CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

2362646 advies van de commissie voor de bezwaarschriften

Raadsvergadering 25 augustus 2025, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Beslissing op bezwaar besluit tot het vestigen van een voorkeursrecht op gronden aan de Bredaseweg/Watertorenstraat te Tilburg2.582 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies van de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Tilburg over het bezwaarschrift van Brabant Water N.V. Inleiding Op 30 januari 2025 is een bezwaarschrift (gedateerd 27 januari 2025) ingediend door Brabant Water N.V. (hierna genoemd: Brabant Water). Het bezwaar is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Tilburg (hierna genoemd: de raad) van 18 november 2024, verzonden aan Brabant water op 14 januari 2025. Hierbij is besloten: 1. ten behoeve van de gemeente Tilburg op grond van artikel 9.1 lid 1 sub c van de Omgevingswet een voorkeursrecht in de zin van hoofdstuk 9 Omgevingswet te vestigen op de gronden, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende kadastrale tekening en percelenlijst, een en ander voor de toegedachte functie woningbouw en commerciële en/of maatschappelijke en/of aanverwante voorzieningen (inclusief groen). 2. met betrekking tot de aangewezen gronden binnen 3 jaar na het ingaan van het raadsbesluit over te gaan tot het vaststellen van een planologisch besluit voor de toegedachte functie, hetzij via ofwel een programma ofwel een omgevingsvisie voor deze locatie, ofwel een wijziging van het omgevingsplan.

Het voorkeursrecht ziet op een negental percelen aan de Bredaseweg / Watertorenstraat, waarvan de hierna genoemde percelen (verder tezamen te noemen: "de onroerende zaak") bij Brabant Water in eigendom zijn: - kadastrale gemeente Tilburg, sectie P, nummer 7073, groot 17 m2; - kadastrale gemeente Tilburg, sectie P, nummer 7030, groot 6626 m2; - kadastrale gemeente Tilburg, sectie P, nummer 4474, groot 1940 m2; - kadastrale gemeente Tilburg, sectie P, nummer 4579, groot 505 m2.

Advies De commissie adviseert de raad:  

het bezwaar van Brabant Water ongegrond te verklaren; het besluit van 18 november 2024 in stand te laten.

Het proces tot nu toe 

Bij besluit van 15 oktober 2024, aan Brabant Water verzonden op 21 oktober 2024, heeft het college van burgemeester en wethouders (verder te noemen: het college) op grond van artikel 9.1 lid 2 Omgevingswet een (voorlopig) voorkeursrecht gevestigd op de bij dat besluit aangewezen gronden. Dit besluit geldt maximaal 3 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding. Dat tijdstip van inwerkingtreding is 18 oktober 2024, zijnde de datum waarop voornoemd besluit is ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster. Voorts heeft het college bij besluit van 15 oktober 2024 een voorstel aan de raad gedaan tot het nemen van een opvolgende voorkeursrechtbeschikking door de raad op grond van het bepaalde in artikel 9.1 lid 1 sub c van de Omgevingswet. Het ontwerp van dat raadsbesluit is als bijlage bij de voorkeursrechtbeschikking van het college gevoegd. Brabant Water is gedurende 14 dagen in de gelegenheid gesteld om daartegen een zienswijze in te dienen. Brabant Water heeft tegen het besluit van 15 oktober 2024 bezwaar gemaakt op 3 december 2024.

 

Bij besluit van 18 november 2024, aan Brabant Water verzonden op 14 januari 2025, heeft de raad op grond van artikel 9.1 lid 1 sub c van de Omgevingswet een voorkeursrecht in de zin van hoofdstuk 9 Omgevingswet gevestigd, zoals bovenstaand nader is uiteengezet. Dit besluit is inwerking getreden op 14 januari 2025, zijnde de datum waarop voornoemd besluit is ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster. Brabant Water heeft tegen het besluit van 18 november 2024 bezwaar gemaakt op 27 januari 2025 en dit is ontvangen op 30 januari 2025. Tijdens een op 21 mei 2025 gehouden hoorzitting heeft Brabant Water haar bezwaren nader uiteengezet in een aangeboden pleitnotitie.

De bezwaren Kort en zakelijk weergegeven worden de volgende punten naar voren gebracht tegen het besluit van college van 15 oktober 2024. Waarbij wij vaststellen dat Brabant Water voor de inhoud van haar bezwaar tegen ons besluit van 18 november 2024, verwijst naar de inhoud van haar eerdere bezwaarschrift, dat is gericht tegen het besluit van het college van 15 oktober 2024. Tijdens de hoorzitting heeft Brabant Water naar voren gebracht dat aan het besluit van het college van 15 oktober 2024 gebreken kleven. Gesteld wordt dat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 16.82a lid 1 van de Omgevingswet, waarin is bepaald dat, nadat een voorkeursrechtbeschikking is bekendgemaakt, de beschikking binnen vier dagen kan worden ingeschreven in de openbare registers. Dit heeft volgens Brabant Water ingevolge het bepaalde in artikel 9.5 lid 1 van de Omgevingswet tot gevolg dat het bestuursorgaan dat het voorkeursrecht gevestigd heeft, dit onverwijld dient in te trekken. Omdat daarom het besluit van het college van 15 oktober 2024 niet in stand kan blijven, dient ook het bezwaar tegen het besluit van de raad van 18 november 2024 gegrond te worden verklaard, volgens Brabant Water.

Brabant Water geeft aan zeer ontstemd te zijn over de wijze waarop het besluit is voorbereid en wijst daarbij met name op het feit dat het besluit is genomen, zonder dat zij voorafgaand daarover is geïnformeerd. Verder stelt Brabant Water dat het vestigen van het voorkeursrecht niet past in de gezamenlijke voorgeschiedenis die zij met de gemeente Tilburg heeft met betrekking tot de onderhavige percelen. Brabant Water merkt daarbij op dat zij de percelen in 2019, na een langslepend traject van de gemeente in eigendom heeft verworven en dat over deze percelen al enige tijd constructieve gesprekken worden gevoerd met de gemeente Tilburg. Brabant Water vindt het onbegrijpelijk dat van de kant van de gemeente Tilburg, de gesprekken over minnelijke verwerving van de percelen zijn gestaakt. Brabant Water betwist dat een eerste recht van koop van de percelen niet tot stand is gekomen door de koppelingen met andere dossiers. Er wordt gesteld dat er vanaf 2022 op bestuurlijk niveau gesprekken gevoerd zijn over de mogelijkheid van een uitruil van een deel van de TWM-gronden met de percelen waarop nu het voorkeursrecht is gevestigd. Brabant Water geeft aan dat daaruit bleek dat beide partijen daar positief tegenover stonden, maar zij stelt dat het, ten gevolge van een onduidelijke ambtelijke interventie, niet geresulteerd heeft in een overeenkomst.

Brabant Water acht zich de aangewezen partij om regie te voeren - net als bij vrijwel alle andere waterwingebieden in Brabant - over een waterwingebied. Vanuit de functie van het gebied zijn hier volgens haar nauwelijks tot geen relevante ontwikkelmogelijkheden. Volgens Brabant Water wordt er ten gevolge van de bestreden besluiten, voorbij gegaan aan de unieke functie van dit terrein als waterwingebied.

Brabant Water ziet het als haar taak om te voorzien in drinkwater van goede kwaliteit. Het (her)ontwikkelen van het watertorenterrein voor een andere functie past niet in deze taak en Brabant Water is van mening dat van haar niet verwacht kan worden dat zij met een concreet (her)ontwikkelingsinitiatief komt. Verder bestrijdt Brabant Water dat zij puur zou streven naar winstmaximalisatie en/of speculatie mogelijk zou maken. Voorts wordt opgemerkt dat zij dat niet alleen het belang van Tilburg dient, maar dat zij ook het belang van haar andere aandeelhouders moet dienen, door ten minste een marktconforme prijs na te streven.

Waar staat het in de wet?  

Algemene wet bestuursrecht (hierna genoemd: Awb) Omgevingswet (OW).

De wettelijke voorschriften zijn, voor zover relevant, door de commissie opgenomen in de bij dit advies gevoegde bijlage.

Beoordeling van de bezwaren / Wat vindt de commissie? Er kleven geen gebreken aan de totstandkoming van de voorkeursrechtbeschikking van 18 november 2024. De bevoegdheid van het college en van de raad om een voorkeursrecht te vestigen zijn twee afzonderlijke trajecten. Ook zonder een voorafgaande vestiging van een voorkeursrecht door het college, kan de raad een voorkeursrecht vestigen. Ten aanzien van het door de raad op 18 november 2024 gevestigde voorkeursrecht, stellen we vast dat dit ingevolge artikel 16.82a lid 1 van de Omgevingswet tijdig is ingeschreven in de openbare registers (namelijk op 14 januari 2025) en tijdig is bekend gemaakt aan Brabant Water (eveneens op 14 januari 2025). Hier kleven dus geen gebreken aan. We komen dan verder niet meer toe aan de argumenten die Brabant Water heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat aan de voorkeursbeschikking van het college van 15 oktober 2024 gebreken kleven. Het door het college gevestigde voorkeursrecht is vervallen. In artikel 9.4, derde lid, van de Omgevingswet is bepaald dat een voorkeursrecht dat door het college is gelegd, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht dat door de raad is gevestigd, ingaat.

Het door het college op gevestigde voorkeursrecht is op 18 oktober 2024 (het tijdstip van inschrijving in de openbare registers) in werking getreden. Nu het door de raad gevestigde voorkeursrecht op 14 januari 2025 (het tijdstip van inschrijving in de openbare registers) in werking is getreden, kunnen we vaststellen dat het door het college gevestigde voorkeursrecht is vervallen. Het bezwaar dat is gericht tegen de voorkeursbeschikking van het college is gericht tegen de voorkeursbeschikking van de raad. In artikel 16.32.c, eerste lid, van de Omgevingswet is bepaald dat als bezwaar aanhangig is tegen een voorkeursrechtbeschikking van het college en die beschikking vervalt omdat voor de onroerende zaak een voorkeursrechtbeschikking van de raad in werking is getreden, dat dan het wordt bezwaar geacht te zijn gericht tegen de voorkeursrechtbeschikking van de raad. Omdat we hebben vastgesteld dat de

voorkeursrechtbeschikking van het college is vervallen, is hier dus sprake van een situatie waarbij het bezwaar wordt bezwaar geacht te zijn gericht tegen de voorkeursrechtbeschikking van de raad. De voorkeursrechtbeschikking van de raad voldoet aan de gestelde vereisten. Zoals Brabant Water in haar bezwaar heeft gesteld en verder tijdens de hoorzitting van de commissie voor de bezwaarschriften heeft toegelicht, is gebleken dat zij de beste intenties heeft met betrekking tot de onroerende zaak en dat haar handelen niet gericht is op winstmaximalisatie. Gezien de taakstelling van Brabant Water begrijpen wij dat van haar niet kan worden verwacht dat zij zelf overgaat tot ontwikkeling van de onroerende zaak. Eveneens begrijpen wij de positie van Brabant Water, waarbij zij vanuit een constructieve opstelling gesprekken heeft gevoerd met de gemeente Tilburg (die overigens ook één van de aandeelhouders is van Brabant Water) en dat zij vanuit die optiek geschrokken is van het gevestigde voorkeursrecht. Het vestigen van het voorkeursrecht beperkt het eigendomsrecht niet onevenredig. De vestiging van het voorkeursrecht door de raad op het perceel van Brabant Water is niet onevenredig.

Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de inbreuk op het eigendomsrecht in zoverre beperkt is dat Brabant Water niet gestoord wordt in het gebruik van het perceel, maar enkel beperkt wordt in de vrijheid om het perceel aan een ander over te dragen. Voor zover Brabant Water vreest dat zij gelet op het belang van de andere aandeelhouders bij aankoop van het perceel door de gemeente geen marktconforme prijs krijgt, is die vrees ongegrond. Van belang is dat met de Omgevingswet in bescherming van de financiële belangen van de eigenaar is voorzien. Als Brabant Water over zou gaan tot aanbieding van haar perceel aan de gemeente, moet de gemeente haar een marktconforme prijs voor het perceel aanbieden, die zo nodig door een onafhankelijke deskundige en onder de regie van de rechtbank kan worden vastgesteld. De gemeente is gehouden de gronden te verwerven op basis van een prijs die in het commerciële verkeer tot stand zou zijn gekomen tussen redelijk handelende en denkende partijen, dat wil zeggen een marktconforme prijs zonder een buitensporig prijsopdrijvend effect als gevolg van speculatie. De Omgevingswet biedt op basis van artikel 9.16 voldoende waarborgen om tot een marktconforme prijs te komen. Dit alles resulteert er niet in dat de voorkeursbeschikking van de raad niet in stand kan blijven.

Immers, deze voldoet aan de vereisten van artikel 9, eerste lid onder c van de Omgevingswet, waar is bepaald dat aan de onderhavige locatie een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedacht in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of een programma en niet is toegedeeld in een omgevingsplan. Tijdens de hoorzitting is dit overigens erkend door Brabant Water.

Conclusie Samenvattend is de commissie van oordeel dat de voorkeursbeschikking van de raad voldoet aan de vereiste wettelijke criteria. Daarom adviseert de commissie aan de raad om het bezwaar van Brabant Water ongegrond te verklaren en deze voorkeursbeschikking is stand te laten. Tilburg, 5 juni 2025, De commissie voor de bezwaarschriften, mr. J.M.B. van Overdijk voorzitter

mr. J.A.C.J.M. Willemse secretaris

Bijlage 1: wettelijk kader Omgevingswet Artikel 9.1 Vestiging en gelding van een voorkeursrecht 1. De gemeenteraad, provinciale staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk, provinciaal of nationaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan: o a.in het omgevingsplan een niet-agrarische functie is toegedeeld en waarvan het gebruik afwijkt van die functie, o b.in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of in een programma een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedeeld in een omgevingsplan, o c.in de voorkeursrechtbeschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedacht in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of een programma en niet is toegedeeld in een omgevingsplan. 2.

Voorafgaand aan de vestiging van een voorkeursrecht op grond van het eerste lid kunnen het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk of provinciaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan in die beschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie. 3. (….); 4. (….). Artikel 9.4 lid 3 (geldingsduur voorkeursrecht) Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, ingaat. Artikel 9.5 lid 1 (intrekking en verval van voorkeursrecht of vernietiging van voorkeursrechtbeschikking) Als een voorkeursrecht niet meer voldoet aan de eisen gesteld in artikel 9.1, eerste en tweede lid, of als de voorkeursrechtbeschikking niet binnen de in artikel 16.82a genoemde termijn in de openbare registers is ingeschreven, trekt het bestuursorgaan dat het gevestigd heeft het voorkeursrecht onverwijld in.

Artikel 9.16 lid 1 (verzoek om gerechtelijke procedure tot vaststelling van de prijs) Als het bevoegd gezag in beginsel bereid is het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen en er tussen de vervreemder en het bevoegd gezag wordt onderhandeld over de vervreemdingsvoorwaarden, kan de vervreemder het bevoegd gezag verzoeken om binnen vier weken na dat verzoek de rechtbank te verzoeken een oordeel over de prijs te geven. Artikel 16.32.c, lid 1 bezwaar Als bezwaar aanhangig is tegen een voorkeursrechtbeschikking van het college van burgemeester en wethouders en die beschikking vervalt omdat voor de onroerende zaak een voorkeursrechtbeschikking van de gemeenteraad in werking is getreden, wordt het bezwaar geacht te zijn gericht tegen de voorkeursrechtbeschikking van de gemeenteraad.

Artikel 16.82a lid 1 (inschrijving en ingaan voorkeursrecht) Nadat een voorkeursrechtbeschikking is bekendgemaakt, kan de beschikking binnen vier dagen worden ingeschreven in de openbare registers. Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:41

1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 2. Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15793044/1