor auto’s. Hoeveel ruimte er is en welke mogelijkheden er liggen, is afhankelijk van de stedenbouwkundige structuur van de buurt: de bebouwingsdichtheid, de bouwvormen en de verkeersstructuur. Door in de belangrijke verdichtingsgebieden buiten de ringbanen parkeerregulering in te voeren en uit te breiden, voor bewoners en bezoekers in een lichte vorm, beperken we de parkeeroverlast in deze woonwijken. Bij nieuwbouw in grootschalige gebiedsontwikkelingen zetten we sterk in op dubbelgebruik en geclusterde parkeervoorzieningen. In de omgeving van

WISSELWERKING TUSSEN TRANSITIES EN DE VERSTERKING VAN WIJKEN EN DORPEN Alle drie de transities werken door in de ontwikkeling van onze wijken en dorpen. Veel meer dan voorheen spelen het groenblauwe netwerk en het energiesysteem een rol bij de locatiekeuze en de inrichting van stedelijke ontwikkelingen. We gebruiken beide transities als een impuls voor de kwaliteit van de leefomgeving in wijken en dorpen, in samenhang met de keuze voor compacte verstedelijking. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het mobiliteitsnetwerk. Daarin kennen we al een lange traditie van afstemming met wonen en werken, maar die traditie gaat een nieuwe fase in. Die staat in het teken van nieuwe mobiliteitstechnologieën, een sterkere vervlechting met mobiliteitssystemen en meer aandacht voor de verblijfskwaliteit van de openbare buitenruimte.

DE HAVENMEESTER, PIUSHAVEN

Om het fietsnetwerk van de Oostflank te verbeteren, willen we de barrièrewerking van de Parkway N65 (Tilburg-Den Bosch) slechten. Dit is ook van belang voor voetgangers en voor dieren. Samen met provincie en Rijk willen we werken aan nieuwe fietsverbindingen (tunnels of bruggen) en ecologische passages. Schone lucht als basis voor gezondheid Tilburg was een van de eerste ondertekenaars van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Daarmee hebben we ons gecommitteerd aan het streven om in 2030 te voldoen aan de dan geldende advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), met als doel minimaal 50% gezondheidswinst te realiseren ten opzichte van 2016. Schone lucht is essentieel voor een gezonde leefomgeving en draagt bij aan het verkleinen van gezondheidsverschillen tussen wijken. We nemen maatregelen in de mobiliteit, industrie, landbouw en de gebouwde omgeving om de uitstoot van schadelijke stoffen bij de bron te verminderen.

We betrekken de drie transities van meet af aan bij de planvorming voor nieuwe ontwikkelingen in wijken en dorpen. Deze moeten de transities in de systemen ondersteunen en versterken. Andersom kunnen de transities bijdragen aan de kwaliteit van de nieuwe ontwikkelingen. KANSEN DOOR VERDICHTING Onze inzet op compacte stedelijke ontwikkeling schept goede voorwaarden voor de wederzijdse versterking van de drie netwerken en de leefomgeving in wijken en dorpen. Verdichting vergroot de kansen voor de introductie van nieuwe voorzieningen, zoals warmtenetten of gezamenlijke energie-oplossingen, gescheiden riolen, deelvervoer en parkeergelegenheid voor fiets en auto. Er ontstaan schaalvoordelen omdat meer mensen er gebruik van kunnen maken of omdat, bij nieuwe ontwikkelingen, de kosten over meer investeerders of gebruikers verdeeld kunnen worden. Ook bij de keuze van verdichtingslocaties in de stad zijn water en bodem sturend. Er blijft voldoende ruimte voor het groenblauwe systeem, bijvoorbeeld in de beekdalen, maar ook elders. Groene routes en groene zones, verbonden met het landschap buiten de stad, dragen aanzienlijk bij aan de kwaliteit van de leefomgeving van zowel mens als dier. Compacte stedelijke ontwikkeling biedt de beste kansen voor duurzame vormen van vervoer.

Door wonen, werken en voorzieningen in elkaars nabijheid te realiseren, ligt wandelen en fietsen meer voor de hand dan autogebruik. Dit draagt direct bij aan de bereikbaarheidszekerheid en gezondheid. Mensen bewegen meer, ademen schonere lucht in en ervaren minder verkeersdruk. Door de omgeving van mobiliteitshubs in te richten als woonwerkmilieus, waaronder een hoogstedelijk milieu in de Kennisas, stimuleren we het openbaar vervoer en de ontwikkeling van een aantrekkelijke omgeving voor kennisintensieve bedrijven. We hanteren in de wisselwerking tussen stedelijke ontwikkelingen en mobiliteit het STOMP-principe: Stappen (voetgangers), Trappen (fietsers), Openbaar vervoer, Mobility-as-a-service en in laatste instantie de Particuliere auto. Daarmee stellen we de mens centraal en geven we voorrang aan duurzame mobiliteit. Bij elke ontwikkeling onderzoeken we vanaf de start hoe deze modaliteiten aantrekkelijk en haalbaar kunnen worden gemaakt. Ook onderzoeken we op stedelijk niveau wat we moeten doen om vervoersarmoede tegen te gaan. Zo stimuleren en benutten we investeringen in de mobiliteitstransitie en maken we toekomstbestendige keuzes voor zowel de stedelijke ontwikkelingen zelf als de bereikbaarheid ervan.

Het energiesysteem is minder sturend in de locatiekeuze voor verdichtingsprojecten, in elk geval op lange termijn als de warmtenetten zijn gerealiseerd en het stroomnet is versterkt. Maar het is wel zaak om de energievoorziening bij gebiedsontwikkelingen van begin af aan integraal onderdeel te maken van de planvorming, zoals nu al gebeurt bij het Kenniskwartier.

29

VERGROENING VAN DE BUITENRUIMTE In het vorige hoofdstuk (‘Voortbouwen’) bleek hoe belangrijk de inrichting van de openbare ruimte is, juist bij een keuze voor compacte verstedelijking. Daar werd de ambitie aan verbonden om een nieuwe benadering voor de openbare ruimte te maken. Onze inzet als gemeente is dat we daarin de transities goed op elkaar af stemmen en slim worden benut. Het helpt dat veel transities dezelfde kant op wijzen: die van meer groen, meer water en een betere omgevingskwaliteit. Dat is in lijn met een sterkere ontmoetingsfunctie van de openbare ruimte. Meer groen en water nodigt uit tot wandelen en fietsen, tot sport en spel en ontmoeting. Kortom, tot allerlei activiteiten die belangrijk zijn voor een gezond leven. Meer groen en water levert ook kansen op voor biodiversiteit. We werken voor het hele gemeentelijke grondgebied een Basiskwaliteit Natuur uit die de minimale ecologische randvoorwaarden aangeeft om algemene plant- en diersoorten te behouden. Om de basisvoorzieningen voor de stadsnatuur op orde te brengen, passen we de inrichtingsbouwstenen toe uit de Nota Biodiversiteit (2024). De Stadsnatuurkaart 2040 (uit 2022) benoemt de zones in de stad die belangrijk zijn in het ecologische netwerk. Ook bomen hebben de juiste bescherming nodig. Daar zorgen we voor met de Bomenverordening en de beleidsregels bomen (beide uit 2024).

Met de ontwikkeling van de nieuwe benadering van de openbare ruimte kunnen we een verdere stap naar natuurinclusiviteit zetten: het besef dat de natuur zich niet beperkt tot aangewezen zones en verbindingen, maar overal in de stad belangrijk is, en bij iedere wezenlijke ingreep in de stad versterkt kan worden. Zowel voor de ecologische als de recreatieve betekenis van de openbare ruimte in de stad, is een directe verbinding met de aangrenzende landschappen van belang. Voor dieren ontstaat zo een groter aaneengesloten leefgebied. Dat bevordert de uitwisseling, belangrijk voor een vitale natuur. Voor bewoners van de stad is een groene wandel- of fietsroute naar het buitengebied dankzij zulke verbindingen nooit ver weg. Bij bouw- en inrichtingsprojecten hanteren we de beleidsregels uit de Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie (‘Wij werken samen aan een koel Tilburg’, 2020). Deze beleidsregels zijn handvatten en richtlijnen die staan voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen, en een netwerk van groene verblijfsgebieden (oftewel koelte-eilanden) binnen 300 meter loopafstand van elkaar, verbonden door beschaduwde looproutes. Daarnaast vragen de beleidsregels om zo min mogelijk verharding (zodat hemelwater in de bodem kan infiltreren) en voldoende bergingsruimte voor water om overlast door extreme buien te voorkomen.

De beleidsregels zijn doorvertaald naar de Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen (april 2023). Bij herinrichting van de openbare ruimte leiden we parkeerdruk zoveel mogelijk af van de straat, zodat daar meer ruimte ontstaat voor groen en water en voor fietsen en wandelen. De mobiliteitstransitie draagt daarmee bij aan het vergroten van de leefkwaliteit. Ook de transitie naar het energiesysteem van de toekomst vindt grotendeels plaats in de openbare ruimte. In de woonstraten zal de energietransitie zichtbaar zijn in de technische voorzieningen, zoals meer laadpalen en trafohuisjes en de komst van opslagvoorzieningen zoals buurtaccu’s.

GROEN DAK MET ZONNEPANELEN

30

GROENE GEVEL

De daken in Tilburg tezamen vormen een enorme en grotendeels nog ongebruikte oppervlakte. We kunnen het ons niet meer permitteren om die ongebruikt te laten. Opties zijn bijvoorbeeld gebruik voor zonnepanelen, groene daken en een functie als uitbreiding van de openbare of semi-openbare ruimte. De ontsnipperingskaart, voorvloeiend uit de nota biodiversiteit met maatregelen om jaarlijks stedelijke barrières weg te nemen, draagt hieraan bij. Woonstraten vormen zo niet alleen meer de fijnste vertakkingen van het stedelijke verkeerssysteem, maar ook van het watersysteem en het natuurlijk systeem in de stad. Ze worden toonbeelden van meervoudig ruimtegebruik, met functies voor bijvoorbeeld de biodiversiteit, tijdelijke waterberging en speelgelegenheid tegelijkertijd. Met de nieuwe benadering voor de openbare ruimte kunnen we de ruimtevraag vanuit de energievoorziening, het groenblauwe netwerk en de mobiliteit slim, integraal en samenhangend programmeren en kunnen we – ook in de situatie waarin er steeds meer opgaven samenkomen – regie houden op de inrichting van onze gebieden.

WILHELMINAKANAAL

te verminderen en nieuwe barrièrewerking voorkomen, zodat de Kanaalzone een betere verbinding gaat vormen tussen Noord, de Oude Stad en West. Daarnaast streven we naar een zoveel mogelijk beperkte en scherp begrensde benutting van het spoor voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De huidige situatie voldoet niet aan de veiligheidskundige normen uit het Basisnet. Zodra deze treinen zoveel als mogelijk van het spoor af zijn, ontstaan nieuwe ontwikkelingskansen voor woon- en werkmilieus in de stad. Alternatieven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn te vinden in de binnenvaart, buisleidingen of spoorlijnen door minder dichtbevolkte gebieden (zoals de Betuweroute).

GROENBLAUWE TRANSITIE IN HET BUITENGEBIED VESTIGINGSCONDITIES VANUIT ENERGIE EN WATER De energievoorziening wordt steeds bepalender voor de vestiging van bedrijven, vooral voor ondernemingen met een hoge energiebehoefte. Om een efficiënt gebruik van de energie-infrastructuur mogelijk te maken, horen die thuis op locaties nabij de hoofdverbindingen van het energienet en de knooppunten daarin. Waterstof kan een interessante optie zijn voor industriële processen boven 200 graden Celsius, bijvoorbeeld in de glasindustrie, waar elektrificatie lastig is. Met de aanleg van de waterstofleiding als onderdeel van de Delta Rhine Corridor, die door het noorden van onze gemeente zal lopen, ambiëren we een aansluiting op het landelijke waterstofnetwerk. We zetten in op een aftakking van deze leiding om een regionaal waterstofnet te realiseren op en rond de bedrijventerreinen Kraaiven, Vossenberg en De Wildert (Dongen). Hier concentreert zich de potentiële vraag naar waterstof voor verduurzaming van industrie en zware logistiek. Nieuwe energieintensieve bedrijfsvestigingen passen om deze redenen het beste op de noordelijke bedrijventerreinen. Water vormt naast energie een cruciale vestigingsvoorwaarde voor bedrijven. Een betrouwbare en duurzame watervoorziening is essentieel voor hun continuïteit.

Innovatief drinkwaterbeheer draagt bij aan bedrijfszekerheid en biedt kansen voor kostenbesparing en circulaire bedrijfsvoering. Daarom streven we er samen met de bedrijven naar dat er op bedrijventerreinen voldoende water beschikbaar blijft. Daarbij streven wij naar een duurzaam en toekomstbestendig watergebruik, wat onder meer betekent dat drinkwater niet langer wordt gebruikt voor processen die deze kwaliteit niet nodig hebben. BEREIKBAARHEID VOOR GOEDERENVERVOER OVER WATER, SPOOR EN WEG Ook het goederenvervoer blijft zich ontwikkelen en kan aanleiding geven tot nieuwe economische kansen. In de SRBT versterken we het goederenvervoer door ontwikkelingen te concentreren rond multimodale plekken, door het versterken van havens en het geschikt maken van vaarwegen voor hogere vaarklassen. In Tilburg heeft Loven-Noord een bijzondere positie als enige ‘trimodale knoop’, met niet alleen een haventerminal, maar ook een spoorterminal en een goede ontsluiting over de weg. Alle grotere bedrijventerreinen liggen bovendien aan de buitenring (Burgemeester Letschertweg en Burgemeester Bechtweg) of aan de A58. Een groot deel van het goederenvervoer van en naar de Tilburgse bedrijventerreinen gaat nu nog over de weg. Vanuit een duurzaamheidsperspectief en om congestie te voorkomen is het gewenst dat een groter deel van dit vervoer via andere modaliteiten plaatsvindt.

Het Wilhelminakanaal speelt hierin een cruciale rol. Het Wilhelminakanaal is tot aan Kraaiven bevaarbaar voor grote schepen (in de klasse IV). Samen met het Rijk en de provincie investeren we in de bevaarbaarheid van het traject tussen Kraaiven en Loven, evenals de aanpassing van Sluis II. Hiermee wordt ook de haven van Loven bereikbaar voor grotere schepen en wordt de positie uitgebouwd van een trimodaal Loven, waar goederenvervoer via water, spoor en weg samenkomt. Dit versterkt niet alleen de positie van Tilburg, maar sluit ook aan bij de samenwerking met andere havens binnen Brabant. Onze ambitie blijft om het kanaal volledig op te waarderen. In samenhang met het traject Kraaiven-Loven zetten we onze grondbeleidsinstrumentarium om ruimte te bieden en te behouden voor watergebonden bedrijvigheid. Verbreding van het kanaal wordt vooralsnog alleen voorzien op twee plekken waar wachtplaatsen voor grote schepen moeten worden aangelegd – door een slim vaarwegbeheer ontstaat bij de huidige kanaalbreedte voldoende scheepvaartcapaciteit. Wel is vervanging van drie beweegbare (fiets)bruggen nodig, waarbij de doorvaartbreedte wordt vergroot. Alleen bij de brug aan de Dr. Deelenlaan is deze al voldoende. We willen maatregelen treffen om de bestaande barrièrewerking

31

Een van onze strategische keuzes is om het landschap te versterken en beter te verbinden met de groene routes en groene zones in de stad. Met die landschappelijke versterking geven we vorm en inhoud aan de groenblauwe transitie in de volle breedte: herstel van natuur en biodiversiteit, het verduurzamen van de landbouw, het verbeteren van de waterkwaliteit en -beschikbaarheid, en het opslaan van overtollig hemelwater uit de stad. Tegelijk willen we de betekenis van het buitengebied als uitloopgebied voor de stad zo vergroten. Net als in de stad werken we gebiedsgericht en langs onze ordeningsprincipes, met name die van een goede omgevingskwaliteit en verweving van functies. We sturen op grondgebruik en ontwikkelingsmogelijkheden. Het grondgebruik moet in overeenstemming worden gebracht met de draagkracht van bodem, water en ecosystemen. Niet alle soorten landbouw zijn overal mogelijk. We werken toe naar natuurinclusieve vormen van landbouw, waarbij het met name in de overgangsgebieden rondom de natuurgebieden en de beekdalen van belang is dat de landbouw ook extensiveert. Ook maatschappelijke initiatieven kunnen in agrarisch gebied een plek vinden, zoals zorgboerderijen of revalidatielocaties in een groene setting. Gemeentelijke landbouwgronden kunnen een belangrijke rol spelen in de transitie van de landbouw. Hiervoor is een actieve grondverwervingsstrategie nodig.

Het herstel van biodiversiteit in agrarisch gebied vraagt (net als in stedelijk gebied) om het vaststellen van minimale ecologische randvoorwaarden om algemene planten diersoorten te behouden. Deze Basiskwaliteit Natuur wordt uitgewerkt voor het gemeentelijk grondgebied. In de Oostflank komt een pilot, samen met het ministerie van LVVN, de provincie en natuurorganisaties. We willen de ontwikkelingsmogelijkheden vergroten. Er moet ruimte komen voor nieuwe initiatieven die bijdragen aan de vitaliteit van het landelijk gebied. Denk hierbij aan de verbreding van de landbouw en het wegnemen van de recreatiedruk binnen de kwetsbare natuurgebieden. DOORONTWIKKELING VAN DE STADSREGIONALE PARKEN Stadsbos013, Landschap Pauwels en Moerenburg-Koningshoeven zijn de drie stadsregionale parken rondom de stad. We gaan door met de ontwikkeling daarvan tot aantrekkelijke, toegankelijke en goed bereikbare buitengebieden, met een functie voor de stad en voor de regio. Ze dienen als buffer om de recreatieve druk op de natuurgebieden van het Van Gogh Nationaal Park te verminderen. Samen met de gemeente Gilze-Rijen pakken we de studie naar een voor Tilburg vierde stadsregionaal park in het buitengebied aan de westzijde van de Reeshof op.

PAUWELS

STADSREGIONALE PARKEN De stadsregionale parken kennen een mix van gebruiksfuncties (natuur, water, landbouw, recreatie en maatschappelijke functies) en vertegenwoordigen belangrijke cultuurhistorische waarden. Ze zijn direct verbonden met groene zones in de stad, en ook een deel van de blauwe aders komt uit in de stadsregionale parken. Onze inzet op de stadsregionale parken gaat hand in hand met compact verstedelijken. Juist verdichting in combinatie met natuurontwikkeling maakt dat we maximaal kunnen investeren in de kwaliteit en leefbaarheid van ons bebouwd gebied. De stadsregionale parken vormen de verbinding van de stad met de omliggende Natura 2000- gebieden, Loonse en Drunense Duinen, Kampina en Regte Heide/Riels Laag. Met de ontwikkeling van de stadsregionale parken leveren we ook een bijdrage aan de wettelijke natuur, klimaat en stikstofdoelen voor natuurherstel in de Natura 2000-gebieden. We zetten onder andere in op het versterken van recreatiemogelijkheden om de Natura 2000-gebieden te ontzien en bieden een duurzaam perspectief voor de landbouw. Het water- en klimaatlandschap Pauwels krijgt een belangrijke functie als centraal waterhart. In samenwerking met waterschap De Dommel worden de vloeivelden en bijbehorende relicten in het Noorderbos meer beleefbaar gemaakt.

De Waterharmonica laat zien hoe historisch erfgoed kan worden geïntegreerd in moderne oplossingen voor waterbeheer, en hoe dit bijdraagt aan een duurzame en leefbare stad. Ook verkennen we de mogelijkheid om een belevingscentrum te realiseren als onderdeel van het water- en klimaatlandschap, en zo de functie als ontvangstgebied voor Pauwels te versterken. We ontwikkelen Zwaluwenbunders. Zwaluwenbunders is een uniek gebied in Landschap Pauwels. Het is nu in gebruik voor landbouw, maar heeft een rijke geschiedenis van heide, bos, plas en dras. Het gebied wordt heringericht door 40 ha nieuwe natuur toe te voegen, 20 ha bos en 40 ha natuurinclusieve landbouw. Ook komen er recreatiemogelijkheden, zoals een fietspad om het gebied beter te ontsluiten en toegankelijk te maken. In Stadsbos013 investeren we in de natuurontwikkeling van de Drasse Driehoek en gaan we door met de ontwikkeling van de landgoederenzone. Ook onderscheidt Buitengebied Zuid-West zich hier. Voor dit gebied is verdere inzet op de versterking van de sociaal-economische vitaliteit van belang. Dat houdt een versterking van de kwaliteiten in van het kleinschalige agrarische en opencultuurlandschap, waarbij wonen, ondernemen, landschap en natuur en recreatie in goede balans zijn.

LANDSCHAPPELIJKE INVESTERING BIJ RUIMTELIJKE ONTWIKKELING Ook de (zeer beperkte) ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied hebben invloed op het landschap. Daarom vraagt de gemeente bij deze ontwikkelingen een landschappelijke tegenprestatie in de vorm van kwaliteitsverbetering van het landschap. Voorbeelden van zulke ontwikkelingen zijn woningbouw, bedrijfsuitbreidingen of functieveranderingen. Deze inzet versterkt de samenhang tussen ruimtelijke ontwikkeling en de kwaliteit van het landschap. Als nieuwe ontwikkelingen het karakter van het buitengebied beïnvloeden, is het logisch én wenselijk dat ze ook bijdragen aan de instandhouding en verbetering ervan. Denk hierbij aan maatregelen zoals landschappelijke inpassing, herstel van houtwallen, aanleg van groenstructuren of verbetering van biodiversiteit. Zo wordt ruimtelijke ontwikkeling benut als kans om het landschap robuuster, aantrekkelijker en klimaatbestendiger te maken. ECOLOGISCHE VERBINDINGSZONES Het Natuurnetwerk Brabant is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones (EVZ’s) met elkaar verbonden zijn. Ze functioneren als trekroutes en als (tijdelijk) leef- en voortplantingsgebied voor dieren en planten. Het Natuurnetwerk Brabant maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.

Het doel is om in 2027 alle ontbrekende verbindingen in het netwerk te hebben gedicht met nieuwe natuur. Dan moet er een robuust netwerk liggen dat zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze functioneert en klimaatbestendig is. In Stadsbos 013 zijn de afgelopen jaren diverse EVZ’s gerealiseerd. De EVZ’s verbinden verschillende natuurgebieden met elkaar, van Stadsbos 013 naar de Lange Rekken en van Stadsbos 013 naar de Regte Heide en de vliegbasis. Ook ligt er nog een opgave. In landschapspark Pauwels, vanuit Zwaluwenbunders naar natuurgebied de Brand, langs het Wilhelminakanaal bij de Reeshof, bij de Nieuwe Leij tussen het Wilhelminakanaal en de A58, en in een deel van Stadsbos 013 moeten nog verschillende EVZ’s worden aangelegd. De Grootte Leij, een opgave van de gemeente Gilze en Rijen, is verlegd langs de Noordwest-tangent en daarmee is Tilburg ook partij geworden.

32

SAMENWERKEN AAN DE GROENBLAUWE TRANSITIE IN DE OOSTFLANK De ontwikkelingen in het oosten van onze gemeente zijn nauw verbonden met die in het aangrenzende gebied van de gemeente Oisterwijk. De gezamenlijke ambities hebben we vastgelegd in het Koersdocument Oostflank (2024), dat is vastgesteld door de beide gemeenteraden. De Oostflank kan zich tot 2040 verder ontwikkelen tot een gebied met een sterke natuur, passende mobiliteit, voldoende woningen en een sterke lokale economie. Een belangrijk thema binnen het koersdocument is de wijze waarop het landelijk gebied binnen de Oostflank kan gaan functioneren. Ook hier geldt dat water en bodem sturend zijn. We laten de dorpen niet aan elkaar groeien. We maken het gebied klimaatrobuuster onder meer door de sponswerking van de bodem te vergroten en beekdalen zoveel mogelijk te vrijwaren van bebouwing en (intensieve) landbouw. We stemmen bodemgebruik af op de bodemgesteldheid van de ondergrond en de vernatting van de beekdalen en we willen de capaciteit voor waterberging fors vergroten. We brengen balans tussen gebruik en wat de bodem kan (ver)dragen. We zien ruimte om de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten van het Oisterwijks-Tilburgse landschap te versterken. Daarbij ligt de focus op vernatting, uitbreiding van bossen en landschapselementen, zoals bosjes, hagen, houtwallen en lanen.

Dit doen we bijvoorbeeld in de Leemkuilen als groene kern, inclusief het overgangsgebied eromheen. Daar zetten we in op natuurontwikkeling, klimaatadaptatie en rustige recreatie. De agrarische sector heeft toekomst in de Oostflank en kan een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke urgenties op het gebied van bijvoorbeeld bodem, water en biodiversiteit. Daarom zetten we in op het stimuleren van duurzame landbouw. Het is daarbij van belang dat bedrijven economisch rendabel zijn. Het organiseren van korte ketens kan helpen om het economisch verdienmodel te verbeteren. Dat is nodig om het buitengebied leefbaar te houden en voedselproductie dicht bij de consument te brengen. Dit doen wij door combinaties te zoeken voor landbouw en natuur, en te zoeken naar ruimte voor agrarische bedrijven die extensiever willen gaan werken. Met name de veehouderij heeft uitdagingen op het gebied van stikstof in de natuur en regels rondom waterkwaliteit. We koesteren de veehouderij en werken samen in de gebiedsprocessen een plan uit om deze bedrijfstak in de Oostflank binnen de Nederlandse en Europese kaders mogelijk te maken en houden.

Door de verschillende doelen in het buitengebied (over biodiversiteit, water, duurzame landbouw) integraal te benaderen, kan de aanpak van de stikstofopgave als hefboom worden ingezet voor de aanpak van de andere opgaven in het buitengebied. De ambities in het Koersdocument worden via transitieprocessen en (project)activiteiten omgezet in realisatie. Daarvoor is het landelijk gebied van de Oostflank opgedeeld in drie deelgebieden, met elk een eigen dynamiek als het gaat om de economische activiteiten die er mogelijk zijn. Een van de grootste economische actoren in het landelijk gebied is de agrarische sector, maar er zijn ook andere belangrijke economische activiteiten zoals recreatie. Binnen de agrarische sector is de boomteelt naast de grondgebonden veehouderij een grote grondgebruiker. Een goede, langdurige samenwerking tussen overheden en gebiedspartijen is een voorwaarde om deze complexe opgave effectief aan te pakken. Het is van belang om vanuit gebiedsprogramma’s een gezamenlijk uitvoeringsprogramma te ontwikkelen, waarin overheden, agrariërs, natuurorganisaties, bewoners en andere belanghebbenden samenwerken aan een duurzame toekomst voor de Oostflank. Door gezamenlijke ambities te vertalen naar concrete projecten en heldere verantwoordelijkheden te benoemen, biedt het uitvoeringsprogramma een robuust kader voor structurele verandering in het landelijk gebied.

BIEZENMORTEL

5 BIJBOUWEN: GROEI VOOR EEN VITALE STAD IN EEN STERKE REGIO Tilburg blijft groeien. Met de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen uit 2021 hebben we als opgave geformuleerd om tot 2040 in totaal 25.000 woningen toe te voegen. Tot 2030 werken we eraan dat de woningbouwproductie geleidelijk groeit naar gemiddeld 2.000 woningen per jaar. Dat betekent dat er in deze periode in totaal circa 10.000 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Voor de periode tussen 2030 en 2040 ligt er een aanvullende opgave van 15.000 woningen. Daarmee komt het totaal aantal te bouwen woningen tot 2040 op een opgave van 25.000. Voor de daaropvolgende periode, van 2040 tot 2050, gaan we uit van een extra opgave van nog eens 10.000 woningen. In totaal gaat het dus om een woningbouwopgave van 35.000 woningen tot 2050.

WONINGBOUWAANTALLEN: OPGAVE EN PROGRAMMERING We hebben in de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen (2021) de inschatting gemaakt dat er tot 2040 zo’n 31.000 woningen door nieuwbouw en transformatie kunnen worden geprogrammeerd. Het aantal van 31.000 is groter dan de opgave van 25.000 woningen voor 2040. We moeten er echter rekening mee houden dat de uiteindelijke woningbouwproductie op de aangewezen locaties lager uit zal vallen, bijvoorbeeld omdat meer ruimte nodig blijkt voor groen of water, het energiesysteem, sociale opgaven en/of wensen uit de buurt. Ook is het soms nodig om gebouwen te slopen om te kunnen bouwen.

We bouwen voor mensen die al in Tilburg wonen en er willen blijven, en voor nieuwkomers. We willen dat de werkgelegenheid meegroeit. Niet meer in het tempo van voorheen (toen voor elke nieuwe woning ook een nieuwe arbeidsplaats wenselijk was). Dat is gezien de verwachte demografische ontwikkeling niet meer nodig. Tot 2040 verwachten we een groei van ongeveer 11.000 banen. Voor het decennium na 2040 is het nog niet goed mogelijk om verwachtingen ten opzichte van de werkgelegenheid te formuleren, omdat deze onder invloed staan van verschillende ongewisse externe factoren – zoals technologische ontwikkeling en geopolitieke verhoudingen. Met de aanvullende programmering van 10.000 woningen tussen 2040 en 2050 anticiperen we op een volgende opgave. Deze wordt nader onderzocht. Groei gaat niet alleen over méér, maar vooral over beter: beter samenleven, beter omgaan met energie en ruimte en beter inspelen op verandering. Onze ambitie is een stad die zich niet alleen fysiek ontwikkelt, maar ook sterker wordt in sociale veerkracht en technologische vernieuwing. We willen een leefomgeving die gezond gedrag stimuleert en weerbaar is voor veranderingen, of die nu sociaal, economisch of klimatologisch van aard zijn. Zo bouwen we aan een Tilburg dat meebeweegt met wat mensen nodig hebben, nu en in de toekomst.

TEXTIELMUSEUM

33

Om voor deze ‘planuitval’ te compenseren wordt de programmering aanzienlijk hoger ingeschaald dan de opgave die we netto willen realiseren—juist om te verzekeren dat die laatste, ook met planuitval, kan worden gehaald. Voor het decennium na 2040 hebben we nog geen prognoses, maar gaan we vooralsnog uit van (afvlakkende) bevolkingsgroei. Woningbouwprogrammering is dan ook een doorlopend proces: we kijken continu kritisch naar onze programmering in het licht van de prognoses, en herijken de programmering waar nodig om onze opgave te kunnen realiseren.

MIX

MIX

MIX

MIX

MIX

MIX

MIX MIX

MIX

3

MIX

MIX

MIX

MIX

MIX MIX

MIX

MIX

ouwen

hoogwaardige maakindustrie

inzet op duurzame energiebronnen

intensief ruimtegebruik

recreatie

MIX

MIX

vliegbasis Gilze-Rijen

hoogstedelijk milieu centrumgebied

bedrijventerrein inzet op een circulaire economie en bouwcultuur

watergebonden bedrijvigheid

economie buitengebied

evenementen

Stedelijk milieu Piushaven

3

trimodale bedrijvigheid

MIX

stimuleren gemixte linten

gemixt stedelijk programma werken/wonen/maatschappelijk

MIX

hoogstedelijk milieu Kenniskwartier

Beekse Bergen bedrijventerrein Wijckevoort

werk op de juist plek

ontwikkelingen bedrijventerrein (Albion) irt natuur netwerk Brabant

geclusterd onderwijsaanbod

zorg innovatie

hoogwaardige maakindustrie

intensief ruimtegebruik

inzet op een circulaire economie en bouwcultuur

watergebonden bedrijvigheid

evenementen

buitenge

MIX

MIX

Stedelijk milieu Stappegoor /Zuid

inzet op duurzame energiebronnen

Berkel-Enschot inbreiding en verdichting

MIX

Station Reeshof/Heijhoef stedelijk milieu

MIX

onderzoek en kennis industrie

LEGENDA

Biezenmo uitbreidin

Efteling

MIX

meer en diverser flora en fauna groen/water en verduurzamen

buitengebied

vliegbasis Gilze-Rijen

recreatie

Udenhout uitbreiding en verdichting

nieuwe stedelijk milieu en vitale wijkcentra

Kennisas Spoorzone/Spoorpark/Kenniskwartier Oude Stad

meer en diverser flora en fauna 3 groen/water en verduurzamen

33

trimodale 33 3 bedrijvigheid

MIX

MIX MIX

zorg innovatie

economie buitengebied

Efteling

gemixt stedelijk programma MIX MIX MIX werken/wonen/ maatschappelijk

stimuleren gemixte linten

Beekse Bergen

geclusterd onderwijsaanbod

werk op de juist plek

ontwikkelingen bedrijventerrein (Albion) i.r.t. natuur netwerk Brabant

Zuid en Kanaalzone

onderzoek en kennis industrie

bedrijventerrein

bedrijventerrein Wijkevoort

MIX MIX MIX

MIX

MIX MIXMIX

MIX MIX MIX

MIX

hoogstedelijk milieu

MIX

hoogstedelijk milieu Kenniskwartier

MIX

Stedelijk milieu Stappegoor /Zuid

34

overige stad dorpen bedrijventerreinen

MIX centrumgebied

MIX

Noord en West

MIXMIXMIXMIXMIX

MIX MIXMIX

MIX MIXMIX

Stedelijk milieu MIXMIX Piushaven

MIXMIX

MIX

MIX

MIX

Station Reeshof/HeijhoefMIX MIXMIX stedelijk milieu

MIX

MIX

MIX MIXMIX

MIX

MIX

MIX

nieuwe stedelijk milieu en vitale wijkcentra

buitengebied

Biezenmortel uitbreiding en verdichting

Berkel-Enschot inbreiding en verdichting

buitengebied

Udenhout uitbreiding en verdichting

VERDICHTEN OM DE LEEFOMGEVING TE VERSTERKEN Zoals in de voorgaande hoofdstukken beschreven, zetten we de groeiopgave in om de stad en het ommeland te versterken. Het geeft invulling aan de schaalsprong die Tilburg als deel van de Brabantse Stedenrij doormaakt. Meer specifiek biedt het Tilburg de kans om stedelijke kwaliteit toe te voegen aan de stad en de dorpen en meer nabijheid te creëren. De eerder beschreven transities en verdichting steunen elkaar wederzijds. De energietransitie, de mobiliteitstransitie en de ecologische transitie zijn noodzakelijk om binnenstedelijk verder te kunnen groeien. Tegelijkertijd is de verdichtingsopgave een motor voor de transities die onze gemeente gezonder, duurzamer en groener zullen maken. Een hogere dichtheid van woon- en werkplekken creëert meer draagvlak voor nabijheid van voorzieningen en bedrijvigheid, die te voet, met de fiets of het OV beter toegankelijk zijn. Een compacte stad, met een variatie aan leefmilieus en enkele gebieden met een zeer stedelijke en hoogstedelijke dichtheid en dynamiek, is bovendien belangrijk om ruimte te maken voor clusterkracht en innovatie, om jong talent vast te kunnen houden en zo onze economie verder te versterken. De woningbouwproductie zal voor een groter deel dan voorheen bestaan uit gestapelde woonvormen met middelhoogbouw als uitgangspunt.

Vanuit het nabijheidsprincipe zetten we erop in die zoveel mogelijk te realiseren op locaties dichtbij zorg- en buurtvoorzieningen, met ruimtes die uitnodigen om te ontmoeten, zowel in als buiten het gebouw. Verdichting door nieuwbouw en transformatie (zie ook de paragraaf ‘Bestaande woningen beter benutten’ in hoofdstuk 3) helpt om minimaal het aantal inwoners op peil te houden dat belangrijk is voor de levendigheid en sociale cohesie in de wijk. Andersom zorgen we bij grotere woningbouwprojecten dat er ook ruimte is voor uitbreiding of vernieuwing van het voorzieningenaanbod op buurt- of wijkniveau, zodat de voorzieningen meegroeien met de bevolkingsontwikkeling. We zetten deze verdichtingsstrategie in om invulling te geven aan de stedelijke opgave. Onderdeel daarvan zijn woningen voor nieuwkomers in de gemeente en woningen die qua woonomgeving, woningtype en betaalbaarheid aansluiten op de demografische ontwikkeling van de wijk of het dorp. VERDICHTINGSLOCATIES VOOR WONINGBOUW EN GEMENGDE WOONWERKMILIEUS TOT 2040 Voor het merendeel van deze woningen is het uitgangspunt dat ze binnen de contouren van de stad worden gebouwd. In principe realiseren we gestapelde woonvormen, tenzij het stedenbouwkundig of programmatisch beter is om voor

STADSFORUM

35

FREDERIKSTRAAT

grondgebonden woningen te kiezen. Vooral op de grotere locaties voegen we ook voorzieningen en ruimte voor bedrijvigheid toe. We laten voorzieningen op die manier meegroeien met de ontwikkeling van de stad. De meeste mogelijkheden voor verdichting tot 2040 liggen in de vroeg-naoorlogse wijken buiten de ringbaan. De maat van de openbare ruimte, in combinatie met de verduurzamingsopgave voor woningen van de corporaties bieden kansen voor verdichting en transformatie. Ingrepen in de openbare ruimte ondersteunen die strategie: die geven de openbare ruimte meer betekenis voor de bewoners en verbinden de wijken met de stadsrand en de stadsregionale parken.

De verdichtingskansen in en direct rond het stadscentrum zijn vrijwel allemaal concreet in beeld en al grotendeels in ontwikkeling. In en rondom de dorpen zien we kansen voor het toevoegen van woningen. Deze zijn vastgelegd in het Koersdocument Oostflank (2024, in coproductie met de gemeente Oisterwijk) en nu in uitwerking. De groei draagt hier bij aan de kwalitatieve woonopgave. Door te kiezen voor meer compacte randen en in beperkte mate voor binnendorps verdichten zorgen we ervoor dat de dorpen niet aan elkaar vastgroeien. Juist de band met het landschap en behoud van de eigen identiteit van de dorpen is belangrijk. Goede verdichtingskansen doen zich voor bij stations en haltes van het hoogwaardig openbaar vervoer. We ontwikkelen binnen de genoemde zones het Kenniskwartier, Spoorzone-Binnenstad en Udenhout tot compacte stationsmilieus, en daarbuiten de Reeshofknoop. Dit sluit aan op de gewenste viersporigheid en de daaraan verbonden hogere frequentie van treinverbindingen. Aan het HOV-busnet liggen locaties als Paletplein, Wagnerplein en Poort van Stappegoor. We proberen zoveel mogelijk toe te voegen in balans met het verbeteren van de leefomgeving. In dat licht hebben we eerdere verdichtingsambities in OudNoord en Oud-Zuid bijgesteld: in deze gebieden vragen andere opgaven prioriteit (zie ook paragraaf: ‘De Oude Stad vraagt om scherpe keuzes’ (hoofdstuk 4).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16386072/2