CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Bijlage 6 Definitief Toetsingsadvies

Raadsvergadering 15 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Wijkevoort2.752 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Werklandschap Wijkevoort gemeente Tilburg Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop 31 augustus 2021 / projectnummer: 3533

Advies in het kort De gemeente Tilburg wil ten zuidwesten van Tilburg 80 hectare bedrijventerrein ‘Wijkevoort’ realiseren met daarin grote bedrijfskavels. Met dit voornemen wil de gemeente tegelijkertijd landschappelijke en natuurwaarden in het plangebied versterken en cultuurhistorische kwaliteiten een plek geven. De eerste fase van het voornemen is uitgewerkt in een ontwerpbestemmingsplan. Voor het besluit over dit bestemmingsplan is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De Commissie gaf in een eerder advies1 aan dat in het MER nog belangrijke informatie ontbrak. Het MER is inmiddels aangepast. De gemeente heeft de Commissie gevraagd opnieuw te adviseren over het MER en de aanvulling tezamen.

Wat blijkt uit de aanvulling op het MER? De aanvulling maakt onderscheid tussen een voorkeursalternatief (VKA) van 80 hectare en een alternatief met een oppervlakte van 44,6 hectare. Dit laatste alternatief (VKA 44,6) wordt als eerste fase van de ontwikkeling van het bedrijventerrein vastgelegd in een bestemmingsplan. Voor de tweede fase zal te zijner tijd een nieuwe bestemmingsplanprocedure worden gevolgd. De effecten van het ‘VKA 44,6’ zijn kleiner dan de eerder in het MER onderzochte alternatieven ‘Compact’ en ‘Verspreid’, vooral doordat een kleiner gebied wordt gebruikt voor realisatie van bedrijventerrein. De effecten van het ‘VKA 80’ komen ongeveer overeen met het alternatief Compact. De aanvulling geeft nader invulling aan de duurzaamheidsdoelen (energie, klimaatadaptatie, mobiliteit) voor het bedrijventerrein. Hieruit blijkt dat de meeste doelen goed met elkaar verenigbaar zijn. Alleen de toename van verkeer en recreatie vormen een potentieel risico voor de doelen voor natuur en landschap. Verder beschrijft de aanvulling maatregelen om negatieve effecten op (beschermde) natuur te voorkomen, zoals een compensatiegebied voor de kerkuil en steenuil, en maatregelen om positieve effecten te behalen, zoals de ecologische inrichting van het groenblauwe lint. Tenslotte laat de aanvulling zien dat de uitstoot van stikstof groter is dan uit het MER bleek.

Dit is van belang voor de effecten op kwetsbare natuur.

Wat is het advies van de Commissie? De aanvulling gaat op een gestructureerde wijze in op de tekortkomingen die de Commissie eerder signaleerde en op de aanpassingen aan het VKA die mede op basis van ingediende zienswijzen zijn gedaan. De aanvulling geeft over het algemeen voldoende onderbouwing van de effecten van het plan en laat beter zien welke mogelijkheden de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. De Commissie is van oordeel dat op één punt nog informatie ontbreekt die van belang is voor de besluitvorming over het bestemmingsplan. De effecten van stikstofdepositie op beschermde natuur (Natura 2000-gebieden) en de maatregelen die nodig zijn om deze effecten te voorkomen zijn nog niet volledig beschreven. Daarom is nog niet verzekerd dat

1

Zie het voorlopig toetsingsadvies, uitgebracht op 16 juni 2021.

-1-

aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden door het plan voorkomen kunnen worden. De Commissie adviseert om de ontbrekende informatie aan te vullen voordat de gemeenteraad besluit over het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 licht zij haar oordeel toe.

Figuur 1: plangebied Werklandschap Wijkevoort en omgeving (bron:MER)

Figuur 2: Voorkeursalternatief 80 ha en voorkeursalternatief fase 1, 44,6 ha (Bron: aanvulling MER) Aanleiding MER Het voornemen om een bedrijventerrein op de locatie Wijkevoort te ontwikkelen is eerder aan bod gekomen in plannen als de Ruimtelijke Structuurvisie 2020, Structuurvisie Zuidwest 2020 en de Omgevingsvisie Tilburg 2040. Voor de Structuurvisie Zuidwest 2020 is in 2011 een Plan-MER opgesteld. In 2021 is het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, met het voorstel om Wijkevoort te ontwikkelen tot een bedrijventerrein met de nadruk op industrie en logistiek. Als bijlage bij het bestemmingsplan is er een ‘Ontwikkelleidraad’ opgenomen, waarin de eisen en regels voor duurzaamheid zijn uitgewerkt waaraan bedrijven moeten voldoen. De initiatiefnemer voor het plan is het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tilburg.

-2-

Het bestemmingsplan voor de ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort is kaderstellend voor m.e.r.beoordelingsplichtige activiteiten, namelijk de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D11.2) en het realiseren van (netto) maximaal 80 ha bedrijventerrein (categorie D11.3). Daarnaast kan het initiatief belangrijke nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Om deze redenen is voor de besluitvorming over het bestemmingsplan een gecombineerd plan/project-milieueffectrapport opgesteld. De gemeente Tilburg is het bevoegd gezag voor de het bestemmingsplan en de m.e.r. procedure. Zij heeft de Commissie gevraagd over het milieueffectrapport te adviseren. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Tilburg - besluit over het bestemmingsplan. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3533 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe. Aan dit oordeel koppelt zij aanbevelingen. Een van die aanbevelingen is opgenomen in een tekstkader. Het uitvoeren ervan is volgens de Commissie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij het besluit over het bestemmingsplan. Aanbevelingen die niet in een kader staan zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming — nu en in de toekomst — te verbeteren.

Het voorkeursalternatief Eerder adviseerde de Commissie om in een aanvulling op het MER de negatieve en positieve effecten van het voorkeursalternatief (VKA) te beschrijven, inclusief de niet m.e.r. beoordelingsplichtige onderdelen van het plan en mitigerende maatregelen. Dit omdat in het MER wel de effecten van twee inrichtingsalternatieven waren beschreven, maar niet duidelijk was in hoeverre de effecten van het VKA daarvan afwijken. In de aanvulling zijn de effecten van het VKA (80 ha) en de eerste fase daarvan (44,6 ha) expliciet vergeleken met de eerdere alternatieven. Hoewel niet altijd eenduidig is aangegeven of met het VKA wordt gedoeld op ‘VKA 44,6’ of ‘VKA 80’, is dit wel uit de tekst te herleiden. Tabel 2.1 zet het VKA 44,6, het VKA 80 en de oorspronkelijke alternatieven (Compact, Verspreid en Variant 30 ha) overzichtelijk naast elkaar. Tabel 2.2 vergelijkt de effecten ervan. Hieruit blijkt dat de effecten van het ‘VKA 44,6’ kleiner zijn dan de eerder onderzochte alternatieven Compact en Verspreid. De effecten van het ‘VKA 80’ komen ongeveer overeen met het alternatief Compact.

-3-

Doelen en doelbereik In haar voorlopige advies gaf de Commissie aan dat de ambitie om Wijkevoort te ontwikkelen tot een hoogwaardig, modern en aantrekkelijk werklandschap vraagt om een heldere uitwerking en toetsing van de gestelde doelen en ambities. Daarbij zijn vooral klimaatadaptatie, energieneutraliteit en mobiliteit van belang. Daarom adviseerde zij om in een aanvulling op het MER de duurzaamheidsdoelen verder uit te werken en te toetsen in hoeverre deze realiseerbaar zijn met het plan en de specifiek hiervoor bedoelde ‘Ontwikkelleidraad’. In de aanvulling zijn de doelstellingen voor het plan nader toegelicht en waar mogelijk gekwantificeerd. Daarbij is expliciet aandacht besteed aan de doelen voor klimaatadaptatie, energieneutraliteit en mobiliteit.

Klimaatadaptatie De aanvulling beschrijft de maatregelen die worden getroffen om te zorgen voor voldoende waterberging en voor het voorkomen van verdroging en hittestress. Deze informatie is voldoende voor de besluitvorming. Voor de waterberging blijkt uit de voorbeeldberekening dat een diepte van 0,5 m voldoende is om een regenbui van 60 mm/uur te kunnen bergen. Ook in het geval van heviger buien biedt het gebied ruimte om het overtollige water adequaat op te vangen rondom het Wijckermeer, om het vandaar via helofytenfilters af te voeren naar het beeksysteem. Dit biedt aanvullende ruimte bij de verwachting dat buien van 60 mm/uur in de toekomst (veel) vaker voor gaan komen dan 1 keer per 100 jaar, zoals nu uit de statistieken van het KNMI blijkt. De beleidsregels voor het reduceren van hittestress, door de eis te stellen dat groene daken toegepast moeten worden lijken adequaat. Ook de terugvaloptie - de verplichting tot witte daken indien een groen dak niet mogelijk is - is duidelijk. De combinatie van groene daken en het verbeteren van het watersysteem kunnen door verdamping in de zomer de hittestress reduceren.

Energieneutraliteit De aanvulling gaat uitgebreid in op de behoefte aan warmte, koude en elektriciteit van het bedrijventerrein en de mogelijkheden die het terrein biedt voor duurzame energieopwekking: zonne-energie, warmte-/koudeopslag (wko) en aquathermie. De Commissie plaatst hierbij enkele opmerkingen, die geen betrekking hebben op essentiële informatie voor de besluitvorming: •

In de analyses van energiebehoefte en -productie zijn verkeer- en vervoerstromen buiten beschouwing gebleven. Daardoor is nog niet duidelijk hoeveel energie daarvoor nodig is en welke mogelijkheden er zijn om hierop te besparen, bijvoorbeeld door in te zetten op elektrisch vervoer.

•

De aannames die zijn gedaan voor de energiebehoeften en -opbrengsten (Tabel 3.3) zijn niet helemaal correct. Zo lijken systeemverliezen niet meegenomen te zijn (opslagverliezen in de ondergrond, distributieverliezen in het wko-net, pompenergie voor de wko’s en aquathermie-installaties etc.). Voor de doelstelling ‘energieneutraal’ zijn deze omissies echter van weinig invloed. De capaciteit van het gebied om energie op te wekken is namelijk veel groter dan de vraag (ook inclusief de omissies). Of het gebied

-4-

uiteindelijk ook energieleverend kan worden, zal vooral afhangen van de uiteindelijke uitvoering en de invloed van elektrisch vervoer. •

De aanvulling benoemt nog niet alle mogelijkheden voor duurzame energieproductie op basis van meervoudig ruimtegebruik. Te denken valt bijvoorbeeld aan zonnepanelen boven parkeerplaatsen.2 De informatie in de aanvulling is deels gebaseerd op onderzoek uit 2017. Daardoor is nog geen rekening gehouden met de nieuwste ontwikkelingen en stand van de techniek (zoals het toegenomen rendement van zonnepanelen). Als deze ontwikkelingen ook worden meegenomen, kan dit tot nog positievere resultaten leiden.

•

Uit de aanvulling is nog niet duidelijk in hoeverre de infrastructuur aanwezig is voor opslag en distributie van de opgewekte elektriciteit. Als dit niet het geval is moet deze infrastructuur alsnog worden aangelegd.

Hieruit blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn om de doelstelling ‘energieneutraal’ te realiseren. Hoewel enkele aannames mogelijk te optimistisch zijn, biedt het relatief grote terrein waarschijnlijk nog aanvullende mogelijkheden voor energieproductie.

Mobiliteit De aanvulling laat zien op welke manier in het plan voor Wijkevoort invulling wordt gegeven aan het mobiliteitsbeleid van de gemeente Tilburg. De informatie is sterk beschrijvend en kwalitatief van aard, omdat het gemeentelijk beleid hiervoor geen concretere doelen bevat. De uitgangspunten voor Wijkevoort zijn daardoor enigszins vrijblijvend. Dit geeft de gemeente slechts beperkt mogelijkheden om hierin te sturen via het bestemmingsplan en de ‘ontwikkelleidraad’. De Commissie merkt op dat ambities voor de mobiliteitstransitie – zero-emission transport – minimaal zijn ingevuld. Er is veel aandacht voor het optimaliseren van verkeersstromen, maar minder voor de wijze van aandrijving, terwijl daar de grootste milieuwinst is te behalen. Gezien de schaal en omvang van het toekomstige terrein en ook de nieuwe logistiek die er plaats zou vinden, liggen hier wellicht kansen voor bedrijven om hier vooruitstrevend in te zijn. De Commissie geeft in overweging om dit bij de invulling van het plan te stimuleren.

Natuur 2.3.1

Natuurnetwerk Brabant en beschermde soorten Eerder adviseerde de Commissie om in een aanvulling op het MER de effecten van het VKA, inclusief het creëren van nieuwe natuur en de recreatieve ontwikkelingen in het plangebied, op het Natuurnetwerk Brabant (NNB) te beschrijven. Ook vond de Commissie dat duidelijk moet zijn welke maatregelen genomen kunnen worden om de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten te waarborgen. De aanvulling biedt voor deze onderwerpen nieuwe informatie. De effecten op het NNB zijn uitgewerkt en op basis daarvan is onderbouwd dat voor het NNB geen compensatie nodig is. Ook is nu duidelijk, dat ter compensatie van (in het MER reeds beschreven) effecten op kerkuil en steenuil een compensatiegebied van 15 ha wordt ingericht, dat in het bestemmingsplan is opgenomen. Verder maakt de aanvulling onderscheid

2

Zie bijvoorbeeld: https://www.engie.nl/over-ons/projecten/achmea of Parkeren onder PV-panelen: Zonnepark Carport Bloemendaal

-5-

tussen maatregelen die nodig zijn voor natuurcompensatie en maatregelen gericht op natuurontwikkeling. Hiermee is de informatie voor de besluitvorming over het Natuurnetwerk Brabant en over beschermde soorten nu voldoende in beeld.

2.3.2

Stikstof in relatie tot Natura 2000 In haar voorlopige toetsingsadvies adviseerde de Commissie om in een aanvulling op het MER een AERIUS-berekening van de depositietoename op Natura 2000-gebieden op te nemen, uitgaande van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, en zonder nader te onderbouwen dat een 'afkap' van 500 voertuigen per etmaal geen significante effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Op korte afstand van Natura 2000-gebieden kan ook een kleinere toename aan wegverkeer leiden tot een relevante toename van de stikstofdepositie. In de aanvulling zijn andere uitgangspunten gebruikt voor het in beeld brengen van de stikstofdepositie.3 Het studiegebied is hierdoor aanzienlijk groter en de toename van de depositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van Wijkevoort blijkt ook groter dan in het MER en de Passende beoordeling werd berekend. De effectbeoordeling zoals die in het MER is gegeven is op basis daarvan aangepast van negatief (-) naar zeer negatief (- -). Verder maakt de aanvulling duidelijk, dat de voor het bestemmingsplan gekozen verdeling tussen milieucategorieën is afgeleid van de stikstofruimte die door externe saldering ontstaat.4 In de aanvulling is aangegeven dat voorafgaand aan het besluit over het bestemmingsplan nieuwe nauwkeuriger depositieberekeningen gemaakt zullen worden.

De Commissie constateert dat de aanvulling dus nog niet de definitieve berekeningen bevat van de effecten van het VKA (44,6 hectare) op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Verder geeft de aanvulling nog niet aan in hoeverre de beoogde externe saldering voldoende stikstofruimte biedt, gegeven de hogere depositietoename als gevolg van de verkeersaantrekkende werking. Daarmee geeft de aanvulling nog niet de benodigde onderbouwing voor de conclusie dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden voorkomen kan worden. Uit de wetgeving volgt dat een plan alleen doorgang kan vinden als de zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast, of de zogenaamde ADC-toets met succes wordt doorlopen. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming over het bestemmingsplan: •

de berekening van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te actualiseren;

•

op basis hiervan, en aan de hand van de stikstofruimte die ontstaat door externe saldering, aan te tonen dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast, of hiervoor extra maatregelen te beschrijven.

3

De Commissie merkt op dat voor rijkswegen nog steeds het uitgangspunt wordt gebruikt dat wegen waarop een toename van minder dan 500 mvt/dag wordt verwacht niet worden meegenomen in de stikstofberekening. Een onderbouwing hiervan ontbreekt.

4

Met andere woorden: hoe meer stikstofruimte, hoe meer ruimte er wordt geboden aan de zwaardere milieucategorie 4.

-6-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Jan Bakker drs. Benno Schepers Marja van der Tas (voorzitter) ir. Ruud Westerhof Leyla Özay MSc / drs. Pieter Jongejans (secretaris) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan Wijkevoort, gemeente Tilburg. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit D11.3 (industrieterrein) en D11.2 (stedelijke ontwikkelingsproject).

Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit De gemeenteraad van Tilburg. Initiatiefnemer besluit Het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Tilburg. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft van het bevoegd gezag in deze fase geen zienswijzen toegestuurd gekregen. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3533 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10731261/1