Bijlage 1.4 Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Marcel Warnaar, Sanne Lamers, Corinne van Gaalen
28 februari 2025
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Marcel Warnaar Sanne Lamers Corinne van Gaalen
Nibud, 28 februari 2025 In opdracht van de gemeente Tilburg
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor het publiek (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.
Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Tilburg. Met dit onderzoek wil de gemeente Tilburg inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, februari 2025
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur en -energie 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid bij huurders 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.4 Meedoenregeling 3.2.5 T-Kindpakket & Stichting Leergeld 3.2.6 Bijzondere bijstand 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.6 Uitstroompremie 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Collectieve zorgverzekering 3.3.3 Meerkosten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Bestedingsruimte per huishoudtype 4.2 Armoedeval 4.2.1 Uitstroomval 4.2.2 Doorstroomval 4.2.3 Armoedeval zorghuishoudens 4.3 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Bestedingsruimte 5.2 Aannames en aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Tilburg? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.
1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Tilburg is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: 1. Alleenstaande van 20 jaar, zelfstandig wonend; 2. Alleenstaande tussen 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd; 3. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); 4. Eenoudergezin met één jong kind (3 jaar); 5. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); 6. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 7. Paar zonder kinderen (jonger dan AOW gerechtigd); 8. Paar met twee jongere kinderen (3 en 5 jaar); 9. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); 10. Alleenstaande tot AOW-gerechtigde leeftijd met een motorische beperking ; 11. Alleenstaande (AOW-gerechtigd) met een motorische beperking. 1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. ____________________ https://www.nibud.nl/onderzoeksrapporten/rapport-meerkosten-van-het-leven-met-een-beperking-2024/
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 5
In overleg met de gemeente Tilburg is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstands-/AOW-niveau en voor 110, 120 en 130 procent van de bijstandsnorm. Voor het 20-jarige alleenstaande huishouden is in eerste instantie het sociaal minimum gekozen volgens de Toeslagenwet2. We gaan ervan uit dat de jongere zelfstandig moet wonen en dat de ouders niet kunnen bijdragen aan het levensonderhoud van de 20-jarige. De gemeente Tilburg vult dan aan tot de bijstandsnorm voor iemand van 21 jaar en ouder. Dat is het netto inkomen waarmee we rekenen voor de 20-jarige alleenstaande. 1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken.
Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere vrije bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. 1.2.4 Voorbeeldhuur en -energie Uit het Woononderzoek Nederland (WoON) van het CBS blijkt dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn afhankelijk van de grootte van het huishouden. Hierbij sluiten we aan bij de wetgeving rondom passend toewijzen. Sinds 1 januari 2016 moeten woningcorporaties bij het toewijzen van sociale huurwoningen voldoen aan de passendheidsnorm. Dat betekent dat de woningcorporaties hun sociale huurwoningen moeten verhuren aan woningzoekenden met een inkomen dat volgens de wet 'past' bij de huurprijs. Zo wordt voorkomen dat mensen met de laagste inkomens in te dure huurwoningen gaan wonen, en andersom. Voor de 20-jarige gaan we ervan uit dat deze ook passend is toegewezen. Dat wil zeggen dat deze een huur heeft waarbij er nog recht is op huurtoeslag. Dat is voor deze jongere een huur van 447 euro per maand.
De uitgaven aan energie drukken ook sterk op de begroting van huishoudens en vaak is de energiequote bij huishoudens met een laag inkomen hoger dan bij een hoger inkomen 3. De uitgaven hangen sterk samen met het energielabel van de woning en van de huishoudomvang. Beide kenmerken vormen een onderdeel van dit onderzoek. Door te
____________________ 2
https://wetten.overheid.nl/BWBR0004043/2025-01-01
3
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2024/27/compensatie-en-energiebesparing-remden-energiearmoede
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
variëren in energielabel is te zien wat de verschillende energie-uitgaven kunnen doen met de financiële positie van voorbeeldhuishoudens.
1.3
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en staan de begrotingen per huishoudtype naar inkomen.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 7
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens.4
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op meerdere inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstands-/AOW-/AIO-niveau), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 sub c. Gemiddelde maandbegrotingen De begrotingen die gepresenteerd worden in dit rapport zijn gemiddelde maandbegrotingen. In die begrotingen wordt het totaal besteedbaar maandinkomen weergegeven. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en vakantietoeslag. De vakantietoeslag wordt meestal niet maandelijks uitgekeerd en de kinderbijslag wordt een keer per kwartaal uitbetaald. In de begrotingen zijn die bedragen opgenomen als gemiddelde maandbedragen. De toeslagen die worden getoond in de begrotingen zijn afhankelijk van het bruto belastbare inkomen. Bij elk inkomensniveau hebben we het belastbare inkomen berekend dat bij het netto inkomen hoort. Hierbij hebben we rekening gehouden met de heffingskortingen, waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voor paren wordt er uitgegaan van een situatie waarin slechts een van beide partners werkt.
Deze eenverdienerssituatie is de minst gunstige situatie. Als beide partners werken, dan hebben zij bij hetzelfde bruto inkomen een hoger netto inkomen dan ____________________ 19 procent van de huishoudens met geregistreerde problematische schulden had in 2020 een laag inkomen, tegenover 5,6 procent van de huishoudens zonder geregistreerde problematische schulden (CBS, 2021, “Schuldenproblematiek in beeld”)
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
eenverdieners. Dat komt doordat beide partners dan recht hebben op heffingskortingen. Dat betekent ook dat we in dit rapport voor paren met kinderen tot 12 jaar geen rekening hebben gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als beide ouders werken, dan hebben zij daar wel recht op en ziet de inkomenssituatie er iets beter uit dan in de begrotingen in dit rapport. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Op welke manier de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens, is te zien in bijlage 2. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke regelingen.
2.3
Uitgaven
De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan een pakket voor sociale participatie een onderdeel vormt. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket is op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. De pakketten bestaan uit relatief goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De pakketten zijn vastgesteld in samenwerking met andere deskundigen. Zo bestaat het voedingspakket uit gezonde voeding zoals vastgesteld door het Voedingscentrum. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1.
Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen voor de voorbeeldhuishoudens zonder zorgkosten. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 9
Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud de volgende soorten uitgaven: • Vaste lasten. Dit zijn periodiek terugkerende uitgaven, waarbij het bedrag veelal elke periode hetzelfde is. Vaak is er een contract afgesloten voor deze uitgaven. Bijvoorbeeld de huur, energie of verzekeringen. • Reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet iedere maand terugkomen. De bedragen voor de verschillende reserveringsuitgaven zou een huishouden in principe maandelijks opzij moeten zetten om deze onregelmatige uitgaven direct te kunnen betalen. Het gaat bijvoorbeeld om witgoed, kleding of de reservering voor het eigen risico. • Huishoudelijke uitgaven. Dit zijn regelmatig terugkerende uitgaven, waarvan het bedrag per keer (per aankoopbeurt) verschilt. Bijvoorbeeld de dagelijkse boodschappen. • Sociale Participatie. Dit zijn uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. In deze rapportage vallen daaronder: contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal.
Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
De begrotingen zijn opgesteld voor zelfstandige huishoudens die al hun noodzakelijke uitgaven zelf zouden moeten kunnen betalen en niet afhankelijk hoeven te zijn van derden. Ondersteuning (in natura) van particuliere organisaties zoals de Voedselbank, vanuit de kerk of familie en bekenden nemen we niet mee in de berekeningen. Daarbij gaat het vaak om situaties waarbij sprake is van meerdere problemen (multiproblematiek) 5. In de onderliggende begrotingen gaan we hiervan niet uit.
____________________ 5
https://www.scp.nl/actueel/nieuws/2024/10/09/geen-direct-verband-tussen-schulden-en-armoede-maar-gezamenlijke-aanpak-
is-nodig
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
Bij de berekeningen en de begrotingen houden we rekening met drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Tegelijkertijd zien we dat huishoudens soms bewust afzien van het gebruik van inkomensondersteuning, omdat zij angst hebben dat zij het gekregen geld weer terug moeten betalen, zeker sinds het toeslagenschandaal. Ook hier moet aandacht voor zijn. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven.
In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 11
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2025 zijn er op dit terrein een aantal onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen. Het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen zijn met ruim 5 procent verhoogd naar aanleiding van de hoge inflatie van de afgelopen jaren. Ook de toeslagen zijn aangepast: • Het kindgebondenbudget is iets omhoog gegaan, het maximale bedrag per kind gaat € 6 per maand omhoog voor ieder kind. Het extra bedrag voor alleenstaande ouders gaat € 7 per maand omlaag; • De huurtoeslag verandert zodat alle meerpersoonshuishoudens ook een deel van de huur boven de aftoppingsgrens vergoed krijgen (40 procent) net als al voor alleenstaanden en ouderen het geval is; • De maximale zorgtoeslag stijgt met ongeveer € 8 per maand per persoon. Daar staat tegenover dat de premie basiszorgverzekering gemiddeld met € 10 per maand zal stijgen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting.
Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen vanaf 18 jaar die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minstverdienende fiscale partner. • Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Tabel 1: Landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar Algemene heffingskorting
Onder AOW-leeftijd Vanaf AOW-leeftijd
Arbeidskorting Inkomensafhankelijke combinatiekorting Ouderenkorting Alleenstaande ouderenkorting
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
2025 € 3.068 € 1.536 € 5.599 € 2.986
2024 € 3.362 € 1.735 € 5.532 € 2.950
€ 2.035 € 531
€ 2.010 € 524
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, bijvoorbeeld inkomen of vermogen. Bij het inkomen wordt verwezen naar het toetsingsinkomen, ook wel verzamelinkomen genoemd. Dit bestaat uit: inkomen uit werk en woning (box 1), inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) en inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De volgende toeslagen (2025) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het toetsingsinkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen Zorgtoeslag Inkomensgrens alleenstaand Inkomensgrens paar Vermogensgrens alleenstaand Vermogensgrens paar Maximaal maandbedrag alleenstaand Maximaal maandbedrag paar
2025 € 39.719 € 50.206 € 141.896 € 179.429 € 131 € 250
2024 € 37.496 € 47.368 € 140.213 € 177.301 € 123 € 236
Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur6 volledige huurtoeslag tot aan de kwaliteitskortingsgrens. Vanaf deze huur wordt 65 procent vergoed, tot aan de aftoppingsgrens. Daarboven ontvangen huishoudens nog 40 procent huurtoeslag tot aan de maximale huurgrens. De verschillende huurgrenzen zijn in tabel 3 opgenomen. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen Huurtoeslag Vermogensgrens per persoon Kwaliteitskortingsgrens Aftoppingsgrens huurtoeslag 1p en 2p Aftoppingsgrens huurtoeslag 3p of meer Maximale huurgrens
2025 € 37.395 € 477,20 € 682,96 € 731,93 € 900,07
2024 € 36.952 € 454,47 € 650,43 € 697,07 € 879,66
____________________ 6
De minimale basishuur is inkomensafhankelijk en bedraagt voor alleenstaanden € 199,05 en voor
meerpersoonshuishoudens € 197,24. Bij een hoger inkomen wordt de basishuur hoger.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 13
Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Tabel 4: Kinderopvangtoeslag bedragen per uur Kinderopvangtoeslag Maximale vergoeding dagopvang Maximale vergoeding buitenschoolse opvang
2025 € 10,71 € 9,52
2024 € 10,25 € 9,12
Kindgebonden budget Huishoudens met kinderen jonger dan 18 jaar kunnen in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens (waarbij gekeken wordt naar het toetsingsinkomen). Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het maximale bedrag per kind bedraagt € 209,25 per maand. Huishoudens met kinderen van 12 jaar of ouder, krijgen een extra bedrag per jaar. De maximale bedragen zijn: • tussen de 12 en 16 jaar: maximaal € 58,58 extra per kind per maand; • tussen de 16 en 17 jaar: maximaal € 78,00 extra per kind per maand. Alleenstaande ouders krijgen nog een extra bedrag: maximaal € 282,42 per maand per huishouden. Tabel 5: Kindgebonden budget Kindgebondenbudget Inkomensgrens alleenstaande Inkomensgrens paar
2025 € 28.406 € 37.545
2024 € 26.819 € 35.849
Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag per kwartaal Kinderbijslag 0 – 6 jaar 6 – 12 jaar 12 – 18 jaar
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
2025 € 286,45 € 347,83 € 409,21
2024 € 279,49 € 339,38 € 399,27
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Tilburg voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. Deze regelingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Ook wordt aangegeven hoe het lokale minimabeleid is verwerkt in de begrotingen. 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid bij huurders In de gemeente Tilburg kan door huishoudens kwijtschelding worden aangevraagd van de lokale belastingen. De voorbeeldhuishoudens in dit onderzoek zijn huurders en voor hen geldt kwijtschelding voor de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De gemeente toetst bij het vaststellen van de kwijtschelding 7 aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen op bijstandsniveau in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen.
De gemeente Tilburg houdt met beide geen rekening. Tabel 7: Gemeentelijke- en waterschapsheffingen (tarieven 2025) Lokale heffing Huishoudgrootte Afvalstoffenheffing gemeente 1-persoon 2- of meer personen Rioolheffing gemeente 1-persoon 2- of meer personen Waterzuiveringsheffing Waterschap 1-persoon (of verontreinigingsheffing) 2- of meer personen Ingezetenenheffing Waterschap (of watersysteem) per huishouden
jaarbedrag € 303,32 € 337,03 € 37,50 € 37,50 € 74,76 € 224,28 € 56,90
Bij het waterschap De Dommel, waaronder veel huurwoningen in Tilburg vallen, is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De betalingscapaciteit (en daarmee de kwijtschelding) van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt apart berekend. 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Voor inwoners met een laag inkomen biedt de gemeente Tilburg een collectieve zorgverzekering minima (CZM) aan bij zorgverzekeraars CZ en VGZ. ____________________ Voor het 20-jarig huishouden gaan we uit van de kwijtschelding volgens de volwassenennorm van de gemeente
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 15
Inwoners kunnen kiezen uit een vaste basisverzekering met verschillende aanvullende pakketten. Bij CZ: Gemeenten Start, Gemeenten Extra en Gemeenten Extra Uitgebreid Plus, bij VGZ: GemeentePakket compact, GemeentePakket Compleet en GemeentePakket Compleet plus ER. De Gemeenten Extra Uitgebreid Plus en GemeentePakket Compleet plus ER zijn duurder, maar kennen meer en hogere vergoedingen. De gemeentelijke bijdrage (bij CZ is dit inclusief de vergoeding van het eigen risico €45) is bij deze laatste pakketten hoger, waardoor de besparing hoger uitvalt. In dit onderzoek rekenen we met de premie van het meest gebruikte pakket waarin ook het eigen risico wordt vergoed. De grootste groep deelnemers in Tilburg maakt ook gebruik van dit pakket. Tabel 8: Premie en bijdrage collectieve zorgverzekering gemeente Tilburg 2025 CZ Gemeenten Start Gemeenten Extra Gemeentepakket Extra Uitgebreid Premie € 187,54 € 212,39 € 223,84 Collectiviteitskorting - € 1,93 - € 3,67 - € 4,47 Gemeentelijke bijdrage - € 17,00 - € 22,00 - € 12,92* Eigen risico door € 385/12 gemeente vergoed Premie € 168,61 € 186,72 € 206,45 VGZ
GemeentePakket compact € 181,70 - € 0,00 - € 17,00
GemeentePakket Compleet € 212,55 - € 0,00 - € 22,00
Premie Collectiviteitskorting Gemeentelijke bijdrage Eigen risico door verzekering vergoed Premie € 164,70 € 190,55 * gemeentelijke bijdrage is € 12,92 plus € 385/12 = € 45 per maand
GemeentePakket Compleet plus ER € 241,45 - € 0,00 - € 45,00 € 385/12 € 196,45
Om voor de gemeentepolis in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Tilburg een inkomensgrens van 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Bij inkomens boven 120 procent gaan we uit van een gemiddelde basisverzekering plus aanvullende verzekering. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavenpost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Huishoudens met een inkomen boven 120 procent van de bijstandsnorm kunnen niet van de collectieve verzekering gebruik maken. Voor deze huishoudens gaan we ervan uit dat zij moeten reserveren voor het verplichte eigen risico. Deze reservering is opgenomen in de post “eigen risico zorgverzekering”. Huishoudens die gebruik kunnen maken van de gemeentepolis hoeven hiervoor niet te reserveren, in het Gemeentepakket Plus is het eigen risico meeverzekerd. 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag De individuele Inkomenstoeslag (IIT) in de gemeente Tilburg is bedoeld voor huishoudens vanaf 21 jaar tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, die 60 maanden of langer een inkomen
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
hebben dat niet hoger is dan de 110 procent van de geldende bijstandsnorm en die geen zicht hebben op en inkomensverbetering in de toekomst. De hoogte van de IIT bedraagt per twaalf maanden: • € 525 voor alleenstaanden; • € 675 voor alleenstaande ouders; • € 750 voor gehuwden/samenwonenden; • € 990 voor gehuwden/samenwonenden met kinderen tussen 12 en 18 jaar. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag in een aparte tabel gepresenteerd. 3.2.4 Meedoenregeling Als onderdeel van het minimabeleid van de gemeente kunnen inwoners van Tilburg met een laag inkomen gebruik maken van vergoedingen voor leuke, leerzame en gezonde activiteiten via de Meedoenregeling. Het is bedoeld voor ieder huishouden (volwassenen en thuiswonende kinderen tot 18 jaar) met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Het gaat om een vergoeding van € 147 per jaar. De activiteiten zijn gratis tot dit bedrag als maximum. In de begrotingen is dit verrekend met de post “sociale participatie”. 3.2.5 T-Kindpakket & Stichting Leergeld Een financiële bijdrage vanuit het T-Kindpakket loopt via de Stichting Leergeld waarbij diverse vergoedingen mogelijk zijn voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar, die zijn ingeschreven bij de gemeente Tilburg.
Er geldt een inkomensgrens van 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Bij meer dan één kind is de inkomensgrens € 25 per kind per maand hoger dan 130 procent van de norm. Alle diensten zijn in natura. Het huishouden krijgt geen geld om de uitgaven te kunnen doen. Het gaat om de categorieën onderwijs, sport, cultuur en welzijn. •
• • • •
• • •
Kinderen van 12 tot 18 jaar komen in aanmerking voor een gratis fiets van de fietsenwinkel, die als nodig gerepareerd wordt. Dit is verrekend met de post “vervoer”. Voor schoolgaande kinderen verstrekt Stichting Leergeld een werkende laptop per kind. In de begrotingen is dit verrekend met de post “onderwijs”. Voor middelbare scholieren levert Stichting Leergeld de schoolspullen als pennen, schriften en een etui. Ook dit is verrekend met de post “onderwijs”. Voor alle schoolgaande kinderen zijn gymkleren beschikbaar. Dit is verrekend met de post “kleding”. Voor sport, muziek, dans of cultuur betaalt Stichting Leergeld de contributie of het lesgeld van een activiteit. Dit is verrekend met de post “sociale participatie” additioneel op de Meedoenregeling). De sportuitrusting valt hier ook onder. Dit is verrekend met de post “kleding”. Voor kinderen vanaf 5 jaar worden zwemlessen vergoed tot aan het behalen van diploma B. Voor alle kinderen verstrekt Stichting Jarige job alle benodigdheden voor een verjaardag. Dit is verrekend bij de post “diversen”.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 17
3.2.6 Bijzondere bijstand De gemeente Tilburg verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Hierbij wordt rekening gehouden met draagkracht. Bij een inkomen tot en met 120 procent van de geldende bijstandsnorm wordt geen draagkracht verondersteld. Bij een hoger inkomen wordt 50 procent van het meerinkomen als draagkracht beschouwd. Bij de berekening van de draagkracht kunnen bepaalde uitgaven in mindering worden gebracht. Voor deze rapportage is van belang dat rekening wordt gehouden met de ontvangen landelijke toeslagen: de gemeente vergelijkt de ontvangen toeslagen met de toeslagen die huishoudens zouden ontvangen met dat betreffende inkomen. Indien inwoners door het inkomen niet de volledige huur- en zorgtoeslag ontvangen, brengt de gemeente wij het verschil in mindering bij de draagkrachtberekening. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Uitzondering is het huishouden met een zorgvraag. Bij dit huishoudtype gaan we uit van een aantal veronderstellingen die worden beschreven in paragraaf 3.3. Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting.
Bij de alleenstaande van 20 jaar wordt uitgegaan van een woonkostentoeslag ter hoogte van de huursubsidie in geval er geen recht op huursubsidie is (bijvoorbeeld bij onzelfstandige woonruimte). 3.2.7 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Kinderopvang Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang voor het kind van drie jaar. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. Bij ieder inkomensniveau gaan we uit van 45 weken kinderopvang per jaar. De kinderopvangtoeslag vergoedt de kosten voor kinderopvang tot een bepaald maximum. Peuterspeelzaal Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat peuters voor hun sociale ontwikkeling naar de peuteropvang gaan voor twee dagdelen per week.
Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen boven bijstandsniveau), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang maar van de peuteropvang, omdat de niet-werkende partner op de kinderen kan passen. Als een of beide ouders niet werken, is er geen recht op kinderopvangtoeslag. In de gemeente Tilburg betalen ouders een inkomensafhankelijke bijdrage op basis van de
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
Ouderbijdragetabel peuteropvang Tilburg 2025 8. Voor ouders met een inkomen dat niet hoger is dan 120 procent van het minimum is deze opvang gratis. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post ‘kinderopvang’. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.6 Uitstroompremie Sinds 2024 kent de gemeente Tilburg tijdelijk een uitstroompremie voor personen die 24 maanden of langer een bijstandsuitkering hadden en uitstromen naar betaald werk. De premie wordt in twee delen uitgekeerd: na 3 maanden € 500 en na 6 maanden € 750. In de begroting zelf rekenen we deze regeling niet door; het gaat om een eenmalige vergoeding. Wel nemen we deze regeling mee in de beschrijving van de huishoudens als het gaat om bijvoorbeeld de armoedeval.
3.3
Huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek wordt tevens een huishouden met extra zorgkosten onderzocht. Het gaat om de twee typen alleenstaanden (tot AOW-leeftijd en vanaf AOW-leeftijd) met een motorische beperking. Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de voorzieningen van de gemeente Tilburg voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna wordt het profiel van dit huishoudtype nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de huishoudens met een zorgvraag. 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier. Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: • ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; • ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is.
3.3.2 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Tilburg een uitgebreide collectieve zorgverzekering waar huishoudens met extra zorgkosten veel profijt van kunnen hebben: het Gemeentepakket Compleet plus ER. Via dit pakket is onder meer het eigen risico meeverzekerd.
____________________ https://www.bijkinderstad.nl/sites/bijkinderstad/files/documents/Ouderbijdragetabel%202025.pdf
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 19
3.3.3 Meerkosten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, zijn zogenoemde zorgprofielen opgesteld. Vervolgens wordt bepaald welke extra kosten deze huishoudens hebben en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in opdracht van het Ministerie van VWS. Het profiel voor de alleenstaande met een motorische beperking ziet er als volgt uit: Het gaat om een alleenstaand persoon met een minimuminkomen die vanwege een motorische beperking rolstoelgebonden is. De beperking is niet ontstaan door een andere chronische aandoening. Deze persoon woont in een flatwoning met lift. Voor mobiliteit buitenshuis maakt hij/zij gebruik van een scootmobiel. Het opladen hiervan heeft een hogere energierekening tot gevolg. Voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en verder weg gelegen vervoer wordt gebruik gemaakt van de regiotaxi en Valys (bovenregionaal vervoer tegen gereduceerd tarief voor reizigers met een erkende mobiliteitsbeperking, www.valys.nl). Overige meerkosten: • • • • • • • •
de meest uitgebreide zorgverzekering uitgebreidere inboedelverzekering lidmaatschap van twee patiëntenverenigingen begeleiding bij het sporten kledingslijtage en extra waskosten eigen bijdrage Wmo voor woningaanpassingen eigen betalingen van medicijnen in verband met chronische ontstekingen en bloedsomloopproblemen vakantie in een aangepaste recreatiewoning.
Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: Hogere huur in verband met aanwezigheid lift De huishoudens met zorgvraag wonen in een flatwoning met een lift. Dit geeft een hogere huur van gemiddeld € 67 per maand. Dit wordt voor een deel (40 procent) gecompenseerd door een hogere huurtoeslag. Daarnaast zijn er servicekosten voor de lift en de gemeenschappelijke voorzieningen van € 24 per maand. Ook deze kosten kunnen gedeeltelijk vanuit de huurtoeslag worden vergoed. De rest komt voor rekening van de oudere zelf. Hogere energierekening De huishoudens met een zorgvraag hebben extra energiekosten, omdat de verwarming hoger staat vanwege het vele stilzitten. Dat scheelt € 29 per maand. Vanwege het gebruik van een scootmobiel, die thuis opgeladen moet worden en andere aanpassingen aan de woning, is de elektriciteitsrekening € 23 per maand hoger. Dit wordt beide verrekend met de post “energie”. Hiervoor is bijzondere bijstand mogelijk in Tilburg. Collectief vraagafhankelijk vervoer De alleenstaanden met een zorgvraag maken voor ziekenhuisbezoek (gemiddeld één keer per maand) en andere bestemmingen gebruik van de regiotaxi en Valys in plaats van het reguliere openbaar vervoer. De extra kosten per maand komen uit op € 10.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
Daarnaast veronderstellen we dat de personen met een zorgvraag geen gebruik maken van de fiets; de kosten daarvan zijn daarom uit de begroting gehaald. De vervoerskosten die uiteindelijk resteren zijn opgenomen onder de post ”vervoer”. Een uitgebreidere zorgverzekering Voor de huishoudens met een zorgvraag en een inkomen tot en met 120 procent van de norm rekenen we met het Gemeentepakket Compleet inclusief Eigen Risico. Een uitgebreidere inboedelverzekering Door de motorische problemen, gaan er vaker dingen stuk bij de huishoudens met een zorgvraag. Daarom is er een uitgebreidere inboedelverzekering nodig. De kosten hiervan zijn 2 euro per maand. In de begrotingen gaan we niet uit van vergoeding vanuit de bijzondere bijstand. Lidmaatschap patiëntenvereniging We gaan ervan uit dat het huishouden lid is van twee patiëntenverenigingen. Hiervoor rekenen we € 3 euro per maand. Dit is meegenomen bij de post “contributies en abonnementen”. In de begrotingen gaan we niet uit van vergoeding vanuit de bijzondere bijstand. Begeleiding bij het sporten De kosten van een sportabonnement zijn opgenomen bij de post “sociale participatie”. Voor inwoners met een inkomen tot 120 procent van de norm wordt dit vergoed vanuit de Meedoenregeling. Het zorghuishouden zal echter ook een begeleider nodig hebben. We gaan uit van een bezoek aan het zwembad.
Deze kosten van € 24 per maand zijn opgeteld bij de post “sociale participatie”. In de begrotingen gaan we niet uit van vergoeding vanuit de bijzondere bijstand. Kledingslijtage en extra waskosten Voor de extra waskosten gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op € 6 per maand. De slijtage van kleding die daar het gevolg van is geeft extra kosten van € 31 per maand. Voor de extra waskosten en de extra kosten vanwege kledingslijtage is in Tilburg bijzondere bijstand mogelijk, waarbij we rekening houden met de draagkracht. Kosten die eventueel zelf nog betaald moeten worden zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “was- en schoonmaakartikelen” en “kleding”. Woningaanpassing De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage bedraagt € 21,00 per maand. Voor paren onder de AOW-leeftijd geldt er geen eigen bijdrage. In de begrotingen gaan we ervan uit dat gebruik wordt gemaakt van de collectieve zorgverzekering (Gemeentepakket Compleet plus ER). Deze verzekering dekt de kosten van de eigen bijdrage en deze hoeft dus niet zelf betaald te worden.
Wanneer geen gebruik van de collectieve zorgverzekering kan worden gemaakt (bij een inkomen boven 120 procent van het minimum) moet het huishouden de eigen bijdrage Wmo wel zelf betalen. Dit wordt verrekend met de uitgavenpost “eigen betalingen zorg”. Voor de eigen bijdrage WMO is bijzondere bijstand mogelijk.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 21
Medicijnen Voor de eigen betalingen voor medicijnen rekenen we € 22 per maand. Wanneer de eigen bijdragen onder het wettelijk jaarlijks eigen risico vallen, is geen bijzondere bijstand mogelijk. Daarbuiten kan bijzondere bijstand tot de mogelijkheid behoren als er sprake is van een opstapeling van meerdere eigen bijdragen. In de begrotingen gaan we niet uit van vergoeding vanuit de bijzondere bijstand9. Vakantie in een aangepaste recreatiewoning Omdat het zorghuishouden rolstoelgebonden is, zal daar bij de vakantiewoning rekening mee gehouden moeten worden. Dit leidt tot extra kosten, die neerkomen op € 7 per maand. Dit is verrekend met de post “sociale participatie”. In de begrotingen gaan we niet uit van vergoeding vanuit de bijzondere bijstand. Attentiekosten Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog € 8 per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post “eigen betalingen zorg”. In de begrotingen gaan we niet uit van vergoeding vanuit de bijzondere bijstand.
____________________
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van de berekeningen naar het effect van landelijke en lokale inkomensondersteuning op de begroting van huishoudens. De begrotingen zijn gepresenteerd in bijlage 2, hierbij zijn de inkomsten afgezet tegen de uitgaven. Het resultaat van deze begroting (inkomsten minus uitgaven) geeft het beeld weer wat het huishouden overhoudt of te kort komt als alle uitgaven zijn gedaan. Deze resultaten zijn in onderstaande tabel gepresenteerd en kunnen positieve of negatieve waarden opleveren, het huishouden houdt geld over of komt geld te kort. Als het huishouden te maken heeft met een tekort op de maandbegroting dan is dit getal in rood weergegeven. Wanneer het huishouden minder overhoudt bij een hoger inkomen in vergelijking tot één of meerdere lagere inkomens (armoedeval), dan is dit zichtbaar gemaakt via een oranje kleur. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering € 142 per maand resteert nadat alle uitgaven zijn gedaan. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen. Tabel 9: Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand
Huishoudtype
100
110
120
130
01. alleenstaande 20 jaar
198
227
362
469
02. alleenstaande tot AOW-leeftijd
142
172
306
413
03. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd
368
424
572
645
04. paar tot AOW-leeftijd zonder kinderen
158
228
399
430
05. eenoudergezin met 1 jong kind
488
469
588
681
06. eenoudergezin met 2 jonge kinderen
595
564
678
760
07. eenoudergezin met 2 oudere kinderen
361
374
509
591
08. paar met 2 jonge kinderen
426
496
667
658
09. paar met 2 oudere kinderen
219
289
460
465
10. alleenstaande onder AOW-leeftijd met zorg
61
89
223
329
11. alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg
286
337
484
556
4.1
Bestedingsruimte per huishoudtype
1. Alleenstaande tussen 18 en 21 jaar In de gemeente Tilburg heeft een alleenstaande van 20 jaar die zelfstandig moet wonen en aantoonbaar geen ondersteuning van ouders krijgt met een inkomen op bijstandsniveau (inclusief de Jongerentoeslag) een positief saldo van € 198 nadat alle uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie zijn voldaan. Deze alleenstaande heeft een passende woning, dat wil zeggen kleiner dan voor een alleenstaande van boven de 21. We gaan ervan uit, dat dit huishouden ofwel huurtoeslag ofwel een woonkostentoeslag ontvangt.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 23
2. Alleenstaande Een alleenstaande tussen 21 jaar en de AOW-leeftijd met een inkomen op bijstandsniveau heeft een positief saldo van € 142 nadat alle uitgaven zijn gedaan. Bij 110 procent van de norm resteert € 172. Op 120 procent is het saldo een stuk hoger, namelijk € 306 maand. Dit loopt op naar € 413 op 130 procent. Dit huishouden houdt minder over dan de alleenstaande van 20, omdat dit huishouden een kwalitatief betere (en dus duurdere) woning heeft. De huurtoeslag vergoedt niet volledig deze extra huur. 3. Alleenstaande oudere Een alleenstaande oudere heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, ruim meer bestedingsruimte dan een jongere alleenstaande. Met alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen is er een bestedingsruimte van € 368 per maand. Dit loopt op naar € 645 bij 130 procent. Het maandelijkse AOW-bedrag is hoger dan de bijstand waardoor deze huishoudens meer bestedingsruimte hebben. 4. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een positief saldo van € 158 per maand. Bij een inkomen van 110 procent is de bestedingsruimte € 228 per maand, bij 130 procent is de bestedingsruimte met € 430 per maand. Meestal zien we bij paren een lager saldo dan bij alleenstaanden.
Een oorzaak ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding, die niet worden gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande (ouder). In de gemeente Tilburg zien we dit niet vanwege de Meedoenregeling die per volwassenen (bij paren 2 x) geldt. 4. Eenoudergezin met één jong kind (3 jaar) Het eenoudergezin met één jong kind heeft voldoende inkomsten om de uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau houdt dit gezin € 488 vrij te besteden over. Dit huishouden heeft naast het netto inkomen te maken met verschillende inkomstenbronnen zoals de toeslagen, het kindgebonden budget en de kinderbijslag. Op 110 procent is de bestedingsruimte lager, te weten € 469. In de volgende paragraaf gaan we dieper in op de oorzaak achter de lagere bestedingsruimte op 110 procent ten opzichte van de bijstandsnorm. 5. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft ruim voldoende inkomsten (uit diverse inkomstenbronnen) om alle minimale uitgaven te kunnen doen. Op bijstandsniveau is het saldo € 595. Op 110 procent is dit weer een lager saldo van € 564, evenals bij het vorige huishoudtype. 6.
Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: € 361 op bijstandsniveau. Dit bedrag loopt op tot € 591 op 130 procent. Dat de bestedingsruimte per maand lager is dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen, wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en de hogere tegemoetkoming voor oudere kinderen vanuit Stichting Leergeld (T-Kindpakket). 8. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft op bijstandsniveau een saldo van € 426 per maand. Dit loopt op naar € 658 bij 130 procent. Dat het paar met jonge kinderen meer ruimte heeft dan het paar zonder kinderen, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning de extra kosten van de twee jonge kinderen meer dan compenseren. Bij het inkomen op 130 procent zien we dat het saldo lager is dan bij het inkomen op 120 procent. Hier gaan we in paragraaf 4.2 dieper op in. 9. Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen kan ook op alle een inkomensniveaus de maandbegroting rondkrijgen. Op bijstandsniveau is er sprake van een saldo van € 219. Bij 110 procent is € 289 en bij 120 procent is het saldo ruimer hoger namelijk € 460. Bij 130 procent nemen is de toename in saldo nihil, te weten € 5. Zie paragraaf 4.2 voor meer informatie hierover. Evenals bij alleenstaande ouders is bestedingsruimte van een paar met oudere kinderen op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan van het paar met jonge kinderen.
De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen aan onder meer onderwijs, voeding en kleiding. Ook de vergoedingen voor kinderen uit het minimabeleid (die in zijn totaliteit voor oudere kinderen wat hoger liggen dan voor jonge kinderen) kunnen dit niet compenseren. 12. Alleenstaande met chronische ziekte of beperking De alleenstaande met een chronische ziekte of beperking heeft op bijstandsniveau een klein bedrag aan vrije bestedingsruimte van € 61 per maand. Op 110 procent dat iets hoger te weten € 89. Dat is nog steeds niet heel veel en dat maakt dit huishouden erg kwetsbaar. Als er sprake is van hogere meerkosten in verband met de zorgvraag, dan zal dit al snel tot tekorten leiden. Vanaf 120 procent is er sprake van een ruimere bestedingsruimte: € 223 op 120 procent, oplopend naar € 329 op 130 procent. De lage bestedingsruimte wordt veroorzaakt door de zorgkosten. Het merendeel van de zorgkosten wordt weliswaar vergoed door de zorgverzekering en de bijzondere bijstand, toch heeft dit huishouden eigen betalingen voor zorgkosten. Het verschil in bestedingsruimte vergeleken met een alleenstaande zonder zorgvraag ligt rond de € 80 per maand. 13.
Alleenstaande oudere met chronische ziekte of beperking Ook de alleenstaande oudere met een zorgvraag heeft minder bestedingsruimte dan zonder zorgvraag. De vrije bestedingsruimte ruimte is groter dan bij zorghuishouden onder de AOW-leeftijd. Bij alleen een AOW-uitkering zonder aanvullend pensioen, resteert er bij de zorgvraag € 286 per maand. Dit loopt op naar € 556 per maand bij 130 procent. Het verschil in bestedingsruimte (tussen met en zonder zorgkosten) neemt iets toe naarmate het inkomen stijgt. Dit komt door de hogere draagkracht voor de bijzondere bijstand en het wegvallen van vergoedingen voor diverse zorgkosten.
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025| 25
4.2
Armoedeval
Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 110, 120 en 130 procent van het netto minimuminkomen gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Een armoedeval kan ontstaan door een stijging van het salaris, bijvoorbeeld als iemand meer uren gaat werken. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. Figuur 1: Ontwikkeling saldo naar inkomensniveaus
Minima-effectrapportage gemeente Tilburg 2025
In de figuur is in één oogopslag te zien welke huishoudtypen te maken hebben met een uit- of doorstroomval. Idealiter zie je over de hele linie een stijgende lijn. Dat betekent dat een hoger inkomen ook leidt tot een hoger besteedbaar inkomen. 4.2.1 Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Tilburg doet zich dit alleen voor bij de eenoudergezinnen met jonge kinderen: bij het inkomen op 110 procent van de norm is de bestedingsruimte lager dan op bijstandsniveau. Voor het eenoudergezin met twee oudere kinderen is er wel een stijging van inkomen op 110 procent ten opzichte van het bijstandsniveau, maar deze is gering. Bij het inkomen op 110 procent houdt dit huishoudtype € 13 meer vrij te besteden over dan op bijstandsniveau. De uitstroomval bij de eenoudergezinnen met jonge kinderen wordt vooral veroorzaakt door de kosten voor kinderopvang en de werkgerelateerde kosten in combinatie met het feit dat er bij het inkomen boven bijstandsniveau geen recht meer is op kwijtschelding. Bij het inkomen op 110 procent van de norm bedraagt de eigen betaling aan kinderopvang bij 1 kind € 32 per maand en bij 2 kinderen € 44 per maand. Voor de werkgerelateerde kosten rekenen we een bedrag van € 67 per maand.
Verder is er geen recht meer op kwijtschelding van lokale belastingen wat € 55 per maand scheelt. Dit alles bij elkaar leidt tot een uitstroomval. Bij de eenoudergezin met oudere kinderen spelen dezelfde factoren, behalve de kosten voor kinderopvang. Hierdoor is de bestedingsruimte op 110 procent niet lager dan op bijstandsniveau, maar ook nauwelijks hoger. Overigens zien we ook bij de andere onderzochte huishoudtypen dat de bestedingsruimte op 110 procent niet evenredig toeneemt met het netto inkomen. Ook hier zijn het wegvallen van het recht op kwijtschelding van lokale lasten en werkgerelateerde kosten de oorzaak. De gemeente Tilburg kent tijdelijk een uitstroompremie (zie paragraaf 3.2.6). Deze verzacht de uitstroomval in het eerste jaar. 4.2.2 Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In de gemeente Tilburg is bij het paar met jonge kinderen een doorstroomval zichtbaar bij een overgang van een inkomen van 120 naar 130 procent van het minimum. Bij paren oudere kinderen neemt de bestedingsruimte op 130 procent nauwelijks toe met € 5. Wat we hier zien is dat de afname van de landelijke toeslagen gecombineerd met het wegvallen van enkele lokale regelingen tot een lager saldo bij het hogere inkomen leidt.