CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.2 Deelrapport Monitoring Evaluatie Beleid bestaanszekerheid in Tilburg

Raadsvergadering 19 mei 2025, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel beleidsnota bestaanszekerheid 2025-2029.5.787 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

2

Rapport | augustus 2024

Partners in verbetering

Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg Bijlage bij het rapport: Evaluatie van het beleid bestaanszekerheid in Tilburg. Vanuit het perspectief van inwoners en maatschappelijke partners

Rapport BMC

Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

Inhoudsopgave H1 | Inleiding

1

1.1 Evaluatie beleid bestaanszekerheid

1

1.2 Onderzoeksvraag monitoring

1

1.3 Opbouw

1

H2 | Analyse huidige monitoring

2

2.1 Rollen en samenspel tussen raad en college

2

2.2 Doelen en indicatoren

2

2.3 Monitorinstrumenten

4

2.4 Werkwijze en samenwerking

6

H3 | Beantwoording van de onderzoeksvraag

7

3.1 Welke indicatoren kunnen gebruikt worden om de effectiviteit van het beleid te monitoren? H4 | Aanbevelingen voor doorontwikkeling

7 8

4.1 Monitoren op verschillende niveaus

8

4.2 Van monitoren op output naar monitoren op outcome

9

4.3 Doorontwikkelen instrumenten monitoring

14

4.4 Versterken van de samenwerking

16

Colofon

17

Dit document (inclusief eventuele bijlagen) is opgesteld door BMC en de (auteurs)rechten met betrekking tot de inhoud en het format van dit document berusten bij BMC. Dit document is uitsluitend bedoeld voor gebruik door de opdrachtgever en mag niet worden gepubliceerd of aan anderen ter beschikking worden gesteld zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van BMC.

Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

H1 | Inleiding 1.1 Evaluatie beleid bestaanszekerheid De gemeente Tilburg heeft BMC gevraagd een evaluatie uit te voeren van het beleid bestaanszekerheid. Het doel van de evaluatie is inzicht geven in de resultaten die voortkomen uit de beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’ en het bijbehorende uitvoeringsplan. Centraal in de evaluatie staan de ervaringen van inwoners en maatschappelijke organisaties met het beleid. Naast vragen over de evaluatie van het beleid heeft de gemeente Tilburg ook een onderzoeksvraag gesteld over de monitoring van het beleid. In eerdere evaluaties1 is geconcludeerd dat de monitoring van het beleid bestaanszekerheid nog in de kinderschoenen staat. Dat is de reden dat de gemeente Tilburg het accent in de onderzoeksvraag rond monitoring heeft gericht op de doorontwikkeling. De bevindingen en adviezen hebben we gebundeld in deze aparte rapportage. Deze is gemaakt door het onderzoeksteam dat ook de evaluatie heeft uitgevoerd. Dit borgt de samenhang tussen beide rapportages.

1.2 Onderzoeksvraag monitoring De onderzoeksvraag luidt: ‘Welke indicatoren kunnen het beste gebruikt worden voor een monitor om te meten of de gewenste effecten bereikt kunnen worden voor de toekomst?’

1.3 Opbouw De opbouw van dit (deel)rapport is als volgt. Hoofdstuk 2 biedt een analyse van de huidige wijze van monitoring: ● Welke doelen en indicatoren worden gebruikt om het beleid te monitoren? ● Van welke monitorinstrumenten wordt gebruikgemaakt? ● Hoe ziet de huidige werkwijze monitoring eruit? Hoofdstuk 3 geeft het antwoord op de onderzoeksvraag en een aantal handvatten voor de doorontwikkeling van de monitoring: ● Welke informatie is nodig om het doelbereik te kunnen monitoren en wat zijn indicatoren die iets vertellen over het resultaat voor de inwoner (outcome)? ● Wat zijn passende (wijkgerichte) monitorinstrumenten en welke doorontwikkeling vraagt dit van de monitor bestaanszekerheid? ● Wat zijn handvatten voor het organiseren van een datagedreven aanpak? De analyses zijn gebaseerd op gesprekken met beleidsmedewerkers, een onderzoeker, de manager informatievoorziening en medewerkers die betrokken zijn bij de uitvoering van regelingen bestaanszekerheid en schuldhulpverlening. Verder is geput uit de opbrengst van een kennisbijeenkomst en een documentanalyse. 1

Evaluatie van Panteia en evaluatie door de Rekenkamer

| 1 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

H2 | Analyse huidige monitoring 2.1 Rollen en samenspel tussen raad en college Tilburg werkt met kadernota’s en beleidsnota’s die beide vastgesteld worden door de gemeenteraad. Op het gebied van bestaanszekerheid is de kaderstellende rol van de raad verankerd in de kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’. De raad wordt geïnformeerd over de voortgang op het thema bestaanszekerheid (als onderdeel van de kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’) via de P&C-cyclus. Jaarlijks wordt gerapporteerd op een aantal indicatoren die gekoppeld zijn aan de gewenste maatschappelijke effecten van het beleid. Hoewel de formele route van informeren en verantwoorden op het niveau van de kaders is vastgelegd, is het gesprek hierover tussen college en raad nog onvoldoende van de grond gekomen. In het rekenkamerrapport2 geven raadsleden aan regelmatiger en op meer uniforme wijze dan nu het geval is door het college geïnformeerd te willen worden over de uitvoering en de bereikte effecten van het beleid. Ook wensen zij in een eerder stadium in gesprek te komen met het college. Als we kijken naar de wijze van monitoren en rapporteren aan college en raad, vallen de volgende zaken op: ● In de kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’ is niet beschreven hoe de doelen samenhangen met de beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’.

Dat geldt zowel voor de effecten, de indicatoren als de streefwaarden. ● Er bestaat geen integrale rapportage op het thema bestaanszekerheid voor college en raad. De rapportages vinden plaats op onderdelen, in een wisselend ritme en verschillen in de mate waarin ze kwantitatief of kwalitatief van aard zijn. Recent is een ‘spoorboekje’ toegevoegd dat inzicht geeft in de momenten en de aard van de rapportages. Deze rapportages zijn niet altijd ingebed in de jaarlijkse P&C-cyclus.

2.2 Doelen en indicatoren In de kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’ is de visie op bestaanszekerheid uitgewerkt. Deze visie is vertaald in maatschappelijke effecten (impact), indicatoren en streefwaarden. De indicatoren en streefwaarden zijn met name geformuleerd op de inkomenspositie van inwoners en dekken daarmee niet de breedte van het beleid bestaanszekerheid. De beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’ geeft invulling aan de kadernota. In de beleidsnota is het beleid in vijf sporen uiteengezet. Omdat het in de beleidsnota ontbreekt aan indicatoren, zijn deze later toegevoegd aan de kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’. De indicatoren zijn vooral geformuleerd op het niveau van output. Er zijn geen streefwaarden opgenomen en van een deel van de indicatoren is niet duidelijk op basis van welke data ze gevuld worden. In de beleidsnota is opgenomen dat gewerkt zal worden aan het opstellen van een set indicatoren aanvullend aan de indicatoren die al opgenomen zijn in de kadernota. Dat is nog niet gebeurd. 2

Zie onder andere pagina 15 uit het onderzoeksverslag van de Rekenkamer.

| 2 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

Het beleid bestaanszekerheid wordt zowel door de gemeente zelf uitgevoerd als door maatschappelijke partners. In de subsidiesystematiek wordt gewerkt met impactgericht subsidiëren. Hierbij staat zo veel mogelijk de outcome van de prestaties centraal. Hoewel deze vorm van subsidiëren nog volop in ontwikkeling is, dwingt impactgericht subsidiëren tot het formuleren van effecten en indicatoren. Omdat deze werkwijze pas sinds kort is geïntroduceerd, is de monitoring nog niet ingericht op deze manier van rapporteren. In onderstaande tabellen (tabel 1 en 2) hebben we een overzicht gemaakt van de huidige doelen en indicatoren van zowel de kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’ als de beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’. Kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’ Huidig beeld

Visie/doelen

Indicatoren

Beschikbare data

Bestaanszekerheid algemeen (als onderdeel nota ‘Sociaal en veerkrachtig’)

Visie bestaanszekerheid In de jaarrapportage aan de ● Bestaanszekerheid is raad (als onderdeel van nota meer dan inkomen ‘Sociaal en veerkrachtig’): ● % huishoudens met (ook gezondheid, wonen, meedoen en inkomen tot 110%, 120%, onderwijs) 130% minimuminkomen ● Perspectief bieden ● % inwoners dat moeite voor ontplooiing heeft met rondkomen ● Kosten wegnemen aan ● % kinderen tot 18 jaar in de voorkant uitkeringsgezin ● Inkomensondersteuning waar nodig

● CBS3 (jaarlijks) ● Gezondheidsmonitor GGD (twee- of vierjaarlijks) ● Kinderen in Tel (Verwey Jonker Instituut)

Tabel 1. Overzicht doelen en indicatoren in Kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’ Beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’ Huidig beeld

Doelen

Indicatoren

Spoor 1 Perspectief bieden vanuit nabijheid en maatwerk

● Hoeveel gesprekken zijn door de Meer persoonlijk contact en doelgerichte ondersteuning door medewerkers bestaanszekerheid maatwerk, een integrale aanpak, gevoerd4? ● Bij hoeveel mensen is de doelmatige inzet en ontwikkeling en begeleiding. Hierdoor krijgen voorgenomen versobering van de inwoners meer perspectief en worden minimaregelingen te dragen? ● Bij hoeveel mensen is een actie in ze waar mogelijk structureel onafhankelijk van minimaregelingen gang gezet om hen richting en ondersteuning verdere bestaanszekerheid te brengen?

Spoor 2

Kostenverlaging aan de voorkant

● Aantal minimahuishoudens dat

Hoewel de rapportage jaarlijks is, gebruikt het CBS gegevens die meestal twee jaar oud zijn. Deze indicator is in de uitvoering doorontwikkeld naar: 1. Beter rondkomen met het inkomen, 2. De huishoudens weten hoe ze gebruik kunnen maken van benodigde en beschikbare ondersteuning, 3. Maatschappelijke participatie naar mogelijkheden en behoefte, 4. De huishoudens hebben een vergroot gevoel dat ze zelf invloed kunnen uitoefenen op hun gevoel van welzijn. 3 4

| 3 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

Van compenserend achteraf naar kostenverlaging aan de voorkant

energiekosten weet te verlagen

Spoor 3 Preventie en vroegsignalering: breder dan alleen inkomen

Door meer interventies aan de voorkant en actieve inzet op het voorkomen van problemen, zijn mensen beter in staat om zich staande te houden, wat leidt tot minder (complexe) problematiek, waardoor compensatie met minimaregelingen minder nodig is, evenals zwaardere ondersteuning zoals schuldsanering

Spoor 4 Doorbreken van intergenerationele armoede

Kinderen die momenteel in armoede ● leven moeten op korte termijn mogelijkheden krijgen om (weer) mee te kunnen doen, om uitsluiting te voorkomen. Op de lange ● termijn moeten we ervoor zorgen dat kinderen zichzelf maximaal kunnen ontwikkelen en zo uit de situatie van ● armoede kunnen komen

Spoor 5 Het dempen van de gevolgen van Ondersteuning armoede en het creëren van vanuit voorzieningen financiële rust. Verbetering in de en minimaregelingen uitvoering en een nog groter bereik en administratieve last rond compensatie omlaag brengen. Hierdoor krijgen inwoners perspectief en worden zij waar mogelijk structureel onafhankelijk van minimaregelingen

● % huishoudens met problematische schulden ● % inwoners in bewindvoering of budgetbeheer ● % inwoners met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum dat eenzaamheid ervaart ● % inwoners met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum dat de eigen gezondheid als goed ervaart % kinderen uit huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum dat lid is van een sportvereniging % kinderen uit huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum dat lid is van een cultuurvereniging/muziekles Aantal unieke kinderen dat bereikt wordt via Leergeld

Aantal verstrekkingen Bijzondere Bijstand, Meedoenregelingen, Collectieve Ziektekostenverzekering Minima en individuele inkomenstoeslag

Tabel 2. Overzicht doelen en indicatoren in Kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’

2.3 Monitorinstrumenten In de huidige manier van monitoren wordt gebruikgemaakt van de volgende instrumenten om beleid en uitvoering te volgen: monitor bestaanszekerheid, dashboards en managementinformatie, en rapportages. Monitor bestaanszekerheid De monitor bestaanszekerheid (voorheen armoedemonitor) geeft informatie over kenmerken van huishoudens met een laag inkomen en het gebruik van een aantal regelingen. Het gaat onder andere om kwijtschelding van lokale belasting, bijzondere bijstand, collectieve

| 4 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

zorgverzekering, individuele inkomenstoeslag en de meedoenregeling. Het gebruik van regelingen is uitgesplitst voor verschillende soorten huishoudens en er is onderscheid gemaakt tussen huishoudens die korter of langer dan vier jaar een laag inkomen hebben. Er zit dus een schat aan informatie in de monitor, maar de monitor geeft geen inzicht in: ● samenloop van het gebruik aan voorzieningen; ● ondersteuning op het gebied van schuldhulpverlening; ● informatie over het (niet-)bereik van huishoudens, bijvoorbeeld door de medewerkers bestaanszekerheid en verbindende schakels; ● inspanningen door organisaties die in opdracht van de gemeente een bijdrage leveren aan de uitvoering van het beleid; ● de wijze waarop bestaanszekerheid van huishoudens zich ontwikkelt in de loop der jaren. In de gesprekken over inhoud en gebruik van de monitor komt naar voren dat de monitor nog onvoldoende onderdeel is van het huidige beleid bestaanszekerheid. Perspectief bieden, nabijheid en maatwerk zijn uitgangspunten uit het beleid die niet terug te vinden zijn in de monitor. De monitor is een losstaand product. Dit blijkt ook uit de rapportage over de monitor aan de raad. Die is niet ingebed in de beleidsrapportages. Daarmee is de monitor geen sturingsinstrument voor bestuur, beleid en uitvoering.

Dashboards en managementinformatie Er is een veelheid aan dashboards en managementinformatie die op onderdelen van het beleid bestaanszekerheid informatie geven. Deze informatieproducten zijn binnen de gemeente op verschillende plaatsen georganiseerd en primair bedoeld om specifieke primaire processen te volgen en bij te sturen (bijvoorbeeld financiële uitputting, aantal cliënten, aantal casussen). De informatie wordt in verschillende systemen bijgehouden; er is geen totaalbeeld van de prestaties op het gebied van bestaanszekerheid. De data waarmee gewerkt wordt, wisselen van kwaliteit. Twee aandachtspunten die genoemd worden zijn de volledigheid van een dataset en de actualiteit van de data. Een beperkende factor bij het integraler verwerken van data tot inzichten zijn de regels uit de AVG. Er bestaan strikte voorwaarden waaronder gegevens die tot de persoon te herleiden zijn gedeeld kunnen worden. Naast de gemeente verzamelen ook de organisaties die in opdracht van de gemeente werken informatie. Zij rapporteren hierover aan de gemeente in de vorm van jaarverantwoordingen en jaarverslagen (financieel en inhoudelijk). Deze gegevens vormen geen systematisch onderdeel van de dashboards binnen de gemeente. Rapportages Er is geen integrale rapportage waarin ook het effect van maatregelen wordt besproken.

De huidige instrumenten richten zich op onderdelen van het beleid en voorzien vooral in managementinformatie die beschrijvend is en terugkijkt op het afgelopen jaar. Op onderdelen zijn rapportages beschikbaar die veel inzicht geven in de aanpak en/of het resultaat van beleidsonderdelen. Zo is er de evaluatie van de eerste vijftig huisbezoeken en zijn er rapportages over de aanpak Maatpact die raakt aan bestaanszekerheid, omdat deze is gericht op het doorbreken van uitzichtloze situaties van inwoners.

| 5 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

2.4 Werkwijze en samenwerking Medewerkers van verschillende afdelingen geven aan dat er geen systematische samenwerking is tussen medewerkers die inhoudelijk betrokken zijn bij bestaanszekerheid en medewerkers die betrokken zijn vanuit het perspectief van informatievoorziening en onderzoek. Voor specifieke informatieproducten (monitor bestaanszekerheid, dashboards sociaal domein) zijn werkafspraken gemaakt over de manier waarop de inhoudelijke vraag vertaald wordt in data-inzichten. Er is geen overkoepelende werkwijze met bijvoorbeeld een jaaragenda, een methodische werkwijze en inbedding in de beleidscyclus. Samenwerking wordt ad hoc georganiseerd op het niveau van concrete onderzoeksvragen en/of informatieproducten. De informatieproducten (zoals monitor bestaanszekerheid en dashboards) worden weinig gebruikt. Met enige regelmaat vinden uitvragen plaats naar informatie die reeds beschikbaar is en door medewerkers zelf geraadpleegd kan worden. Beleid en uitvoering van de gemeente hebben eigen werkwijzen en systemen om informatie over bestaanszekerheid te verzamelen en ontsluiten. De gemeente stapt gefaseerd over van Cognos naar PowerBI om informatie te presenteren en analyseren. Daarmee ontstaat meer eenduidigheid. Het verzamelen en ontsluiten van informatie blijft belegd op verschillende plaatsen.

Samenvattend Samenvattend laat de analyse van de huidige situatie zien dat het op een aantal beleidssporen ontbreekt aan indicatoren, dat sommige indicatoren niet worden gebruikt, er nog onvoldoende samenhang zit in het geheel van doelen en indicatoren, dat er nog weinig zicht is op de resultaten van het beleid bestaanszekerheid en dat de informatievoorziening gefragmenteerd georganiseerd is.

| 6 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

H3 | Beantwoording van de onderzoeksvraag 3.1 Welke indicatoren kunnen gebruikt worden om de effectiviteit van het beleid te monitoren? In het hoofdrapport van de beleidsevaluatie bestaanszekerheid is de bevinding dat moeilijk inzichtelijk te maken is of de resultaten van het beleid bestaanszekerheid behaald zijn. Hiervoor worden de volgende redenen gegeven: ● Het beleid is een (her)bevestiging van eerder gemaakte keuzes. ● Een beleidscyclus van vier jaar is (te) kort om effecten te zien. ● Er zijn externe omstandigheden zoals corona en de oorlog in Oekraïne. ● Het ontbreekt aan het systematisch volgen van beleid en uitvoering met behulp van monitoring. Toegespitst op het onderwerp monitoring concluderen we dat monitoren op effectiviteit van het beleid bestaanszekerheid nog ver af staat van de huidige praktijk. De belangrijkste redenen hiervoor zijn: ● De huidige monitoring vindt gefragmenteerd plaats en is gericht op output (onder andere bereik regelingen). ● Meten op outcome vraagt andere meetinstrumenten en aanvullende gegevens. ● De data die gebruikt worden voor monitoring worden nog niet centraal ontsloten, hebben niet altijd de juiste kwaliteit en gegevens van maatschappelijke organisaties ontbreken. Op basis van deze huidige situatie is het op dit moment nog niet mogelijk om tot een sluitende set aan outcome-indicatoren te komen.

Voor het beantwoorden van deze onderzoeksvraag zijn eerst een aantal tussenstappen nodig. Een set aan indicatoren is niet voldoende om te komen tot succesvolle monitoring van het beleid op effectiviteit. Het gaat om gedragen keuzes voor bepaalde vormen van monitoring, de vertaling in de juiste instrumenten en de borging binnen de praktijk van beleid en uitvoering. Het is een grote slag om van het meten op output te gaan naar het meten op outcome (wat is het resultaat voor de inwoner). Voor het meten van de effectiviteit laten we zien met behulp van welke indicatoren effecten van beleid inzichtelijk gemaakt kunnen worden. Dit overzicht staat in paragraaf 4.2. Aanbevelingen over het implementeren van outcome-indicatoren, de keuze voor monitorinstrumenten en het gezamenlijk werken aan het realiseren van monitoring op effectiviteit staan in hoofdstuk 4.

| 7 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

H4 | Aanbevelingen voor doorontwikkeling 4.1 Monitoren op verschillende niveaus Het volgen en verantwoorden van beleid gebeurt zowel op het niveau van de kadernota als de beleidsnota5. De gemeenteraad stuurt op het bereiken van de maatschappelijke effecten uit de kadernota en geeft het college de opdracht om de maatschappelijke effecten te operationaliseren in een beleidsnota. Dat betekent dat zowel de kadernota als de beleidsnota effecten en indicatoren bevatten. ● In de kadernota gaat het om maatschappelijke effecten (impact van beleid) en indicatoren die daar iets over vertellen. Het gaat om de overkoepelende effecten van het beleid in de samenleving. ● In de beleidsnota gaat het over effecten voor inwoners (outcome van beleid) en daarbij passende indicatoren. Hier gaat het over het directe resultaat van beleid en uitvoering voor de inwoners van Tilburg. In figuur 1 hebben we samenhang tussen deze niveaus van beleid en indicatoren gevisualiseerd. Het laat zien hoe de samenhang is tussen het overkoepelende programma ‘Inclusieve stad’, de maatschappelijke effecten uit de kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’ en de effecten voor inwoners van de beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’. Dit denkkader helpt bij het maken van een samenhangend geheel aan effecten en indicatoren.

Met meer samenhang op de verschillende niveaus ontstaat helderheid over hoe de inzet vanuit de beleidsnota bijdraagt aan de effecten op het niveau van de kadernota. Dit overzicht helpt bij: ● sturen door de raad op de kaders; ● uitvoering geven van de opdracht van de raad door het college; ● het gesprek tussen raad en college over het bereiken van de gewenste effecten; ● handvatten voor beleid en uitvoering om te sturen op doelbereik van (de sporen in) het beleid bestaanszekerheid.

In de nota Kaderstelling 2022-2026 van de gemeente Tilburg is de samenhang en gewenste aanpak verder uitgewerkt. 5

| 8 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

Figuur 1. Denkkader monitoring bestaanszekerheid

4.2 Van monitoren op output naar monitoren op outcome Een van de conclusies van de evaluatie van het beleid bestaanszekerheid is dat moeilijk te beoordelen is of het beleid effectief is. Daarvoor zijn meerdere redenen. Een van de redenen is gebrek aan monitoring. De monitoring die plaatsvindt is gericht op het volgen van de output van beleid en uitvoering. De gemeente Tilburg wil graag meer inzicht in de effectiviteit van maatregelen. Helpt het wat we doen? Hiervoor is het nodig dat niet alleen informatie beschikbaar komt over bereik en gebruik (output), maar ook over het doelbereik (outcome). Om de outcome voor inwoners in beeld te brengen is een combinatie nodig van kwantitatieve (bijvoorbeeld: het aantal inwoners dat na hulp zelfstandig verder kan) en kwalitatieve informatie (bijvoorbeeld: voelt iemand zich gehoord en geholpen). Ook de ervaringen van professionals en vrijwilligers kunnen benut worden (bijvoorbeeld: toelichting op het wel of niet bereiken van resultaten voor inwoners). Dit laatste sluit ook goed aan bij een van de aanbevelingen uit de evaluatie: zet ervaringen van inwoners en professionals uit de uitvoering actief en breed in bij het doorontwikkelen, versterken en verdiepen van het beleid en de uitvoering. De doorontwikkeling van monitoren op output naar sturen op outcome is een complexe opgave.

Het vraagt onder andere: ● een gedeeld beeld van waar de invloed via activiteiten zit om het resultaat te bereiken (vergelijkbaar met de verandertheorie bij impactgericht subsidiëren); ● een keuze voor instrument(en) om resultaten meetbaar te maken. De kwalitatieve instrumenten zullen vooral door professionals in de uitvoering gebruikt gaan worden.

| 9 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

●

Het is van belang goed aan te sluiten bij hun werkwijze en de mogelijkheden die zij zien; samenwerking tussen verschillende beleidsdomeinen. Bestaanszekerheid is een breed thema. Inspanningen uit andere beleidsterreinen dragen ook bij aan de bestaanszekerheid van inwoners of hebben onbedoeld negatief effect op de bestaanszekerheid van inwoners. Het idee is om te werken met een ‘bestaanszekerheid-effectrapportage’. Dit kunnen een aantal vragen zijn die meegenomen worden bij de beleidsontwikkeling en/of uitvoering in andere domeinen. In de monitoring van het beleid bestaanszekerheid kunnen deze effecten een plaats krijgen.

In tabel 3 en 4 presenteren we een set aan outcome-indicatoren. Kadernota ‘Sociaal en veerkrachtig’ Maatschappelijk effect

Tilburgers ervaren bestaanszekerheid

Indicatoren

Databron

% huishoudens met inkomen tot 110%, 120%, 130% minimuminkomen

CBS

% inwoners dat moeite heeft met rondkomen

GGD

% kinderen tot 18 jaar in uitkeringsgezin

CBJ jeugd

Huidige indicator (zie cel hierboven) vervangen en/of aanvullen met: % kinderen tot 18 jaar in armoede

NJi

Gebruik van formele en informele voorzieningen die persoonlijke ontwikkeling mogelijk maken (Deze indicator wordt ook gebruikt in het beleid persoonlijke ontwikkeling en zelfredzaamheid)

In ontwikkeling door gemeente Tilburg

Tabel 3. Monitoring kadernota Beleidsnota ‘Bestaanszekerheid, activeren vanuit nabijheid en maatwerk’ Doelen

Outcome-indicatoren Gegevens (meetbare eenheden met (verzamelen door gemeente en/of informatie over het effect voor de maatschappelijke partners) inwoner)

Spoor 1: Perspectief bieden vanuit nabijheid en

De mate waarin inwoners zich gehoord voelen/tevreden zijn over de ondersteuning

| 10 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

Ervaring/resultaat bij de inwoner na afloop gesprek en/of traject Ervaring en aandachtspunten van

maatwerk

betrokken professional (medewerker bestaanszekerheid, verbindende schakel of anders) De mate waarin problemen zijn verminderd en/of participatie is verhoogd

Ervaring/resultaat bij de inwoner na afloop gesprek en/of traject en na 6-12 maanden navraag doen Ervaring en aandachtspunten van betrokken professional (medewerker bestaanszekerheid, verbindende schakel of anders)

Spoor 26: Van compenserend achteraf naar kostenverlaging aan de voorkant

Spoor 3: Preventie en vroegsignalering: breder dan alleen inkomen

Verhouding tussen aantal voorzieningen die inzetten op kostenverlaging aan de voorkant in verhouding tot het aantal voorzieningen die achteraf compenseren

Kwantitatieve analyse gebruik voorzieningen

Ervaren administratieve last bij inwoners

Gesprekken op basis van steekproef van gebruikers

De mate waarin de meest kwetsbare inwoners bereikt worden (o.a. jongeren).

Impactgericht subsidiëren: welke info leveren de aanbieders? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?

De mate waarin inwoners zelfstandig verder kunnen (financieel zelfredzaam)

Kwalitatief: check door professional na 6 tot 12 maanden na afronding

Tijdig hulp bieden zodat escalatie Kwantitatief: verschuiving van van problemen wordt voorkomen specialistische (bijv. bewindvoering) naar lichte hulp (bijv. preventieve hulp/thuisadministratie) Spoor 4: In de evaluatie is aangegeven Doorbreken van dat effecten moeilijk te meten en intergenerationele te duiden zijn in verband met armoede langdurende aanpak en betrokkenheid van verschillende beleidsdomeinen. Daarom doen we hier nog geen voorstel voor indicatoren

Het CBS heeft onderzoek gedaan naar intergenerationele inkomens/armoedeoverdracht. Een van de indicatoren die het CBS opvoert is de hoogte van het besteedbaar inkomen tussen generaties

In de evaluatie is geadviseerd de sporen 2 en 3 in samenhang met elkaar op te pakken. Als dit gebeurt, kunnen de voorgestelde indicatoren in dit overzicht daar opnieuw in geordend en gebruikt worden. 6

| 11 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

Spoor 5: De mate waarin er na het Ondersteuning beëindigen geen nieuwe hulp vanuit nodig is voorzieningen en minimaregelingen Ervaring van inwoners (vindbaarheid en toegankelijkheid, administratieve last/ervaren stress, schaamte gebruik)

Kwantitatief: door de tijd gebruik van voorzieningen volgen + draaideur Kwalitatief: na 6 maanden navraag bij inwoner Gesprekken op basis van steekproef gebruikers of gebruikmaken van (onderdelen) van bestaande klanttevredenheidsonderzoeken

Tabel 4. Monitoring beleidsnota met behulp van outcome indicatoren Naast outcome-indicatoren blijven output-indicatoren belangrijk Naast de effectiviteit van het beleid wil gemeente Tilburg ook overzicht hebben over het bereik en gebruik van regelingen en vormen van ondersteuning en informatie over de huishoudens die gebruikmaken van de regelingen. Deze informatie omvat aanvullende sturingsinformatie zoals trends over de tijd, inzicht in samenloop van voorzieningen, en duur van voorzieningen. Voor de sporen van het beleid wordt al veel van deze informatie verzameld (onder andere in de dashboards sociaal domein en de monitor bestaanszekerheid). In tabel 5 stellen we voor om de reeds beschikbare informatie aan te vullen met informatie toegespitst op spoor 1, 3 en 5. Omdat we adviseren spoor 2 en 3 te combineren, doen we geen voorstellen voor spoor 2. Omdat het effect van beleid spoor 4 nog moeilijk te meten is, doen we geen voorstellen voor spoor 4. Doelen

Output-indicatoren (meetbare eenheden met informatie over het bereik/gebruik)

Gegevens (verzamelen door gemeente en/of maatschappelijke partners)

Spoor 1: Perspectief bieden vanuit nabijheid en maatwerk

● Hoeveel nieuwe huishoudens zijn door medewerkers bestaanszekerheid bereikt? ● Bij hoeveel van deze huishoudens is een actie in gang gezet om hen richting verdere bestaanszekerheid te brengen? ● Hoeveel huishoudens maken gebruik van de voedselbank?

Registratie gemeente Registratie voedselbank

Spoor 3 Vroegsignalering

● Aantal huishoudens met een betalingsachterstand dat gebruikmaakt van een ondersteuningsaanbod

Registratie gemeente

| 12 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

Schuldhulpverlening

● % huishoudens met problematische schulden ● % inwoners in bewindvoering of budgetbeheer ● aantal trajecten schuldhulpverlening

Registratie gemeente

● Gebruik per voorziening en regeling Registratie gemeente Spoor 5: Ondersteuning vanuit ● Samenloop van voorzieningen in voorzieningen en combinatie met type huishouden ● Inzichten die trends in de tijd minimaregelingen bieden ● Hoeveel inwoners zijn duurzaam onafhankelijk van regelingen geworden? ● Wat is het niet-gebruik van regelingen en voorzieningen? ● Wat zijn verschillen in gebruik tussen verschillende doelgroepen (ouderen, jongvolwassenen, werkende armen, eenouderhuishoudens) Tabel 5. Monitoring beleidsnota met behulp van output-indicatoren Implementeren van monitoren op outcome We adviseren de volgende stappen voor de implementatie: 1. Verhelder het begrippenkader waarmee gewerkt wordt. Daarbij denken we aan definities van begrippen als: nabijheid en maatwerk en perspectief bieden. Hoe kunnen deze begrippen geoperationaliseerd worden en voldoen bestaande (werk)definities nog voldoende? Doe dit samen met de betrokken beleidsmedewerkers (overzicht op beleidsdoelen), medewerkers uit de uitvoering (wat werkt in de praktijk), medewerkers informatievoorziening/data (wat is mogelijk). Besteed hierbij ook aandacht aan de manier waarop organisaties en gemeente begrippen uitleggen. Eenheid van taal helpt bij eenduidige monitoring. 2. Maak gebruik van de kennis die bestaat op onder andere het gebied van jeugd en Wmo en binnen W&I.

Welke outcome-indicatoren worden gebruikt? Denk bijvoorbeeld aan de indicatorenset die het NJi heeft opgesteld voor jeugdhulp. Maak ook gebruik van de kennis van de toegang. Welke informatie wordt daar verzameld? Benut ook de informatie over impactgericht subsidiëren. Welke outcome-indicatoren gebruiken subsidiepartners? Wat werkt goed en tegen welke knelpunten lopen zij aan? 3. Bedenk welk meetinstrument gebruikt kan worden om een resultaat in beeld te brengen. In de aanpak Meedoen en Sociale Stijging (MENSS) is inzichtelijk gemaakt hoe de outcome voor inwoners inzichtelijk gemaakt kan worden, onder andere aan de hand van de participatieladder. Ook kringloopwinkel La Poubelle heeft een aanpak op doelbereik. Deze aanpak (of een variant hierop) kan ook binnen het beleid

| 13 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

bestaanszekerheid bruikbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan de participatieladder, de zelfredzaamheidsmatrix, het model positieve gezondheid of een ander instrument. 4. Bepaal streefwaarden: wanneer zijn we tevreden? Is dat bij een verbetering of is stabilisatie of het voorkomen van achteruitgang ook een resultaat? En hoe kan hierop gerapporteerd worden? 5. Beleg de verantwoordelijkheid voor het verzamelen, ontsluiten en rapporteren op de indicatoren en streefwaarden. Sluit hierbij aan op de bestaande instrumenten. 6. Bepaal hoe de monitorgegevens geborgd worden in de beleids- en uitvoeringspraktijk. In welke rapportages voor beleid en bestuur worden de inzichten gebruikt?

4.3 Doorontwikkelen instrumenten monitoring Naast het volgen van doelen wil Tilburg ook beter kunnen anticiperen op veranderingen in de populatie en maatschappelijke ontwikkelingen. Hiervoor is het nodig dat de monitorinstrumenten niet alleen beschrijvend zijn, maar ook verklarende analyses bevatten. Doorontwikkelen monitor bestaanszekerheid De monitor bestaanszekerheid is in de huidige vorm weinig toegankelijk. De monitor heeft niet de dynamische opbouw van een dashboard met mogelijkheden om informatie te filteren en te combineren, en biedt ook niet de meerwaarde van een onderzoeksrapport met daarin duiding van gegevens. In vorm kan de monitor aan kracht winnen als het een combinatie is van: ● data over output en outcome van het beleid, zowel vanuit gemeentelijke bron (aangevuld met CBS-gegevens) als vanuit bronnen maatschappelijke partners; ● data die dynamisch gepresenteerd worden (als een dashboard) met de mogelijkheid om regelmatige updates van de data (geautomatiseerd) toe te voegen; ● inhoudelijke duiding op thema’s die de lezer meeneemt in de kennis die in de monitor staat. Implementeren doorontwikkeling monitor bestaanszekerheid We doen de volgende aanbevelingen: 1.

Verken met een onderzoeker en dataspecialist welke extra inzichten in de monitor bestaanszekerheid verwerkt moeten worden en beschrijf deze (completer beeld, meer samenhang tussen variabelen en verklarende inzichten). 2. Selecteer data die toegevoegd kunnen worden om een completer beeld te krijgen van de inspanningen op bestaanszekerheid. Denk aan (niet uitputtend): trajecten schuldhulpverlening, samenloop van voorzieningen in combinatie met type huishouden, aantal huishoudens met problematische schulden, aantal inwoners in bewindvoering of budgetbeheer, aantal huishoudens met een betalingsachterstand dat gebruikmaakt van een ondersteuningsaanbod, bereik nieuwe huishoudens door medewerkers bestaanszekerheid bereikt, gebruik voedselbank. 3. Breng met een informatiespecialist databronnen, actualiteit en volledigheid van de data, en voorwaarden voor het veilig delen van de data in kaart. 4. Maak een ontwerp van een database/datawarehouse waarin data geautomatiseerd binnengehaald worden op het moment dat deze ververst worden (kan wisselen van dagelijkse tot jaarlijkse update).

| 14 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

5. Maak een ontwerp van een gebruiksvriendelijke monitor (bijvoorbeeld via een dashboard of website met de mogelijkheid rapportages samen te stellen), samen met eindgebruikers. De monitor moet niet alleen als basis voor rapportages gebruikt kunnen worden, maar ook in het dagelijks gebruik van beleidsmedewerkers, medewerkers in de uitvoering en contractmanagers. 6. Geef handreikingen over hoe de gegevens te gebruiken zijn en hoe de inzichten als onderdeel van een jaarcyclus van beleid en uitvoering een plaats kunnen krijgen. Verklarende analyses De kennis uit verklarende analyses helpt bij het doorontwikkelen van beleid (onderbouwing van doelbereik) en bij het monitoren van beleid (effecten in beeld brengen). De aanpak Maatpact en Smart Start bieden kansen om beleid beter te onderbouwen en ook van verklarende analyses te voorzien. Ons advies is om de kennis die hier inmiddels mee opgedaan is als brede basis te gebruiken. Denk daarbij bijvoorbeeld aan: ● analyse van risicofactoren en beschermende factoren in het leven die inzicht geven in de kans dat inwoners met bestaansonzekerheid te maken krijgen. Duid en verdiep de inzichten samen met partners die betrokken zijn bij de uitvoering van het beleid bestaanszekerheid.

Door de contacten die zij hebben te combineren met de kennis over risicofactoren, kunnen zij helpen om tot een scherp beeld te komen van huishoudens waar het echt slecht mee gaat, of waar je nog net op tijd bent om problemen relatief preventief aan te pakken. Ook zien zij veranderende trends vaak eerder aankomen dan de gemeente zelf; ● patronen in bereik en gebruik van bepaalde voorzieningen of bepaalde inwonersgroepen/huishoudens gedurende langere tijd; ● verklaring voor (niet-)gebruik van een voorziening. Met behulp van verklarende analyses kan bepaald worden of het verschil in kenmerken van groepen een relatie heeft met niet-gebruik. Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de meedoenregeling; ● inzicht in het effect van regelingen. Op het niveau van de regeling kan het gebruik in de tijd in beeld gebracht worden. Door dit in verband te brengen met autonome ontwikkelingen (bijvoorbeeld vergrijzing, inflatie) ontstaat een eerste inzicht in welke invloed aan de regeling toegeschreven kan worden. Vervolgens kan dit inzicht verdiept worden met behulp van kwalitatief onderzoek. Hoe kan de vooruitgang (of achteruitgang) in een casus verklaard worden? Welke verbeteringen geven inwoners aan en waar schrijven ze die aan toe? Ook de ervaring van professionals en vrijwilligers zorgt voor extra kennis.

Benutten data- en kennisbronnen Er wordt veel onderzoek gedaan naar het thema bestaanszekerheid. We noemen enkele bronnen die interessant kunnen zijn om te gebruiken bij de doorontwikkeling van de monitoring. ● nieuwe methode om armoede te meten door CBS, SCP en Nibud; ● Vroeg Eropaf-aanpak binnen de gemeente Amsterdam. Wat werkt? Met in het rapport informatie over: ○ voorspelling op bereik inwoners vroegsignalering; ○ verdiepende kwantitatieve analyse door het CBS op vroegsignalering;

| 15 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

● ● ●

●

onderzoek CBS naar intergenerationele armoede; benutten van kennis en verzamelde data in de projecten Maatpact en Smart Start7; evaluatie armoederegelingen gemeente Den Haag door het CBS, met in het rapport informatie over de aanpak om meer kennis te verzamelen over het niet-gebruik van regelingen; data van maatschappelijke partners toevoegen aan de dashboards van de gemeente. Waar mogelijk kan hierop aangesloten worden bij de voorwaarden die de gemeente stelt bij het impactgericht subsidiëren.

4.4 Versterken van de samenwerking Naast gerichte samenwerking op een specifiek onderdeel van bestaanszekerheid besteden we hier ook aandacht aan het versterken van samenwerking tussen inhoud en informatievoorziening/data. We doen de volgende aanbevelingen: 1. Start de vraag naar data-inzichten en monitor informatie bij beleidsmakers (bij bestaanszekerheid gaat het om de beleidsmedewerkers uit sociaal domein en Werk & Inkomen). Zij hebben overzicht over de inhoudelijke opgaven, de vertaling ervan in beleidsuitvoering en weten wat de bestuurlijke prioriteiten zijn. Het kan zowel gaan om nieuwe vraagstukken als om het leren en doorontwikkelen vanuit de beleidspraktijk. Afhankelijk van het vraagstuk kan het nodig zijn om ook beleidsmedewerkers uit andere beleidsdomeinen aan te haken. Immers, inspanningen rond bestaanszekerheid worden ook op andere beleidsterreinen gedaan. 2. Vertaal de inhoud naar een informatievraag. De verschillende expertises leveren een bijdrage aan het operationaliseren van het vraagstuk. Vragen die hierbij een rol spelen: wie is de eindgebruiker (college, raad, management, beleid, uitvoering) van de informatie en welk type inzicht leveren we op (managementinformatie, verklarende analyse, voorspelling en dergelijke)? Maak ook gebruik van informatie en indicatoren uit aanpalende beleidsdomeinen (onderwijs, jeugd, Wmo, gezondheid).

In deze domeinen wordt ook informatie verzameld die raakt aan bestaanszekerheid en die mede bepaalt of de bestaanszekerheid van inwoners vergroot wordt. 3. Maak passende informatieproducten op basis van de gezamenlijke analyse. Meer data verzamelen zal daarbij niet per se nodig zijn. Het gaat vooral om het combineren en analyseren van de data. Onderzoek naar welke analyses kunnen helpen om vraagstukken op te lossen, kan ook gevoed worden door kennis uit (landelijke) onderzoeken die op het thema bestaanszekerheid zijn uitgevoerd. 4. Zorg ervoor dat de informatieproducten onderdeel worden van bestaande werkprocessen. Denk hierbij aan jaarplannen, contractmanagement, P&C-cyclus, beleidscyclus en/of subsidiecyclus.

Het project Maatpact is inmiddels afgerond en geïmplementeerd. Het project Smart Start bevindt zich nog in de beginfase. 7

| 16 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

BMC Databankweg 26D 3821 AL Amersfoort Postbus 490 3800 AL Amersfoort (033) 496 52 00 info@bmc.nl www.bmc.nl KvK BMC Advies 32078667 IBAN NL91ABNA0504035754 BTW NL80.86.63.598 B.01

Colofon Augustus 2024 Classificatie

:

Openbaar

Namen adviseurs

:

● ● ● ● ●

Projectnummer

:

PO043315

Wimke Schuurmans Hanneke Vervoort Heleen Rijnkels Nora van der Linden Nore Witte

| 17 | Monitoring beleid bestaanszekerheid gemeente Tilburg

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15216424/4