10 Bijlagen Toelichting 1
Tekst van het document
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Quickscan windhinder Quickscan windhinder
Bijlage 2 Notitie bezonningsstudie Notitie bezonningsstudie
Bijlage 3 Bezonningsstudie Bezonningsstudie
Bijlage 4 Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 5 Archeologisch booronderzoek Archeologisch booronderzoek
Bijlage 6 Parkeren en verkeer Parkeren en verkeer
Bijlage 7 Parkeertelling Parkeertelling
Bijlage 8 Resultaten afwikkelingsberekeningen 2030 RBW Resultaten afwikkelingsberekeningen 2030 RBW
Bijlage 9 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 10 Beoordeling externe veiligheid Beoordeling externe veiligheid
Bijlage 11 Beoordeling EV LPG-tankstation Beoordeling EV LPG-tankstation
Bijlage 12 Akoestisch onderzoek Akoestisch onderzoek
Bijlage 13 Rapportage verkennend bodemonderzoek en asbest onderzoek Rapportage verkennend bodemonderzoek en asbest onderzoek
Bijlage 14 Quickscan natuurbescherming en Boominventarisatie Quickscan natuurbescherming en Boominventarisatie
Bijlage 15 Vervolgonderzoek soort ecologie Vervolgonderzoek soort ecologie
Bijlage 16 Notitie stikstofdepositie Notitie stikstofdepositie
Bijlage 17 AERIUS bouwfase AERIUS bouwfase
Bijlage 18 AERIUS gebruiksfase AERIUS gebruiksfase
Bijlage 19 Ecologisch werkprotocol Ecologisch werkprotocol
Bijlage 20 Toestemming gebiedsontheffing Toestemming gebiedsontheffing
Bijlage 21 rapport watertoets rapport watertoets
Bijlage 22 Verslag omgevingsdialoog Verslag omgevingsdialoog
Bijlage 23 Verslag overleg wijkraad Verslag overleg wijkraad
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Quickscan windhinder Quickscan windhinder
Quickscan windhinder Project ‘Van Limburg Stirumlaan’ in Tilburg Inhoudsopgave:
Inleiding:
Blad 1: - Inleiding - Beoordelingscriteria NEN 8100 Blad 2: - Bouwplan - Omgeving bouwplan - Windroos Tilburg Blad 3: - Windeffecten rondom het bouwplan - Indicatieve beoordeling windklimaat maaiveld Blad 4: - Indicatieve beoordeling windklimaat dakterrassen
In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze te betrekken in de beoordeling noodzakelijk.
vLS Tilburg Quickscan windhinder
2021-11-18 06536-55350
In 2006 is de NEN 8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’ uitgekomen. De NEN 8100 is een privaatrechtelijke norm die niet is aangewezen in het Bouwbesluit of andere wetgeving, maar in Nederland wel de meest gebruikte norm is voor het onderzoeken en beoordelen van het windklimaat. De NEN 8100 geeft richtlijnen zowel ten aanzien van wanneer uitgebreid windonderzoek uitgevoerd dient te worden, als hoe het windklimaat eenduidig beoordeeld dient te worden. Volgens het beslismodel uit de NEN 8100 is bij gebouwhoogtes vanaf 30 m een uitgebreid windtunnel- of CFD-onderzoek nodig om het windklimaat nauwkeurig te beoordelen. De voorliggende beoordeling is een oriënterende theoretische quickscan, waarbij op basis van binnen het bureau aanwezige expertise en kentallen uit de literatuur een eerste, indicatieve prognose is gegeven van het te verwachten windklimaat rondom het bouwplan. Tevens zijn mogelijke aandachtspunten benoemd en worden een aantal suggesties voor voorzieningen gedaan, waarmee het windklimaat op kritische posities mogelijk kan verbeteren. Bij het onderzoek wordt gebruik gemaakt van de in de NEN 8100 omschreven criteria inzake windhinder en windgevaar. Omdat diverse factoren het windklimaat bepalen, kan een theoretisch onderzoek niet een even nauwkeurig beeld geven als een windtunnelonderzoek conform de NEN 8100.
De gepresenteerde windhinderklassen kunnen dus afwijken van onderzoeksresultaten in de windtunnel of middels een CFD-onderzoek conform de NEN 8100.
Beoordelingsmethodiek NEN 8100
1
In de norm wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. o De definitie van windhinder is ‘het ondervinden van hinder door wind’. Dit zal bij een gemiddeld persoon gebeuren wanneer de lokale uurgemiddelde windsnelheid meer dan 5 m/s bedraagt. o Windgevaar is het optreden van een dergelijk hoge windsnelheid waarbij in ernstige mate problemen optreden bij het lopen, zoals evenwichtsverlies, waardoor het onmogelijk wordt zich staande te houden of zich lopend voort te bewegen. Windgevaar vindt vooral tijdens vlagen plaats, waarbij wordt aangenomen dat windgevaar optreedt als de uurgemiddelde lokale windsnelheid meer dan 15 m/s bedraagt. Criteria voor windhinder conform NEN8100 In de NEN 8100 wordt gewerkt met een beoordelingssysteem op basis van: o de activiteit die uitgeoefend wordt (doorlopen, slenteren of langdurig zitten) o het optredende windklimaat, ofwel de kans dat de drempelsnelheid van 5 m/s overschreden wordt, uitgedrukt in kwaliteitsklasse A t/m E. De combinatie van activiteiten en kwaliteitsklasse geeft een beoordeling als ‘goed, matig of slecht’. Zie onderstaande tabel.
Windhinder Activiteiten
Kans dat de drempelsnelheid (5 m/s) overschreden wordt {% van aantal uren per jaar]
Kwaliteits klasse
< 2,5 %
Doorlopen Niet windhinder-gevoelig
Slenteren Wel windhindergevoelig bijvoorbeeld
Langdurig zitten* Meest windhindergevoelig
bijvoorbeeld trottoir, parkeerplaats etc
entrees, winkelstraten etc
bijvoorbeeld terrasje, bankje, buitenruimtes, bushaltes etc
A
Goed
Goed
Goed
2,5 - 5 %
B
Goed
Goed
Matig
5 – 10 %
C
Goed
Matig
Slecht
10 – 20 %
D
Matig
Matig
Slecht
> 20 %
E
Slecht
Slecht
Slecht
* Voor horeca terrassen of private buitenruimten is zwaardere normstelling nodig om het gewenste comfort te behalen
Criteria voor windgevaar conform NEN8100 Daarnaast wordt op een vergelijkbare wijze een beoordelingssystematiek van windgevaar gegeven, waarbij anders dan bij windhinder naar een drempelsnelheid van 15 m/s gekeken wordt. Op basis hiervan wordt bepaald of er een ‘risico / gevaarlijk windklimaat’ of een ‘beperkt risico’ op windgevaar aanwezig is.
Windgevaar .
Activiteiten
Kans dat de drempelsnelheid (15 m/s) overschreden wordt {% van aantal uren per jaar]
Kwalificatie
≤ 0,05 %
Doorlopen
Slenteren en langdurig zitten
Geen risico
Acceptabel
Acceptabel
0,05 – 0,30 %
Beperkt risico
Acceptabel
Niet acceptabel
≥ 0,30 %
Gevaarlijk
Niet acceptabel
Niet acceptabel
Het nieuwbouwplan
2
De projectlocatie wordt begrensd door de Van Limburg Stirumlaan, Baroniebaan en Ringbaan West in Tilburg. De beoogde nieuwbouwontwikkeling bestaat uit een getrapt, U-vormig woongebouw tot ca. 30 m hoog met ca. 240 appartementen (Fig.1). Op de begane grond wordt een parkeergarage en overige functies voorzien. De appartementen bevinden zich op de 1e t/m 9e verdieping (totaal GBO ca. 13.200 m2). De relevante windgevoelige functies in de omgeving van het nieuwbouwplan zijn: − Doorloopgebieden: voet- en fietspaden, openbaar gebied rondom het bouwplan − Entrees (slentergebied) − (Dak)terrassen (langdurig zitten) Invloed van de directe omgeving op het windklimaat ter plaatse van het bouwplan Het projectplan aan de Van Limburg Stirumlaan is gelegen aan de zuidoostzijde van Tilburg, tussen de woonwijken De Blaak, Zorgvlied en Korvel (Fig.2). In de directe omgeving (straal van 300 m) is voornamelijk laagbouw aanwezig: grondgebonden woningen en appartementengebouwen tot ca. 15 m hoog. Direct ten zuiden en zuidwesten van het plan is een open gebied (de brede Baroniebaan en Ringbaan West) met daaromheen laagbouw aanwezig. Hierdoor kan de wind vanuit de overheersende zuidwest-windrichtingen (zie hieronder) vrij op het plan aanstromen. Echter de grote hoeveelheid bomen aan de zuidwestzijde zullen de windstromingen richting het plan afremmen.
Fig.1: Nieuwbouwplan Van Limburg Stirumlaan, Tilburg
Windroos Tilburg Uit de windstatistiek blijkt dat de windrichtingen zuidzuidwest en westzuidwest overheersend zijn op de locatie (Fig.3). Niet alleen komt de wind het grootste deel van de tijd uit deze sectoren, ook komen de hoogste windsnelheden bij deze windrichtingen voor.
vLS Tilburg QuickScan windhinder
2021-11-18
06536-55350
Fig.3: Windroos Tilburg, windsnelheid op locatie per sector op 60m hoogte
Fig. 2: Projectlocatie (rood) in wijdere omgeving inclusief 300 m straal aanduiding (blauwe cirkel) 1
Indicatieve beoordeling windklimaat rondom bouwplan, op basis van kennis en ervaring
3
In onderstaande figuur (Fig.4) wordt een kwalitatieve prognose van het windklimaat weergegeven.
Windstromingen en –effecten rondom het nieuwbouwplan De wind zal met name vanuit de overheersende windrichtingen ZZW en WZW over de omliggende lage bebouwing op de (brede) zuidwestgevel van het plan aanstromen, daar geblokkeerd worden en langs de gevels naar beneden afstromen (Fig.5). Op het maaiveld zullen langs de zuidwestgevel wervels ontstaan. Bij de gebouwhoeken, met name de zuidelijke gebouwhoek van het 30 m hoge bouwdeel, kunnen cornerstreams (wervels met verhoogde snelheden) ontstaan. Deze effecten kunnen een minder gunstig windklimaat geven bij de zuidelijke gebouwhoek van het 30 m hoge bouwdeel.
Fig.5: Windstromingen rondom vrijstaande hoogbouw
Samenvattend: Naar verwachting is het windklimaat rondom het
nieuwbouwplan aan de Van Limburg Stirumlaan overwegend goed, met klasse A tot B in de meeste gebieden. Klasse B betekent goed voor zowel doorlopen als slenteren, klasse A is goed voor alle functies.
Ter plaatse van de gebouwhoeken van het hoogste bouwdeel kan tot klasse C optreden, wat nog goed is voor doorlopen maar matig voor slenteren en entrees. In het Fig.4: Indicatieve beoordeling windklimaat op maaiveld
midden van de zuidoostgevel zal een goed windklimaat heersen. Geadviseerd wordt om windgevoelige functies
zoals entrees en terrassen niet bij deze gebouwhoeken te situeren. vLS Tilburg QuickScan windhinder
2021-11-18
06536-55350
In deze beoordeling is ervan uitgegaan dat de bestaande bomen langs de Baroniebaan en Ringbaan blijven staan. Hiermee wordt een overwegend goed windklimaat bekomen. Op basis van het huidig ontwerp wordt op maaiveld geen overschrijding van het gevaarcriterium verwacht. 1
Indicatieve beoordeling windklimaat ter hoogte van dakterrassen, op basis van kennis en ervaring In onderstaande figuur (Fig.6) wordt een kwalitatieve prognose van het windklimaat ter hoogte van de dakterrassen weergegeven.
4
Windklimaat bij dakterrassen De wind zal met name vanuit de overheersende windrichtingen ZZW en WZW over de omliggende lage bebouwing op de diverse dakterrassen aanstromen. Op grotere hoogte treden grotere windsnelheden op. Het windklimaat op de dakterrassen in onderhavige situatie wordt bepaald door de direct op de buitenruimte, met hogere windsnelheid aanstromende wind. Een beter windklimaat bij de dakterrassen kan gerealiseerd worden door: − het plaatsen van (wind)schermen van minimaal 1,50 à 1,80 m hoog op de zuidwestelijke dakranden van de hoger gelegen dakterrassen; en/of − een ‘groene’ invulling van de dakterrassen. Hierbij kan gedacht worden aan diverse verticale elementen zoals pergola’s, dakplatanen, begroeide schermen en/of stevige vegetatie (bomen met aansluitende onderbeplanting, hoge struiken) Een eventuele afscherming dient tenminste 50% dicht (gelijkmatig verdeeld over het oppervlak, dus perforatiegraad maximaal 50%) te zijn ten opzichte van de totale oppervlakte van het scherm om de invloed van windvlagen te minimaliseren. Direct achter de windschermen is een comfortabel windklimaat voor (zittende) personen aanwezig. Des te hoger het scherm, des te groter het gebied achter het scherm wordt met een luw windklimaat.
Fig.6: Indicatieve beoordeling windklimaat ter hoogte van de dakterrassen
vLS Tilburg QuickScan windhinder
2021-11-18
06536-55350
1
Bijlage 2 Notitie bezonningsstudie Notitie bezonningsstudie
• • • • • • • • •
Bijlage 3 Bezonningsstudie Bezonningsstudie
19 december 2022
bezonningsstudie Deze bezonningss tudie is uitgevoerd conform de Haagse norm voor 19 februari en 21 ok tober. De s tudie begint en eindigt op beide dagen op het moment dat de zon op 10° s taat . Op 19 februari s taat de zon om 9.0 0 uur en om 16 .4 4 uur op 10°. Op 21 ok tober s taat de zon om 8 . 29 uur en om 16 .16 uur op 10°. De bezonningss tudie is tussen deze tijds tippen uitgevoerd.
19 februari 9.0 0 uur bes taande situatie
19 februari 9.0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
19 februari 10.0 0 uur bes taande situatie
19 februari 10.0 0 uur nieuwe situatie
19 februari 11.0 0 uur bes taande situatie
19 februari 11.0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
19 februari 12 .0 0 uur bes taande situatie
19 februari 12 .0 0 uur nieuwe situatie
19 februari 12 .4 3 uur bes taande situatie
19 februari 12 .4 3 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
19 februari 12 .4 3 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
19 februari 13 .0 0 uur bes taande situatie
19 februari 13 .0 0 uur nieuwe situatie
19 februari 14 .0 0 uur bes taande situatie
19 februari 14 .0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
19 februari 15 .0 0 uur bes taande situatie
19 februari 15 .0 0 uur nieuwe situatie
19 februari 16 .0 0 uur bes taande situatie
19 februari 16 .0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
19 februari 16 .4 4 uur bes taande situatie
19 februari 16 .4 4 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
21 ok tober 8 . 29 uur bes taande situatie
21 ok tober 8 . 29 uur nieuwe situatie
21 ok tober 9.0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 9.0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
21 ok tober 10.0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 10.0 0 uur nieuwe situatie
21 ok tober 11.0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 11.0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
21 ok tober 12 .0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 12 .0 0 uur nieuwe situatie
21 ok tober 12 .16 uur bes taande situatie
21 ok tober 12 .16 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
21 ok tober 12 .16 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
21 ok tober 13 .0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 13 .0 0 uur nieuwe situatie
21 ok tober 14 .0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 14 .0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
21 ok tober 15 .0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 15 .0 0 uur nieuwe situatie
21 ok tober 16 .0 0 uur bes taande situatie
21 ok tober 16 .0 0 uur nieuwe situatie
DE BARON
19 december 2022
bezonningsstudie
21 ok tober 16 .16 uur bes taande situatie
21 ok tober 16 .16 uur nieuwe situatie
DE BARON
Bijlage 4 Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch bureauonderzoek
T.S. Beck
616
Archol Rapport 616
Projectleiding:
I.M. van Wijk
Auteur:
T.S. Beck MA
Tekstredactie
I.M. van Wijk
Beeldmateriaal:
T.S. Beck MA
Autorisatie Sr archeoloog:
ISSN 1569-2396 © Archol, Leiden 2021 Einsteinweg 2 2333 CC Leiden info@archol.nl Tel. 085 2006492
I.M. van Wijk
Colofon .............................................................................................................................................................................. 1 Inhoud ............................................................................................................................................................................... 2 Samenvatting .................................................................................................................................................................... 3 1 Inleiding.................................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doelstelling ................................................................................................................................ 4 1.2 Plangebied, huidig en toekomstig gebruik ....................................................................................................... 5 1.3 Onderzoeksopzet en organisatie ..................................................................................................................... 5 2 Bureauonderzoek .....................................................................................................................................................
7 2.1 Inleiding en methodiek .................................................................................................................................... 7 2.2 Landschap ....................................................................................................................................................... 8 2.2.1 Landschappelijk kader ................................................................................................................................ 8 2.2.2 Landschappelijke ligging van het plangebied ............................................................................................... 9 2.2.3 Kabels en leidingen ................................................................................................................................... 10 2.3 Archeologisch en historisch kader .................................................................................................................. 11 2.3.1 Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart ........................................................................................... 11 2.3.2 Archis gegevens ........................................................................................................................................
12 2.3.3 Archeologische Monumentenkaart (AMK)................................................................................................. 15 2.3.4 Historisch kaartmateriaal .......................................................................................................................... 15 2.4 Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................................................17 3 Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................................................. 19 3.1 Conclusie ....................................................................................................................................................... 19 3.2 Selectieadvies ............................................................................................................................................... 19 Literatuur......................................................................................................................................................................... 21 Figurenlijst .......................................................................................................................................................................
22 Tabellenlijst ..................................................................................................................................................................... 22 Bijlage 1 Boringen DINO-loket ......................................................................................................................................... 23
2
In opdracht van de Essentie heeft Archol een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen ingrepen binnen het plangebied aan de Van Limburg Stirumlaan 2-6 te Tilburg. Aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het realiseren van 250 nieuwbouwappartementen. In het vigerend bestemmingsplan Zorgvlied 2008 (bestemming kantoren) is voor een klein gedeelte aan de noordwestzijde van het plangebied de dubbelbestemming Verwachtingsgebied archeologische waarde opgenomen. Voor deze categorie geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 0,5 m en groter dan 30 m2 een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarden van het gebied beschreven staan. Aangezien een deel van de voorgenomen planontwikkeling deze grenzen overschrijden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Doel van het onderzoek is vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek is erop gericht een specifiek verwachtingsmodel voor het terrein op te stellen met de bekende en verwachte archeologische waarden. Op basis van het onderzoek kunnen er, landschappelijk gezien, archeologische resten vanaf het paleolithicum verwacht worden.
Voor de periode van het paleolithicum - volle middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting voor het plangebied, aangezien de dichtstbijzijnde vondstwaarneming en opgraving op een relatief grote afstand liggen: op ca. 560 m en 850 m. Voor de periode van de late middeleeuwen – Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting voor het plangebied, omdat de omgeving vanaf de 12e eeuw waarschijnlijk gebruikt is als akkergronden. Dit betreft voornamelijk complextypen als wegen, verkavelingsgreppels en agrarisch gebied. Het is onduidelijk tot op welke diepe de bodem in het plangebied verstoord is door moderne activiteiten zoals de bouw van de kantoren, parkeerplaatsen en aanleg van ondergrondse infrastructuren zoals kabels leidingen en riolering. Op basis van gespecificeerde archeologische verwachting en de inschatting van de voorgenomen bodemingrepen op de te verwachte archeologische waarden wordt, voor het plangebied Van Limburg Stirumlaan 2-6, vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van verkennend booronderzoek. Doel is het vaststellen van de specifieke verstoringsgraad van de bodem rondom de bestaande kantoorgebouwen en op basis daarvan de gespecificeerde archeologische verwachting nader te onderbouwen.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding online via ARCHIS of het vondstmeldingsformulier). Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de gemeente Tilburg een formeel besluit. Met betrekking tot deze aanbevelingen dient dan ook contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag.
3
In opdracht van de Essentie heeft Archol een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen ingrepen binnen het plangebied aan de Van Limburg Stirumlaan 2-6 te Tilburg (Figuur 1.1). Aanleiding voor het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het realiseren van 250 nieuwbouwappartementen. In het vigerend bestemmingsplan Zorgvlied 2008 (bestemming kantoren)1 is voor een klein gedeelte aan de noordwestzijde van het plangebied de dubbelbestemming Verwachtingsgebied archeologische waarde opgenomen. Voor deze categorie geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 0,5 m en groter dan 30 m2 een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarden van het gebied beschreven staan. Aangezien een deel van de voorgenomen planontwikkeling deze grenzen overschrijden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Doel van onderhavig bureauonderzoek is vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het bureauonderzoek is erop gericht een specifiek verwachtingsmodel voor het plangebied op te stellen met de bekende en verwachte archeologische waarden.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (in rood) op de topografische kaart (bron: Top25 Kadaster). 1 Om de bouw van de 250 appartementen mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan gerealiseerd.
4
Het plangebied bevindt zich in de wijk Zorgvlied in het zuiden van Tilburg (Figuur 1.2). Het terrein ligt tussen de Van Limburg Stirumlaan in het noorden, de Baroniebaan in het zuiden, de Ringbaan West in het oosten en een groenstrook in het westen. Binnen het plangebied, van ca. 16.000 m2, staan momenteel drie kantoorgebouwen en liggen twee parkeerplaatsen. Tijdens de bouw van de kantoren en bijbehorende ondergrondse infrastructuren is de bodem mogelijk tot onbekende diepte verstoord. De maaiveldhoogte bedraagt ca. 13,87 tot 14,20 +NAP.2 De kantoorgebouwen en bestrating zullen worden gesloopt en plaatsmaken voor 250 nieuwe appartementen. Het is nog niet bekend tot op welke diepte de bodemingrepen gaan plaatsvinden.
Figuur 1.2 Ligging plangebied (in rood) en de huidige situatie (bron: PDOK, Luchtfoto 2020 Ortho RGB).
Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die op zijn beurt per 1 juli 2016 is komen te vervallen en deels is opgegaan in de Erfgoedwet. Een ander gedeelte zal per 1 januari 2022 opgaan in de Omgevingswet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed in de fysieke leefomgeving. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord kan door de overheid verplicht worden een rapport
2 AHN is geraadpleegd.
5
te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of in het plangebied waardevolle vindplaatsen voorkomen. Het vooronderzoek is opgebouwd uit twee onderdelen: het bureauonderzoek (BO) en een eventueel inventariserend veldonderzoek (IVO), elk met bijbehorende standaardrapportages. Dit rapport betreft een bureauonderzoek. Het bureauonderzoek geeft een samenvatting van wat er in archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht bekend is over het plangebied. Het doel is om door middel van bestaande bronnen te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van de resultaten kan het bevoegd gezag een beslissing nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek zoals het toetsen van deze verwachting in de vorm van een inventariserend veldonderzoek. Soort onderzoek: Projectnaam: Archolprojectcode: Archis-zaaknummer: Planologische aanleiding:
Archeologisch bureauonderzoek Van Limburg Stirumlaan 2-6 VLS2128 5138627100 Sloop bestaande bebouwing en bouw 250 nieuwe appartementen
Opdrachtgever:
De Essentie N. van der Heijden Gemeente Tilburg G. van den Eynde
Bevoegd gezag:
Uitvoerder: Periode van uitvoering bureauonderzoek: Rapport gereed: Versie: Status: Goedkeuring bevoegd gezag:
Archeologisch Onderzoek Leiden bv 30 november – 09 december 2021 09-12-2021 1.0 Concept Nee
Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Coördinaten gebied:
Noord-Brabant Tilburg Tilburg Van Limburg Stirumlaan 2-6 x: 131.930/ y: 395.606 x: 131.992/ y: 395.661 x: 132.114/ y: 395.538 x: 132.055/ y: 395.460 Ca. 16.000 m2 Bebouwing, recreatiegebied (park en voetbalveld)
Oppervlakte plan- of onderzoeksgebied: Huidig grondgebruik: Beheer en plaats van documentatie en vondsten: Tabel 1.1 Administratieve gegevens.
n.v.t.
6
Het bureauonderzoek is erop gericht aan de hand van bekende en verwachte archeologische waarden een verwachtingsmodel voor het plangebied op te stellen en eventuele verstoringen in kaart te brengen. Dit verwachtingsmodel resulteert in een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied, waarin voor zover mogelijk uitspraken worden gedaan over de datering, het complextype, de locatie, de omvang en diepteligging, de gaafheid en conservering en uiterlijke kenmerken van mogelijk in het plangebied aanwezige archeologische waarden. Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van verschillende bronnen (Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.) informatie verzameld om inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de (lokale) opbouw van de bodem en de sporen die de mens in het landschap heeft achtergelaten . Zo zijn aardwetenschappelijke gegevens en historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Het archeologisch informatiesysteem (Archis2) is bekeken om de bekende archeologische waarnemingen binnen en direct rondom het plangebied in kaart te brengen. Verder zijn uitgevoerde archeologische onderzoeken uit de directe omgeving geraadpleegd. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4.1, protocol 4002.
Bron
Geraadpleegd?
Motivatie (wanneer niet gebruikt)
Verplichte bronnen Archeologische Monumenten Kaart (AMK)
Ja
Archis
Ja
Historische kaarten
Ja
Gemeentelijke beleids/verwachtingskaarten (indien aanwezig)
Nee
Niet aanwezig
Centraal Monumenten Archief (CMA)
Nee
Archis is geraadpleegd
Centraal of archeologisch archief (CAA)
Nee
Archis is geraadpleegd
Cultuur Historische waardenkaart (CHW)
Nee
Bodemkaart van Nederland, schaal minimaal 1:50.000
Ja
Gedetailleerde geologische- of bodemkaarten
Ja
Niet-Verplichte bronnen (beredeneerde keuze)
Oude kadasterkaarten
Ja
Topografische kaart van Nederland
Nee
Beeldmateriaal voor bouwhistorie
Nee
Milieukundig bodemonderzoek
Nee
Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten binnen het onderzoeksgebied Lucht- en satellietfoto’s
Ja
Archieven
nee
Ja
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Ja
Amateur-archeologen
Nee
Gebiedsgerichte specialisten
Nee
Eigenaar en gebruiker
Nee
Provinciale depots
Nee
Tabel 2.1: Geraadpleegde bronnen
7
Voldoende gegevens beschikbaar
De bewoningsgeschiedenis van een gebied wordt (groten)deels bepaald door het landschap in en rond het gebied, en de veranderingen daarin door de tijd heen. Voor een goed beeld van de bewoningsmogelijkheden in het verleden volgt een beknopt overzicht van de landschappelijke ontwikkeling van de regio.
Het natuurlijke reliëf in de regio Tilburg is gevormd gedurende de laatste grootschalige koude periode van het Pleistoceen: het Weichselien (ca. 115.000-11.700 jaar geleden). In deze periode werd onder toendra- en poolomstandigheden een dik pakket fijnzandige sedimenten afgezet. Behalve zuiver eolische afzettingen, waarbij fijn zand door de wind is verplaatst en opgestoven tot ruggen, werd in deze periode tevens op grote schaal fijn sediment door smeltwater en neerslag opgenomen, verplaatst en in de vorm van lemige sequenties weer afgezet. Leemlagen ontstonden ook door een combinatie van wind en neerslag, waarbij lössachtig materiaal uit de atmosfeer kon neerslaan. Het huidige oppervlaktereliëf van het onderzoeksgebied en omgeving is in hoge mate het resultaat van geleidelijke fluviatiele erosie en versnijding van het periglaciale dekzandlandschap. Doordat lokale smeltwaterstromen zich insneden in het dekzandpakket, ontstonden daarbuiten hogere delen die als plateaus of ruggen bewaard zijn gebleven. Anders dan vaak verondersteld wordt, zijn op veel plaatsen in deze regio de hogere delen dus niet (alleen) het resultaat van opwaaiing en accumulatie van dekzanden. Dit verklaart ook waarom op veel plaatsen zeer siltrijke zanden en zelfs lemige fluvioglaciale afzettingen dagzomen.
Wel is het reliëf van dit erosielandschap op veel plaatsen geaccentueerd in de laatste koude periode van het Weichselien: de late Dryas (13.050-11.700 jaar geleden). In deze laatste grootschalige verstuivingsfase zijn, door lokale uitstuiving van vlakten, de hogere delen verder opgestoven met een dun eolisch dek. In veel gevallen betreft het relatief kleine opduikingen met een dikte tot ca. 1 m.3
Figuur 2.1 Uitsnede van de paleogeografische kaart van de regio Tilburg (Bron: Heunks adviesdocument 2012-4). Het plangebied ligt op een welving of dalflank (lichtgeel). Ten westen ligt een vlakte (lichtgroen) en in oosten wordt het plangebied omsloten door de dekzandrug (oranje).
3 Gebaseerd op Heunks 2012; Van Zon 2014; Van der Leije 2015.
8
Het plangebied, is vanwege de ligging in de bebouwde kom, niet gekarteerd op de geomorfologische kaart. In de nabije omgeving komen echter dekzandwelvingen (3L5), vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss (2M9), dekzandruggen (3K14) voor (Figuur 2.2). Het niet gekarteerde deel kan worden aangevuld met de paleogeografische kaart van de regio Tilburg (Figuur 2.1). Het plangebied is op basis hiervan gelegen in een zone van een welving of dalflank (lichtgeel) en wordt in de directe omgeving omsloten door de pleistocene dekzandrug (oranje). Ten westen van het plangebied ligt een vlakte (lichtgroen). Op basis van de ouderdom van het dekzand kunnen in het plangebied archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege-Middeleeuwen aanwezig zijn. Het plangebied is eveneens niet gekarteerd op de bodemkaart (Figuur 2.3), maar grenst in het zuiden en westen aan een zone van hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ23). Enkeerdgronden zijn zandgronden met een niet-vergraven, dikke humushoudende bovengrond (Aa-horizont van minimaal 50 cm dik); zij worden vooral aangetroffen op oude bouwlandgronden op de hoger gelegen delen van het Pleistocene dekzandgebied. Enkeergronden, in de volksmond ook esdekken genoemd, ontstaan door het eeuwenlang opbrengen van gemengde plaggen en potstalmest op de akkers.
De plaggen werden gestoken op nabij gelegen gras-, bos- of heidepercelen en in de potstal geworpen om de uitwerpselen van het vee op te vangen. Vaak werd ook het nederzettingsafval vermengd met de plaggen.4
Figuur 2.2 Geomorfologische kaart van het plangebied (rood) en omgeving (bron: Alterra).
4 Van der Leije 2015, 20-21.
9
In het DINO-loket staan een drietal boorprofielen genoteerd die rondom het plangebied zijn gezet (Figuur 2.3, Bijlage 1). Net ten oosten (boring B50F0496) van het plangebied is het zand van de dekzandwelving/ dalflank meteen onder het maaiveld (14,30 m +NAP) aangetroffen. Op een diepte van 3,85 m (10,45 m +NAP) -mv zit een 35 cm dikke veenlaag. De boring (B50F1106) ten zuidwesten van het plangebied, aan de zuidkant van de Baroniebaan, heeft een zelfde beeld opgeleverd. In de derde boring (B50F1110), verder naar het westen aan de zuidkant van de Baroniebaan, is het zand van de welving/ dalflank aangetroffen op een diepte van 0,60 m -mv (13,70 m +NAP). De 60 cm dikke laag die op het zand ligt (tot aan het maaiveld) is omschreven als antropogeen/ esdek. Dit komt overeen met de verwachting van de bodemkaart.
Figuur 2.3 Bodemkaart van het plangebied (bron: Alterra). In het geel de in het DINO-loket aanwezige boringen met boornummer.
Er is een KLIC‐oriëntatieverzoek gedaan om inzicht te krijgen in verstoringen van het terrein door aanwezige kabels en leidingen in de ondergrond. De kabels en leidingen lopen voornamelijk rondom en in het verlengde van de drie te slopen kantoorgebouwen (Figuur 2.4). Het is onduidelijk tot op welke diepte de bodem op deze plekken is verstoord. Algemeen kan worden aangenomen dat de leidingen tot ca. 1 m -Mv zijn aangelegd en de bodem tot op die diepte is verstoord.
10
Figuur 2.4 De aanwezige kabels en leidingen binnen het plangebied (paars)(Bron: Kadaster.nl).
Voor de gemeente Tilburg zijn geen recente archeologische verwachtings- en beleidskaarten te raadplegen.5 In de ruimtelijke plannen voor dit gebied: in dit geval bestemmingsplan Zorgvlied 2008 (vigerend 2009-03-13, Figuur 2.5), geldt voor een smalle strook in het noordwesten van het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Dit wil zeggen dat voor bodemingrepen die groter zijn dan 30 m² en die dieper reiken dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld, een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor de rest van het plangebied geldt geen dubbelbestemming archeologie. Dit is waarschijnlijk opgesteld met de gedachte dat de kantoorgebouwen en bijbehorende parkeerplaatsen de bodem tot op grote diepte verstoord hebben. Hoe diep deze verstoringen zijn is echter onduidelijk.
5 In 2003 is de verwachtingskaart van Tilburg opgesteld, genaamd Arwati. Gezien deze is verouderd zal de kaart niet gebruikt worden in dit
bureauonderzoek.
11
Figuur 2.5 Uitsnede van het bestemmingsplan Zorgvlied 2008. In rood de zone met een dubbelbestemming archeologie en in met groen omlijnd het plangebied.
Binnen het plangebied bevinden zich geen bekende archeologische vindplaatsen. Rondom het plangebied zijn enkele archeologische onderzoeken en waarnemingen in Archis geregistreerd (Tabel 2.2, Figuur 2.6) op basis waarvan de archeologische verwachting nader kan worden gespecificeerd. Het dichtstbijzijnde onderzoek bevindt zich op enige afstand van het plangebied, op ca. 430 m. Daarom is in een straal van ca. 1000 m rond het plangebied gekeken naar relevante onderzoeken. Voor de wijk Zorgvlied, waar het plangebied in gelegen is, is in 2006 een groot archeologisch en historisch bureauonderzoek uitgevoerd (zaakidentificatienummer 2142866100). Op basis van dit onderzoek werd gesteld dat voor de hele wijk Zorgvlied een archeologische verwachting geldt voor vrijwel elke periode vanaf de steentijd. Volgens het onderzoek betreft het dan wel voornamelijk de onbebouwde locaties, zoals groenstroken. Het dichtstbijzijnde onderzoek waarbij daadwerkelijk inzicht verkregen kan worden in de bodemopbouw ligt op ca 430 m ten zuiden van het plangebied. Het betreft een booronderzoek (zaakidentificatienummer 4758324100) waarbij 7 boringen gezet zijn. Op een diepte van 150-200 cm -mv (11,68-12,29 m +NAP) tot op 200-220 cm -mv (11,43-11,77 m +NAP) is het dekzand aangetroffen. Op dit dekzand ligt vanaf een diepte van 110-155 cm -mv (12,13-12,69 m +NAP) een pakket verspoeld dekzand.
In de top van deze verspoelde afzettingen is vanaf een diepte van 80-130 cm -mv (12,46-12,98 m +NAP) tot op een diepte van 110-155 cm -mv (12,13-12,69) sprake van bodemvorming. Hier is sprake van een oorspronkelijk maaiveldniveau in de top van het pakket (Ab-horizont). Deze bodemopbouw vormt een intact archeologisch relevant niveau in de top van het verspoelde dekzandpakket. Dit betreft waarschijnlijk een oude verspoeling van de dalflank. Hier bovenop ligt op een diepte van 80-130 cm -mv (12,46-12,99 m +NAP) een antropogene laag die is geïnterpreteerd als oud bouwlanddek. Deze laag loopt tot aan het maaiveld. Op ca. 480 m ten noordoosten van het plangebied ligt de locatie van een tweede booronderzoek (zaakidentificatienummer 2452083100). Uit de 10 boringen die zijn gezet kwam hetzelfde beeld. Het dekzand is op een diepte van 110 tot 190 cm -mv aangetroffen. De top van het dekzand is echter vergraven door bovenliggende verstoorde laag die tot aan het maaiveld reikt. Geconcludeerd is dat eventueel aanwezige archeologische resten hiermee vergraven zullen zijn. Ten zuiden van het plangebied, op ca. 560 m, zijn een drietal vondstwaarnemingen gedaan (zaakidentificatienummer 2900483100). Het betreft twee bronzen bijlen (Bronstijd), drie vuurstenen bijlen (Vroeg Neolithicum B – Laat Neolithicum B) en zeven scherven konisch aardewerk (Vroege Middeleeuwen).
Verdere informatie over de vondsten en de vondstlocatie is niet aanwezig.
12
Figuur 2.6 Archis waarnemingen en onderzoeken (blauw) en de locatie van het plangebied (rood). Op ca. 650 m ten noordoosten van het plangebied ligt de locatie van een derde booronderzoek (zaakidentificatienummer 2303626100). De resultaten van dit onderzoek komen overeen met die van het hierboven besproken booronderzoek. Onder de bestrating werd een 15 cm tot 30 cm dik ophogingspakket aangetroffen. Daaronder bevindt zich een verstoorde laag van 90 cm tot 145 cm dik. Deze geroerde laag heeft de top van het dekzand volledig verstoord en van een oorspronkelijke bodem resteert niets meer. Zowel resten van een esdek als van podzol-horizonten, ontbreken volledig. Er was geen aanleiding archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. In 2018 zijn proefsleuven gegraven op ca. 800 m ten oosten van het plangebied (zaakidentificatienummer 4587188100). Hierbij zijn enkele grondverbeteringskuilen uit de nieuwe tijd aangetroffen. De oorspronkelijke bodemopbouw was niet meer aanwezig. Er zijn geen behoudenswaardige archeologische resten gevonden, vervolgonderzoek werd dan ook niet aanbevolen. Op ca. 850 m ten zuidoosten van het plangebied is in 2010 een opgraving uitgevoerd (zaakidentificatienummer 2292798100).
Tijdens de opgraving zijn aanwijzingen gevonden voor activiteiten in het midden- en/of laat-neolithicum en de vroege bronstijd, maar de eerste eenduidige bewoningsporen stammen uit de midden-bronstijd B (1500-1100 v.Chr.). De locatie is, door de verschillende periode heen, tot in de 12e eeuw in gebruik als nederzettingsterrein. Hierna wordt het gebied tot in de 20e eeuw gebruikt als akkergronden. Het laatste onderzoek dat wordt aangehaald ligt op ca. 1040 m ten noordwesten van het plangebied (zaakidentificatienummer 2268732100). Het betreft een proefsleuvenonderzoek uit 2010. Op basis van het uitgevoerde 13
onderzoek zijn echter geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aangetroffen: het plangebied bleek grotendeels zeer ernstig verstoord. Er is daarom geadviseerd de (middel)hoge verwachtingswaarde voor het gebied naar beneden toe bij te stellen en het plangebied vrij te geven voor wat betreft archeologie. Zaakidentificatienummer 2142866100 4758324100
Resultaten en/ of advies Archeologische verwachting voor de hele wijk Zorgvlied voor vrijwel alle periode vanaf de steentijd. De archeologische verwachting voor het plangebied is hoog. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een dalflank. In de (verspoelde) dekzandafzettingen is sprake van een intacte bodemopbouw onder een oud bouwlanddek. Deze intacte bodemopbouw is aan te treffen vanaf een diepte van 80-130 cm -mv (12,46-12,98 m +NAP) en bestaat uit een begraven maaiveldniveau en inspoelingshorizonten (Bw- en Cw-horizonten). In het archeologisch relevante niveau kunnen verschillende archeologische resten worden aangetroffen daterend vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De Laag van Usselo, relevant voor het Paleolithicum, is tijdens het veldonderzoek niet aangetroffen. •
•
2452083100
2900483100
2303626100
Literatuur De Boer & Van Dijk 2006 Rap & Van der Sande 2019
Uit het Neolithicum kunnen, gezien de intactheid van de bodemopbouw, zowel intacte vondstconcentraties aangetroffen worden die samenhangen met kortstondig landgebruik, als clusters van archeologische grondsporen. Deze typen resten zijn te relateren aan extractiesites en hutten. Aan te treffen vondstmateriaal uit deze periodes kan bestaan uit bewerkt vuursteen, verbrand botmateriaal en verbrandde plantenresten. Verder kunnen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd diverse sporen worden aangetroffen die in verband staan met nederzettingsterreinen, sporen van landgebruik en terreininrichting. Er bestaat een verwachting op zowel het aantreffen van vondstmateriaal als grondsporen. Gezien de ligging van in elk geval een deel van het archeologisch relevante niveau onder het grondwaterniveau zijn ook organische resten mogelijk nog intact aanwezig.
Door de voorgenomen ingrepen, de uitbreiding van het bestaande zorgcentrum, zullen eventuele archeologische waarden in het plangebied verstoord worden. Daarom adviseren wij om voorafgaand aan de voorgenomen ingrepen een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren naar de aard en aanwezigheid van eventuele archeologische resten (inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een Inventariserend Onderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Die methode wordt geadviseerd omdat bij het booronderzoek is aangetoond dat mogelijk grondsporen in de ondergrond begraven liggen. De top van het dekzand is vergraven bij de aanleg en sloop van het overdekte zwembad en bij de sloop van de historische bebouwing ter hoogte van de parkeerplaats. De oorspronkelijk aanwezige bodemopbouw is hiermee geheel verstoord geraakt. Hiermee zullen eventueel aanwezige archeologische resten naar verwachting ook vergraven zijn. Overal is een verstoring van het oorspronkelijk bodemprofiel tot 110 tot 190 cm –Mv waargenomen. Eventueel aanwezige archeologische resten zullen hiermee vergraven zijn. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen anders dan (recent) baksteen, vensterglas en piepschuim.
Concluderend geldt voor het plangebied een lage verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd. Drie vondstwaarnemingen • 2 bronzen bijlen, Bronstijd (objectnummer 763312) • 3 vuurstenen bijlen, Vroeg Neolithicum B – Laat Neolithicum B (objectnummer 764894) • 7 scherven konisch aardewerk, Vroege Middeleeuwen (objectnummer 764895) Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten daterend vanaf het paleolithicum tot en met de vroege
14
Hakvoort 2014
Onbekend
Deville & Orbons 2011
4587188100
2292798100
2268732100
middeleeuwen. Voor archeologische resten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd, geldt een lage archeologische verwachting. Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen het plangebied 6 boringen gezet met behulp van een megaboor. Uit het met de megaboor verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied tot minimaal 90 cm verstoord is tot in de C-horizont. Plaatselijk loopt deze verstoringsdiepte op tot bijna anderhalve meter. Van de oorspronkelijke bodem resteert niets meer. Zowel resten van een esdek als van podzol-horizonten, ontbreken volledig. De ingrijpende verstoring van de bodem binnen het plangebied is vrijwel zeker het gevolg van de bouw van een school alhier in de twintigste eeuw. Ondanks het gebruik van een megaboor zijn binnen het plangebied geen archeologische indicatoren aangetroffen. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Bij het onderzoek werd een enkele proefsleuf van 4x10 meter is uitgegraven tot circa 1 meter beneden maaiveld.
Hierbij zijn enkele grondverbeteringskuilen uit de nieuwe tijd aangetroffen, naast recente verstoringen. De oorspronkelijke bodemopbouw was niet meer aanwezig. Gezien de aanwezigheid van tuintjes op de oude kaarten is dit niet geheel verwonderlijk. Er zijn geen behoudenswaardige archeologische resten gevonden, vervolgonderzoek wordt dan ook niet aanbevolen. Opgraving met archeologische resten vanaf midden- en/of laat-neolithicum tot aan de nieuwe tijd. Het betreft bewoningsporen zoals huisplattegronden, waterputten en erfscheidingen. De diepte van het archeologisch vlak varieerde van ca. 60 cm Mv in het hoge deel van het plangebied tot ca. 200 cm -Mv in het lage (oostelijke) deel. Op basis van een voorgaand bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (uitgevoerd door BILAN) was het plangebied deels een hoge en deels een middelhoge verwachting toegekend; dit met name voor de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Plaatselijk kon tevens archeologisch vondstmateriaal uit het Mesolithicum worden aangetroffen. De hoge verwachting werd gededuceerd uit de aanwezigheid van hoge zwarte enkeerdgronden, die bekendstaan om hun conserverende werking. Op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek zijn echter geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aangetroffen: het plangebied bleek grotendeels zeer ernstig verstoord.
Geadviseerd wordt daarom de (middel)hoge verwachtingswaarde voor het gebied naar beneden toe bij te stellen en het plangebied vrij te geven voor wat betreft archeologie.
Van der Weerden & Stoop 2018
Zon & Dijkstra 2015
Van der Haar & Koopmanschap 2010
Tabel 2.2 Archis gegevens.
Het plangebied ligt op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) niet binnen een terrein van archeologische waarde.
Volgens het historische kaartmateriaal lijkt het plangebied tot aan de bouw van de drie kantoorgebouwen vrijwel onbebouwd te zijn geweest. De percelering zoals te zien op de kadastrale minuut van 1811 - 1832 lijkt op de kaarten vrijwel onveranderd tot 1938 (Figuur 2.7, Figuur 2.8, Figuur 2.9). De percelen zullen gebruikt zijn geweest als landbouwgronden en weilanden. Op de kaart van 1938 lijken de percelen te zijn herverdeeld, maar lijkt de agrarische functie ongewijzigd. Vanaf
15
de tweede helft van de 20e eeuw ontstaat het stratenplan van de wijk Zorgvlied zoals we die nu kennen. De kantoorgebouwen worden vanaf 1995 afgebeeld op het kaartmateriaal.
Figuur 2.7 De globale ligging van het plangebied (rood) op de kadastrale minuut van Tilburg, Noord Brabant, sectie D, blad 01, 1811 – 1832 (Bron: RCE). In en rondom het plangebied zijn geen gebouwen of erven gelegen.
Figuur 2.8 Twee historische kaarten uit 1850 (links) en 1900 (rechts)(bron: Topotijdreis.nl). Op de locatie van het plangebied lijken weilanden en landbouwgronden te liggen.
16
Figuur 2.9 Twee historische kaarten uit 1938 (links) en 1995 (rechts)(bron: Topotijdreis.nl). Op de kaart uit 1938 lijkt de grond rondom het plangebied te zijn herverkaveld. Vanaf 1995 staan de drie kantoorgebouwen aangegeven op de historische kaart.
Op grond van de landschappelijke ligging in een dekzandwelving, kunnen in zijn algemeenheid archeologische resten vanaf het paleolithicum verwacht worden. Binnen het plangebied zijn geen archeologische resten en/of vindplaatsen aangetroffen of vooralsnog bekend, echter doch wel verwacht. De dichtstbijzijnde archeologische ‘resten’ zijn waarnemingen van een aantal voorwerpen. Deze waarnemingen zijn ca.560 m ten zuiden van het plangebied gedaan en betreft drie vuurstenen bijlen uit het vroeg neolithicum B – laat neolithicum B, twee bronzen bijlen uit de bronstijd en aardewerk uit de vroege middeleeuwen. De dichtstbijzijnde substantiële archeologische resten zijn aangetroffen bij een opgraving op ca. 850 m ten zuidoosten van het plangebied. Tijdens de opgraving zijn aanwijzingen gevonden voor activiteiten in het midden- en/of laat-neolithicum en de vroege bronstijd, maar de eerste eenduidige bewoningsporen stammen uit de midden-bronstijd B (1500-1100 v.Chr.). De locatie bleek, door de verschillende periodes heen, tot in de 12e eeuw in gebruik te zijn geweest als nederzettingsterrein. Van de 12e eeuw zijn er geen bewoningssporen meer en wordt het gebied gebruikt als akkergronden. Tussen 1300 en 1500 wordt het gebied voor het eerst opgehoogd en doormiddel van greppels verkaveld. Dit duurt tot in de 20e eeuw.
Gezien in de directe omgeving van het plangebied geen aanwijzingen zijn van archeologische resten zoals hierboven beschreven, maar landschappelijk wel verwacht kunnen worden, geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting van het paleolithicum tot en met de volle middeleeuwen. Net als tijdens de opgraving ten zuidoosten van het plangebied is vastgesteld, zal de omgeving van het plangebied vanaf de late middeleeuwen waarschijnlijk ook zijn gebruik als akkergronden. Dit is ook terug te zien op de historische kaarten. Om die reden geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor de periode van de late middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Dit betreft voornamelijk complextypen als wegen, verkavelingsgreppels en agrarisch gebied. De resultaten voortkomend uit het bureauonderzoek over de diepteligging van een mogelijk archeologisch intact vlak bevinden zich te ver buiten het plangebied om als leidraad te kunnen worden gebruikt. Op basis van deze onderzoeken kan het archeologisch niveau direct onder de bouwvoor maar ook veel dieper (tot ca. 200 cm -Mv) worden verwacht. Het is onduidelijk tot op welke diepe de bodem in het plangebied verstoord is. De bodem zal waarschijnlijk het diepst verstoord zijn onder de drie kantoorgebouwen. Het is de vraag of deze verstoringsdiepte onder de parkeerplaatsen en andere bestrating net zo diep reikt als onder de kantoorgebouwen.
Daarnaast moet lokaal rekening gehouden worden met de aanwezigheid van ondergrondse infrastructuren (kabels en leidingen) die de bodem mogelijk verstoord hebben alsmede de aanwezigheid van bomen aan de randen van het plangebied (Figuur 2.4).
17
Verwachting Hoog
Diepteligging Onbekend
Periode Late middeleeuwen – Nieuwe tijd
Complextype Agrarisch gebied, wegen, perceleringsgreppels
Locatie Plangebied, geheel
Gaafheid gemiddeld tot hoog
Middelhoog
Onbekend
Paleolithicumvolle middeleeuwen Tabel 2.3: Gespecificeerde archeologische verwachting.
nederzetting, akker, grafveld
Plangebied, geheel
gemiddeld tot hoog
18
Doel van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting te geven voor het plangebied door te kijken naar de archeologische verwachting en de opbouw/ intactheid van het landschap. Op basis van het onderzoek kunnen er, landschappelijk gezien, archeologische resten vanaf het paleolithicum verwacht worden. Voor de periode van het paleolithicum - volle middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting voor het plangebied. Deze verwachting is met name gebaseerd op de onbekendheid van de staat van het terrein en of eventueel aanwezige resten zijn verstoord. Van belang is met name de onduidelijkheid over de diepte van het archeologisch relevant niveau. Onderzoek in de omgeving laat zien dat dit niveau direct onder de bouwvoor maar ook veel dieper (tot ca. 200 cm -Mv) kan worden verwacht. In de directe omgeving en binnen het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend die meer informatie kan verschaffen over de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied. Voor de periode van de late middeleeuwen – Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting voor het plangebied, omdat de omgeving vanaf de 12e eeuw waarschijnlijk gebruikt is als akkergronden. Dit betreft voornamelijk complextypen als wegen, verkavelingsgreppels en agrarisch gebied. Ook hier is onduidelijk in hoeverre deze archeologische waarden nog behouden zijn.
Het is onduidelijk tot op welke diepe de bodem in het plangebied verstoord is door moderne activiteiten zoals de bouw van de kantoren, parkeerplaatsen en aanleg van ondergrondse infrastructuren zoals kabels leidingen en riolering of bomen langs de randen van het plangebied. Deze onbekende verstoringsgraad alsmede de vooralsnog onbekende diepte van het archeologisch relevante niveau bemoeilijkt het geven van een gespecificeerde archeologische verwachting voor dit plangebied.
Op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting en de inschatting van de voorgenomen bodemingrepen op de te verwachte archeologische waarden wordt, voor het plangebied Van Limburg Stirumlaan 2-6, vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van verkennend booronderzoek. Doel is het vaststellen van de specifieke verstoringsgraad van de bodem rondom de bestaande kantoorgebouwen waardoor de gespecificeerde archeologische verwachting nader kan worden onderbouwd (Figuur 3.1). Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding online via ARCHIS of het vondstmeldingsformulier). Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de gemeente Tilburg een formeel besluit. Met betrekking tot deze aanbevelingen dient dan ook contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag.
19
Figuur 3.1 Ligging plangebied (in rood) en de huidige situatie (bron: PDOK, Luchtfoto 2020 Ortho RGB). Duidelijk zijn de gebouwen en parkeerplaatsen zichtbaar.
20
Zon, van der M. 2014, Een wegcunet vol sporen. De onverwachte vondst van enkele middeleeuwse ontginningsboerderijen. Een (nood)opgraving in plangebied Hoge Hoek te Berkel-Enschot. Archol Rapport 220, Leiden. Leije, van der J. 2015, Vindplaatsen uit de late prehistorie en middeleeuwen. Archeologische begeleiding van het Waterleidingtracé Tilburg – Berkel-Enschot. Archol Rapport 219, Leiden. Heunks, E. 2012, De paleogeografische kaart van de regio Tilburg, schaal 1:25.000. Toelichting met twee kaartbijlagen, Utrecht (Heunks adviesdocument 2012-4).
21
Figuur 1.1 Ligging plangebied (in rood) op de topografische kaart (bron: Top25 Kadaster). Figuur 1.2 Ligging plangebied (in rood) en de huidige situatie (bron: PDOK, Luchtfoto 2020 Ortho RGB). Figuur 2.1 Uitsnede van de paleogeografische kaart van de regio Tilburg (Bron: Heunks adviesdocument 2012-4). Het plangebied ligt op een welving of dalflank (lichtgeel). Ten westen ligt een vlakte (lichtgroen) en in oosten wordt het plangebied omsloten door de dekzandrug (oranje). Figuur 2.2 Geomorfologische kaart van het plangebied (rood) en omgeving (bron: Alterra). Figuur 2.3 Bodemkaart van het plangebied (bron: Alterra). In het geel de in het DINO-loket aanwezige boringen met boornummer. Figuur 2.4 De aanwezige kabels en leidingen binnen het plangebied (paars)(Bron: Kadaster.nl). Figuur 2.5 Uitsnede van het bestemmingsplan Zorgvlied 2008. In rood de zone met een dubbelbestemming archeologie en in het groen het plangebied. Figuur 2.6 Archis waarnemingen en onderzoeken (blauw) en de locatie van het plangebied (rood). Figuur 2.7 De globale ligging van het plangebied (rood) op de kadastrale minuut van Tilburg, Noord Brabant, sectie D, blad 01, 1811 – 1832 (Bron: RCE). In en rondom het plangebied zijn geen gebouwen of erven gelegen. Figuur 2.8 Twee historische kaarten uit 1850 (links) en 1900 (rechts)(bron: Topotijdreis.nl).
Op de locatie van het plangebied lijken weilanden en landbouwgronden te liggen. Figuur 2.9 Twee historische kaarten uit 1938 (links) en 1995 (rechts)(bron: Topotijdreis.nl). Op de kaart uit 1938 lijkt de grond rondom het plangebied te zijn herverkaveld. Vanaf 1995 staan de drie kantoorgebouwen aangegeven op de historische kaart. Figuur 3.1 Ligging plangebied (in rood) en de huidige situatie (bron: PDOK, Luchtfoto 2020 Ortho RGB).
Tabel 1.1 Administratieve gegevens. Tabel 2.1: Geraadpleegde bronnen Tabel 2.2 Archis gegevens. Tabel 2.3: Gespecificeerde archeologische verwachting.
22
23
24