CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen - Raadsvoorstel Huisvestingsfonds Wandelbos - PvdD-Bijlage 1

Raadsvergadering 13 april 2023, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Fase 1 Volkshuisvestingsfonds Wandelbos5.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Mitigatieplan gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 In het kader van de Wet natuurbescherming

In opdracht van: Gemeente Tilburg

Colofon In opdracht van

TBV Wonen & Gemeente Tilburg

Contactpersoon

Binur Arslan & Suzanne de Zoeten

Datum

20 september 2022

Kenmerk

RA22129-01

Aantal pagina’s

24

Status rapport

Definitief

Contactpersoon

Benjamin Backx

Telefoonnummer

06 1511 4537

E-mail

info@ecoassist.nl Backx, B.J.A., 2022. Mitigatieplan gewone dwergvleermuis,

Wijze van citeren

huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2. In het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport RA22129-01. Eco Assist, Helmond.

Eco Assist B.V.

Eco Assist is lid van het Netwerk Groene Bureaus:

Wildenborchlaan

brancheorganisatie voor kwaliteitsverbetering en

5709 RR Helmond

belangenbehartiging

06 15 114 537 info@ecoassist.nl www.ecoassist.nl Eco Assist B.V. is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor scha de welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Eco Assist; opdrachtgever vrijwaart Eco Assist voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © copyright Eco Assist B.V. / TBV Wonen & Gemeente Tilburg Dit rapport is vervaardigd op verzoek van TBV Wonen & Gemeente Tilburg. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Eco Assist, noch ma g het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

2 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

Inhoudsopgave

COLOFON ..................................................................................................................................... 2 INHOUDSOPGAVE ......................................................................................................................... 3 1.

INLEIDING ............................................................................................................................. 5

1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................ 5 1.2 DOEL ...................................................................................................................................... 5 2.

PLANGEBIED & INGREEP ........................................................................................................ 6

2.1 LOCATIE .................................................................................................................................. 6 2.2 BESCHRIJVING ......................................................................................................................... 6 2.3 AANWEZIGE BESCHERMDE FUNCTIES ....................................................................................... 7 2.4 VOORGENOMEN INGREEP ........................................................................................................ 7 2.5 PLANNING .............................................................................................................................. 7 3.

ECOLOGISCH WERKPROTOCOL ............................................................................................... 8

3.1 ALGEMENE ZORGPLICHT .......................................................................................................... 9 3.2 ALGEMENE BROEDVOGELS ....................................................................................................... 9 3.3 HUISMUS ...............................................................................................................................10 3.4 GIERZWALUW ........................................................................................................................11 3.5 GEWONE DWERGVLEERMUIS ..................................................................................................12 3.5.1 ONTMOEDIGENDE MAATREGELEN ........................................................................................12 3.5.2 ALTERNATIEVE ZOMER- EN PAARVERBLIJFPLAATSEN .............................................................14 3.5.3 ALTERNATIEVE KRAAMVERBLIJFPLAATSEN ...........................................................................16

3 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

3.6 PERIODE ................................................................................................................................17 3.7 OVERIGE MAATREGELEN .........................................................................................................17 4.

BRONNEN ............................................................................................................................19

BIJLAGE 1: LOCATIES ALTERNATIEVE VERBLIJFPLAATSEN ...............................................................20 BIJLAGE 2: WET- EN REGELGEVING................................................................................................21

4 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Huybregts Relou is bezig met de voorbereiding van de renovatie van 108 woningen in Tilburg in opdracht van TBV Wonen en Gemeente Tilburg. Ingrepen welke daartoe plaatsvinden bestaan uit zowel groot onderhoud als verduurzaming van de woningen. Uit het soortgericht onderzoek van gemeente Tilburg is gebleken dat in de te renoveren woningen nesten van gierzwaluw en huismus aanwezig zijn. Daarnaast zijn zomerverblijfplaatsen en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen te verwachten. De gewone dwergvleermuis is beschermd onder de Wet natuurbescherming. De nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen zijn eveneens jaarrond beschermd onder de Wet natuurbescherming. In het kader van de zorgplicht (Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) en het voorkomen van overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming moeten bij de voorgenomen ingreep voor de gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw mitigerende maatregelen worden getroffen. Dat zijn maatregelen die erop gericht zijn negatieve effecten op deze dieren zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te verzachten. Daarnaast dient men rekening gehouden met het broedseizoen om het verstoren van nesten van algemene broedvogelsoorten te voorkomen.

1.2 Doel De voorliggende rapportage beschrijft de handelingen die moeten worden uitgevoerd om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Het rapport beantwoordt de volgende vragen: In welke periode(n) dienen de ingrepen uitgevoerd te worden om negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis, huismus, gierzwaluw en algemene broedvogels zoveel mogelijk te voorkomen? Welke aanpassingen in de werkwijze moeten worden gedaan om negatieve effecten op de gewone dwergvleermuis, huismus, gierzwaluw en algemene broedvogels zoveel mogelijk te voorkomen? Welke voorwaarden moeten aan de ingrepen gesteld worden om de functionaliteit van het leefgebied voor de gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw te behouden?

5 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

2. Plangebied & ingreep 2.1 Locatie Het plangebied bestaat uit in totaal 108 woningen gelegen in de buurt Wandelbos in Tilburg (Noord-Brabant). De woningen bevinden zich aan de Baden Powelllaan, Gentiaanlaan, Hysopstraat, Kwendelhof, Heemsthof, Wijnruitweg, Lepelkruidhof, Melisseweg, Kruidenlaan, Zuringhof, Selderhof, Mieredikhof, Bieslookweg en het Anijshof. In Figuur 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. Bron ondergrond: OpenStreetMap, 2022.

2.2 Beschrijving Alle te renoveren woningen binnen het plangebied bestaan uit rijtjeshuizen opgetrokken uit baksteen met een luchtspouw en voorzien van een schuin pannendak. De woningen hebben houten betimmeringen en vaak ook zonneweringen en rolluiken.

6 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

2.3 Aanwezige beschermde functies Uit een nader onderzoek naar vleermuizen en broedvogels uitgevoerd door gemeente Tilburg blijkt dat in het plangebied enkele nesten van gierzwaluwen te verwachten zijn. Daarnaast is in de wijk een grote populatie huismussen aanwezig welke onder de daken broedt en worden zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen verwacht. Door de aanwezigheid van de paarverblijfplaatsen en een mogelijk vorstvrije plekken onder het dak en in de spouwmuur is het niet uitgesloten dat enkele gewone dwergvleermuizen het gebouw ook gebruiken om te overwinteren. Overige essentiële functies voor vleermuizen zijn niet binnen het plangebied bekend.

2.4 Voorgenomen ingreep TBV Wonen en gemeente Tilburg zijn voornemens 108 woningen in het Wandelbos te renoveren. Werkzaamheden welke daartoe plaatsvinden bestaan uit zowel groot onderhoud als verduurzaming van de woningen. Werkzaamheden die daartoe aan de buitenzijde (buitenstroom) uitgevoerd worden bestaan voornamelijk uit: Het compleet vervangen van de daken en goten. Na-isoleren van de spouwmuren. Herstel voegwerk gevels waar nodig. Vervangen van ramen en mogelijk ook de kozijnen. Om de werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren is het noodzakelijk de woningen in de steigers te zetten.

2.5 Planning Het voornemen is om de ingreep zo spoedig mogelijk uit te voeren. Het voornemen is om in januari 2023 te starten met renoveren.

7 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

3. Ecologisch werkprotocol Negatieve effecten op gewone dwergvleermuizen kunnen optreden doordat bij de renovatie van de woningen gewone dwergvleermuizen, huismussen en gierzwaluwen worden verstoord, verwond en/of gedood. Daarnaast gaan bij de ingreep mogelijk jaarrond beschermde nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen en zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuizen verloren. Doordat de werkzaamheden mogelijk deels in het broedseizoen plaats gaan vinden is het van belang dat het verstoren van broedgevallen van algemene broedvogels (zonder jaarrond beschermde nesten) eveneens wordt voorkomen. In dit hoofdstuk is aangegeven welke maatregelen genomen kunnen worden om schade aan gewone dwergvleermuizen, huismussen, gierzwaluwen en algemene broedvogels zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt zoveel mogelijk de kennisdocumenten voor de gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw (BIJ12, 2017) gevolgd. Werken conform de eisen uit deze kennisdocumenten geeft een grote mate van zekerheid dat de mitigerende maatregelen voldoende zijn om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast wordt met het volgen van dit werkprotocol invulling gegeven aan de Algemene zorgplicht (Artikel 1.11) uit de Wet natuurbescherming. Deze maatregelen sluiten tevens aan op de voorschriften uit het soortenmanagementplan van de gemeente Tilburg voor de Oude stad.

Daarmee kan bij het uitvoeren van de werkzaamheden gebruik gemaakt worden van de gebiedsgerichte ontheffing van de gemeente nadat zij goedkeuring hebben gegeven op het plan. Omdat gebruik gemaakt wordt van de gebiedsgerichte ontheffing is het wel noodzakelijk een plus te creëren voor de aanwezige soorten, waarmee meer gedaan wordt wat betreft het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen dan het absolute minimum zoals voorgeschreven in de kennisdocumenten. In alle gevallen moet een deskundige op het gebied van vleermuizen en broedvogels ingeschakeld worden om de best passende methode en het beste moment te be palen om de werkzaamheden uit te voeren en te controleren. Het verloop van de werkzaamheden dient vastgelegd te worden in een ecologisch logboek. Daarnaast moet dit ecologisch werkprotocol aanwezig zijn bij de werkzaamheden en alle betrokkenen dienen op de hoogte te zijn van de inhoud van dit ecologisch werkprotocol.

8 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

3.1 Algemene zorgplicht Bij het maken van de planning van de, in het kader van de ingreep, uit te voeren werkzaamheden wordt rekening gehouden met de kwetsbare perioden (voortplanting, migratie en winterrust) van de aanwezige beschermde soorten. Afhankelijk van het seizoen en de weersomstandigheden kunnen de in deze rapportage genoemde kwetsbare perioden langer dan wel korter zijn. De geschiktheid van de periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald door een deskundige op het gebied van de betreffende soort(en). Het ongeschikt of onaantrekkelijk maken van delen van het plangebied vindt plaats buiten de kwetsbare perioden van aanwezige beschermde soorten, om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. De werkzaamheden in het plangebied worden begeleid door een deskundige op het gebied van de aanwezige beschermde soort(en). Wanneer tijdens de werkzaamheden onverwachts beschermde soorten worden aangetroffen in het werkterrein dan dienen de werkzaamheden direct stilgelegd te worden en dient contact opgenomen te worden met een deskundige op het gebied van beschermde soorten. In overleg met de deskundige wordt bepaald of de werkzaamheden voortgezet kunnen worden en of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.

3.2 Algemene broedvogels Naast broedvogels met jaarrond beschermde nesten kunnen algemene broedvogelsoorten broedend worden verwacht in het plangebied tijdens het broedseizoen (globaal van maart tot en met augustus). Het verstoren van broedende vogels en het wegnemen of vernielen van eieren is niet toegestaan onder de Wet natuurbescherming. Een vaste broedperiode of seizoen bestaat niet, de kans op aanwezigheid van broedende vogels is het grootst in de periode maart tot en met juli. De periode en duur van het broeden zijn afhankelijk van de vogelsoort en de weersomstandigheden. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen daarom de volgende maatregelen te worden genomen: Werkzaamheden worden zoveel mogelijk uitgevoerd buiten het broedseizoen . Indien niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden wordt voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundige vastgesteld of broedgevallen aanwezig zijn binnen de verstoringszone van de ingreep. Dit heeft voornamelijk betrekking op de 9 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

periode van maart tot en met eind augustus. Dit wordt gedaan door te beoordelen of er binnen een straal van 50 meter van de werkzaamheden nesten aanwezig zijn. Wanneer er broedende vogels aanwezig zijn wordt op basis van de soort en afstand door de deskundige beoordeeld of de werkzaamheden tot verstoring kunnen leiden. Wanneer blijkt dat broedgevallen aanwezig zijn binnen de verstoringszone van de werkzaamheden wordt in overleg met een deskundige op het gebied van broedvogels bepaald op welke wijze verstoring voorkomen wordt. Als dit niet mogelijk is dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot alle jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer in gebruik is. Het is toegestaan om voorafgaand aan het broedseizoen maatregelen te nemen om broedvogels te ontmoedigen om in het plangebied en binnen de verstoringszone van de werkzaamheden te nestelen. Omdat er geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn leidt dit niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het ontmoedigen kan worden gedaan door de vegetatie zoveel mogelijk te verwijderen, eventuele rommelhoekjes te verwijderen en de ondergrond te egaliseren. Hierdoor is er voor vogels weinig beschutting aanwezig en neemt de kans op broedgevallen strek af. Deze maatregelen mogen alleen getroffen worden in delen van het gebied waar is vastgesteld door een deskundige dat hier nog geen broedgevallen aanwezig zijn.

3.3 Huismus Binnen het plangebied zijn jaarrond beschermde nesten van de huismus aanwezig onder de daken van de woningen. Deze gaan bij het vervangen van de daken mogelijk verloren. Ook raken deze mogelijk (tijdelijk) ongeschikt ten gevolge van verstoring door de werkzaamheden. Daarnaast kan de na-isolatie leiden tot het verstoren, doden en verwonden van huismussen als deze in hun nestplaats aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. Om negatieve effecten en overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen moeten daarom de volgende maatregelen genomen worden: Werkzaamheden welke kunnen leiden tot het verstoren van de nestplaatsen van de huismus moeten zoveel mogelijk plaatsvinden buiten de kwetsbare periode. De huismus gebruikt zijn nest jaarrond en het gehele jaar kan aangemerkt worden als kwetsbare periode voor de huismus. Hierdoor kan geen gunstige periode worden aangegeven om de activiteiten uit te voeren. Bij activiteiten die effect hebben op het nest van de huismus moeten de activiteiten plaatsvinden in de periode september tot en met februari, dat wil zeggen buiten het meest kwetsbare deel, namelijk de periode van de voortplanting, maar binnen de genoemde periode ook niet tijdens vorstperioden.

10 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

Wanneer het niet mogelijk is de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen dienen de broedplaatsen tijdelijk dicht gemaakt te worden buiten de meest kwetsbare periode (maart tot en met augustus). Dit mag pas nadat een deskundige op het gebied van de huismus heeft vastgesteld dat de nestplaat s niet in gebruik is door huismussen. Het insluiten van dieren moet daarmee voorkomen worden. Het ongeschikt maken van de woningen gebeurt door alle openingen groter dan 20 mm die toegang bieden tot de spouwmuren en ruimtes onder de dakpannen af te dichten. Dit kan onder andere door het plaatsen van vogelwering boven de dakgoot en onder de dakpannen. De woningen die tijdens het broedseizoen (1 april tot 31 augustus) worden gerenoveerd, moeten vrij zijn van nestkasten. Hiermee wordt voorkomen dat huismussen (of andere vogels) gaan broeden in deze kasten en dat ze tijdens de werkzaamheden ernstig verstoord worden en mogelijk hun broedsel of jongen verlaten. Na de renovatie dienen de daken van de woningen wederom geschikt te zijn als nest en verblijfplaats. Dit kan door de ruimte onder de onderste rij dakpannen toegankelijk te houden voor huismussen. Na het aanbrengen van dakisolatie moet daartoe een eventueel aan te brengen vogelschroot vanaf de tweede rij pannen of hoger geplaatst te worden. Hierdoor blijven de onderste dakpannen bereikbaar voor huismussen.

Aanvullend is het natuurlijk van belang dat de onderste pannen van de zijkant open zijn en niet geheel gesloten zoals bij sommige nieuwe types het geval is. Om met zekerheid te voorzien in voldoende nestgelegenheid worden alle dakranden zodanig afgewerkt dat er om de 50 tot 75 cm daklengte tenminste een nestplaats voor de huismus aanwezig is.

3.4 Gierzwaluw Binnen het plangebied zijn op basis van het onderzoek van de gemeente op twee plaatsen jaarrond beschermde nesten van de gierzwaluw aanwezig onder de daken van de te renoveren woningen. Door het na-isoleren van de spouwmuren en het vernieuwen van de daken verdwijnen deze broedplaatsen. Daarom dienen hiervoor alternatieve verblijfplaatsen aangeboden te worden. Daarnaast moet voorkomen worden dat bij de werkzaamheden gierzwaluwen worden verwond of gedood. Voer werkzaamheden welke kunnen leiden tot het verstoren van de nesten van gierzwaluwen zoveel mogelijk buiten de meest kwetsbare periode uit. De kwetsbare periode van de gierzwaluw is de voortplantingsperiode. Deze loopt van half april tot half augustus. De periode voor activiteiten die effect hebben op het bewoonde nest

11 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

van de gierzwaluw moeten in dat geval plaatsvinden in de periode half augustus tot en met half april. Wanneer het niet mogelijk is de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kunnen vooraf voorbereidende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat gierzwaluwen tot broeden kunnen komen in de woningen. Dit kan door alle invliegopeningen bij de kantpannen en tussen de dakgoten en de woningen af te dichten. Om ervoor te zorgen dat er ook na de renovatie van de woningen voldoende broedplaatsen beschikbaar zijn voor gierzwaluwen worden in totaal 20 gierzwaluwstenen ingemetseld op kopgevels welke georiënteerd zijn op het noorden en oosten, nabij de huidige nestplaatsen. Per kopgevel worden daarbij vijf neststenen ingemetseld van type IB GZ 03 van VivaraPro of vergelijkbaar. Deze worden ingebouwd op een hoogte van minimaal 5 meter, met een vrije valhoogte van minimaal 3 meter en een obstakelvrije aanvliegroute van tenminste een meter. De kasten worden ingebouwd met een onderlinge afstand van minimaal 75 cm van elkaar op de volgende adressen (zie ook Bijlage 1): - Bieslookweg 20 (5 stuks). - Kruidenlaan 282 (5 stuks). - Wijnruitweg 14 (5 stuks). - Wijnruitweg 82 (5 stuks).

3.5 Gewone dwergvleermuis 3.5.1 Ontmoedigende maatregelen Om te voorkomen dat vleermuizen tijdens de werkzaamheden worden verwond of gedood worden de volgende maatregelen getroffen: Alle openingen (open stootvoegen en scheuren) in de gemetselde muren en openingen bij de dakrand en gevelbekleding (m.n. dakrand) moeten zijn afgesloten voorafgaand aan de renovatie van de muren (voegwerk en na-isolatie) en het dak. Het dichtzetten van het gebouw moet gebeuren met zogenaamde ‘exclusion-flaps’ (zie Figuur 2). Dit zijn stukken stevig plasticfolie die aan bovenzijde en aan de zijkanten tegen de muur worden bevestigd zodat deze openingen zoals stootvoegen afdekken. Aan de onderzijde hangen deze flappen los. Ook zijn er speciaal hiervoor ontwikkelde kapjes van hard plastic te gebruiken. Deze bieden vleermuizen wel de mogelijkheid weg te komen maar verhinderen terugkeer. Het aanbrengen van de

12 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

flappen moet tenminste zeven dagen voorafgaand aan de renovatiewerkzaamheden van de buitenzijde van de gebouwen plaatsvinden. Het plaatsen van de flappen moet onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen worden uitgevoerd. Het definitief dichtmaken van de openingen en/of de renovatie mag plaatsvinden als alle gewone dwergvleermuizen de verblijfplaatsen in de woningen verlaten hebben. Na het plaatsen van de exclusion-flaps moet voldoende lang gewacht worden zodat vleermuizen die aanwezig zijn in de woningen in de gelegenheid zijn geweest o m de woningen te verlaten. De tijd die daarvoor benodigd is hangt sterk samen met de weersomstandigheden. Als richtlijn moet ervanuit uitgegaan worden dat er drie avonden voorbij moeten gaan waarbij de temperatuur na zonsondergang minimaal 6 °C is geweest, bij maximaal windkracht 5 Bft en droog weer of lichte motregen. Een deskundige op het gebied van vleermuizen kan bepalen wanneer vleermuizen voldoende gelegenheid hebben gehad het pand te verlaten en ervanuit gegaan mag worden dat alle vleermuizen redelijkerwijs het gebouw verlaten hebben. Wanneer de periode tussen het ophangen van de exclusion-flaps en de werkzaamheden meer dan zeven dagen bedraagt, moeten de exclusion-flaps na de eerste zeven dagen regelmatig gecontroleerd worden of ze nog goed vasthange n.

Ook kan ervoor gekozen worden de openingen op dat moment effectiever af te sluiten, bijvoorbeeld met weringsgaas of door ze direct af te voegen. Als tijdens de werkzaamheden toch vleermuizen worden aangetroffen moeten de werkzaamheden onmiddellijk worden stopgezet en moet een vleermuisdeskundige worden geraadpleegd over de manier waarop de werkzaamheden verder uitgevoerd kunnen worden met zo min mogelijk negatieve effecten voor de aangetroffen vleermuizen.

Figuur 2. Voorbeelden van twee soorten exclusion-flaps, waarmee vleermuizen uit een gebouw verdreven kunnen worden.

13 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

3.5.2 Alternatieve zomer- en paarverblijfplaatsen In deze paragraaf wordt omschreven op welke wijze negatieve effecten ten gevolge van het aantasten van de naar verachting aanwezige kleine zomer- (< 10 dieren) en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk voorkomen kunnen worden. In dit geval worden geen tijdelijke verblijfplaatsen toegepast omdat binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan voldoende mogelijkhe den zijn om de tijdelijke achteruitgang op te vangen. Daarnaast kunnen door de fasering ook direct permanente alternatieve verblijfplaatsen aangeboden worden. Om te mitigeren voor de aanwezige kleine zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen worden 24 als kleine zomer- en paarverblijfplaats geschikte alternatieven aangeboden. Om ervoor te zorgen dat deze verblijfplaatsen zodanig geplaatst worden dat deze gebruikt kunnen worden door gewone dwergvleermuizen als paarverblijfplaats (en zomerverblijfplaats) moet worden voldaan aan een aantal eisen. De voorzieningen moeten: Hangen binnen het kerngebied van de groep, en dan bij voorkeur zo dicht mogelijk maar altijd binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfpl aats.

Een locatie hebben die gelijk is aan of beter van kwaliteit is dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. Permanente voorzieningen moeten zich allen inwendig in het gebouw bevinden of als een combinatie van inwendig en uitwendig worden uitgevoerd. Uitwendige vleermuiskasten zijn niet geschikt als permanente vervanging. Zoveel mogelijk dezelfde eigenschappen hebben als de oorspronkelijke verblijfplaatsen. Doordat gewone dwergvleermuizen territoriaal zijn gedurende de paarperiode is het belangrijk dat de vleermuiskasten verspreid geplaatst worden waarbij ze maximaal met vieren geclusterd dicht bijeen komen te hangen, maar bij voorkeur in tweetallen. Bij de renovatie van de buitenmuren van woonblokken worden, voorafgaand aan de naisolatie, geschikte kasten voor kleine zomer- en paarverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuizen aangebracht in de luchtspouw en buitenmuren. Dit wordt gedaan door verdeeld over de muur van twaalf op alle windrichtingen georiënteerde kopgevels twee inmetselstenen voor vleermuizen te plaatsen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het type VMPM1 van Unitura of vergelijkbaar. In totaal worden daarmee 24 nieuwe permanente

14 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

verblijfplaatsen aangeboden die geschikt zijn als (kleine zomer- en) paarverblijfplaats. Deze worden geplaats in de kopgevels van de volgende adressen: Bieslookweg 72 (2 stuks). Bieslookweg 2 (2 stuks). Anijshof 13 (2 stuks). Anijshof 22 (2 stuks). Zuringhof 56 (2 stuks). Kruidenlaan 300 (2 stuks). Wijnruitweg 36 (2 stuks). Wijnruitweg 104 (2 stuks). Lepelkruidhof 32 (2 stuks). Heemsthof 7 (2 stuks). Gentiaanlaan 21 (2 stuks). Gentiaanlaan 39 (2 stuks).

Figuur 3. Voorbeeld van ingemetselde kleine vleermuiskasten, hier vier stuks per twee geclusterd ingebouwd in een kopgevel in dezelfde wijk.

15 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

3.5.3 Alternatieve kraamverblijfplaatsen Om een plus te creëren worden er tevens een aantal als kraamverblijfplaats geschikte voorzieningen ingebouwd. Dit in de vorm van geïntegreerde vleermuisverblijven in de spouwmuur ingebouwd. Deze moeten voldoen aan de volgende eisen: De invliegopening moet zich op een hoogte van minimaal vier meter bevinden, en er moet sprake zijn van een vrije aanvliegroute zonder obstakels. De kast moet op het zuiden of westen georiënteerd zijn en de invliegopening mag niet aangelicht worden door de straatverlichting of andere lampen. In het project worden vier ingemetselde kraamkasten van het type Kraamkast VMPMK1 van Unitura of vergelijkbaar toegepast (zie Figuur 4). Deze worden geplaatst in de kopgevels van de volgende adressen: - Bieslookweg 120. - Zuringhof 45. - Lepelkruidhof 23. - Heemsthof 16.

Figuur 4. Voorbeeld van een ingemetseld kraamverblijf van Unitura voor gewone dwergvleermuizen in een vergelijkbare woning in dezelfde wijk.

16 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

3.6 Periode Werkzaamheden die een invloed hebben op de functie van het plangebied voor de gewone dwergvleermuis dienen zoveel mogelijk plaats te vinden buiten de meest kwetsbare periode van deze soort. Het dichtmaken van de openingen dient plaats te vinden in de actieve periode van vleermuizen (welke loopt van april tot en met oktober) en bij voorkeur buiten de paarperiode (welke loopt van half augustus tot en met half oktober). Omdat vleermuizen de verblijfplaats mogelijk ook in de winter gebruiken wordt de verblijfplaats echter voor de winterperiode ongeschikt gemaakt. De optimale periode voor het plaatsen van de exclusion-flaps of het ongeschikt maken van het gebouw is daarmee begin tot half oktober. Wanneer dit niet geheel haalbaar is kan dit tevens uitgevoerd worden in de minder kwetsbare periode gedurende de paartijd, van half augustus tot en met eind september. In deze periode zijn vleermuizen mobiel en kunnen zijn makkelijker verhuizen. Het dichtzetten van de nestplaatsen van gierzwaluwen dient plaats te vinden als zij niet in Nederland zijn, in de periode van oktober tot en met eind maart. Voor huismussen is het van belang dat dit gebeurd in de periode van september tot en met februari en buiten de periode met sterkte vorst of veel sneeuw.

De in de tekst genoemde perioden kunnen eerder beginnen of later eindigen, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden. Hierover kan een deskundige op het gebied van broedvogels en vleermuizen worden geraadpleegd. Wanneer werkzaamheden binnen de kwetsbare perioden plaats moeten vinden dient voorafgaand met een vleermuis- en broedvogeldeskundige bekeken te worden welke maatregelen getroffen kunnen worden om te voorkomen dat vleermuizen en broedvogels aanwezig zijn in de woningen gedurende de werkzaamheden.

3.7 Overige maatregelen Het is van belang dat het plangebied niet meer of op andere locaties verlicht wordt dan in de huidige situatie het geval is. Door verlichting te gebruiken kunnen vleermuizen het plangebied mijden en kunnen leefgebieden en verblijfplaatsen ongeschikt raken voor vleermuizen. Daarnaast kan het vleermuizen belemmeren om de werkzaamheden te ontvluchten. Indien gebruik van kunstmatige verlichting gedurende de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is dient deze zoveel mogelijk beperkt te worden en gericht te worden op die plaatsen waar verlichting nodig is. Uitstraling van verlichting

17 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

naar boven en naar de omgeving toe moet zoveel mogelijk voorkomen worden door gebruik te maken van armaturen die licht bundelen.

18 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

4. Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht . Smit, G.F.J., 2014. Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg. Voor gebouw-bewonende vleermuizen en vogels. Rapportnummer: 14-156. Bureau Waardenburg, Culemborg.

19 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

Bijlage 1: Locaties alternatieve verblijfplaatsen

20 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

Bijlage 2: Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van de natuur in Nederland geregeld middels de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de voormalige Natuurbeschermingswet 1998, de Flora - en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft drie belangrijke onderdelen, namelijk: Bescherming van Natura 2000-gebieden, Bescherming van soorten, Bescherming van houtopstanden. De hoofdlijnen van de bepalingen in deze drie onderdelen van de Wet natuurbescherming welke van belang zijn voor de nadere toetsing in dit onderzoek worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht.

Bescherming van Natura 2000-gebieden Binnen de Wnb is de bescherming van zogenaamde Natura 2000-gebieden geregeld. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De grondslag hiervoor ligt in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Natura 2000 -gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Welke planten- en diersoorten of habitattypen dit zijn is voor ieder gebied afzonderlijk vastgelegd middels beheerplannen met zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen. Ingrepen of evenementen mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Activiteiten mogen alleen doorgang vinden als deze de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen, of wanneer de provincie waarin de ingr eep of het evenement plaatsvindt een vergunning verleend. Bij ingrepen in gebieden van nationaal belang is het ministerie van Economische Zaken Bevoegd gezag.

21 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

Bescherming van soorten De soortbescherming onder de Wnb onderscheidt drie verschillende besche rmingsregimes, namelijk: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn, Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermde soorten). Op soorten uit de beschermingsregimes Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn de verbodsbepalingen uit de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) van toepassing. Binnen de categorie andere soorten vallen soorten welke op Europees niveau niet beschermd zijn maar door Nederland wel als besche rmde soort aangewezen zijn. Iedere provincie heeft zelf de mogelijkheid om een of meerdere van deze planten- en diersoorten vrij te stellen onder bepaalde voorwaarden. Wel geldt voor alle soorten de algemene zorgplicht (Artikel 1.11). Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatieve effecten op planten en dieren maatregelen dient te nemen om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.

Ontheffingen en vrijstelling De provincies en de Minister van Economische zaken kunnen ontheffing of vrijstelling afgeven om onder voorwaarden de Wnb te overtreden. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en er geen negatief e ffect is op de staat van instandhouding van de soort. Dit is wel alleen mogelijk wanneer de aanleiding van de ingreep of activiteit valt onder een in de wet genoemd belang.

22 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

Tabel 1: Verbodsbepalingen per beschermingsregime Wnb, voor zover van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen of evenementen. Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime soorten

Beschermingsregime andere soorten

Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1

Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2

(paragraaf 3.3 Wnb)

Wnb)

Wnb)

Art 3.1 lid 1: Het is verboden

Art 3.5 lid 1: Het is verboden

Art 3.10 lid 1a: Het is verboden in het wild

in het wild levende vogels

soorten in hun natuurlijke

levende soorten opzettelijk te doden of te

opzettelijk te doden of te

verspreidingsgebied

vangen.

vangen.

opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2: Het is verboden

Art 3.5 lid 2: Het is verboden

Art 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste

opzettelijk nesten,

dieren opzettelijk te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

rustplaatsen en eieren van

verstoren.

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels te vernielen of te

vernielen.

beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art 3.1 lid 3: Het is verboden

Art 3.5 lid 3: Het is verboden

Art 3.10 lid 1c: Het is verboden

eieren te rapen en deze

eieren van dieren in de

plantensoorten in hun natuurlijke

onder zich te hebben.

natuur opzettelijk te

verspreidingsgebied opzettelijk te plukken

vernielen of te rapen.

en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.1 lid 4 en lid 5: Het is

Art 3.5 lid 4: Het is verboden

verboden vogels opzettelijk

de voortplantingsplaatsen of

te storen, tenzij de storing

rustplaatsen van dieren te

niet van wezenlijke invloed is

beschadigen of te vernielen.

op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Art 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

23 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden richt zich op de instandhouding van het oppervlakte bos in Nederland. Artikel 4.2 uit de Wet natuurbescherming verbiedt het zonder melding (gedeeltelijk) vellen van houtopstanden groter dan tien are of van meer dan twintig rijbomen welke gelegen zijn buiten de “bebouwde kom houtopstanden”. Artikel 4.3 lid 1 en 2 stellen dat het naast melding noodzakelijk is dat er herplant plaatsvindt binnen 3 jaar na het vellen van de bomen, en dat vervolgens binnen 3 jaar herplant plaats moet vinden voor niet aangeslagen beplanting. Het bevoegd gezag kan tevens een kapverbod opleggen in het geval van bijzondere beplantingen. Zoals opgenomen in Artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming geldt voor bepaalde soorten en gevallen (houtproductie of andere bedrijfsmatige activiteiten) een vrijstelling voor de bescherming houtopstanden.

24 Mitigatieplan Gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw Wandelbos Fase 2 | RA22129-01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12613572/5