Beantwoording vragen nav informatiebijeenkomst 18okt21 Raadsvoorstel tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening 2021.2
Tekst van het document
Vertrouwelijkheidsniveau: Intern
Notitie
Voor Van Kopie aan Datum Onderwerp
1.
Raad Juridische Zaken en VEW/Stadstoezicht 11 november 2021 Antwoorden op vragen raadsleden naar aanleiding van de informatiebijeenkomst over de Algemene Plaatselijke Verordening.
Vraag: Door de fractie van Lokaal Tilburg wordt gevraagd naar de 25 meter regel (bedrijven moeten binnen een straal van 25 meter het terrein schoonhouden van verontreiniging veroorzaakt door hun bedrijfsactiviteiten) en of die 25 meter uitgebreid kan worden naar 50 meter (met name voor fast food ketens). Uitgezocht wordt of het mogelijk is om die grens strenger te stellen dan de huidige regelgeving en deze vraag zal schriftelijk worden beantwoord. Antwoord: Nee, het is niet mogelijk om in de APV een strengere bepaling op te nemen dan hetgeen in artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna Activiteitenbesluit) is bepaald. De raad heeft in beginsel op grond van artikel 121 van de Gemeentewet de mogelijkheid om bestaande hogere regelgeving aan te vullen met gemeentelijke verordeningen, maar deze bevoegdheid wordt (onder andere) begrensd door de intenties van de hogere wetgever die iets heeft geregeld over hetzelfde onderwerp. Aanvulling is niet toegestaan als de hogere regeling uitputtend is bedoeld. Uit de systematiek van het Activiteitenbesluit blijkt dat de wetgever daarin expliciet heeft aangegeven wanneer gemeenten bij verordening aanvullende regels kunnen stellen. Waar die ruimte niet wordt geboden, en dat is het geval bij artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit, heeft de wetgever bedoeld dit onderwerp al uitputtend te regelen.
In de eerste Nota van Toelichting op het Activiteitenbesluit (Stb. 2007/415) staat specifiek over de 25meter-regel het volgende: “13.7 Afvalbeheer In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen was een bepaling opgenomen die er toe strekt dat uit de inrichting afkomstig zwerfafval binnen een straal van 25 meter wordt opgeruimd. Bij de totstandkoming van dit besluit is er gesproken over het uitbreiden van deze straal, voor alle onder het besluit vallende inrichtingen, naar 100 meter omdat in een aantal situaties het zwerfafval verder dan 25 meter buiten de inrichting terecht komt. De VNG gaf aan een voorstander te zijn van een dergelijke uitbreiding. De brancheorganisaties hebben nadrukkelijk en herhaald aangegeven deze verruiming in strijd te achten met het uitgangspunt van het terugbrengen van de administratieve lasten. Uiteindelijk heeft na afweging het argument van de beoogde lastenverlichting de doorslag gegeven en heeft deze verruiming tot 100 meter geen doorgang gevonden. Tijdens de inspraak is naar voren gekomen dat de VNG en een aantal gemeenten van mening zijn dat met het laten vervallen van afvalpreventie en het ophogen van de grenzen van het energiebesparingsonderzoek de milieubescherming in het gedrang komt.
Voor inrichtingen die thans onder dit besluit komen te vallen is dit voor afvalpreventie niet het geval en zijn andere, meer stimulerende, maatregelen aangewezen. Bij het onderbrengen van nieuwe bedrijven en bedrijfstakken in de tweede fase zal worden bekeken of het voor deze categorie wel opportuun en mogelijk is om voorschriften te stellen.” Ook hieruit blijkt dat de wetgever dit onderwerp uitputtend heeft willen regelen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit komen te vervallen. Dit artikel zal dan onderdeel zijn van de zogenaamde bruidsschat. De raad kan dan wel zelf bepalen of de 25-meter-regel wordt meegenomen in het Omgevingsplan, en is er dan ook ruimte om hier per gemeente maatwerk te leveren en dus, indien nodig, een afwijkende maat op te nemen.
Pagina 1 van 2
Vertrouwelijkheidsniveau: Intern
Notitie
2.
Vraag: Naar aanleiding van artikel 76 (Neerzetten van fietsen en dergelijke) wordt gevraagd naar een uitleg bij lid 4 van dit artikel en hoe het plaatsen van fiets tegen of voor een gevel gelezen moet worden. Citaat uit artikel 76 lid 4: …”Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, de gevel van een gebouw of… enz” De vraag is of dit moet zijn: …”Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, TEGEN de gevel van een gebouw of… enz” Door de afdeling zal worden uitgezocht of het woordje “TEGEN” moet worden toegevoegd en zal schriftelijk worden beantwoord. Antwoord: Naar aanleiding van deze vraag is geconstateerd dat er inderdaad sprake is van een verschrijving. De tekst van het vierde lid van artikel 76 zou als volgt moeten luiden: Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen of voor een deur, tegen de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. De verschrijving is gecorrigeerd in het raadsvoorstel dat wordt voorgelegd.
3.
Vraag: Gevraagd wordt of voor het stallen en plaatsen van deelscooters (kleinere) gebieden kunnen worden aangewezen en of dit via de APV kan worden geregeld. Dit zal door de afdeling worden uitgezocht en zal schriftelijk worden beantwoord. Antwoord: Het college vindt het in het kader van het duurzaamheidsbeleid belangrijk om deelmobiliteit te stimuleren. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat op bepaalde plaatsen excessieve overlast ontstaat als gevolg van het achterlaten van deelvoertuigen. In dat kader is ervoor gekozen om het college de mogelijkheid te geven stallingsplaatsen, wegen of weggedeelten of gebieden aan te wijzen waar het verboden is om bepaalde deelvoertuigen te plaatsen of ter gebruik aan te bieden (artikel 117a, zesde lid, van de APV). Gekozen is voor een benadering waarbij het stallen van deelvoertuigen in beginsel is toegestaan, met uitzondering van de aangewezen gebieden. Op die manier kan het stallingsverbod doelgericht worden ingezet op plekken waar de deelvoertuigen daadwerkelijk voor overlast zorgen. Het aanwijzen van kleinere gebieden waar deelvoertuigen mogen worden geplaatst zou echter tot gevolg hebben dat mensen hun bestemming niet meer met het deelvoertuig kunnen bereiken. De kans is dan aanwezig dat mensen eerder kiezen voor een ander, vervuilender vervoermiddel of voor het bezit van een auto.
Dit doet afbreuk doet aan de duurzaamheidsdoelstellingen. Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat de regels met betrekking tot het stallen van fietsen en bromfietsen uit artikel 76 van de Algemene Plaatselijke Verordening ook van toepassing zijn op deelvoertuigen. Deelvoertuigen die verkeerd zijn geplaatst kunnen door de gemeente worden verwijderd.
Pagina 2 van 2