08 Regels met bijlagen
Tekst van het document
2. 3. 4.
1. 2. 1.
40% van het oppervlak van het erf met een maximum van 60m2, indien de oppervlakte van het erf meer dan 50m2 en niet meer dan 500m2 bedraagt; 80m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 500m2 en niet meer dan 900m2 bedraagt; 150m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 900m2 en niet meer dan 3000m2 bedraagt; 200m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 3000m2 en niet meer dan 5000m2 bedraagt; 250m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 5000m2 bedraagt. ten aanzien van de hoogte: de bouwhoogte van aan- en uitbouwen met een platte afdekking mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de hoofdbebouwing vermeerderd met een dakconstructie van maximaal 0,5m, met een maximale totale hoogte van 4,5m; de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen met een platte afdekking mag ten hoogste 3m bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven; de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een schuine kap mag al dan niet in de bouwperceelsgrens ten hoogste 3m bedragen; de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een schuine kap mag op percelen kleiner dan 3000m2 ten hoogste 4,5m zijn, waarbij de dakhelling maximaal 45° mag bedragen, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven.
Deze afschuining geldt niet: in die gevallen waarbij op het naastgelegen perceel in de perceelscheiding al een gebouw met een zelfde of hogere hoogte aanwezig is dan wel gelijktijdig wordt opgericht; ten aanzien van topgevels; ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten' zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij grondgebonden woningen niet toegestaan.
7.2.4 Bouwwerken van algemeen nut Voor het bouwen van bouwwerken van algemeen nut gelden de volgende regels: 1. bouwwerken van algemeen nut mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht; bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
24
2. 3.
de maximale hoogte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 3,5m; de maximale oppervlakte van bouwwerken van algemeen nut bedraagt 50m².
7.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, op woonpercelen gelden de volgende regels: 1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in het onbebouwd erf niet meer dan 1m mag bedragen; 2. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5m bedragen, met dien verstande dat: 1. de hoogte in de perceelsgrens maximaal 3m mag bedragen; 2. de bouwhoogte van 5m gerealiseerd mag worden op minimaal 1m uit de perceelsgrens; 3. de afschuiningshoek in de perceelsgrens mag maximaal 45º bedragen; het bepaalde onder I, II en III geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde die zijn aangebouwd aan het hoofdgebouw en gesitueerd zijn binnen 4m van het hoofdgebouw; 1. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in het onbebouwd erf niet meer dan 1m bedragen; 2. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, als geluidwerende voorziening mag ten hoogste 15m bedragen; voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde in de openbare ruimte gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2m; 2. de hoogte van kunstwerken en voorzieningen ten behoeve van de geleding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 15m; 3.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer mag bedragen dan 5m; 7.2.6 Voorwaardelijke verplichting waterberging 1. Het bouwen van bouwwerken op de voor 'Woongebied' aangewezen gronden is uitsluitend toegestaan indien voorzien wordt in de aanleg van de waterberging, waarbij hemelwater infiltreert in de bodem, van ten minste 60 liter per vierkante meter verhard oppervlak (60 mm); 2. het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het gestelde onder a indien realisatie van de waterberging redelijkerwijs niet mogelijk is.
7.3 nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: 1. de situering en afmeting van gebouwen, bouwwerken van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van: 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. de verkeersveiligheid; 3. de sociale veiligheid; 4. de brandveiligheid; 5. de milieusituatie; 6. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 7. parkeergelegenheid op eigen terrein; 8. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeers- en vervoersvoorzieningen en groenvoorzieningen.
7.4 afwijken van de bouwregels 7.4.1 Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het erf Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 7.4.3, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: 1. het bepaalde in 7.2 voor het bouwen van afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg, met dien verstande dat 15m2 aaneengesloten onbebouwd terrein op het bouwperceel aanwezig blijft met een maximum van: 1. 80m2 mits de oppervlakte van het erf kleiner is dan 500m2; 2.
100m2 mits de oppervlakte van het erf groter is dan 500m2 en indien de volledige woonfunctie (woon-/eetkamer, keuken, badkamer, slaapkamer) op de begane grond wordt gesitueerd;
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
25
3.
het bepaalde in 7.2.2 onder i, ten behoeve van gestapelde woningen met een gebruiksoppervlakte van de woning kleiner dan 50m2 GBO voor zover sprake is van een specifiek woonconcept dat bedoeld is voor het huisvesten van bijzondere doelgroepen zoals genoemd in Bijlage 4 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie. Daarnaast zijn de in 7.4.2 genoemde mogelijkheden voor binnenplans afwijken van overeenkomstige toepassing in het erf. 7.4.2 Binnenplans afwijken t.b.v. bouwen in het onbebouwd erf Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de voorwaarden in 7.4.3, omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: 1. het bepaalde in 7.2 voor erkers met dien verstande dat: 1. op de begane grond: 1. de breedte maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel bedraagt; 2. de diepte maximaal 1,5m bedraagt; 3. de hoogte één bouwlaag of maximaal 3m betreft; 1. de uitbouw transparant moet worden uitgevoerd; 2.
op de perceelscheiding dan wel op maximaal 2m uit de perceelscheiding sprake kan zijn van een ondoorzichtige wand; de in 7.2.5 opgenomen maximumhoogte van erfafscheidingen, bij bijzondere in stedenbouwkundig opzicht afwijkende situaties, zulks tot een hoogte van maximaal 2m;het bepaalde in 7.2.5 voor de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zulks tot een hoogte van maximaal 5m;het bepaalde in 7.2.5 voor vlaggenmasten, zulks tot een hoogte van maximaal 10m;ondergeschikte delen van een bouwwerk. 7.4.3 Voorwaarden Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan slechts worden verleend indien: 1. de bebouwingskarakteristiek van de straat niet onevenredig wordt geschaad; 2. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; 3. de brandveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; 4. de milieusituatie niet onevenredig wordt aangetast; 5. de sociale veiligheid niet onevenredig wordt aangetast; 6. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; 7. de ruimtelijke inpasbaarheid is aangetoond; 8. vanuit stedenbouwkundig oogpunt in beginsel rekening wordt gehouden met eventuele zichthoeken vanuit belendende percelen.
7.5 specifieke gebruiksregels 7.5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming wordt in elk geval gerekend: 1. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen, waaronder garageboxen als zelfstandige woning; 2. het gebruik van een woning voor de huisvesting van meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur); 3. het gebruik van een woning voor 'zorgwoning'; 4. de uitoefening van enige tak van handel, nijverheid of dienstverlening daaronder begrepen detailhandel, ambachtelijk of industrieel bedrijf, anders dan toegelaten op grond van 7.1; 5. het gebruik van gronden en bouwwerken als geluidshinderlijke inrichting of risicovolle inrichting; 6. het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; 7. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; 8. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; 9. het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; 10. het gebruik van gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren of zelfstandige kantoorruimten. 7.5.2 Aantal woningen
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
26
Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is het maximum aantal toegestane woningen per bouwvlak weergegeven, met dien verstande dat: 1. binnen de bestemming 'Woongebied' niet meer dan 721 woningen zijn toegestaan; 2. binnen de bestemming 'Woongebied' minimaal 30% als sociale huurwoning en geliberaliseerde woning voor middenhuur (middeldure huurwoning) dienen te worden gerealiseerd. 7.5.3 Functieverdeling Gronden die niet worden benut ten behoeve van de functie wonen, dienen worden ingericht ten behoeve van groenvoorzieningen, verkeersvoorzieningen t.b.v. wegverkeer en verblijf of andere functies zoals opgenomen in artikel 7.1.1.
7.6 Afwijken van de gebruiksregels 7.6.1 Binnenplans afwijken t.b.v. onzelfstandige wooneenheden Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 7.5.1 sub b ten behoeve van het maximaal aantal gehuisveste personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur) - in een woning - indien: 1. de betreffende woning zodanig is gesitueerd dat bewoning door meer dan 5 personen in onzelfstandige wooneenheid/eenheden aanvaardbaar is, dit in relatie tot omliggende woningen; 2. voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor de bewoners van de betreffende woning; 3. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen. 7.6.2 Binnenplans afwijken t.b.v. bedrijfsmatige activiteiten Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 7.5.1 ten behoeve van de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten, zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, in de woning en/of bijgebouw(en) met dien verstande dat: 1. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner is van de woning; 2. de bedrijfsuitoefening in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving; 3.
geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid welke op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e. van de Wabo vergunningplichtig is, tenzij het betreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden wel verantwoord is; 4. geen sprake is van ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe omgeving aanwezige beroepsvestigingen; 5. op geen enkele andere wijze overlast wordt veroorzaakt; 6. voldoende is of kan worden voorzien in parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers; 7. geen detailhandel plaatsvindt, anders dan in ter plaatse vervaardigde goederen; 8. maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in gebruik mag zijn, met een maximum van 80m2. 7.6.3 Binnenplans afwijken aantal kamers t.b.v. bed & breakfast Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 7.1.3 onder d ten behoeve van het toestaan van bed & breakfast in maximaal 4 kamers.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
27
Artikel 8 Waarde - Archeologie 2 8.1 bestemmingsomschrijving De voor ´Waarde - Archeologie 2´ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), mede bestemd voor bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
8.2 bouwregels 8.2.1 Bouwen ten behoeve van de bestemming Op en in de gronden als bedoeld in 8.1 mogen bouwwerken ten behoeve van de bestemming worden gebouwd. 8.2.2 Bouwen ten behoeve van de andere bestemmingen 1. Waar een basisbestemming, aangegeven op de verbeelding, samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde van de dubbelbestemming; 2. op en in de gronden als bedoeld in 8.1 mag ten behoeve van de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot, ofwel; 2. een bouwwerk dat wordt gebouwd zonder graaf- of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,6 meter onder peil, ofwel; 3. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100m²; 4. op en in de gronden als bedoeld in 8.1 mag ten behoeve van de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en) (basisbestemmingen), met inachtneming van de daarvoor geldende regels, een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 100m² en waarbij sprake is van graaf- en/of heiwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,6m onder peil uitsluitend worden gebouwd, indien: 1.
de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, en; 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden aangetast; 3. ter voorkoming van mogelijke schade kan 1 of meer van de volgende verplichtingen aan de vergunning worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
8.3 nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken en de inrichting en het gebruik van de gronden voor zover de gronden zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 2', indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.4.1 Werken en werkzaamheden Behoudens het bepaalde in 8.4.2, is het verboden op of in de in 8.1 bedoelde gronden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 100m² of meer, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en):
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
28
1.
2. 3. 4.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend het (af)graven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, heiwerkzaamheden en aanleggen van drainage dieper dan 0,5 meter onder peil; het aanleggen, vergraven, verruimen van sloten, vijvers en andere wateren; het aanleggen of rooien van diepwortelende beplantingen/bomen of bos/boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.4.2 Uitzonderingen Het in 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden: 1. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan dan wel krachtens een reeds verleende vergunning; 2. die het normale beheer en onderhoud betreffen; 3. in het kader van het uitvoeren van een bouwplan als bedoeld in 8.2.2; 4. in het kader van het uitvoeren van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige. 8.4.3 Voorwaarden verlenen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden De in 8.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien: 1. de aanvrager van de vergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegde gezag in voldoende mate is vastgesteld, en; 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder a bedoelde rapport, door het verrichten van die werken en werkzaamheden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade 1 of meer van de volgende verplichtingen aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden kunnen worden verbonden: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, en/of; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij vergunning te stellen kwalificaties.
8.5 wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen zodanig dat de bestemming 'Waarde Archeologie 2' naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval uit het plan wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
29
Artikel 9 Waarde - Ecologie 9.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede bestemd voor: 1. behoud, herstel en/of ontwikkeling van een natte en/of droge ecologische verbindingszone; 2. behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos/de bosschages en de bijbehorende bosgroeiplaats; 3. behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke waarden en/of natuurwaarden; 4. bijbehorende en ondergeschikte verharde en onverharde paden en wegen; 5. geluidwerende voorzieningen, zoals wallen en schermen; 6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; 7. bijbehorende en ondergeschikte groenvoorzieningen; 8. bijbehorende en ondergeschikte speelvoorzieningen; 9. bijbehorende en ondergeschikte objecten voor beeldende kunst; 10. extensief recreatief medegebruik; 11. bouwwerken van algemeen nut; 12. faunapassages.
9.2 bouwregels 9.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden in het algemeen de volgende regels: 1. bestaande bebouwing, welke krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht; 2. op de gronden binnen deze bestemming mogen, eventueel in afwijking van het bepaalde ingevolge de basisbestemming(en), uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de op grond van 9.1 toegelaten functies, en met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven. 9.2.2 Ondergronds bouwen Op de gronden binnen deze bestemming mag niet ondergronds worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van water en waterhuishoudkundige voorzieningen en faunapassages.
9.3 nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: 1. de situering en afmeting van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van: 1. de verkeersveiligheid; 2. de sociale veiligheid; 3. de ruimtelijke en landschappelijke inpassing. 4. werken ten behoeve van nutsvoorzieningen (waaronder kabels en leidingen), verkeersvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen.
9.4 afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de bouwregels in 9.2.1 en toestaan dat bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende basisbestemmingen worden gebouwd.
9.5 specifieke gebruiksregels 9.5.1 Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in elk geval begrepen: 1. gebruik van gronden indien het gebied hierdoor minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van de ecologische verbindingszone, het bos/de bosschages en de bijbehorende bosgroeiplaats plus de landschappelijke- en/of natuurwaarden;
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
30
2. 3.
4. 5.
het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; het opgeslagen hebben en/of houden van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; het opgeslagen hebben en/of houden van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming; het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning.
9.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.6.1 Werken en werkzaamheden Het is, al dan niet in afwijking van het bepaalde ingevolge de basisbestemming(en), verboden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: 1. het verzetten of vergraven van grond van meer dan 100 m3 per perceel of op een diepte van meer dan 0,60m beneden maaiveld; de aanleg van drainage ongeachte de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage; het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren; 4. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of bemaling; 5. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie; 6. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas; 7. het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten van grasland naar een andere bodemcultuur; 8. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilrand en het verwijderen van paden of onverharde wegen; 9.
het aanleggen en/of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor zover groter dan 100m² per perceel; het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem. 2. 3.
9.6.2 Uitzonderingen Het in 9.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: 1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; 2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 9.6.3 Toelaatbaarheid De in 9.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in 9.1 genoemde waarden en/of functies.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
31
Artikel 10 Waterstaat - Zoekgebied herstel en behoud watersystemen 10.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Zoekgebied herstel en behoud watersystemen' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede bestemd voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen, waarbij dat zoekgebied een breedte heeft van ten minste 25m aan weerszijden van de waterloop.
10.2 bouwregels Voor het bouwen geldt dat in afwijking van hetgeen wordt bepaald door de onderliggende bestemming(en) op binnen de weergegeven dubbelbestemming 'Waterstaat - Zoekgebied herstel en behoud watersystemen' begrepen gronden uitsluitend bouwwerken mogen worden opgericht ten behoeve van het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Hierbij geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 5m mag bedragen.
10.3 afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de bouwregels in 10.2 en toestaan dat bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende basisbestemmingen worden gebouwd, mits de bebouwing niet leidt tot een significante verminderde geschiktheid van de desbetreffende gronden voor het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Alvorens omgevingsvergunning te verlenen wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de waterbeheerder.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.4.1 Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, voor zover groter dan 100m2 per perceel; 2. het ophogen van gronden; 3. het aanbrengen of wijzigen van kades; 4. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of bemaling; 5. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren. 10.4.2 Uitzonderingen Het in lid 10.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; 2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 10.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 10.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de geschiktheid van de gronden voor het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de waterbeheerder.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
32
Hoofdstuk 3 algemene regels
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
33
Artikel 11 anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
34
Artikel 12 algemene bouwregels 12.1 Ondergrondse bouwwerken 12.1.1 Situering Tenzij dit elders in de regels is uitgesloten of beperkt, is ondergronds bouwen binnen een bestemmingsvlak toegestaan met dien verstande dat: 1. 100% van het bouwvlak mag worden aangewend voor ondergrondse bouwwerken; 2. ondergrondse bouwwerken dienen te worden gebouwd onder het maaiveld en aan de straatzijde onder het straatpeil; 3. openluchtzwembaden, vijvers en daarmee gelijk te stellen bij een tuin behorende voorzieningen mogen in het bouwvlak en (on)bebouwd erf worden opgericht met dien verstande dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50% van het erf en de hoogte niet meer mag bedragen dan 0,5m. 12.1.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 12.1.1 ten behoeve van: 1. het voor 100% ondergronds bebouwen van het erf; 2. ondergronds bouwen in het onbebouwd erf; 3. ondergronds bouwen boven het straatpeil. 12.1.3 Voorwaarden Omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de bouwregels kan worden verleend mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van: 1. het woon- en leefklimaat en de milieukwaliteit; 2. de verkeers-, brand-, sociale en externe veiligheid; 3. de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken; 4.
de waterhuishouding, de natuurwaarden en de archeologische waarden. 12.1.4 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de maximale bouwdiepte voor ondergrondse bouwwerken.
12.2 Onbebouwd terrein bij gebouwen 12.2.1 Onbebouwd terrein bij woningen Bij een grondgebonden woning moet - gelet op de kwaliteit van de woonomgeving, zowel bezien vanuit de woning als vanuit de belendende percelen en de omgeving - een onbebouwd terrein aanwezig zijn dat tenminste een strook grond omvat die over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel en een diepte heeft van - gemeten vanaf het verst achterwaarts gelegen deel van het hoofdgebouw inclusief een eventuele aanbouw - tenminste 5m. 12.2.2 Onbebouwd terrein bij overige gebouwen Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend onbebouwd gedeelte van het bouwperceel aanwezig zijn ter diepte van tenminste 2m achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en wel over de volle breedte daarvan. 12.2.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van: 1. het bepaalde in 12.2.1, voor wat de aanwezigheid van het onbebouwd terrein betreft, indien andere functies dan wonen in het bestemmingsvlak zijn toegestaan en de eerste bouwlaag niet voor bewoning gebruikt wordt; 2. het bepaalde in 12.2.1, indien een gunstige andere indeling van het bouwperceel aanwezig is en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt; 3.
het bepaalde in 12.2.1 indien sprake is van patiobungalows; 4. het bepaalde in 12.2.1 indien het plan voorziet in een gezamenlijke (binnen)tuin van voldoende grootte; 5. het bepaalde in 12.2.2, indien dit geen beletsel vormt voor de bestemming van het gebouw en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
35
12.3 Ruimte tussen bouwwerken 12.3.1 Begrenzing perceelsgrenzen Wanneer de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk niet in de zijdelingse grens van het bouwperceel wordt gebouwd, moet het bouwwerk zodanig zijn gelegen dat de ruimte tussen dit bouwwerk en de zijdelingse grens van het bouwperceel over de breedte van 1m met een minimale hoogte van 2,2m vrij toegankelijk is. Bebouwing van ondergeschikte aard wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. 12.3.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 12.3.1, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
12.4 Bouwen in nabijheid van monumentale en beeldbepalende bomen 12.4.1 Bebouwingsafstand De afstand van enig bouwwerk tot het hart van een op de bij dit plan gevoegde Bijlage 3 Boomwaardekaart weergegeven boom bedraagt ten minste 15m. 12.4.2 Toegestane bebouwing Het bepaalde in 12.4.1 is niet van toepassing indien: 1. binnen de genoemde afstand van 15m reeds bebouwing voorkomt en na sloop van deze bestaande bebouwing nieuwe bebouwing wordt opgericht met een zelfde afstand tot de boom en een zelfde gooten bouwhoogte, mits daarbij zodanige maatregelen te worden getroffen, dat de betrokken houtopstand / boom niet wordt geschaad; 2. een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van de boom; 3. de boom om andere, van overmacht getuigende redenen reeds eerder is geveld, dan wel door een calamiteit teniet is gegaan. 12.4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in 12.4.1, indien zodanige maatregelen worden getroffen dat het voortbestaan van de betrokken houtopstand / boom wordt gewaarborgd. Als voorwaarde voor deze omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag een bomeneffectanalyse (BEA) van een onafhankelijk boomtechnisch adviesbureau eisen. Deze analyse wordt in elk geval vereist indien: 1. er sprake is van een 'monumentale boom'; 2.
er gegronde vermoedens bestaan dat het bouwwerk of de bouwwerkzaamheden het voortbestaan van de betreffende boom of houtopstand / boom in gevaar kunnen brengen.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
36
Artikel 13 algemene gebruiksregels 13.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming Al dan niet in afwijking van het bepaalde in de bestemmingsregels van Hoofdstuk 2 wordt ter plaatse van een functie-aanduiding het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met die functie-aanduiding aangemerkt als gebruik overeenkomstig de bestemming.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
37
Artikel 14 algemene aanduidingsregels 14.1 milieuzone - zones wet milieubeheer In afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - zones wet milieubeheer' de volgende regels: 1. binnen de gebiedsaanduiding 'milieuzone - zones Wet milieubeheer', mogen geen milieugevoelige functies worden opgericht. 2. het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde in sub a. waarbij milieugevoelige functies worden toegestaan, mits: 1. de milieubelastende bedrijvigheid op het belendende perceel in gunstige zin wordt verplaatst of beëindigd, of; 2. aangetoond is dat de milieubelastende bedrijvigheid op het belendende perceel geen belemmering vormt voor de milieugevoelige functies, of; 3. zodanig technische voorzieningen worden getroffen dat de milieubelasting van de belendende bedrijvigheid voldoende is afgenomen.
14.2 vrijwaringszone - vaarweg 14.2.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - vaarweg' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud van een goede doorvaart van de scheepvaart. 14.2.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 1. op de gronden mogen ten behoeve van de in lid genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; 2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 7m. 14.2.3 Afwijken van de bouwregels 1. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.3.1 onder a ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere aldaar geldende bestemming(en), indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en mits: 1. de doorvaart van de scheepvaart niet wordt belemmerd; 2. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd; 3. de zichtlijnen voor bedienings- en begeleidingsobjecten niet worden gehinderd; 4. de toegankelijkheid voor hulpdiensten vanaf de wal niet wordt beperkt; 5. de mogelijkheid tot het uitvoeren van beheer en onderhoud niet wordt belemmerd; 6. advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat. 7. In afwijking van het bepaalde onder a.
kunnen burgemeester en wethouders een afwijking verlenen zonder advies van Rijkswaterstaat indien het bouwplan reeds mogelijk werd gemaakt volgens het voorafgaande geldende bestemmingsplan. 14.2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 1. Verbod Het is verboden op of in de voor 'Vrijwaringszone - vaarweg' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijn en/of werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen van gronden; 2. bomen, heggen, heesters of struiken te planten of te vervangen. 1. Toelaatbaarheid De uitvoering van de onder a genoemde werken en/of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien: 1. is aangetoond dat deze - gehoord Rijkswaterstaat - geen consequenties hebben voor het doelmatig functioneren van de vaarweg; 2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij Rijkswaterstaat.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
38
Artikel 15 algemene afwijkingsregels 15.1 Binnenplans afwijken t.b.v. geringe afwijkingen van maten Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de in het plan genoemde maten en afmetingen met ten hoogste 10%. Deze omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien: 1. de met behulp van die toepassing toegestane bebouwing geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de voor desbetreffende bestemming nagestreefde doeleinden; 2. gelet op de omringende bebouwing geen overwegende stedenbouwkundige bezwaren bestaan; 3. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; 4. voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1. de mogelijkheid voor binnenplans afwijken mag niet cumulatief worden gebruikt; 2. de mogelijkheid voor binnenplans afwijken mag niet tot gevolg hebben dat een nieuwe bouwlaag ontstaat.
15.2 Binnenplans afwijken t.b.v. geringe afwijkingen van grenzen Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de planregels ten behoeve van het in geringe mate afwijken van een vastgesteld onderdeel van een grens van een bouwvlak, bestemmingsvlak, functie-aanduidingsvlak of maatvoeringsvlak, indien bij het definitief ontwerp, bij definitieve uitmeting e.d. blijkt dat enige geringe afwijking in het belang van een bebouwing of inrichting is. Deze omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien: 1. de met behulp van die toepassing toegestane bebouwing geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de voor desbetreffende bestemming nagestreefde doeleinden; 2. gelet op de omringende bebouwing geen overwegende stedenbouwkundige bezwaren bestaan; 3. gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
15.3 Binnenplans afwijken t.b.v. parkeer- en stallingsvoorzieningen Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het plan ten behoeve van parkeer- en stallingsvoorzieningen met bijbehorende bovengrondse bouwwerken zoals in- en uitritten, in- en uitgangen, trappenhuizen, liften, hellingbanen, bewakings- /portiersloges e.d., onder de volgende voorwaarden: 1. de maximale oppervlakte van de bijbehorende bovengrondse bouwwerken mag 30m2 bedragen; 2.
de maximale hoogte van de bijbehorende bovengrondse bouwwerken mag 4,5m bedragen.
15.4 Binnenplans afwijken t.b.v. aan-huis-verbonden beroep Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het plan voor wat betreft de voorwaarden, zoals beschreven in de begripsregels, waaronder overeenkomstig de desbetreffende bestemmingsomschrijving een aan huis verbonden beroep is toegelaten, indien door de aard van de werkzaamheden het beroep niet of bezwaarlijk anders dan aan huis of op de betreffende locatie kan worden uitgeoefend.
15.5 Binnenplans afwijken t.b.v. evenementen Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het plan ten behoeve van incidenteel en kortstondig afwijkend gebruik van particuliere percelen / bebouwing voor het plaatsen van tijdelijke onderkomens zoals (feest)tenten, kiosken e.d. ten behoeve van festiviteiten met een openbaar karakter (muziekfestival, zeskamp, sportwedstrijd, show/voorstelling, tentoonstelling, beurs, markt, e.d.) voor de duur van een aantal (aaneengesloten) dagen (over het algemeen 3 á 4), met dien verstande dat aan deze omgevingsvergunning voorwaarden kunnen worden verbonden ter beperking van onaanvaardbare overlast van de (woon)omgeving, onder meer voor wat betreft parkeren, geluidhinder, situering van tijdelijke onderkomens e.d.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
39
15.6 Binnenplans afwijken t.b.v. bouwwerken van algemeen nut Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van de bouwregels, opgenomen in de bestemmingsregels in Hoofdstuk 2 ten behoeve van het bouwen van bouwwerken van algemeen nut, met dien verstande dat: 1. de bouwhoogte niet meer dan 3,5m mag bedragen en; 2. de oppervlakte niet meer dan 50m² mag bedragen.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
40
Artikel 16 algemene wijzigingsregels 16.1 Wijzigingsbevoegdheid reconstructie, herverkaveling of renovatie 1. 1. 2. 3. 4. 5.
6. 7.
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van: de reconstructie of herverkaveling van een (deel van een) bouwblok met in het ongerede geraakte, al dan niet complexgewijze bebouwing waarvan de functie wordt beëindigd; de reconstructie van een (deel van een) bouwblok waarbij de functie geheel of grotendeels wordt gehandhaafd, maar (infra-) structuur, ontsluiting, verkaveling e.d. worden aangepast; de reconstructie, herverkaveling of renovatie van een gebouw of een bouwblok waarbij nieuwe rooilijnen kunnen worden weergegeven; de ontsluiting of herverkaveling van het gebied ten einde nieuwe bestemmingen 'Verkeer - Verblijf' projecteren; de herverkaveling van het gebied of om tot een optimale verkaveling te komen, door aangrenzende bestemmingen voor openbaar gebied ('Verkeer - Verblijf') geheel of deels om te zetten in een nieuw te realiseren bestemming binnen die herverkaveling, of deze bestemmingen geheel of deels elders in de nieuwe verkaveling onder te brengen; er mag geen sprake zijn van functiewijzigingen welke in strijd zijn met rijks-, provinciaal dan wel gemeentelijk beleid; na wijziging zijn de regels van het bestemmingsplan hierop van toepassing.
16.2 Wijzigingsbevoegdheid bestemmingsvlakgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd: 1. de in het plan begrepen bestemmingen die grenzen aan gronden met de bestemming Verkeer - Verblijf' (V-VB) te wijzigen voor de indeling van gronden zoals ten behoeve van een herinrichting, een asverschuiving, herinrichting kruispunten, aanleg (mini)rotondes e.d., met dien verstande dat: 1. de bestemmingen mogen worden gewijzigd voor een verschuiving van de bestemmingsgrenzen van maximaal 25m; 2. de verwerkelijking van de in het plan begrepen bestemmingen gewaarborgd dient te blijven, dat wil zeggen dat de bestemmingen door de wijzigingnen niet onevenredig mogen worden aangetast; 3. bestemmingsgrenzen te wijzigen indien dit uit stedenbouwkundig oogpunt noodzakelijk is voor zover zulks het belang van een goede ruimtelijk ordening van het plan niet schaadt en zodanig dat de geldende oppervlakte van de bij wijziging betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot.
16.3 Wijzigingsbevoegdheid bouwwerken van algemeen nut Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig te wijzigen, dat bouwwerken van algemeen nut met een groter oppervlak dan 50m2 kunnen worden gebouwd, zulks tot een maximale oppervlakte van 150 m2.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
41
Artikel 17 algemene procedureregels Op het stellen van nadere eisen op grond van enige bepaling van de regels van dit bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
42
Artikel 18 overige regels 18.1 Algemene regels inzake nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van: 1. de aard en omvang van de horecafunctie ter bescherming van de woonfunctie en/of ter voorkoming van onevenredige aantasting van andere functies in de omgeving; 2. de afmetingen en situering van bebouwing op percelen die direct gelegen zijn naast percelen die in een beschermd dorpsgezicht, dan wel beschermd stadsgezicht vallen en percelen met de aanduiding gemeentelijk monument, dan wel rijksmonument, in verband met de ruimtelijke afstemming van deze bebouwing op het naastgelegen monument, met dien verstande dat advies wordt ingewonnen bij de Omgevingscommissie; 3. de aard en omvang van kantines, restauratieve voorzieningen e.d. die ondersteunend zijn voor (openlucht-)sport en recreatie en maatschappelijke voorzieningen teneinde de ondergeschiktheid van die voorzieningen veilig te stellen en/of ter bescherming van de woonfunctie en/of ter voorkoming van een onevenredige aantasting van andere functies in de omgeving; 4. de bereikbaarheid van gebouwen vanuit en de situering van de hoofdentree van gebouwen ten opzichte van de openbare ruimte; 5. de situering en afmetingen van groenvoorzieningen; 6. de situering en afmetingen van parkeergelegenheid, ook op eigen terrein; 7.
de situering van toegangswegen en -paden tot gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en open erven.
18.2 Algemene regels inzake omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.2.1 Werken en werkzaamheden nabij monumentale en beeldbepalende bomen Het is verboden zonder een schriftelijke vergunning van het bevoegde gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren binnen een afstand van 15m tot het hart van een op de bij dit plan gevoegde Bijlage 3 Boomwaardekaart weergegeven boom: 1. het ontgronden, bodem verlagen of afgraven, ophogen, verdichten, verplaatsen, afgraven of egaliseren van grond, inclusief het graven van sleuven en het leggen van (ondergrondse) leidingen; 2. het wijzigen van het grondwaterpeil; 3. het verrichten van werken of werkzaamheden die beschadigingen van wortels, stam of kroon van de betrokken boom tot gevolg kunnen hebben. 18.2.2 Uitzonderingen Het bepaalde in 18.2.1 is niet van toepassing indien: 1. een omgevingsvergunning is verleend voor het kappen van de boom; 2. de houtopstand om andere, van overmacht getuigende redenen reeds eerder is geveld, danwel door een calamiteit teniet is gegaan; 3. het gaat om werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of beheer betreffen; 4. het gaat om werken en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis.
18.2.3 Toelaatbaarheid De werken en werkzaamheden als bedoeld in 18.2.1 zijn slechts toelaatbaar indien door de uitvoering van de werken of werkzaamheden of door de gevolgen daarvan geen onherstelbare schade aan de betrokken boom toegebracht wordt. Het bevoegd gezag is bevoegd om: 1. voorwaarden te verbinden aan de in 18.2.1 bedoelde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter vermindering of ter voorkoming van schade die de in 18.2.1 genoemde werken of werkzaamheden of de gevolgen daarvan aan de betrokken boom zouden kunnen toebrengen. Onder schade wordt tevens begrepen een vermindering of verslechtering van groeimogelijkheden; 2. ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden voor de onder 18.2.1 genoemde werken/werkzaamheden een BEA- onderzoek (= bomeneffectanalyse) van een onafhankelijk boomtechnisch adviesbureau te eisen.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
43
18.3 Parkeerregeling 18.3.1 Parkeren 1. De gronden mogen enkel worden gebruikt onder voorwaarde dat ten behoeve van het parkeren of stallen van (motor)voertuigen in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, in voldoende mate parkeergelegenheid aanwezig is, zoals neergelegd in de op 14 november 2017 door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde nota 'parkeernormen Tilburg 2017'; 2. het bevoegd gezag kan slechts een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, indien bij aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de gewijzigde parkeernormen en rekenmethode; 3. de onder a. bedoelde plaatsen voor het stallen van voertuigen moeten afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare (motor)voertuigen, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
18.3.2 Laden en lossen Indien de bestemming van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen moet zijn verzekerd, dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen, zoals neergelegd in de CROW Kennisbank in ASVV 2012. 18.3.3 Afwijken van de regels Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van artikel 18.3.1 en 18.3.2 indien: 1. op andere wijze in de parkeerbehoefte en/of de nodige laad- of losruimte wordt voorzien en 2. wordt voldaan aan de voorwaarden en vrijstellingsregels zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. Indien deze parkeernota gedurende de planperiode wordt gewijzigd dient te worden voldaan aan de desbetreffende wijzigingen.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
44
Hoofdstuk 4 overgangs- en slotregels
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
45
Artikel 19 overgangsrecht 19.1 Overgangsrecht bouwwerken 1.
1. 2.
3.
4.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot; gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; het bevoegd gezag kan eenmalig omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken van het bepaalde onder a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%; het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.
19.2 Overgangsrecht gebruik 1. 2.
3.
4.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
46
Artikel 20 slotregel Dit plan wordt aangehaald als bestemmingsplan 'Smariuskade'
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
47
bestemmingsplan Smariuskade (Ringbaan Noord – Midden Brabantweg)
48
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten Staat van bedrijfsactiviteiten Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging Bijlage 3 Boomwaardekaart Boomwaardekaart Bijlage 4 Update stedelijke ontwikkelingsstrategie Update stedelijke ontwikkelingsstrategie
Toelichting bij de Staat van bedrijfsactiviteiten •
Richtafstandenlijsten
De tabellen zijn een selectie uit de lijsten zoals deze door het VNG is opgenomen in 'Bedrijven en milieuzonering, Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk, editie 2009'. De lijst is gescreend op ruimtelijke wenselijkheid voor de specifieke bestemming waaraan de lijst gekoppeld is. •
Hoofdindeling
De lijst bij dit bestemmingsplan gaat uit van bedrijfsactiviteiten, gerangschikt naar SBI-codes van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Voor elke activiteit zijn milieuaspecten en richtafstanden vermeld, rekening houdend met de normaliter bij deze bedrijven voorkomende opslagen en installaties. Bij activiteiten kunnen daarnaast specifieke opslagen en installaties voorkomen. •
Richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar
De lijsten vermelden richtafstanden voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen (zie hierna). De richtafstanden voor de onderscheiden bedrijfstypen zijn afgeleid van: •
in Nederland aanvaarde normen voor de emissies door milieubelastende activiteiten;
•
in Nederland voorgeschreven of aanvaarde grens- en richtwaarden voor de immissies bij woningen en andere milieugevoelige bestemmingen;
•
ervaringen en waarnemingen met betrekking tot de omvang en schadelijkheid van emissies door activiteiten.
De activiteiten zijn zodanig gedefinieerd en geclusterd dat er in het licht van de soorten milieubelasting (geur, stof, geluid, gevaar) sprake is van een zekere uniformiteit. In de praktijk zal binnen een activiteit variatie in de milieubelasting voorkomen. In de tabel is de grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar vermeld. Deze grootste afstand is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De volgende tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie: milieucategorie
richtafstand
milieucategorie
richtafstand
1
10 m
5.1
500 m
2
30 m
5.2
700 m
3.1
50 m
5.3
1.000 m
3.2
100 m
6
1.500 m
4.1
200 m
Mocht een bedrijf meerdere SBI-codes kennen, dan moet voor elk aspect de grootste afstand worden genomen. Dat geldt ook voor de gebruikte installaties en opslagen. Opgemerkt dient te worden dat de methodiek in de eerste plaats is ontwikkeld om in nieuwe situaties een vestigingsplaats voor een bedrijf vast te stellen en niet voor toetsing van bestaande situaties. Daarom wordt bij bestaande situaties uitgegaan van de maatregelen, die voor een nieuwe vestiging van een dergelijk bedrijfs-/activiteitstype redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Verder gelden de afstanden alleen in relatie tot rustige woonwijken gelegen in zuivere woongebieden, dus niet voor woningen die in gebieden liggen met een andere bestemming of kwalificatie. Voor de toepassing van deze methodiek op bestaande situaties is het zeker niet zo dat elk bedrijf, dat is gevestigd op kortere afstand tot aaneengesloten woonbebouwing dan de wenselijke, zonder meer onaanvaardbaar is. Wel geeft de gewenste afstand een maat voor de potentiële hinder, gevaar of schade. •
Geluid: continu (C) en zonering (Z)
Bij bepaalde activiteiten is na de afstand voor geluid de letter C van 'continu' aangegeven. Hiermee is aangegeven dat bij de betreffende milieubelastende activiteiten de voor geluid bepalende activiteiten meestal continu (dag en nacht) in bedrijf zijn. Voorts is bij bepaalde activiteiten na de afstand voor geluid de letter Z van 'zonering' opgenomen. Het gaat hierbij om inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken in de zin van de Wet geluidhinder (vroeger ook wel A-inrichtingen genoemd) en die als zodanig zijn aangewezen in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningen besluit milieubeheer. Indien dergelijke bedrijven in het bestemmingsplan voorkomen of in het bestemmingsplan zijn toegestaan, moet in dat plan een geluidszone worden opgenomen. •
Gevaar: risico (R) en vuurwerk (V)
In de kolom 'gevaar' is een richtafstand aangegeven, die bij een gemiddelde activiteit van dat type aangehouden kan worden. Het betreft alle gevaarsaspecten, inclusief brandgevaar en stofexplosies. Als de letter R van 'risico' is aangegeven, kunnen activiteiten onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vallen of gaan vallen. Voor deze activiteiten dient altijd te worden nagegaan of het Bevi van toepassing is. Voor activiteiten waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is, is de letter V van 'vuurwerk' opgenomen. Voor deze activiteiten dient altijd te worden getoetst aan de veiligheidsafstanden uit het Vuurwerkbesluit. •
Milieucategorie: divers (D)
Bij de bepaling van de richtafstanden voor de onderscheiden bedrijfstypen is uitgegaan van een 'gemiddeld' moderne activiteit met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. Bij alle activiteiten dient daarom rekening te worden gehouden me een zekere variatie. Voor activiteiten met een grote variatie in productieprocessen is de letter D van 'divers' opgenomen. Deze activiteiten kunnen een groter variatie in milieubelasting vertonen. Dit dient per geval nader te worden bezien. •
Index voor verkeersaantrekkende werking: goederenvervoer (G) en personenvervoer (P)
Naast de genoemde milieuaspecten kan ook de verkeersaantrekkende werking van belang zijn voor de toelaatbaarheid van de activiteit op een bepaalde locatie. Dit aspect kan niet worden vertaald naar afstanden, maar is weergegeven met een kwalitatieve index die loopt van 1 tot en met 3, met de volgende betekenis: 1: potentieel geringe verkeersaantrekkende werking; 2: potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking; 3: potentieel zeer grote verkeersaantrekkende werking. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen goederenveroer (G) en personenvervoer (P) De index voor verkeersaantrekkende werking is van belang in combinatie met de verkeersontsluiting van en naar de inrichting. Het kan een indicator zijn voor eventuele verkeers- en parkeerhinder in de omgeving. •
Overige aandachtspunten: visuele hinder, bodemverontreiniging (B) en luchtverontreiniging (L)
Het aspect visueel hinder is een indicator voor de visuele inpasbaarheid van activiteiten. Zo hebben hoge omvangrijke bedrijfsbouwwerken index 3 en kleine(re) kantoorgebouwen index 1. De bepaling van de index is subjectief en niet eenduidig. Het betreft slechts een signaalfunctie. De index voor bodemverontreiniging (B) kan een hulpmiddel zijn bij de selectie van toelaatbare inrichtingen op gevoelige gronden, zoals bodembeschermingsgebieden. Deze index is opgenomen als een activiteit een verhoogde kans op bodemverontreiniging geeft, bijvoorbeeld door calamiteiten, incidenten of 'sluimerende' lekkages. De uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht is niet te vertalen in een richtafstand die bij voorkeur tot woningen (of andere gevoelige locaties) in acht genomen zou moeten worden. Toch kan de uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht in planologisch opzicht relevant zijn. Denk aan neerslag van geëmitteerde schadelijke stoffen op gevoelige bodems, gewassen enflora; bijvoorbeeld verzurende stoffen op natuurgebieden en zware metalen op groentes. Bij het gebruik van ontsmettings- en bestrijdingsmiddelen in de land- en tuinbouw doen zich in de praktijk regelmatig problemen voor met de afstand tot woningen. Bij activiteiten waar dit mogelijk relevant is, is de letter L van 'luchtverontreiniging' opgenomen. •
Gebruikte afkortingen
De volgende afkortingen worden in de lijsten gebruikt, in aanvulling op de hiervoor genoemde en verklaarde afkortingen: -
:
niet van toepassing of niet relevant
p.c.
:
productiecapaciteit
<
:
kleiner dan
p.o.
:
productieoppervlak
>
:
groter
b.o.
:
bedrijfsoppervlak
=
:
gelijk aan
v.c.
:
verwerkingscapaciteit
cat.
:
categorie
u
:
uur
e.d.
:
en dergelijke
d
:
dag
kl.
:
klasse
w
:
week
n.e.g.
:
niet elders genoemd
j
:
jaar
o.c.
:
opslagcapaciteit
LIJST 1 - ACTIVITEITEN