CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Toelichting deel 3

Raadsvergadering 1 juli 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236-240)8.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

<0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd (7.30 minuten) conform het dekkings‐ en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten‐ en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe appartementen worden gerealiseerd binnen wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de Wgh ("zones langs wegen"). Dit betreft de Bosscheweg, de Lovense kanaaldijk/Hoevense Kanaaldijk (oost en west van het kanaal), de Jules Verneweg en de Insulindestraat. Daarom is voor de oprichting van de appartementen een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing aan de normen van de Wgh plaatsgevonden. De 30 km/uur wegen rondom het plangebied zijn tevens onderzocht in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening. Voor de uitgangspunten en de rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch rapport Bosscheweg 240-242 opgesteld door Antea Group d.d. 24 april 2023 (projectnummer 0473989.100, definitief revisie 01) (BIJLAGE 6). Ingevolge de Wgh geldt voor nieuwe woningen een wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurgrenswaarde van 48 dB enkel wordt overschreden als gevolg van de Bosscheweg en de Lovense kanaaldijk/Hoevense Kanaaldijk. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een binnenstedelijke situatie wordt voor beide wegen niet overschreden. 4.6.2 Railverkeerlawaai De nieuwe appartementen liggen binnen het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg‐Vught en Tilburg‐Boxtel. Daarom is voor oprichting van de appartementen een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing aan de normen van de Wgh/Besluit geluidhinder plaatsgevonden. Voor de uitgangspunten en de rekenresultaten wordt verwezen naar het eerder genoemde akoestisch rapport Bosscheweg 240-242 opgesteld door Antea Group d.d. 24 april 2023 (projectnummer 0473989.100, definitief revisie 01). Voor nieuwe woningen geldt als wettelijke voorkeurgrenswaarde 55 dB. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurgrenswaarde van 55 dB op een groot deel van de nieuwbouw wordt overschreden. Tevens wordt de maximale ontheffingswaarde van 68 dB op een groot deel van de nieuwbouw overschreden. 4.6.3 Geluidsreducerende maatregelen Vannwege de overschrijding van de wettelijke voorkeurgrenswaarde voor weg‐ en railverkeerslawaai en overschrijding van de maximale ontheffingswaarde voor railverkeerslawaai is onderzoek gedaan naar geluidreducerende maatregelen.

Om de geluidbelasting vanwege een (spoor)weg te beperken, kunnen de volgende maatregelen worden getroffen:

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

27

<0000> <0000> <0000>

Maatregelen aan de bron, bijvoorbeeld door middel van het toepassen van een geluidarm wegdektype of spoordempers; Maatregelen in het overdrachtsgebied, bijvoorbeeld door middel van het toepassen van een geluidscherm of grondwal; Maatregelen ter plaatse van de ontvanger, bijvoorbeeld door middel van het toepassen van gevelgeluidwering.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat maatregelen aan de Bosscheweg en de Lovense kanaaldijk/Hoevense Kanaaldijk en het spoor noch wenselijk noch doelmatig zijn. Ook bij de toepassing van een extra geluidreducerende wegdektype zal sprake zijn van een overschrijding van de voorkeurgrenswaarde. Overige maatregelen aan de bron zoals het verlagen van de verkeersintensiteit of het afschalen van de rijsnelheid zijn niet gewenst vanwege de functie van met name de Bosscheweg. Voor railverkeerslawaai geldt dat de gemeente geen bronbeheerder is en een beperkte invloed heeft op het toepassen van bronmaatregelen zoals raildempers. Met het toepassen van raildempers wordt de geluidbelasting niet teruggebracht tot aan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 55 dB maar ook niet tot aan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Daarnaast kunnen raildempers niet overal toegepast worden vanwege de aanwezigheid van de brug en spoorwissel. Maatregelen in de overdracht zoals het toepassen van geluidschermen langs wegen zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Een geluidscherm nabij het spoor is lastig inpasbaar en erg kostbaar en derhalve niet doelmatig. 4.6.4 Maatregelen bij de ontvanger: Gemeentelijk geluidsbeleid april 2015 Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015.

Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op (hoog) geluidbelaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon‐ en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai of 60 dB voor railverkeerslawaai. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op een groot deel van de nieuwbouw meer bedraagt dan 53 dB als gevolg van wegverkeerslawaai en meer bedraagt dan 60 dB als gevolg van railverkeerslawaai. Om voor deze appartementen ondanks de hoge geluidbelasting een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening te borgen, worden aanvullende voorwaarden aan de nieuwe appartementen gesteld conform het gemeentelijk geluidbeleid. Dit betekent dat de appartementen moeten beschikken over een geluidluwe gevel, een geluidluwe buitenruimte en de appartementen zodanig geïsoleerd worden dat voldaan wordt aan het wettelijk binnenniveau conform het huidig Bouwbesluit. Voor de appartementen waar de geluidbelasting hoger is dan 53 dB resp.

60 dB is per appartement onderzocht of voldaan kan worden aan de voorwaarden van het gemeentelijk geluidbeleid en de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat met het pakket voorgestelde (bouwkundige) maatregelen voldaan kan worden aan de voorwaarde van een geluidluwe gevel en een geluidluwe gevel per appartement. Daar waar er geen bouwkundige maatregelen toegepast worden maar de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de wettelijke ontheffingswaarde van 68 dB voor railverkeerslawaai worden de gevels/geveldelen doof uitgevoerd. Om een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte te realiseren wordt appartement A9 voorzien van een bouwkundige voorziening in de vorm van een glazen afscherming met een hoogte van 2,4 meter. De appartementen B2 en B3 worden ter hoogte van de vierde bouwlaag voorzien van een loggia die in gesloten toestand met permanente buitenluchtcondities als geluidluwe buitenruimte (met daaraan gelegen de geluidluwe gevel) fungeert, zie memo d.d. 27 juni 2023 met projectnummer 0473989.100 opgesteld door Anteagroup (BIJLAGE 7). De appartementen C4 t/m C13 krijgen aan de westgevel een verglaasd balkon (loggia) die als buitenruimte dient. De wens bestaat om het verglaasd balkon deels te kunnen openen.

Om aan de voorwaarden van het gemeentelijk geluidbeleid te kunnen voldoen (geluidluwe buitenruimte met daaraan gelegen de geluidluwe geveldelen) en de Wet geluidhinder (in geopende toestand van de loggia mag de geluidbelasting op de achterliggende gevel niet meer bedragen dan 68 dB) is onderzocht hoe groot de netto opening van het te

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

28

openen deel maximaal mag zijn. Hiervoor wordt verwezen naar de notitie “Nieuwbouwplan Crossroads Tilburg; toetsing buitenruimte geluidbeleid” d.d. 30 mei 2023 met referentie SD/SD/ /H 8936-2-NO opgesteld door Peutz (BIJLAGE 8). In gesloten toestand van het verglaasd balkon bedraagt de geluidbelasting in de buitenruimte alsmede op de achterliggende geveldelen van de buitenruimte maximaal 55 dB en wordt voldaan aan de eis van een geluidluwe buitenruimte en geluidluwe gevel. In geopende toestand van het verglaasd balkon met de in de Peutz notitie aangegeven maximale opening bedraagt de geluidbelasting op de gevel (thermische gevel) achter het balkon maximaal 68 dB en wordt voldaan aan de Wgh. Om permanente buitenluchtcondities in het verglaasd balkon te realiseren wordt een geluidgedempt rooster toegepast. De hoekappartementen (D1/D7/D13/D19 en D6/D12/D18/D24) en de overige appartementen gelegen aan de zuidkant krijgen tevens een verglaasd balkon. Vanwege de zeer hoge geluidbelasting op de west‐, zuid‐ en oostgevel als gevolg van railverkeerslawaai hebben de balkons geen te openen delen. In gesloten toestand van het verglaasd balkon bedraagt de geluidbelasting in de buitenruimte als op de achterliggende geveldelen van de buitenruimte maximaal 55 dB en wordt voldaan aan de eis van een geluidluwe buitenruimte en geluidluwe gevel.

Om permanente buitenluchtcondities in het verglaasd balkon te realiseren wordt een geluidgedempt rooster toegepast. De uitvoering van de bouwkundige maatregelen worden nader beoordeeld in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning onderdeel bouwen op basis van het definitief bouwontwerp. Hierbij zal tevens beoordeeld worden aan de hand van een gevelweringsonderzoek of de appartementen over voldoende gevelwering beschikken om aan de wettelijke eis voor het binnenniveau conform het huidig Bouwbesluit te kunnen voldoen. Om de appartementen akoestisch mogelijk te maken heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarden besluit genomen. In dit besluit, dat bij het bestemmingsplan is gevoegd, zijn aanvullende voorwaarden opgenomen op basis van het gemeentelijk geluidbeleid. 4.6.5 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe appartementen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. Industrielawaai vormt geen belemmering voor de nieuwbouw.

4.6.6 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze‐Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke‐zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.6.7 Stiltegebied: Attentiezone Het plangebied is niet gelegen binnen een stiltegebied of binnen de attentiezone van een stiltegebied. 4.6.8 Trillingen De nieuwe appartementen komen op korte afstand van het spoor te liggen (< 100 meter). Hierdoor is trillingshinder niet of niet volledig uit te sluiten. Daarom is een trillingsonderzoek uitgevoerd door Greten Raadgevende Ingenieurs. Voor de uitgangspunten en de rekenresultaten wordt verwezen naar het rapport d.d. 6 maart 2023 (documentnummer Rtri126abA0.hg, revisie 0) (BIJLAGE 9). Op basis van dit onderzoek kan gesteld worden dat er met het bestaande bouwontwerp (zonder aanvullende maatregelen) van de appartementen sprake zal zijn van een goed woon‐ en leefklimaat. Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat voldaan kan worden aan de streefwaarden voor trillingen behorende bij nieuwe situaties (herhaald voorkomende trillingen). In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat bij de aanvraag Wabo onderdeel bouwen aan de hand van het definitief bouwontwerp nogmaals een trillingonderzoek wordt uitgevoerd.

Indien het definitief bouwontwerp niet afwijkt van het bouwontwerp zoals beoordeeld in het rapport d.d. 6 maart 2023 kan met dit rapport volstaan worden.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

29

Toelichting Incidenteel kunnen er zich bijzondere omstandigheden voor doen dat de oprichting van een gebouw of vervangende nieuwbouw acceptabel wordt geacht ondanks dat trillingen in het gebouw (goed) voelbaar kunnen zijn en dit tot (matige)hinder kan leiden. SBR‐richtlijn B geeft aan dat hinder voor die situaties niet per definitie onaanvaardbaar hoeft te zijn. Voor die situaties is het mogelijk om op basis van een bestuurlijke afweging en bijlage 5 uit de SBR‐ richtlijn B overschrijding van de streef‐ en grenswaarden (tabel 2 en 3) toch acceptabel te vinden. Hierbij wordt (aanvullend) gebruikt gemaakt van de hinderkwalificatie genoemd in onderstaande tabel.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van ca. 49 appartementen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"‐project zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast is geen sprake van luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Op de begane grond wordt voorzien in een commerciële ruimte. De verkeersgeneratie die toebedeeld kan worden aan deze functie is zal beperkt van omvang zijn en aannemelijk aangemerkt kunnen worden als NIBM. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat er geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis‐effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

30

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een significante industriële geuremissie. Het plan zelf maakt geen functies mogelijk met een significante geuremissie. Daarmee vormt industriële geur geen belemmering voor het plan. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V‐Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een significante agrarische geuremissie.

Het plan zelf maakt geen functies mogelijk met een significante geuremissie. Daarmee vormt agrarische geur geen belemmering voor het plan.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(‐wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. Aanleiding De aanleiding is de bestemmingsplanwijziging op de locatie. Het huidige bedrijfsbestemming zal veranderen in “gestapeld wonen”. Er is sprake van een toekomstig gevoeliger gebruik van de locatie. O.a. de ligging van de locatie is weergegeven in ingevoegd locatiekaartje (figuur 10).

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

31

Figuur 10 Voor de beoogde bestemmingswijziging en herinrichting is een bodemonderzoek uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek en nader asbestonderzoek Bosscheweg 240, Antea, 11 april 2023 (BIJLAGE 10). In het onderzoek zijn maximaal licht verhoogde gehalten geconstateerd. Wel wordt verwezen naar bekende bodemverontreinigingen op het perceel. Dit betreffen restverontreinigingen die na sanering zijn achtergebleven onder de huidige bebouwing.

Conclusie In het aangeleverde bodemonderzoek zijn geen nieuwe bodemverontreinigingen aangetoond. Wel is vanuit eerdere bodemonderzoeken bodemverontreiniging aangetoond, dat nog niet volledig is gesaneerd. Mogelijk is voor deze bodemverontreiniging in de bouwfase een saneringsplan noodzakelijk. Voor de bestemmingsfase vormen bovenstaande resultaten geen belemmering. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000‐gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora‐ en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura‐2000‐gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000‐gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant‐ en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora‐ en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.

In Noord‐Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord‐Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

32

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed‐ en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur ‐ EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur‐ en landschapswaarden via een "nee‐tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja‐mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur‐ en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen‐ en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is.

Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.10.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

33

4.10.4 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen op 2,6 kilometer afstand van het plangebied Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000‐gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Ook effecten door stikstofdepositie kunnen op basis van de uitgevoerde AERIUS‐berekeningen (BIJLAGE 11) worden uitgesloten. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord‐Brabant. Het plangebied ligt echter wel op korte afstand van de Ecologische Verbindingszone die gelegen is langs het Wilhelminakanaal. Deze zone ligt op 22 meter van het plangebied. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ruim 1 kilometer afstand van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant en de ecologische verbindingszone, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

Ten aanzien van de aanwezige ecologische verbindingszone wordt in het ontwerp aansluiting gezocht door deze zijde van het plangebied groen in te richten. Soortenbescherming Op 6 juli 2022 is een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd. Dit is verwerkt in het rapport Quickscan Wet natuurbescherming sloop en herontwikkeling Bosscheweg 236, 238 en 240 Tilburg, projectnummer 220824, 24 augustus 2022 (BIJLAGE 12). Naar aanleiding van de quick scan en aanvullende gegevens van de gemeente is er ingezet op aanvullend onderzoek om de bestaande gegevens te verifiëren. Dit is opgenomen in het rapport Vervolgonderzoek Wet natuurbescherming sloop en herontwikkeling Bosscheweg 236, 238 en 240 Tilburg, projectnummer 230628, 26 juli 2023, rev. 02 (BIJLAGE 13) Uit het aanvullende onderzoek en de aanwezige gegevens van de gemeente komt naar voren dat het gebouw geschikt is als zomer‐ of paarverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. Tijdens de onderzoeken zijn geen verblijfplaatsen van gierzwaluw of huismus vastgesteld binnen het plangebied. Buiten het plangebied zijn wel huismussen waargenomen. Deze huismussen zijn buiten de invloedzone van het plangebied waargenomen. Omdat de gemeente streeft naar een natuurinclusieve stad is er in het ontwerp ingezet op het creëren van een meerwaarde voor de gebouwbewonende soorten.

Naast dat het huidige gebouw geschikt is als zomer‐ en paarverblijf van de gewone dwergvleermuis, wordt het aangrenzende Wilhelminakanaal veelvuldig gebruikt als vliegroute en foerageergebied door o.a. laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. Om voldoende verblijfplaatsen te realiseren voor zowel de gewone dwergvleermuis als andere gebouwbewonende soorten worden er in de toekomstige gebouwen op drie locaties spouwruimten gecreëerd met invliegopeningen geschikt als verblijfplaats voor zowel de gewone dwergvleermuis als de vleermuizen die over of langs het Wilhelminakanaal foerageren of migreren. Daarnaast worden er zes gierzwaluw‐ en zes huismuskasten ingebouwd. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed‐ en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel‐ en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen.

De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant‐ en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

34

Conclusie Vanuit de gebiedenbescherming zijn er geen belemmeringen om het project uit te voeren. Vanuit de soortenbescherming zal er een meerwaarde gecreëerd worden door de voorstelde maatregelen. Om aan de zorgplicht te voldoen, zal er gewerkt moeten worden volgens het ecologisch werkprotocol (BIJLAGE 14 Memo Ecologisch werkprotocol Bosscheweg 240 e.o. sloop en nieuwbouw (herontwikkeling), memonummer: 20230323, rev. 02, , projectnummer: 210607 26 juli 2023) Bij het kappen van de aanwezige beplanting zal rekening gehouden moeten worden met de broedperiode van vogels.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

35

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water‐ en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.

Om het water‐ en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 ‐ 150 m2: <0000> indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave <0000> indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1

Tabel 1 - regenwateropgave De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.

5.2 Inleiding Ter hoogte van de kruising Bosscheweg/Lovensekanaaldijk vindt op de percelen behorende bij de bosscheweg 236 t/m 240a herontwikkeling plaats. De bestaande panden worden gesloopt en vervangen voor nieuwbouw. Deze notitie gaat in op de wateropgave die voor deze herontwikkeling nodig is om te voldoen aan de beleidsregels van de gemeente Tilburg. Binnen deze herontwikkeling vallen de kadestrale percelen V107, V108, V313, V418, V717 en V718.

5.3 Beleidskader De provincie Noord‐Brabant heeft in de interim omgevingsverordening handelingsbevoegdheden gegeven aan gemeenten en waterschappen ten aanzien van de waterhuishouding. Ten aanzien van dit project betreft het de gemeente Tilburg en waterschap de Dommel. Naast de omgevingsverordening heeft de provincie het regionaal water‐ en bodemprogramma opgesteld. Ten aanzien van de waterhuishouding is het streven om

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

36

zoveel mogelijk regenwater te infiltreren naar de bodem en daarmee te voorkomen dat het versneld wordt afgevoerd. Daarmee sluit het document aan bij het geldende beleid van het bevoegd gezag. Lettend op waterschap de Dommel geldt er ten aanzien van de waterhuishouding een verbod op het versneld afvoeren van verhard oppervlak. Dit is vastgelegd in de keur. Met het oog op dit verbod hanteert waterschap de Dommel een opgave van 60 mm op basis van de toename aan verhard oppervlak. Ten aanzien van de waterhuishouding zijn de beleidsregels ondergeschikt aan de regels van de gemeente Tilburg. Dit omdat de gemeente Tilburg strengere eisen stelt aan de waterhuishouding. In tegenstelling van het waterschap hanteert de gemeente een compensatie‐eis van 60 mm voor al de verharding dat (op)nieuw wordt aangelegd. Ook de eisen ten aanzien van vegetatiedaken zijn bij de gemeente strenger dan bij het waterschap. Zo rekent het waterschap een vegetatiedak als onverhard terwijl de gemeente een reductie van 50% hanteert.

5.4 Plangebied Binnen de herontwikkeling vallen de kadestrale percelen V107, V108, V313, V418, V717 en V718. Volgens de kadastrale gegevens heeft dit plangebied een oppervlak van ca. 4015 m2(4015,11 m2). Door de herontwikkeling wordt op het plangebied een gebouw geplaatst met ca 1994 m2 met daaromheen een terreinverharding van ca. 1527 m2. In totaal in er sprake van een verhardingsoppervlak van ca 3520 m2. Hierbij moet worden opgemerkt dat een deel van de terreinverharding onder het gebouw wordt aangelegd en daarom niet in bovenstaande hoeveelheden zijn meegenomen. Dit om te voorkomen dat dezelfde oppervlak dubbel wordt meegeteld in deze waterparagraaf.

Figuur 11 - Weergave terreininrichting landschapsarchitect plangebied (weergave van de buiteninrichting is inclusief de verharding onder het gebouw) Rondom het plangebied liggen geen watergangen die zijn opgenomen in de legger van het waterschap. Wel ligt aan de andere zijde van de Lovense Kanaaldijk het Wilhelminakanaal. Deze is in beheer van rijkswaterstaat en is binnen de keur van het waterschap op genomen als keurbeschermingsgebied. Daarmee is het kanaal onderdeel van het natuurnetwerk Brabant.

5.5 Grondwaterstand

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

37

Ten behoeve van het project zijn de grondwaterkaarten over de periode 2018‐2022 (september 2022) van de gemeente Tilburg geraadpleegd. De volgende gemiddelde grondwaterstanden zijn van toepassing rondom het plangebied. • Gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) = 10,60 m+NAP (ca. 3,25 m‐maaiveld) • Gemiddelde grondwaterstand (GG) = 11,0 m+NAP (ca. 2,85 m‐maaiveld) • Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) = 11,60 m+NAP (ca. 2,35 m‐maaiveld) Om te voorkomen dat de grondwaterstand de infiltratie naar de bodem negatief beïnvloed wordt bij voorkeur een voorziening ten minste 50 cm boven de GHG aangelegd.

5.6 Wateropgave Particulier terrein De gemeente Tilburg hanteert in zijn beleid het principe dat voor al het (op)nieuw aangelegde verharding dient te worden gecompenseerd om het watersysteem robuust te houden. Binnen het plangebied gelden een bergingseis van 60 mm waarbij op basis van het ontwerp de volgende reductiefactoren van toepassing zijn. • Halfverharding telt voor 50% mee • De bergingscapaciteit van een vegetatiedak mag in mindering worden getrokken op de opgave van het betreffende dakvlak. Alle oppervlakten bepaald hebbende geldt voor het plangebied een bergingsopgave van 169,00 m3. In de onderstaande tabel is dit weergegeven. Waarbij het vegetatiedak een bergingscapaciteit van 72 l/m2 heeft en dus de daarbij behorende opgave volledig op het dak wordt gerealiseerd.

Tabel 2 - Wateropgave plangebied Openbaar terrein Een deel van de herinrichting heeft betrekking op het openbaar terrein. Volgens het beleid van de gemeente resulteert dit in een bergingsopgave van 60 mm voor het vervangen verhard oppervlak. Momenteel ligt hier ca 371 m2 verharding waarvan 206 m2 halfverharding. In de nieuwe situatie zal door de herinrichting ca 140 m2 terug komen. Dit komt neer op een bergingsopgave van 8,4 m3. Deze bergingsopgave kan worden opgevangen door de nieuwe groenstrook hol te leggen.

5.7 Vormgeving Bergingsvoorziening Binnen het tuinontwerp dat is aangeleverd is een wadi vormgegeven. Deze heeft volgens het ontwerp een maximale diepte van 50 cm uitgaande van een waking van 10 cm wordt een maximale waterstand van 40 cm aangehouden. De aangegeven wadi heeft daarmee een wateropgave van ca 32 m3. Dat betekend dat het plangebied nog een restopgave heeft van ca 137 m3. lettend op de vormgeving van het plangebied en de omgeving zal dit met behulp van een ondergrondse bergingsvoorziening moeten worden gerealiseerd. De betreffende bergingsvoorziening kan op 2 locaties, Namelijk: • De binnentuin • In de rijbaan van het parkeerterrein. De locatie in de rijbaan kan mogelijk een negatieve invloed hebben op de bestaande beuken die daar tegen de perceelsgrens aan staan. Het bedrijf dat de boomeffectenanalyse heeft uitgevoerd adviseert tenminste 7 m uit de het hart van de boom te blijven. Voor de locatie in de binnentuin zijn er minder beperkingen aangezien hier sprake is van het aanplanten van nieuwe bomen. In figuur 2 zijn de 2 geschikte locaties indicatief aangegeven.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

38

Figuur 12 - Potentiële locaties waterberging Verder hebben we te maken met een maaiveld van ca 13,85 m+NAP. Op de bergingsvoorziening zal tenminste een dekking nodig zijn van 60 cm. E.e.a. hangt af van de verkeersbelasting en het type voorziening. (Zo kan voor een betonconstructie een dekking van 30 cm worden aangehouden.) Dat betekend dat de bovenkant van de voorziening bij een dekking van 60 cm op ca 13,25 m+NAP ligt. (13,55 m+NAP bij 30 cm dekking). In een optimale situatie ligt de bodem van de voorziening 50 cm boven de GHG. Oftewel op 12,10 m+NAP. De inwendige hoogte komt daarmee op 1,15 m. Gemakshalve houden wij hier een ontwerphoogte van 1,2 m aan voor infiltratiekratten en voor betonnenconstructies een inwendige hoogte van 1,25. De bergingsopgave van 137 m3 resulteert in een netto oppervlak van ca 120 m2. In de onderstaande tabel staat de vormgeving van 5 verschillende bergingsvoorzieningen weergegeven. Rekening houdend met betonnen constructie en een daarbij geschatte wanddikte van 20 cm ligt er afhankelijk van de vormgeving voor het plangebied een ruimteclaim van ca 130 tot 140 m2.

Tabel 3 - Vormgeving van diverse types aan bergingsvoorzieningen

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

39

Rioolstelsel De afvoerpunten van de daken zijn grotendeels gepositioneerd aan de binnentuin van het plangebied. Omdat de precieze waterverdeling nog niet bekend is hebben we nog geen rioolontwerp kunnen maken voor de binnentuin. In een later stadium zal op basis van de dakafvoeren de terreinriolering in de binnentuin worden vormgegeven. In vergelijkbare situatie is aanwezig aan de voorzijde van het pand. De terreinverharding en de dakafvoeren zullen via de pad langs de oostgevel afgevoerd moeten worden richting de waterberging. Aan de zuidzijde komt mogelijk ook een afwateringsriool. Of dit nodig is hangt af van de toekomstige locatie van de waterberging en de wensen om de kolken rechtstreeks op de bergingsvoorziening aan te sluiten. De terreinverharding (ca 103 m2) aan de westzijde zal voornamelijk op basis van een theoretische toekenning worden geborgen aangezien de gevel op ca 20 cm van de perceelsgrens staat. De lediging van de voorziening zal conform het beleid bij voorkeur plaatsvinden doormiddel van infiltratie. Voor de bovengrondse voorziening zal uitgegaan worden van de infiltratiecapaciteit van een goed onderhouden wadi voorzien van een goed doorwortelde grasmat. Wij houden daarmee een k‐waarde aan van 0,5 m/dag. Voor de ondergrondse voorziening wordt de infiltratiecapaciteit is bepaald door de ondergrond.

De capaciteit is door veldonderzoek vastgesteld (zie resultaten infiltratieproeven in: Memo doorlatendheid Bosscheweg te Tilburg, projectnummer: 0473989.100, 13 juni 2022 (BIJLAGE 15). Hierbij zijn 2 niveaus aangehouden namelijk: • tot 1 m‐maaiveld • van 1 tot 2 m‐maaiveld. Voor de bovengrond kunnen we een k‐waarde aanhouden van 1,1 m/dag en voor de laag daaronder een k‐waarde van 2 m/dag. Omdat een ondergrondse voorziening in beide lagen staan kan de laagste k‐waarde van 1,1 m/dag worden aangehouden.

5.8 Noodoverstort Mocht de bergingsvoorziening volledig zijn benut mag het water via een noodoverstort worden afgevoerd naar het openbaar terrein. Uitgaande van een ontwerpcapaciteit van 110 l/s/ha (maximum van ontwerpbui 08 van de kennisbank stedelijke water) kent het plangebied een ontwerpdebiet van 38,72 l/s. Bij een oppervlakkige overstort zal rekening moeten worden gehouden dat invloed heeft op het maaiveldniveau van het plangebied. Om op voorhand geen type roosterdeksel uit te sluiting moet rekening worden gehouden met een minimaal hoogteverschil tussen de kolken en de overstortput van 10 cm. Een ondergrondse overstort is daarmee hoogte technisch gunstiger maar zorgt weer voor een aandachtspunt bij de aansluiting op het gemeentelijk stelsel. Doordat de gemeente een gemengd rioolstelsel heeft liggen zal de aansluiting voorzien moeten worden van een terugslagklep. Een alternatief kan zijn om een aansluiting te maken op het Wilhelminakanaal. Dit heeft tot voordeel dat er geen extra water op het gemengde stelsel komt en tegelijk kan de aansluiting op het Wilhelminakanaal zodanig worden vormgegeven dat de afvoerleiding op gemeentegrond voldoende capaciteit heeft voor een toekomstige uitbreiding van het gemeentelijke regenwaterstelsel. Een dergelijke constructie vergt wel overleg met de gemeente en rijkswaterstaat.

5.9 Aandachtspunten Om het het waterhuishoudkundig plan van dit project te kunnen afronden zijn diverse vragen en aandachtspunten van toepassing. Deze zijn in 2 groepen te verdelen en worden hieronder weergegeven: 1. Overleg met het bevoegd gezag a. Hoe wordt omgegaan met de wateropgave van het openbare terrein dat door de ontwikkeling een nieuwe inrichting krijgt? (zie ook paragraaf 6) b. Is er op termijn een regenwaterstelsel gepland in de Lovensekanaaldijk en de Bosscheweg?

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

40

i. Zo ja, kan in samenwerking met de gemeente en met het oog op het plangebied en het toekomstige regenwaterstelsel een overstort op het Wilhelminakanaal worden gerealiseerd? ii. Zo nee, mag de noodoverstort van het terrein via de openbare weg op het Wilhelminakanaal worden aangesloten i.p.v. op het gemengde stelsel? c. Indien een aansluiting op het Wilhelminakanaal volgens de gemeente mogelijk is met Rijkswaterstaat overleggen voor de eisen. 2. Ontwerp rioolplan a. Ontwerpeisen ten behoeve van het beheer en onderhoud b. Overzicht van de dakafwatering met afvoerend oppervlak c. Inrichtingsplan landschapsarchitect definitief vaststellen d. Afwatering verharding tegen westgevel e. Bergingslocatie vaststellen i.o.m. Pius Floris boomverzorging NB: Zie de volledige waterparagraaf inclusief bijlagen met gegevens over het groendak en boorprofiel‐ en locatie BIJLAGE 16

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

41

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan‐ en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan‐ en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Bouwdiepte De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke ‐ bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties ‐ kan hiervan worden afgeweken. 6.2.3 Bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: a. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; b. hoofdstructuur nieuwe gebieden; c. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen ‐ 1, Wonen ‐ 2 en Wonen ‐ 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

42

Structuurbeeld Plansystematiek 6.2.4 Goothoogte De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen. 6.2.5 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a. oppervlakte: 1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2; 4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2; b. bouwhoogte: 1. maximaal 3m bij plat dak; 2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; 3. bouwhoogte maximaal 4,5m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden.

Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: a. 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²; b. 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²; c. 200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²; terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.

6.3 Bestemmingen en aanduidingen Het bestemmingsplan kent de volgende hoofdbestemmingen:

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

43

Wonen ‐ Gestapeld Binnen de planregels zijn voor onderstaande functieaanduidingen specifieke regels benoemd: <0000> Bouwvlak <0000> bedrijf t/m categorie 2 <0000> 'parkeerterrein uitgesloten' Binnen de planregels zijn voor onderstaande maatvoeringsaanduidingen specifieke regels benoemd: <0000> maximum bouwhoogte Binnen de planregels zijn voor onderstaande bouwaanduidingen specifieke regels benoemd: <0000> specifieke bouwaanduiding ‐ onbebouwd

6.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan‐ en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

44

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan‐ en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. In deze overeenkomst is tevens bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar. Ten behoeve van de gemeentelijke plan‐ en apparaatskosten heeft de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst voor het verhaal van planschade gesloten.

Het voornemen is dat er een anterieure overeenkomst wordt gesloten om het kostenverhaal te verzekeren. Er is in hoofdlijnen een kostenraming overlegd met betrekking tot de exploitatiebijdrage. De juridische vertaling met betrekking tot de volledige inhoud van de overeenkomst dient nog afgerond te worden. Voor de gemeente Tilburg is het niet gebruikelijk om een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen zonder dat het kostenverhaal verzekerd is via een anterieure overeenkomst dan wel een exploitatieplan. Wettelijk is vereist dat bij vaststelling van het bestemmingsplan door de raad het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Wij vertrouwen erop dat vóór vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad de anterieure overeenkomst is gesloten. Het is van belang in verband met de komst van de Omgevingswet dat het ontwerp bestemmingsplan vóór 1 januari 2024 ter inzage ligt. Er zal pas een raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan aan de raad voorgelegd worden als en nadat een anterieure overeenkomst is ondertekend.

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

45

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu‐effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingspla nBedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240) op 27 oktober 2023 gepubliceerd in hetG emeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept‐ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties: Hieronder worden de overlegreacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van Burgemeester en wethouders wordt vermeld. PM

8.3 Omgevingsdialoog Op 29 juni 2023 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond gehouden in Café Zomerlust. Na een korte inleiding en uitleg over de aanpak en vorm van de omgevingsdialoog is het initiatief en het ontwerp toegelicht. Historie, visie, architectuur, materialisatie, (woon)programma, parkeren en landschappelijke inpassing zijn hierbij aan bod gekomen. Middels visualisaties en tekeningen is vanuit verschillende invalshoeken een beeld gegeven van de (nieuw)bouwplannen. De presentatie is toegevoegd als bijlage. In de zaal waren tevens panelen opgesteld met de visualisaties en een plattegrond van het plan in de omgeving. Na de presentatie zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld tot het stellen van vragen over het plan in zijn algemeenheid of op basis van individuele situaties specifiek. Het verslag omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage bij de toelichting.

8.4 Zienswijzen PM Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009).

Bedrijventerrein Loven 2016, 2e herziening (Bosscheweg 236‐240)

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14318718/2