Bijlage 1 Nota van zienswijze - IJpelareweg 44-46 DEF
Tekst van het document
Notitie behandeling zienswijze TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, IJpelareweg 44-46 Inleiding Van 8 december 2025 tot 19 februari 2026 heeft het ontwerp-wijzigingsplan voor de locatie IJpelareweg ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 4 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn allen ingediend binnen de termijn en zijn ontvankelijk. Hieronder vatten wij de zienswijzen samen en voorzien deze van een reactie. Samenvatting zienswijzen en gemeentelijke reactie
Zienswijze 1.
Stichting Schietbanen Tilburg
Zienswijze tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan 1.1
Zienswijze – ontsluiting op de Grootvenstraat
Reactie gemeente
SST is het niet eens met het plan om twee middelste uitritten samen te voegen tot één nieuwe inrit voor het project. 1. Door deze wijziging zou SST hun eigen uitrit aan de Grootvenstraat kwijtraken, terwijl zij deze al decennialang gebruiken voor hun bedrijfsvoering. Volgens SST is dit een onevenredige aantasting van hun belangen. 2. Zij begrijpen niet waarom samenvoeging nodig is en betwisten dat de bestaande uitrit in de bocht naar de Kraaivenstraat verkeersonveilig zou zijn, omdat het om een reeds lang bestaande uitrit gaat. Als een toename van verkeersbewegingen al tot onveiligheid zou leiden, vindt SST dat dit voor rekening van de initiatiefnemer hoort te komen. Mocht ontsluiting via de Grootvenstraat toch als ongewenst worden gezien, dan zou volgens SST ook een ontsluiting via de IJpelareweg kunnen worden onderzocht. 3. SST benadrukt dat zij niet de dupe mogen worden van het feit dat de initiatiefnemer de bestaande uitrit niet kan of wil gebruiken, en vraagt daarom om te borgen dat zij hun eigen uitrit behouden, of dat het project gebruikmaakt van een andere bestaande uitrit. In zowel het huidige plan als het ontwerpplan is er tussen de schietbaan en de Kraaivenstraat sprake van een bestemming “Verkeer-Verblijf”.
Onderhavige aanpassing van het Omgevingsplan zorgt niet voor een verandering van de planologische (on)mogelijkheden als het gaat om de aansluiting op de Kraaivenstraat. In zoverre is de zienswijze ongegrond. Eventuele afspraken over inrichting/aanleg en gebruik van de inritten zijn privaatrechterlijk van aard. Met betrekking tot een uitrit aan de IJpelareweg stellen wij dat deze ongewenst is in het kader van de verkeersveiligheid. Dit vanwege het daar aanwezige type weg en het fietspad. Met de belangen van SST is rekening gehouden bij de nadere uitwerking van zowel het plan als de afspraken met de initiatiefnemer. Hieronder een korte geschiedenis. En hoe in de nieuwe situatie de rechten van SST zijn geborgd. In het verleden heeft SST van een deel van de gronden gebruik gemaakt voor ontsluiting en parkeren. Hieraan ligt geen huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst ten grondslag en maakt ook geen deel uit van de gronden die de gemeente aan SST in erfpacht heeft uitgegeven. Dat feitelijke gebruik wordt nu beëindigd. Dat wil niet zeggen, dat SST dan helemaal geen ontsluiting heeft. De ontsluiting is gelegen op door de gemeente in erfpacht uitgegeven gronden (van af de Grootvenstraat gezien aan de linkerzijde). Van een “eigen uitrit” over de aan initiatiefnemer te verkopen gronden is geen sprake geweest. Initiatiefnemer en SST hebben afspraken gemaakt over ontsluiting en parkeren.
En deze zijn vastgelegd in de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. SST krijgt een zakelijk recht (erfdienstbaarheid en kwalitatieve verplichting) voor een tweede ontsluiting en parkeerplaatsen op het terrein van initiatiefnemer.
1.2
Conclusie
De zienswijze is op dit punt ongegrond.
Zienswijze – parkeerterrein SST
SST wijst erop dat het project mede betrekking heeft op een terrein dat zij sinds de jaren ’90 als essentieel parkeerterrein gebruiken en dat eigendom is van de gemeente. Volgens SST waren er tijdens overleggen in februari en maart 2024 mondelinge afspraken gemaakt met de initiatiefnemer over behoud van dit gebruik, waarbij een deel van het terrein opnieuw zou worden aangelegd voor SST en zij het exclusieve gebruik daarvan zouden krijgen. Deze afspraken zijn echter niet vastgelegd en worden in de later verzonden bewonersbrief niet meer gevolgd. SST vindt dat hiermee de omgevingsdialoog onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd en dat de gemeente, vanuit een zorgvuldige voorbereiding en een evenwichtige toedeling van functies, had moeten voorkomen dat het project over hun parkeerterrein heen wordt gepland of dit gebruik had moeten borgen in de ontwerpwijziging. Ook geeft SST aan interesse te hebben in aankoop van (een deel van) perceel F 7121 en gaat zij ervan uit dat een eventuele verkoop volgens het Didam-arrest zal verlopen. Ter plaatse van het parkeerterrein geldt op dit moment een agrarische bestemming. Parkeren is op grond van die bestemming niet toegestaan. In het ontwerpplan worden deze gronden bestemd als “Verkeer-Verblijf" met de aanduiding “Parkeerterrein". Hiermee wordt het gebruik van de gronden als parkeerterrein mogelijk.
De gemeente is eigenaar van deze gronden en zoals aangegeven in onderdeel 1.1. zullen er privaatrechtelijke afspraken worden gemaakt inzake het gebruik van deze gronden bij verkoop aan initiatiefnemer. Deze afspraken lichten wij hieronder nader toe ter volledigheid.
Reactie gemeente
Conclusie
Er zijn inderdaad besprekingen geweest tussen initiatiefnemer en SST. Daarbij is gezocht naar oplossingen ontsluiting en parkeren. Deze oplossingen hebben nooit betrekking gehad op het zondermeer voortzetten van het huidige gebruik, laat staan een exclusief gebruik. Voorzien is: 1. In de realisatie van 7 parkeerplaatsen op de gronden die aan SST in erfpacht toebehoren, zulks door/voor rekening van de initiatiefnemer. 2. In het gebruik van de nieuwe ontsluiting en de parkeerplaatsen die de initiatiefnemer op de aan haar te verkopen gronden zal gaan realiseren op de wijze zoals aangegeven onder zienswijze 1.1. Dit gebruik zal door middel van een zakelijk recht (van erfdienstbaarheid) en/of een kwalitatieve verplichting geborgd worden. Wat Didam betreft heeft publicatie van de voorgenomen verkoop al plaatsgevonden en heef SST zich niet als geïnteresseerde, die financieel en anderszins bereid en in staat is om het plan zoals dat nu is uitgedacht te realiseren, gemeld. Ook overigens heeft SST voor deze zienswijzen zich niet bij de gemeente gemeld. Zij stelde juist in eerste instantie al rechten te hebben (een erfpacht of huurovereenkomst) met betrekking tot de te verkopen gronden, wat niet het geval is. De zienswijze is op dit punt ongegrond.
Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan.
Zienswijze 2.
Eigenaar IJpelareweg 54.
Zienswijze tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan 2.1
Zienswijze – woonomgeving
Reactie gemeente
Indiener geeft aan dat tegenover hun woning een perceel ligt met een agrarische bestemming, maar dat dit terrein al jarenlang in strijd met de regels wordt gebruikt voor vrachtwagenstalling, opslag van materialen en tijdelijke huisvesting van buitenlandse chauffeurs. Dit zorgt regelmatig voor overlast, terwijl de gemeente volgens hen niet handhavend optreedt. Direct naast dit perceel ligt het voormalige MOB-complex, waar volgens de laatste afspraken nog drie jaar het Draaimolenfestival mag plaatsvinden, wat eveneens invloed heeft op de leefomgeving. Door de nieuwe ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, vrezen indieners dat hun woning volledig wordt omsloten door intensieve, bedrijfsmatige activiteiten. Daarmee ontstaat volgens hen een agrarische enclave die aan alle kanten wordt omringd door industriële functies, waardoor hun woon- en werksituatie verder onder grote druk komt te staan. Als er klachten zijn over een bestaande situatie die naar mening van indiener in strijd is met de regels dan kan hiervoor een verzoek om handhaving worden ingediend. In het kader van deze procedure kan geen afweging worden gemaakt of een bestaande situatie op een ander perceel mogelijk in strijd is met de regels. Het klopt dat de omgeving volop in beweging is. En dat door de ontwikkeling van de stad er een grotere ruimtedruk ontstaat.
Het klopt dat deze locatie zich bevindt tussen industrieterrein Kraaiven en het MOB-complex, dat onderdeel is van Natuurnetwerk Brabant (NNB). En dat de omgeving volop in beweging is en er een grotere ruimtedruk ontstaat door de ontwikkeling van de stad. Dit is zichtbaar op deze locatie waar een groot aantal ontwikkelingen samenkomen. Naast de ontwikkeling van bedrijventerrein Kraaiven en het MOB-complex speelt ook de voorgenomen derde ontsluitingsweg. Het is de inzet om deze nieuwvestiging ruimtelijk goed in te passen en te komen tot een evenwichtige toedeling van functies, dat wordt met dit voorstel ook geborgd door de verplichte landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. In het bredere verband werken wij aan een stedenbouwkundige en landschappelijke visie die de samenhang tussen ontwikkelingen op de lange termijn stuurt. Daarbij valt op de merken dat de robuuste groene stadsrand (in de vorm van het NNB hier een belangrijk element van is en zal blijven Het belang van de ontwikkeling van de stad, de verbetering en intensivering van het bedrijventerrein en de inrichting van de entree van de stad wegen hier zwaarder dan de ontwikkelingsmogelijkheden van een agrarisch bedrijf op deze locatie.
Conclusie
De zienswijze is op dit punt ongegrond.
2.2
Zienswijze – alternatieve oplossing
Indieners geven aan dat zij al enkele jaren met de gemeente in gesprek zijn. In overleg met de adviseur van initiatiefnemer hebben zij een oplossing voorgesteld: verplaatsing van hun bedrijf naar een andere locatie, waarna hun huidige gronden mogelijk kunnen worden ingezet als uitbreiding van het initiatief. Dit heeft, ondanks verschillende contactmomenten en verzoeken om afstemming niet geleid tot enig resultaat. Indieners ervaren het proces als bijzonder stroperig en hebben het gevoel dat zij “aan het lijntje zijn gehouden”, terwijl zij juist zelf actief naar een oplossing zochten. Zij blijven bereid tot overleg, maar alleen als de gemeente dit serieus en voortvarend oppakt. Zolang dat niet gebeurt, zien indieners zich genoodzaakt zich krachtig te verzetten tegen het ontwerpbesluit, omdat zij verwachten dat dit zal leiden tot een onhoudbare situatie waarvoor de gemeente volgens hen volledig verantwoordelijk is.
Reactie gemeente
De opmerkingen over het proces rond mogelijke verplaatsing van het bedrijf van de indieners zien niet op het voorliggende ontwerpbesluit. Voor de locatie van indieners verandert de planologische regeling in dit plan niet. Ook worden de ontwikkelingsmogelijkheden van indieners niet beperkt door deze ontwikkeling.
Conclusie 2.3
Zienswijze – toetsbaarheid onderzoeken Reactie gemeente
Conclusie
2.4
Zienswijze – Omgevingsdialoog
Reactie gemeente
Wij zijn en blijven bereid om mee te denken met indiener over een verplaatsing. Dit gesprek dient echter plaats te vinden buiten onderhavige procedure. De zienswijze is op dit punt ongegrond. Indieners stellen dat de bijlagen bij de toelichting, met name het geuronderzoek en het stikstofonderzoek, zó sterk zijn geanonimiseerd dat de resultaten niet meer inhoudelijk kunnen worden getoetst en daarom niet als onderbouwing voor het plan kunnen dienen. Diverse onderzoeken zijn inderdaad vergaand geanonimiseerd. De zienswijze is gegrond op dit punt en minder geanonimiseerde documenten zullen worden toegevoegd. Inhoudelijk zijn de onderzoeken wel toepasbaar ter onderbouwing van het plan. De onderzoeken zijn na indienen van de zienswijzen alsnog op niet geanonimiseerde wijze gedeeld met gemachtigde van indiener. De zienswijze is op dit punt gegrond. Maar leidt niet tot een aanpassing van het plan anders dan dat de onderzoeken ongeanonimiseerd zullen worden toegevoegd. Indieners stellen dat het plan na de omgevingsdialoog ingrijpend is gewijzigd. Waar tijdens de gesprekken en in eerdere schetsen werd uitgegaan van drie lagere gebouwen, kiest het huidige plan voor twee grotere gebouwen. Volgens indieners is niet uitgelegd waarom deze wijziging nodig is en is er geen nieuwe of geactualiseerde omgevingsdialoog gevoerd, terwijl de impact van het plan hierdoor verandert.
Door de wijziging worden de gebouwen hoger en komen zij dichter op de percelen van indieners te staan. Het plan is inderdaad gewijzigd ten opzichte van het eerdere plan. Met de realisatie van maximaal twee gebouwen is het de wens om een meer open perceel te creëren. Wat ook minder impact heeft op de omgeving en meer doorkijk. In dat opzicht vormt het gewijzigde plan wat de gemeente betreft een ruimtelijke verbetering. De aanpassingen in het plan zijn ruimtelijk aanvaardbaar en worden in de toelichting onderbouwd. De zienswijzeprocedure biedt belanghebbenden de mogelijkheid hun belangen naar voren te brengen, waarmee deze worden betrokken bij de besluitvorming. De omgevingsdialoog vormt niet het eindpunt van een planontwikkeling, maar levert hier ook input op. Het is niet ongebruikelijk dat een plan ook daarna nog wijzigt.
Conclusie 2.5a
Zienswijze – geurcontour
Reactie gemeente
Conclusie 2.5b
Zienswijze – geurcontour
Reactie gemeente
Dit onderdeel van de zienswijze is ongegrond. Maar leidt niet tot een aanpassing van het plan. Indieners wijzen erop dat het geuronderzoek van De Roever uitwijst dat de geurcontour deels over het bouwvlak van het plangebied loopt, maar dat door de sterke anonimisering van de stukken niet kan worden beoordeeld of dit onderzoek klopt. Zij geven aan zich daarom het recht voor te behouden om dit in beroep alsnog inhoudelijk te betwisten. Verder vrezen zij dat uitbreiding van hun eigen agrarisch bedrijf hierdoor onmogelijk wordt. De opmerkingen over de anonimisering zijn eerder in de beantwoording van zienswijze 2.3 behandeld. Op basis van het geuronderzoek blijkt dat een eventuele uitbreiding van het agrarische bedrijf, voor wat betreft agrarische geur, door deze ontwikkeling niet onmogelijk gemaakt wordt. Er worden op de locatie géén geurgevoelige gebouwen toegestaan en daarnaast is expliciet opgenomen dat binnen 50 meter van het agrarische bedrijf ook geen geurgevoelige objecten worden toegestaan. De zienswijze is op dit punt gegrond als het gaat om de anonimisering. Dit leidt echter niet tot een wijziging van het plan. Indiener is van mening dat artikel 17.2 van het ontwerpbesluit, waarin nieuwe geurgevoelige gebouwen binnen de ‘geurzone’ worden verboden, onvoldoende duidelijk en juridisch onzeker, omdat het begrip ‘geurgevoelig gebouw’ in de praktijk vaak discussie oproept.
Volgens indieners moet het bouwvlak daarom uitsluitend worden toegestaan op het deel van het plangebied dat buiten de geurcontour ligt. Er worden op de locatie géén geurgevoelige gebouwen toegestaan en de definitie hiervan is onder de Omgevingswet eenduidig. Het gaat hierbij namelijk om de definitie van geurgevoelige gebouwen zoals deze in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving is opgenomen (Bkl, art. 5.91). Aangezien hieruit blijkt dat binnen 50 meter van het agrarisch perceel geen geurgevoelige gebouwen worden toegestaan binnen het bouwvlak is het aanhouden van een grotere afstand voor het bouwvlak t.o.v. het agrarische bedrijf niet nodig. Met deze regel(s) worden de belangen van het agrarisch bedrijf in voldoende mate beschermd.
2.6
Conclusie
Dit onderdeel van de zienswijze is ongegrond.
Zienswijze – akoestische situatie woning
Indieners stellen dat er geen specifiek onderzoek is uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor hun woon- en leefklimaat, terwijl op het perceel veel voertuigbewegingen worden verwacht door zowel garage- als verhuuractiviteiten. Volgens hen is enkel een standaardtoets aan de richtafstanden uit Bedrijven en Milieuzonering gedaan, waarbij bovendien discutabel is aangenomen dat sprake is van een gemengd gebied. Door de verhuuractiviteiten zal het aantal verkeersbewegingen volgens indieners aanzienlijk hoger liggen, mogelijk ook in de nacht of vroege ochtend (vóór 7.00 uur), wat relevant is voor de geluidbeoordeling. Over deze mogelijke hinder wordt volgens hen in het geheel geen inzicht gegeven. De omgeving en locatie van het plangebied worden gezien als ‘gemengd gebied’ conform de VNG richtlijn. Dit aangezien er lokaal sprake is van matige tot sterke functiemenging is er sprake van gemengd gebied. Er wordt ruim voldaan aan de richtafstand t.o.v. omliggende bedrijven en/of gevoelige functies zoals wonen waardoor eventuele aanvullende (akoestische) onderzoeken overbodig zijn.
Reactie gemeente
Dit blijkt ook uit bijlage 3 Bedrijven en Milieuzonering waarin dit onderbouwd is. Zie bijlvoorbeeld uit dit betreffende document paragraaf 3.4 en afbeelding 7 inclusief toelichting.
2.7
Conclusie
Dit onderdeel van de zienswijze is ongegrond.
Zienswijze – bouwmogelijkhede n
Indieners wijzen erop dat direct achter hun woning een bouwhoogte van 25 meter is toegestaan, terwijl op aangrenzende percelen binnen het voormalige bestemmingsplan Kraaiven maximaal 15 meter mag worden gebouwd. Volgens hen ontbreekt elke stedenbouwkundige onderbouwing voor deze verhoging en is niet onderzocht welke effecten dit heeft op de omgeving. Indieners concluderen dat het ontwerpbesluit aanzienlijk meer bebouwing mogelijk maakt dan noodzakelijk, met vooral negatieve gevolgen voor hun woonomgeving. De afstand tussen de locatie van de indieners en het hoogte accent is ongeveer 150 meter. Er is dus geen sprake van nieuwbouw direct achter de woning. Gezien de beweging van de zon, de hoogte van het gebouw en de afstand zal er geen sprake zijn van schaduwwerking op het perceel. Ook is er in de huidige situatie sprake van meerdere bedrijfsgebouwen op het perceel aan de IJpelareweg 54. Deze bedrijfsgebouwen beperken het zicht op het hoogteaccent al grotendeels.
Reactie gemeente
Er is zodoende een ruime afstand tussen de woning en het hoogte accent en door de situering is de ondervonden hinder zeer beperkt tot nihil. Ook is er geen recht op vrij uitzicht en is er in de bestaande situatie reeds sprake van intensieve bebouwing aan de gehele zuidzijde van het perceel. Dit door de bestaande bebouwing aan de Grootvenstraat. Verder is de opgave binnen het programma revitaliseren bedrijventerrein en het beleid voor Toekomstbestendige Werklocaties om ruimte voor werk optimaal te benutten. Daarbij wordt tevens ingezet op de mogelijkheid voor gestapelde werkgebouwen. De keuze in deze om hoger te bouwen hangt hier direct mee samen en voorziet in het optimaal benutten van de ruimte op het kavel.
Conclusie 2.8
Zienswijze – parkeren
Reactie gemeente
De bebouwing is georiënteerd op de Midden-Brabantweg en sluit qua massa/stedenbouwkundige opbouw aan op de al bestaande bebouwing aan de autoboulevard. Dit onderdeel van de zienswijze is ongegrond. Indieners stellen dat het plan veel te weinig parkeerruimte voorziet voor vrachtwagens en bestelwagens. Volgens de toelichting zijn 39 vrachtwagenplaatsen en 131 plaatsen voor bestel- en personenauto’s voorzien, terwijl op de huidige locatie ruim 100 vrachtwagens en opleggers geparkeerd staan. Zij vinden het daarom onrealistisch dat in de nieuwe situatie minder ruimte nodig zou zijn en vrezen dat er in werkelijkheid veel meer vrachtwagens worden gestald dan het plan suggereert. Daarnaast wijzen zij op fouten in de parkeerbehoefte berekening: er wordt gerekend met 8.900 m² bvo in plaats van de in het plan genoemde 9.900 m², waardoor de parkeerbehoefte te laag wordt ingeschat. Ook wordt volgens hen ten onrechte gerekend met 163 parkeerplaatsen voor personenauto’s, terwijl er slechts 131 worden gerealiseerd; vrachtwagenplaatsen kunnen niet meetellen. Tot slot is volgens indieners een fout gemaakt bij de norm voor de showroom, waar 1,9 parkeerplaatsen per 100 m² is aangehouden, terwijl volgens de gemeentelijke Nota Parkeernormen 2 per 100 m² vereist is. Hierdoor is de parkeerberekening feitelijk onjuist en niet in overeenstemming met de gemeentelijke regels.
In de toelichting is gerekend met de verwachte bouwmassa en de vigerende
parkeernormen. In verband met flexibiliteit is ervoor gekozen om de bouwvlakken en bouwmassa wat ruimer op te nemen. Dit gaat niet leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen omdat de parkeernormen nota een minimaal aantal parkeerplaatsen eist. Dus als er groter wordt gebouwd zullen er ook meer parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Zoals hierboven aangegeven zien wij de massa bebouwing op deze locatie als inpasbaar. Het is aan initiatiefnemer om te zorgen voor voldoende parkeerplaatsen conform de parkeernormen nota. Dit wordt getoetst in de aanvraag omgevingsvergunning en wanneer er niet wordt voldaan aan de parkeernormen zal de aanvraag moeten worden geweigerd. Wel is in februari 2026 een nieuwe parkeernormennota vastgesteld welke per april 2026 in werking is getreden. Het plan is getoetst aan de nieuwe parkeernormen nota. En gebleken is dat daaraan wordt voldaan. Er is in de meest actuele nota parkeernormen géén specifieke norm voor showroom opgenomen. Er moet daarom worden aangesloten bij de norm die daar het best bij past. De laatste nota parkeernormen van de gemeente Tilburg waarin showroom als specifieke functie werd genoemd, was de nota uit 2011. Daar werd deze toegewezen aan een arbeidsintensief bedrijf. In de actuele nota parkeernormen is deze categorie nog wel opgenomen, alleen is de verwijzing naar showroom er uitgehaald.
De parkeernorm die hoort bij een arbeidsintensief bedrijf is 1,9 per 100 m² BVO. Deze is in de berekeningen toegepast en akkoord.
2.9
2.10
2.11
Conclusie
Dit onderdeel van de zienswijze is ongegrond.
Zienswijze – verkeersgeneratie Reactie gemeente
De verkeersgeneratie is niet juist in beeld gebracht.
Conclusie
De zienswijze is ongegrond als het gaat om de verkeersgeneratie.
Zienswijze – ontsluiting Reactie gemeente
Het kruisen van het twee-richtingen snelfietspad voor de ontsluiting, leidt tot een verkeersgevaarlijke situatie. Om te voorkomen dat de ontsluiting in de bocht komt te liggen worden de twee bestaande inritten samengevoegd tot één inrit, deze komt voorbij de bocht te liggen. Hoewel de inrit intensiever wordt gebruikt dan de bestaande inritten, is het terugbrengen van twee naar een inrit en de keuze om de inrit niet in maar voorbij de bocht te leggen, een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Bij het verlaten van de inrit en bij het inrijden van de inrit moet voorrang worden verleend aan het verkeer op het fietspad. De verkeersveiligheid is daarmee voldoende geborgd.
Conclusie
De zienswijze is op dit punt ongegrond.
Zienswijze – stikstofberekening
Indieners geven aan dat de stikstofberekening niet te controleren is, omdat invoergegevens onterecht zijn geanonimiseerd. Verder is de berekening volgens hen niet uitgevoerd met de verplichte, meest recente versie van AERIUS Calculator (versie oktober 2025). Ook is alleen gerekend met koude starts voor licht en middelzwaar verkeer, terwijl koude starts van zwaar
In de rapportage is aangegeven dat er 4350 vrachtwagens rijden per jaar, wat neerkomt op 17 per werkdag, uitgaande van 250 werkdagen per jaar. Uit de rapportage is niet te achterhalen of er inderdaad sprake is van 4350 vrachtwagens per jaar of van 4350 vrachtwagenbewegingen per jaar. In afstemming met aanvrager is dit verduidelijkt en er is sprake van 4350 verkeersbewegingen. Dit staat als zodanig ook aangegeven in paragraaf 5.1.1 en tabel 5.3. Daar wordt gesproken over verkeersbewegingen en zodoende is voldoende duidelijk dat het gaat om verkeersbewegingen.
Reactie gemeente
vrachtverkeer ontbreken. Dat is volgens indieners onjuist, omdat volgens de Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2025 al het verkeer boven 20 ton tot zwaar verkeer hoort te worden gerekend. Juist deze categorie veroorzaakt bij koude start vaak de hoogste stikstofemissie. Indieners geven aan zich het recht te behouden voor om hierover in beroep aanvullende gronden in te dienen. De opmerkingen over de anonimisering zijn eerder in paragraaf 2.3 behandeld. Er is inderdaad sprake van enkele gebreken en in de Aerius berekening. Er is een nieuwe berekening opgesteld en toegevoegd aan het plan. Deze berekening leidt niet tot een andere uitkomst.
2.12
Conclusie
Dit onderdeel van de zienswijze is gegrond. Dit leidt echter niet tot een wijziging van het plan.
Zienswijze – aanmeldnotitie Mer Reactie gemeente
Er is geen besluit over de aanmeldnotitie gevoegd en daardoor niet voldaan aan de wettelijke vereisten. Zie het collegebesluit d.d. 2 december 2025. Hierin is expliciet besloten door het college dat geen MER beoordeling noodzakelijk is. Dit onderdeel van de zienswijze is ongegrond.
Conclusie Conclusie:
De zienswijze is gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het TAMomgevingsplan.
Zienswijze 3.
Van Mossel
Zienswijze tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan 3.1
Zienswijze – recht van overpad Reactie gemeente
Indiener betwijfelt of er recht van overpad gegeven zou moeten worden over hun terrein van Kraaivenstraat 4. Zowel in het huidige plan als het ontwerp plan is er tussen het bedrijf en de Kraaivenstraat sprake van een bestemming “Verkeer-Verblijf”. Onderhavig aanpassing van het Omgevingsplan zorgt niet voor een verandering van de planologische (on)mogelijkheden als het gaat om de aansluiting op de Kraaivenstraat. In zoverre is de zienswijze ongegrond. De plangrens blijft op afstand van de gronden die in eigendom zijn van Van Mossel. En er wordt geen gebruik gemaakt van gronden in eigendom van Van Mossel. En het plan maakt ook geen gebruik van een recht van overpad. Een eventueel bestaand recht van overpad is een zaak tussen partijen welke onderdeel zijn van dat recht van overpad. Dit valt buiten de scope van deze wijziging.
3.2
Conclusie
De zienswijze is op dit punt ongegrond.
Zienswijze – zicht
Indiener wil vrij zicht behouden voor hun locatie vanaf de -Brabantweg. Maar krijgen hier geen duidelijkheid over van projectontwikkelaar. De bebouwing van de nieuwe functie staat in de rooilijn van de bestaande bebouwing aan de autoboulevard aan de Midden-Brabantweg, het zicht op de bebouwing van de indiener blijft redelijkerwijs in stand. Nu is natuurlijk het zicht over de weilanden op de opslag van auto's en op de zijkant van het gebouw. Dit (zicht op de zijkant en opslag) zal door de nieuwbouw minder worden maar de belangrijkste onderdelen van het gebouw zoals het front, het hoogte accent en de showroom blijven prominent zichtbaar vanaf de MiddenBrabant weg, door het hanteren van de rooilijn en de openheid van de opslagruimte en waterberging ten noorden van het gebouw van de indiener. Net zoals alle andere autobedrijven met hun oriëntatie op de midden Brabantweg. Er bestaat geen recht op vrij uitzicht of vrij zicht. Echter met de gekozen rooilijn en landschappelijke inpassing is en blijft het perceel en de bebouwing goed zichtbaar vanaf de Midden-Brabantweg. De zienswijze is op dit punt ongegrond
Reactie gemeente
Conclusie Conclusie:
De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan.
Zienswijze 4.
Provincie Noord-Brabant
Zienswijze tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan 4.1
Zienswijze – Ontwikkelrichting
Reactie gemeente
Indiener stelt dat de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied onvoldoende is onderbouwd. Volgens hen wordt wel verwezen naar de aansluiting op de ‘autoboulevard’ ten zuiden van het plangebied, maar ontbreekt de relatie met het landelijke gebied ten noorden ervan. Omdat voor het gebied rondom het voormalige MOB-complex, inclusief de zone tot aan de Burgemeester Letschertweg en beide zijden van de Midden Brabantweg, nog een gebiedsvisie moet worden opgesteld, neemt het plan volgens de indiener feitelijk een voorschot op toekomstige keuzes. Daarmee wordt de afweging van leefbaarheid, omgevingskwaliteit, natuurwaarden en agrarische en stedelijke ontwikkeling volgens hen op voorhand beïnvloed. Zij vinden bovendien dat de vereiste lagenbenadering onvoldoende is uitgewerkt en dat daarmee niet wordt gemotiveerd waarom dit een logische uitbreidingsrichting zou zijn. Volgens cliënten is het plan hierdoor in strijd met artikel 5.56 lid 1 sub c en artikel 5.12 OV. De locatie is ingeklemd door de stads entree, het bestaande bedrijventerrein, de snelfietsroute en een buizen tracé, en het 150kV trace en de tangent in het noorden. In de vorige interim omgevingsverordening was het gebied aangewezen als “verstedelijking afweegbaar”. Het gebied heeft nu nog de bestemming agrarisch maar is allang niet meer het agrarische landschap van weleer.
Ook vormt het agrarische deel van het gebied nu mede de entree van de stad waarbij de achterkant van de boerderijen en de boerenerven met stallen, schuren en buitenopslag zich oriënteren op de Midden-Brabantweg. In dit gebied is door de aanwezigheid van allerlei infrastructuur zowel boven de grond als onder grond, verschillende functies en de versnippering met bijbehorende barrières zo groot dat de natuurlijke en landschappelijke ontwikkeling niet automatisch in stand zal blijven en het gebied zich veel meer toont als een overgangsgebied van stad naar land (wat in de interim verordening en de omgevingsvisie ook zo is aangeduid). Dit neemt niet weg dat er een goede balans moet zijn tussen rode en groen functies en die is met de positionering van het bedrijf ook gevonden naar onze mening. In verschillende beleidsstukken van de gemeente is deze locatie reeds aangewezen als een locatie voor ontwikkeling van werkgelegenheid. Ook is deze ontwikkeling in de regio Hart van Brabant besproken op 2 juni 2021 en daar op groen gezet. Ook de provincie is aanwezig bij dit regionaal overleg en deze regionale afstemming en heeft ingestemd met het op groen zetten van deze ontwikkeling.
In het programma aanpak revitalisering bedrijventerreinen (vastgesteld op 27 februari 2024) en de uitvoeringsagenda Kraaiven (vastgesteld op 15 april 2024)staat aangegeven dat we bedrijventerrein Kraaiven en de directe omgeving willen opwaarderen en toekomstbestendig maken. In de uitvoeringsagenda Kraaiven staat onderhavige ontwikkeling concreet uitgewerkt als uitvoeringsproject en past daarmee in de revitaliseringsstrategie. Ook hebben wij in onze omgevingsvisie 2040 het gebied aangewezen als “verstedelijking afweegbaar” en onderdeel van het stadsregionale park. Zie onderstaande uitsnede van pagina 52 van de omgevingsvisie 2040.
En onderstaande uitsnede van pagina 16 van deel A van de in voorbereiding zijnde omgevingsvisie 2050 waarin de locatie staat aangegeven als een verbinding/stedelijke markering. Zoals hiervoor aangegeven is het de wens om op deze locatie een duidelijke afronding van de autoboulevard te realiseren en overgang van landelijk gebied naar stedelijk gebied. Met de voorgestelde bebouwing en de ruime landschappelijke inpassing wordt deze afronding en overgang ook gerealiseerd.
Met vorenstaande is voldoende aangetoond dat er wel degelijk sprake is van een logische uitbreidingsrichting en eenduidige visie op het gebied. Er is naar onze mening geen sprake van een voorschot op toekomstige functies maar het ontwikkelen van een werklocatie op een locatie die sinds lange tijd in ons beleid staat als ontwikkellocatie. En een locatie die regionaal is afgestemd en geaccordeerd. En waarmee het stedelijk gebied duidelijk wordt afgerond.
4.2
Conclusie
De zienswijze is ongegrond.
Zienswijze – Basisprincipes zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik
Indiener is van mening dat het plan geen onderbouwing bevat van de basisprincipes van zorgvuldig ruimtegebruik. Zij vragen dit alsnog uit te werken. Volgens hen blijkt uit de toelichting dat het bedrijf vooral vanwege ruimtegebrek voor het stallen van trailers wil verplaatsen vanaf Vossenberg. Daarom vragen zij of het is overwogen om alleen dit deel van de bedrijfsactiviteiten te verplaatsen, in plaats van het hele bedrijf. Ook vragen zij wat er met het achterblijvende terrein op Vossenberg gebeurt als het volledige bedrijf verhuist. Verder vinden zij dat niet is onderzocht of op de nieuwe locatie mogelijkheden bestaan voor zorgvuldig ruimtegebruik. Sinds de start van het proces om deze locatie te ontwikkelen is het bedrijf gegroeid. Waar het eerst de bedoeling was om de achterblijf locatie niet
Reactie gemeente
meer voor het bedrijf te gebruiken is het nu zal dat het bedrijf beide locaties nodig heeft. Het bedrijf zal de oude locatie in eigendom houden en gebruiken voor de reparatieafdeling. Alleen de verhuur en verkoop afdeling verhuizen naar de nieuwe locatie.
Conclusie 4.3
Zienswijze – duurzaamheidsprincipes
Reactie gemeente
In de toelichting hebben wij een toetsing aan artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik toegevoegd. Ook verwijzen wij naar onze reactie onder 4.1 waarin we ons beleid toelichtingen om te komen tot een duurzame ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerrein Kraaiven en omgeving. De zienswijze is op dit punt gegrond. En de toelichting is hierop aangepast. Indiener stelt dat het plan vrijwel geen aandacht besteedt aan de vereiste duurzaamheidsaspecten. Zij missen een duidelijke onderbouwing op dit punten. Daarnaast vragen zij om te onderzoeken of er een functionele relatie mogelijk is met de beoogde clean energy hub aan de Stokhasseltlaan 19. Dit onderdeel is nog onvoldoende uitgewerkt en daarmee voldoet het plan niet aan artikel 5.55 lid 2 OV. Zij verzoeken om deze duurzaamheidsaspecten alsnog te onderbouwen. Er is geen specifieke ruimtelijke link met een mogelijke clean energy hub aan de Stokhasseltlaan/N261 omdat dit aan de andere kant van de tangent ligt op ruime afstand. Ook is de ontwikkeling van deze hub stopgezet. Hieronder volgt per onderdeel van artikel 5.55 lid 2 een toelichting op welke wijze hieraan wordt voldaan. a. b.
c.
d.
e.
f.
4.4
Conclusie
De zienswijze is op dit punt ongegrond.
Zienswijze – regionale afstemming Reactie gemeente
Toelichting over regionale afstemming ontbreekt.
Conclusie 4.5
Met de landschappelijke inpassing en compensatie wordt in ruimte mate de omgevingskwaliteit bevorderd; Zoals aangegeven in de reactie onder 4.1 en 4.2 wordt met deze ontwikkeling uitvoering gegeven aan de revitalisatie en duurzame ontwikkeling van het bedrijventerrein Kraaiven; Op de ontwikkeling zijn de reguliere duurzaamheidseisen van het BBL van toepassing. Hiermee wordt een afdoende duurzaam gebouw gerealiseerd; In de landschappelijke inpassing en compensatie is voldoende rekening gehouden voor waterberging en met de realisatie van bomen en groen om het gebouw wordt rekening gehouden met hittestress; Met het verduurzamen van het wagenpark ook het onderhavig bedrijf zich steeds meer richten op de verkoop en onderhoud van meer duurzame mobiliteit/logistiek/vrachtwagens /bedrijfswagens. Dit aan de hand van de normale marktwerking en aanscherping duurzaamheidseisen; Het pand voldoet aan de regels van het BBL qua duurzaamheidseisen.
Zienswijze – kwaliteitsverbetering landschap
Het plan is regionaal economisch afgestemd op 2 juni 2021 en op groen gezet. Dit is in de toelichting nu nader omschreven. De zienswijze is op dit punt gegrond maar leidt niet tot een wijziging van het plan. Indiener vindt de voorgestelde landschappelijke inpassing voorstelbaar, maar ziet meerdere onduidelijkheden en fouten in de onderbouwing van de kwaliteitsverbetering. De genoemde investeringsbedragen komen niet overeen. In de planregels is bovendien niet geborgd dat het resterende bedrag wordt gestort. Ook begrijpt indiener niet waarom in de berekening bedragen uit de Grondnota 2023 zijn gebruikt. Verder mag de
Reactie gemeente
Conclusie
waterberging volgens hen niet meetellen als kwaliteitsverbetering, omdat dit een verplicht onderdeel van de ontwikkeling zelf is. Daarnaast is onduidelijk welke delen van het struweel wel of niet zijn meegenomen, ontbreken kaartbeelden, en blijken 47 opgevoerde bomen deels buiten het plangebied te liggen. Zij verzoeken daarom het plangebied aan die zijde te verruimen. Tot slot vragen zij zich af of het planten van bomen onder de aanwezige hoogspanningsleiding überhaupt mogelijk is. Naar aanleiding van de zienswijze is de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering met berekening aangepast en geactualiseerd. Ook is een regel toegevoegd aan de voorwaardelijke verplichting dat het restant compensatiebedrag moet worden overgemaakt. Hiermee is ook publiekrechterlijk vastgelegd dat dit bedrag moet worden betaald. De bomen welke gepland zijn in de zone rondom de 150KV leiding van Tennet zijn verplaatst en liggen niet meer in de zone. Wij zien geen redenen om het plangebied aan te passen. Het landschapsplan moet worden uitgevoerd en de onderliggende bestemmingen ter plaatse van de maatregelen maakt de aanleg hiervan gewoon mogelijk. Dit is privaatrechterlijk ook vastgelegd. Opnemen in het ruimtelijk plan verandert dit kader niet en levert ook niet meer zekerheid op. Ook worden de bomen door de aanpassing gerealiseerd binnen het plangebied.
De zienswijze is op dit punt gedeeltelijk gegrond. En leidt tot een aanpassing van toelichting en regels.
Conclusie: De zienswijze is gedeeltelijk gegrond en leidt tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan.
Conclusie Uit vorenstaande blijkt dat de zienswijzen voornamelijk ongegrond zijn. Op enkele punten zijn de zienswijzen gegrond. Hieronder geven wij aan wat de aanpassingen zijn naar aanleiding van de zienswijzen. En eventuele ambtelijke aanpassingen.
Aanpassingen toelichting Update Aeriusberekeningen Na terinzagelegging van het ontwerpplan is een nieuwe aerius calculator uitgebracht. Bij vaststelling van het plan moet aan de meest recente calculator worden getoetst. Dit is uitgevoerd en leidt niet tot een andere uitkomst. De aangepaste stukken zijn toegevoegd aan de bijlagen en de oude berekeningen zijn verwijderd. Parkeernormen nota (ambtelijke aanpassing) Per april 2026 is de nieuwe parkeernormen nota in werking getreden. Deze is van toepassing op dit plan. De normen en inhoudelijke afweging is niet gewijzigd. De toelichting is aangepast en verwijst naar de nu geldende regelgeving Afwegingen inzake provinciaal beleid Naar aanleiding van de provinciale zienswijze hebben wij de toetsing aan het provinciaal beleid uitgebreid door de toetsing aan artikel 5.8 (Zorgvuldig ruimtegebruik) toe te voegen. Aanpassingen regels/bijlagen bij regels Toevoegen voorwaardelijke verplichting compensatie kwaliteitsverbetering In de regels is toegevoegd dat de noodzakelijke financiële compensatie van de kwaliteitsverbetering ook betaald moet worden. Zie het toegevoegde artikel 9.2.2 onder c. Hiermee is, in aanvulling op de privaatrechterlijke afspraken, ook publiekrechterlijk geregeld dat deze compensatie moet worden voldaan.
Aanpassingen landschappelijke inpassing/kwaliteitsverbetering Naar aanleiding van de provinciale zienswijze is de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering op enkele punten verbeterd en aangepast zodat deze in lijn is met de regionale werkafspraken kwaliteitsverbetering. Ook is een lijn bomen langs de Midden Brabantweg verplaatst in het landschapsplan. Dit omdat deze te dicht op de aanwezige 150KV leiding van Tennet gepland waren.