08 bijlage Toelichting bp streepstraat D2451 deel 2
Tekst van het document
Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch bureauonderzoek
oedwet
Streepstraat-West, Gemeente Tilburg, Berkel-Enschot Archeologisch bureauonderzoek
Rubicon Erfgoed Rapport 103 DEFINITIEF
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Colofon Auteur Versie Datum Rubicon Erfgoed projectnummer
H.G. Pape-Luijten Definitief 18-10-2022 20034
Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever
Buron Projectontwikkeling BV R. van Roozendaal
Bevoegde overheid Contactpersoon bevoegde overheid
Gemeente Tilburg G. van den Eynde
Adviseur bevoegde overheid Contactpersoon adviseur bevoegde overheid
n.v.t. n.v.t.
Onderzoeksmelding (ARCHIS3) Beheer documentatie
5237714100 Rubicon Erfgoed, Rheden
Vrijgave Naam
Datum
Handtekening
H.G. Pape-Luijten Senior KNA Bureauonderzoek Archeoloog Actorregistratienummer 23021110
18-10-2022
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Inhoudsopgave Colofon ........................................................................................................................................ 1 Inhoudsopgave ............................................................................................................................ 1 Samenvatting ............................................................................................................................... 1 Selectiebesluit bevoegde overheid .............................................................................................. 1 Inleiding ...................................................................................................................................... 2 Aanleiding onderzoek ................................................................................................................ 2 Doelstelling onderzoek .............................................................................................................. 2 Werkwijze onderzoek ................................................................................................................ 2 Kaders onderzoek .....................................................................................................................
2 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4 Locatie en planvorming ................................................................................................................. 6 Afbakening plan- en onderzoeksgebied....................................................................................... 6 Huidige situatie plangebied ........................................................................................................ 6 Toekomstige situatie plangebied ................................................................................................ 6 Landschappelijke informatie .......................................................................................................... 8 Inleiding landschappelijke informatie .......................................................................................... 8 Beknopte landschapsontwikkeling .............................................................................................. 8 Paleogeografie.......................................................................................................................... 9 Geologie ..................................................................................................................................
9 Geomorfologie ........................................................................................................................ 10 Bodem ................................................................................................................................... 10 Grondwater ............................................................................................................................ 11 Conclusie landschappelijke informatie ....................................................................................... 11 Archeologische informatie ........................................................................................................... 12 Inleiding archeologische informatie .......................................................................................... 12 Archeologische verwachting op provinciaal niveau ..................................................................... 13 Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau .................................................................. 13 Archeologische monumenten ................................................................................................... 14 Archeologische vondstmeldingen..............................................................................................
14 Archeologische onderzoeksmeldingen ....................................................................................... 14 Conclusie archeologische informatie ......................................................................................... 17 Cultuurhistorische informatie ....................................................................................................... 18 Inleiding cultuurhistorische informatie ...................................................................................... 18 Beknopte lokale en regionale geschiedenis ............................................................................... 18 Historisch kaartmateriaal ......................................................................................................... 19 Conclusie cultuurhistorische informatie ..................................................................................... 19 Verwachtingsmodel, conclusie en advies ...................................................................................... 20 Verwachtingsmodel ................................................................................................................. 20 Conclusie en advies.................................................................................................................
21 Selectiebesluit bevoegde overheid ............................................................................................ 22 Bronnen..................................................................................................................................... 23 Documenten ........................................................................................................................... 23 Overig.................................................................................................................................... 23 Bijlage 1 – Inleiding .................................................................................................................... 25
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Bijlage 2 – Locatie en planvorming .............................................................................................. 27 Bijlage 3 – Landschappelijke informatie ........................................................................................ 32 Bijlage 4 – Archeologische informatie ........................................................................................... 38 Bijlage 5 – Cultuurhistorische informatie....................................................................................... 41 Bijlage 6 – Verwachtingsmodel, conclusie en advies ...................................................................... 45
Rubicon Erfgoed // Adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie
Samenvatting Ter plaatse van een perceel aan de Streepstraat tegenover 1-3 te Berkel-Enschot (gemeente Tilburg, provincie Noord-Brabant), kadastraal bekend als Berkel D 2451, bestaat het voornemen om het terrein in kwestie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een nieuw bestemmingsplan nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. In de gemeentelijke administratie staat het plangebied bekend als Streepstraat-West. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied een hoge verwachting geldt voor de Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor de andere periodes. Hoewel de aard van de bodemopbouw en de mate van eventuele bodemverstoring niet op basis van bureauonderzoek kan worden vastgesteld, is er ons inziens vanwege de landschappelijke gesteldheid van het plangebied in relatie tot de eerder behaalde archeologische onderzoeksresultaten in de directe omgeving (Streepstraat-Noord, Streepstraat-Zuid, Bosscheweg 57) meer dan voldoende aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Op basis van het bureauonderzoek wordt dan ook geadviseerd om de archeologische verwachting uit dit bureauonderzoek te toetsen middels een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-P), met een dekkingsgraad van 10% van het gehele plangebied.
Om dit onderzoek uit te kunnen voeren dient op voorhand een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en goed te worden gekeurd door de bevoegde overheid (gemeente Tilburg). Uitvoering van het proefsleuvenonderzoek (en een mogelijk daaropvolgende opgraving) zal plaatsvinden binnen het traject van de toekomstige omgevingsvergunning. In het nieuwe bestemmingsplan dient dan ook een passende archeologische dubbelbestemming met bijbehorende planregels en toelichting te worden opgenomen. Zie Bijlage 6 (figuur 22) voor de advieskaart in deze. Bovenstaande betreft een onafhankelijk tot stand gekomen advies, op basis van bekende informatie en de kwaliteitsnormen van de beroepsgroep archeologie. Naar aanleiding van dit advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Tilburg) een eigen besluit nemen. In dat besluit kan en mag de bevoegde overheid beredeneerd afwijken van het advies. Mocht het plangebied in dat besluit worden vrijgegeven door de bevoegde overheid en er worden onverhoopt toch archeologische waarden aangetroffen tijdens de geplande graafwerkzaamheden, dan geldt op basis van de Erfgoedwet de plicht deze zogenaamde toevalsvondsten te melden bij het Rijk. Uit praktische overweging is het aan te bevelen deze melding te doen bij de bevoegde overheid (de gemeente Tilburg).
Aan bovenstaand advies kunnen, behoudens opzet of grove nalatigheid onzerzijds, geen rechten worden ontleend, noch eventuele schade die daaruit kan voortvloeien, worden geclaimd. Selectiebesluit bevoegde overheid De gemeente Tilburg proefsleuvenonderzoek.1
1
onderschrijft
bovenstaand
Mail d.d. 18-10-2022 van G. van den Eynde, gemeente Tilburg.
1
advies
tot
vervolgonderzoek
middels
Inleiding Aanleiding onderzoek Ter plaatse van een perceel aan de Streepstraat tegenover 1-3 te Berkel-Enschot (gemeente Tilburg, provincie Noord-Brabant), kadastraal bekend als Berkel D 2451, bestaat het voornemen om het terrein in kwestie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Hiervoor is een nieuw bestemmingsplan nodig, binnen welk kader archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden. In de gemeentelijke administratie staat het plangebied bekend als Streepstraat-West. Doelstelling onderzoek Het doel van een archeologisch bureauonderzoek is het vaststellen van de specifieke archeologische verwachting van een plangebied. Op basis hiervan wordt een advies gegeven over aanbevolen archeologische vervolgstappen. Werkwijze onderzoek In het bureauonderzoek wordt de archeologische verwachting van een plangebied gespecificeerd aan de hand van informatie uit databases, kaartmateriaal, onderzoeksrapporten en literatuur over ontwikkelingen in het landschap (geologie, geomorfologie, bodem) en de bewoningsgeschiedenis (archeologie en recente historie).
De eerste stap is dan ook het raadplegen en analyseren van verschillende bronnen: • ARCHIS 3, de nationale archeologische database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), is een primaire bron: zij biedt toegang tot de bekende landschappelijke informatie (geomorfologische kaart, bodemkaart inclusief grondwaterstand) en archeologische informatie (monumenten, waarnemingen en onderzoeksmeldingen) en in en rond het plangebied. Het bureauonderzoek wordt ook aangemeld bij ARCHIS, zodat het later zelf weer gebruikt kan worden als bron in andere onderzoeken; • Cultuurhistorische basisinformatie volgt uit (waar mogelijk en beschikbaar) gebiedspecifieke literatuur, alsook uit historisch kaartmateriaal (betrokken van o.a. het Kadaster); • Overige bronnen geven aanvullende informatie, zoals over de opbouw van de ondergrond (DINOloket) en bekende bodemvervuiling (Bodemloket); • Bovenstaande opsomming is uiteraard niet uitputtend en kan per project uitgebreid worden, bijvoorbeeld met kennis van archeologische vrijwilligers en professionele (overheids)archeologen, of boorgegevens van milieukundige onderzoeken. De informatie die uit de verschillende bronnen is vergaard wordt vervolgens gerangschikt, geduid, gekoppeld en verwerkt in tekst en kaartmateriaal middels een GIS (Geografisch Informatie Systeem).
Uit deze elementen wordt een rapport opgebouwd, met een verwachtingsmodel en advies als kernpunten. Dit rapport wordt vervolgens in concept aangeboden aan de opdrachtgever ter controle en aan de bevoegde overheid ter beoordeling. Na verwerking van eventuele opmerkingen wordt het rapport definitief gemaakt en afgemeld bij ARCHIS. Kaders onderzoek Dit archeologische onderzoek is uitgevoerd binnen wettelijke, beleidsmatige, juridisch-planologische en procesmatige kaders. Deze kaders zijn onderling met elkaar verbonden.
2
Wettelijke kaders In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend. Dit verdrag wordt ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland of de stad waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in Nederland geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Vanuit de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bestond al een verplichting om bij de voorbereiding van bestemmingsplannen alle ter zake doende belangen mee te wegen. In feite is de Wamz een concrete invulling en verbreding van deze verplichting. Sinds 1 juli 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving (6 wetten en regelingen) voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Een gedeelte van de Monumentenwet 1988 is daarmee opgegaan in de Erfgoedwet.
Een ander deel zal te zijner tijd opgaan in de Omgevingswet, maar bevindt zich nu nog in het overgangsrecht. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is dat roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten in de Erfgoedwet staan, terwijl de aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet komen. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die later naar de Omgevingswet gaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt (naar verwachting in 2022).
Beleidskaders De veranderende wetgeving in de afgelopen decennia heeft gezorgd voor decentralisatie, waarmee de verantwoordelijkheid voor het opstellen en handhaven van archeologiebeleid verschoven is naar de gemeentes. De gemeente Tilburg beschikt daarvoor in de eerste plaats over de Archeologische Waarderingskaart Tilburg (ArWaTi) uit 2003, die op basis van landschappelijke kenmerken de archeologische verwachting weergeeft en daarmee een signalerende functie heeft. De werking van de ArWaTi 2003 is toegelicht in een beleidsnota uit 2007.2 De ArWaTi 2003 is echter geen beleidskaart en heeft ook geen vrijstellingsgrenzen gekoppeld aan de verschillende verwachtingszones. Vanaf 2006 zijn door BILAN nieuwe verwachtingskaarten gemaakt, die nooit als een geheel zijn gepubliceerd. Deze kaarten zijn vaak opgenomen in de toelichting van bestemmingsplannen, waarin het geldende archeologiebeleid inclusief vrijstellingsgrenzen is vastgelegd. Daarmee is de ArWaTi 2003 in wezen verouderd geraakt en is het van belang om zowel de ArWaTi 2003 alsook het vigerende bestemmingsplan te raadplegen. Op de ArWati 2003 (Bijlage 1, figuur 1) ligt het plangebied in een zone met een zeer hoge verwachting.
In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom uit 2010 is de ‘Archeologische verwachtingskaart Zuidoost-Moerenburg’ opgenomen, waarop het plangebied in een zone met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting ligt. In deze zone gelden vrijstellingsgrenzen van
2
Gemeente Tilburg, 2007.
3
30/100 m2 en 50 cm -Mv.3 De in het plangebied voorziene bodemingrepen overschrijden de geldende vrijstellingsgrenzen. Derhalve geldt een onderzoeksplicht.
Juridisch-planologische kaders Om de koppeling met de ruimtelijke ordening te maken, worden de verwachtingen van archeologische beleidskaarten (al dan niet aangevuld of gewijzigd door recenter archeologisch onderzoek) juridischplanologisch ingebed, zowel op provinciaal niveau in inpassingsplannen, alsook op gemeentelijk niveau in bestemmingsplannen. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom (onherroepelijk 27-02-2010) kent het plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Omdat voor de planvorming een nieuw bestemmingsplan nodig is wordt de onderzoeksplicht dan in de regel bepaald op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart, niet op basis van het vigerende bestemmingsplan. Echter, aangezien de gemeente Tilburg niet over een archeologische beleidskaart sec beschikt, noch over een recente erfgoedverordening met vrijstellingsgrenzen, geldt alsnog het archeologiebeleid zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan (zie Beleidskaders hierboven). De in het plangebied voorziene bodemingrepen overschrijden de geldende vrijstellingsgrenzen. Derhalve geldt een onderzoeksplicht.
Procesmatige kaders Vanuit de archeologische beroepsgroep is in de afgelopen jaren continu gestreefd naar verbetering van het archeologische proces. Aan de basis hiervan ligt de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA stelt de eisen en randvoorwaarden aan de procesmatige kwaliteit van archeologisch onderzoek, wat bijdrage levert aan de borging van de inhoudelijke kwaliteit van het onderzoek. Dit bureauonderzoek is opgesteld aan de hand van de vigerende versie van de KNA (4.1), specifiek Protocol 4002 Bureauonderzoek en de daarin opgenomen specificaties LS01-LS06. Het hoofdstuk met cultuurhistorische informatie binnen dit bureauonderzoek (zie leeswijzer hierna) is opgesteld aan de hand van beschikbare historische bronnen, kaartmateriaal, ervaring en expert judgment. Na goedkeuring van het bureauonderzoek door de bevoegde overheid wordt het definitieve rapport digitaal gedeponeerd bij het e-depot van ARCHIS, conform specificatie DS05. Leeswijzer Het bureauonderzoek dat op deze inleiding volgt is opgedeeld in een aantal tekstuele hoofdstukken, die hieronder zijn weergegeven. Tussen haakjes is per hoofdstuk aangegeven welke specificatie(s) uit Protocol 4002 Bureauonderzoek van toepassing is/zijn. • • • • •
Locatie en planvorming (LS01, LS02, LS03); Landschappelijke informatie (LS04); Archeologische informatie (LS04); Cultuurhistorische informatie (LS04); Verwachtingsmodel, conclusie en advies (LS05, LS06).
In de lopende tekst van bovenstaande hoofdstukken wordt verwezen naar afbeeldingen. Deze zijn achteraan het bureauonderzoek opgenomen in bijlagen, die gekoppeld zijn aan de inleiding en gelijknamige hoofdstukken. 3 De 30 m2 geldt voor grondbewerkingen, de 100 m2 voor het ontgronden, afgraven en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur.
4
N.B. Een bureauonderzoek van Rubicon Erfgoed is letterlijk de verslaglegging van een lopend onderzoek, wat betekent dat informatie in eerdere hoofdstukken (zoals verwachte landschapselementen) door feiten in latere hoofdstukken (zoals archeologische waarnemingen) bevestigd, ontkracht of genuanceerd kunnen worden.
5
Locatie en planvorming Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied betreft de percelen, of delen daarvan, waarbinnen de toekomstige bodemingrepen zullen plaatsvinden. De plangebiedgrenzen zijn in dit geval gelijk aan de grenzen zoals verstrekt door de opdrachtgever. Het betreft het perceel dat kadastraal bekend staat als Berkel D 2451. In de gemeentelijke administratie staat het plangebied bekend als Streepstraat-West. De administratieve gegevens van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. Het onderzoeksgebied betreft wegens aanwezigheid van bekende archeologische waarden in de nabije omgeving een gebied met een straal van 500 m rond het plangebied (zie het hoofdstuk Archeologische informatie). De ligging van het plan- en het onderzoeksgebied op de topografische kaart en een recente luchtfoto zijn te zien in Bijlage 2 (figuren 2-3). Gegeven
Informatie
Toponiem
Streepweg tegenover 1-3
Plaats
Berkel-Enschot
Gemeente
Tilburg
Provincie
Noord-Brabant
Kaartblad
50F
Coördinaten (bounding box)
MIN: 137.798/398.172 MAX: 137.802/398.343 CNT: 137.750/398.257
Oppervlakte
Circa 9698 m2
Tabel 1: Gegevens plangebied.
Huidige situatie plangebied Het plangebied betreft een perceel aan de westzijde van de Streepstraat, net ten zuiden van de bebouwde kom van Berkel-Enschot en de Bosscheweg/N65 (verbinding tussen Tilburg en Den Bosch). Het plangebied ligt momenteel braak en is in gebruik als grasland. De huidige situatie van (de directe omgeving van) het plangebied op Google Streetview is afgebeeld in Bijlage 2 (figuren 4-5). In het Bodemloket is geen informatie opgenomen over uitgevoerde milieukundige onderzoeken in het plangebied. In de online raadpleegbare bodeminformatiekaart van de gemeente Tilburg staan evenmin milieukundige onderzoeken geregistreerd.4 Toekomstige situatie plangebied Het nieuwe bestemmingsplan voor het plangebied voorziet in de bouw van negen woningen. Daarbij worden volgens het schetsplan en het verkavelingsplan vijf woningen in het noorden van het plangebied 4
bodemloket.nl; tilburg.nazca4u.nl.
6
gesitueerd in een bosrijke omgeving. In het zuiden van het plangebied zijn vier woningen gepland, in meer open gebied. Het is nog niet bekend hoe diep de woningen zullen worden gefundeerd, maar naar verwachting zal dit minimaal 80 cm -Mv zijn (vorstvrije aanleg). Of de woningen onderkelderd zullen worden is evenmin bekend. Gelet op de geschetste omgevingsaanleg zal een nog onbekend aantal bomen worden geplant, waarbij tevens bodemverstoring zal optreden met nog onbekende diepte en omvang (Bijlage 2, figuren 6-7).
7
Landschappelijke informatie Inleiding landschappelijke informatie De archeologische verwachting van een plangebied is in de eerste plaats afhankelijk van de bewoningsmogelijkheden van het landschap. Op basis van informatie over de geologie (diepere ondergrond), geomorfologie (landschapsvormen), bodem (bodemvorming- en types) en de grondwaterstand kunnen de bewoningsmogelijkheden in en rond een plangebied in kaart worden gebracht. Beknopte landschapsontwikkeling5 Eén van de belangrijkste vestigingsfactoren tot in de Middeleeuwen was de aanwezigheid van natuurlijk voorkomende hoge – en dus droge – delen in het landschap. In de omgeving van het plangebied waren dat de oevers van actieve waterlopen en de drooggevallen beddingen van waterlopen waarvan de sedimentatie is gestopt. Berkel-Enschot ligt in het Brabants zandgebied, ook wel het zuidelijk zandgebied genoemd. Het is een relatief vlak gebied dat nooit door het landijs bedekt is geweest en dat wordt gekenmerkt door het weid verbreid voorkomen van dekzand. Dit dekzand is tijdens de laatste ijstijden, het Saalien en Weichselien, door de wind als een soort deken afgezet over de regio toen het zo koud was dat in ons land sprake was van een poolwoestijn: het zand werd uit drooggevallen zeeën en rivieren geblazen, om elders weer terecht te komen.
Daarbij ontstond een geaccidenteerd landschap, met dekzandvlaktes, -welvingen, kopjes en -ruggen. De hogere en drogere delen die hierdoor ontstonden waren geliefde bewoningslocaties in het verleden. De dekzandpakketten worden soms gescheiden door een veenlaag uit het Eemien, een warmere periode tussen beide genoemde ijstijden oftewel een interglaciaal. Echter, er zijn ook veenlagen uit glaciale perioden bekend. Door dit verschil in datering van de veenlagen zijn de dekzandpakketten moeilijk van elkaar te scheiden en worden ze samen tot de Formatie van Boxtel gerekend. Toen het klimaat in de laatste circa 11.700 jaar weer verbeterde, in wat we het Holoceen noemen, ging er op een gegeven moment weer voldoende vegetatie groeien om het zand ‘vast te houden’, waarmee de basis voor het tegenwoordige Brabantse landschap werd gelegd. De zanden uit de ijstijden dekken in Brabant oudere rivierafzettingen van Rijn, Maas en Schelde uit het Vroeg- en Midden-Pleistoceen af, zoals de Formatie van Sterksel. Het Brabantse landschap werd en wordt door allerlei beken doorsneden, zoals de Nieuwe Leij/Voorste Stroom op circa 1,2 km ten zuiden van het plangebied. De beekdalen zijn over het algemeen ingesneden tot in de kleilagen onder het dekzand.
De invloed van de mens op de geschiedenis van het Brabants zandgebied laat zich onder andere kennen door de aanwezigheid van zogeheten plaggendekken en essen. Door vanaf de Middeleeuwen de zandgronden op te hogen door middel van plaggenbemesting, ontstonden vruchtbaardere gronden. De middelhoge zandgronden waren door hun gunstige waterhuishouding hiervoor ideaal; hogere gronden waren veelal te droog, lagere gronden te nat. Deze plaggendekken zijn in de loop der eeuwen tot soms wel een meter opgehoogd. Onder deze buffer bevindt zich het oorspronkelijke, natuurlijke bodemprofiel. Plaggendekken kunnen dan ook vindplaatsen uit het verleden afgedekt hebben, waardoor deze in meer of mindere mate beschermd zijn gebleven tegen ploegwerkzaamheden en andere bodemingrepen. In de bodemkundige classificatie worden plaggenbodems enkeerdgronden genoemd wanneer de
5
De Mulder e.a., 2003; Van Zijverden en De Moor, 2014; Stouthamer e.a., 2015.
8
cultuurgrond dikker is dan 50 cm. De termen ‘plaggendek’ en ‘es’ worden vaak door elkaar gebruikt, maar kennen elk een eigen genese en ouderdom. Er is zeker overlap, maar niet in alle gevallen. Paleogeografie Op de paleogeografische kaarten in Bijlage 3 (figuren 8-9)6 is in grote lijnen de landschappelijke ontwikkeling te volgen van het plangebied en haar omgeving, over een periode van 11.000 jaren. De pleistocene situatie laat zien dat het plangebied destijds in relatief hooggelegen zandgebied lag (boven 0 m NAP, ten westen van een aantal beekdalen. In de navolgende situaties is te zien dat ter hoogte van het breedste beekdal ten zuiden van het plangebied – ter plaatse van de huidige Nieuwe Leij/Voorste Stroom – veen gaat groeien. Dit is het gevolg van stagnerende waterafvoer in het noordelijker gelegen rivierengebied, waarvan de waterlopen in Brabant een wijdvertakt uitvloeisel zijn. Omdat het landschap waarin het plangebied relatief hooggelegen is, blijft de verbreiding van het veen echter beperkt. Tussen 800-1250 na Chr. slinkt het veen weer. Op het kaartbeeld van 1850 na Chr. is het veen verdwenen, maar zijn tussen de beekdalen in het zuidwesten enkele stuifzandgebieden te zien. Deze resteren in de huidige periode, waar het plangebied te vinden is tussen de bebouwde kommen van Berkel-Enschot, Tilburg en Oisterwijk.
Geologie Volgens de geologische kaart van 2021 ligt het plangebied ter plaatse van afzettingen behorende tot de Formatie van Boxtel (BX4), ongedifferentieerd of toe te wijzen aan het Laagpakket van Wierden, oftewel dekzand en overige periglaciale afzettingen.7 Vervolgens is gekeken naar geologische boringen in of nabij het plangebied om dit te nuanceren.8 Iets ten zuiden van het plangebied is een dergelijke boring gezet, met daarin de volgende bodemopbouw: Diepte
Lithostratigrafie
Lithologie
Ouderdom
12,4 m – 11,6 m
Niet formeel ingedeelde afzettingen of onbekend
Zand
Pleistoceen/Holoceen
11,6 m – 10,9 m
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Liempde
Leem
Laat-Pleistoceen
10,9 m – 9,4 m
Formatie van Boxtel
Zand
Pleistoceen
Tabel 2: Gegevens geologische eenheden boring B50F1273.
De beschreven geologische boring laat een opbouw zien van onbekende zandige afzettingen, bovenop leem uit de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Liempde) met daaronder zand uit dezelfde Formatie. Het leem in kwestie is wat voorheen Brabantse leem werd genoemd, ontstaan in het Weichselien door het bezinken van door de wind gedeponeerde löss in water. In deze afzettingen worden veelal wateren landgebonden mollusken gevonden die gedijden in een subarctisch klimaat, waarbij eerstgenoemde indicatief zijn voor ondiepe plassen stilstaand water die in de winter dichtvroren en laatstgenoemde een 6
Dataset nationaalgeoregister.nl, op basis van kaarten ontleend aan Vos e.a., 2018. dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 8 dinoloket.nl/ondergrondgegevens; boring B50F1273, coördinaten 137.790/398.160, maaiveld 12,4 m NAP. 7
9
boomloos landschap schetsen met kruiden en grassen.9 Met dit in gedachten is het zandige pakket bovenop de leem waarschijnlijk dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden), terwijl het zandige pakket mogelijk ouder dekzand betreft. De top van het pleistocene oppervlak (Bijlage 3, figuur 10) ligt tegenwoordig in het bereik van 10-20 m NAP.10 Dit strookt met de verwachting dat afzettingen van de Formatie van Boxtel vanaf het maaiveld aangetroffen kunnen worden. Geomorfologie Op de geomorfologische kaart van 2019 (Bijlage 3, figuur 11)11 ligt het plangebied ter plaatse van een dekzandrug (B53). Dekzandruggen zijn terreinverheffingen met flauwe hellingen, die grotendeels onder arctische omstandigheden in het Weichselien door de wind zijn gevormd. Veel dekzandruggen hebben een langgerekte vorm (lengteduinen) met een zuidwest-noordoost oriëntatie. Een voorbeeld daarvan zijn de dekzandruggen in de Gelderse Vallei. In andere gevallen is er een duidelijke paraboolvorm zichtbaar zoals bijvoorbeeld in Salland of Drenthe. De hoogte van de rug bepaalt het verschil tussen een dekzandrug en een dekzandwelving (B54). De lagere dekzandwelvingen zijn vaak deels bedekt door jongere afzettingen.12 Op nog geen kilometer ten zuidoosten van het plangebied is de beekdalbodem (R42) van de Nieuwe Leij/Voorste Stroom te zien.
Het verschil in reliëf in het plan- en onderzoeksgebied is te zien op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).13 In Bijlage 3 (figuur 12) is ten eerste een uitgezoomd kaartbeeld te zien, waarop zowel de dekzandrug waar het plangebied op is gesitueerd alsook het beekdal ten zuidwesten goed te zien zijn. De insert toont een focus op het plangebied met andere verschaling, waardoor het microreliëf ter plaatse duidelijk wordt. Hieruit blijkt dat het maaiveld binnen het plangebied langs de Streepstraat en in het noorden van het terrein wat lager ligt, wat zowel natuurlijke alsook antropogene oorzaken kan hebben (of een combinatie van beide). De maaiveldhoogte varieert van 12,1 m tot 12,4 m NAP. Bodem Op de bodemkaart van 2021 (Bijlage 3, figuur 13)14 is de bodem binnen het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand (zEZ23). Zoals al besproken in de beknopte landschapsontwikkeling zijn deze gronden ontstaan door het ophogen van de bestaande zandgronden, bij de zwarte variant (er zijn ook bruine) voornamelijk met heideplaggen.
Er wordt gesproken van een hoge enkeerdgrond als het plaggendek minimaal 50 cm dik is.15 Ook op de paleogeografische kaart van de gemeente Tilburg is te zien dat het ter plaatse om enkeerdgronden gaat (Bijlage 3, figuur 14).16 Deze kaart toont tevens de ligging van het plangebied op een (dekzand)rug, met leem binnen 120 cm -Mv, wat overeenstemt met de geomorfologische kaart en de beschreven geologische boring.
9
Meijer, 2011. nationaalgeoregister.nl. 11 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 12 legendageomorfologie.wur.nl. 13 ahn.arcgisonline.nl. 14 dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 15 De Bakker, 1966. 16 Heunks, 2013. 10
10
Grondwater De grondwaterstand en de fluctuaties daarin hebben effect op zowel de aantrekkelijkheid van bodems voor bewoning/gebruik, alsook op de conservering van archeologische resten in die bodems. De grondwaterstand wordt in twee uitersten ten opzichte van maaiveld gemeten: de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). Boven de GHG blijven onverbrande organische resten, zoals begraven botmateriaal, hout, leer of textiel, in het zandgebied meestal niet tot nauwelijks bewaard – uitzonderingen zijn in waterputten en onderin diep ingegraven sporen. Boven de GHG resteren vrijwel alleen verbrande organische resten (bijvoorbeeld crematieresten en houtskool) en anorganische resten, zoals aardewerk en vuur-/natuursteen. In het rivierengebied gaat deze redenering echter minder goed tot niet op, afhankelijk van de situatie ter plaatse. Volgens de grondwaterspiegeldieptekaart van 2021 is de grondwatertrap in het plangebied VIIIo (GHG 140 cm Mv, GLG 120-180 cm -Mv).17 Conclusie landschappelijke informatie Op basis van de informatie die in dit hoofdstuk is verzameld is duidelijk geworden dat het plangebied is een regio ligt die sinds het Pleistoceen weinig is veranderd, daar waar het de zandgronden betreft. In de nabijgelegen beekdalen is op den duur wel veen gaan groeien, maar dat heeft nooit een aanzienlijke omvang bereikt.
Wel is te stellen dat het plangebied in een hoge, droge omgeving lag met stromend water op relatief korte afstand, wat zeker voor prehistorische mensen gunstige vestigingsfactoren waren.
17
dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
11
Archeologische informatie Inleiding archeologische informatie De archeologische verwachting van een plangebied wordt naast het landschap mede bepaald door de daadwerkelijk vastgestelde bewoningsgeschiedenis. Eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken, terreinen van archeologische waarde (monumenten) en archeologische vondstmeldingen in de omgeving kunnen de verwachting nader specificeren en soms zelfs informatie verschaffen over de mogelijke diepteligging en conserveringsgraad van archeologische resten in het plangebied. Periode
Deel-/subperiode
Afkorting
Alternatieve periode
Van
Tot
Nieuwe Tijd
Nieuwe Tijd C
NTC
Late Nieuwe Tijd
1850 na Chr.
heden
Nieuwe Tijd B
NTB
Midden-Nieuwe Tijd
1650 na Chr.
1850 na Chr.
Nieuwe Tijd A
NTA
Vroege Nieuwe Tijd
1500 na Chr.
1650 na Chr.
Late Middeleeuwen B
LMEB
Late Middeleeuwen
1250 na Chr.
1500 na Chr.
Late Middeleeuwen A
LMEA
Volle Middeleeuwen
1050 na Chr.
1250 na Chr.
Vroege Middeleeuwen D
VMED
Ottoonse Tijd
900 na Chr.
1050 na Chr.
Vroege Middeleeuwen C
VMEC
Karolingische Tijd
725 na Chr.
900 na Chr.
Vroege Middeleeuwen B
VMEB
Merovingische Tijd
525 na Chr.
725 na Chr.
Vroege Middeleeuwen A
VMEA
Merovingische Tijd
450 na Chr.
525 na Chr.
Laat-Romeinse Tijd B
ROMLB
350 na Chr.
450 na Chr.
Laat-Romeinse Tijd A
ROMLA
270 na Chr.
350 na Chr.
Midden-Romeinse Tijd B
ROMMB
150 na Chr.
270 na Chr.
Midden-Romeinse Tijd A
ROMMA
70 na Chr.
150 na Chr.
Vroeg-Romeinse Tijd B
ROMVB
25 na Chr.
70 na Chr.
Vroeg-Romeinse Tijd A
ROMVA
12 voor Chr.
25 na Chr.
Late IJzertijd
IJZL
250 voor Chr.
12 voor Chr.
Midden-IJzertijd
IJZM
500 voor Chr.
250 voor Chr.
Vroege IJzertijd
IJZV
800 voor Chr.
500 voor Chr.
Late Bronstijd
BRONSL
1100 voor Chr.
800 voor Chr.
Midden-Bronstijd B
BRONSMB
1500 voor Chr.
1100 voor Chr.
Midden-Bronstijd A
BRONSMA
1800 voor Chr.
1500 voor Chr.
Vroege Bronstijd
BRONSV
2000 voor Chr.
1800 voor Chr.
Laat-Neolithicum B
NEOLB
2450 voor Chr.
2000 voor Chr.
Laat-Neolithicum A
NEOLA
2850 voor Chr.
2450 voor Chr.
Midden-Neolithicum B
NEOMB
3400 voor Chr.
2850 voor Chr.
Midden-Neolithicum A
NEOMA
4200 voor Chr.
3400 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum B
NEOVB
4900 voor Chr.
4200 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum A
NEOVA
5300 voor Chr.
4900 voor Chr.
Laat-Mesolithicum
MESOL
6450 voor Chr.
4900 voor Chr.
Midden-Mesolithicum
MESOM
7100 voor Chr.
6450 voor Chr.
Vroeg-Mesolithicum
MESOV
8800 voor Chr.
7100 voor Chr.
Laat-Paleolithicum B
PALEOLB
18.000 BP
8.800 voor Chr.
Laat-Paleolithicum A
PALEOLA
35.000 BP
18.000 BP
Midden-Paleolithicum
PALEOM
300.000 BP
35.000 BP
Vroeg-Paleolithicum
PALEOV
-
300.000 BP
Middeleeuwen
Romeinse Tijd
IJzertijd
Bronstijd
Neolithicum
Mesolithicum
Paleolithicum
Tabel 3: Indeling archeologische periodes in Nederland (bron: Archeologisch Basis Register).
12
Archeologische verwachting op provinciaal niveau De provincie Noord-Brabant beschikt over een eigen cultuurhistorische waardenkaart (CHW), waarop het provinciaal belang cultuurhistorie wordt belicht in termen van regio's, complexen van cultuurhistorisch belang, archeologische landschappen, cultuurhistorische vlakken en cultuurhistorische landschappen.18 Het plangebied ligt in de Meijerij, een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang (REME). De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Daarnaast ligt het plangebied op de dekzandrug Tilburg-Den Bosch, een archeologisch landschap van provinciaal cultuurhistorisch belang (ALS18). Het gebied loopt van Goirle tot Vught en heeft een langgerekte vorm. Het gebied herbergt relatief veel middelgrote woonkernen. Naast beide hiervoor genoemde plaatsen zijn dat Haaren, Oisterwijk, Berkel-Enschot, Udenhout en Helvoirt.
Rondom de bebouwde kommen is voornamelijk landbouwgrond aanwezig. Door het gebied lopen verschillende snelwegen (A58, A65) en spoorlijnen. Landschap 18 is opgebouwd uit de beekdalen van de Leij en de Essche Stroom en de hoger gelegen dekzandruggen ten noordwesten daarvan. De begrenzing bij Den Bosch in het noorden wordt gevormd door het riviertje de Dommel vanaf de plaats waar de Essche Stroom hierin uitmondt. In het noordwesten wordt het landschap begrensd door de Zandleij en haar zijbeken. Een groot deel van de dekzandruggen tussen Goirle en Helvoirt is bedekt met plaggendekken (oude bouwlanden). Verder komen tussen Vught en Helvoirt enkele kleinere stuifzandcomplexen voor. Dit landschap kenmerkt zich door een gemiddelde dichtheid aan Archis-waarnemingen en een meer dan gemiddeld AMK-bestand. Sprekend voorbeeld van dit laatste is de gemiddelde omvang van de AMKterreinen, die meer dan 60 ha bedraagt. Als we naar de chronologische verdeling van de waarnemingen en terreinen kijken, dan valt in beide gevallen op dat de oudere perioden verhoudingsgewijs iets lager dan gemiddeld scoren en de jongere perioden juist iets hoger dan gemiddeld. Romeinse en laatmiddeleeuwse terreinen en waarnemingen overheersen. Opvallend is ook het verhoudingsgewijs grote aantal vroegmiddeleeuwse vindplaatsen. De Archis-waarnemingen dekken het gehele spectrum aan complextypen af.
Bij de AMK-terreinen zijn nederzettingen en begravingen oververtegenwoordigd en ontbreken de andere complextypen vrijwel geheel. Vanwege het verhoudingsgewijs grote areaal aan oude bouwlanden (circa 50% van oppervlak) is de kans op goed geconserveerde archeologische waarden bijzonder hoog. Archeologische verwachting op gemeentelijk niveau Op de ArWati 2003 (Bijlage 1, figuur 1) ligt het plangebied in een zone met een zeer hoge verwachting. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom uit 2010 is de ‘Archeologische verwachtingskaart Zuidoost-Moerenburg’ opgenomen, waarop het plangebied in een zone met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting ligt.
18
noord-brabant.maps.arcgis.com.
13
Archeologische monumenten Binnen het onderzoeksgebied staan geen archeologische monumenten geregistreerd in ARCHIS3 (Bijlage 4, figuur 15). Archeologische vondstmeldingen Er zijn binnen het onderzoeksgebied zes archeologische vondstmeldingen (vondsten gedaan buiten formele onderzoeksmeldingen, uitgezonderd ouder onderzoek dat met terugwerkende kracht is aangemeld) geregistreerd in ARCHIS3 (Bijlage 4, figuur 15). ZaakID
Periode
Toponiem en omschrijving
2769742100
IJZ-LMEA
Berkel-Enschot: vondst van zes handgevormde (IJZ) en dertien gedraaide (ROM-LMEA) fragmenten aardewerk. Aangetroffen bij niet-archeologisch graafwerk.
2788380100
MESO-LMEA
Oude Toren: vondst van een vuurstenen schrabber (MESO), twee handgevormde (IJZ) en minimaal drie gedraaide (VMEC-LEMA) fragmenten aardewerk en een onbekend aantal fragmenten tufsteen (LMEA). Aangetroffen bij niet-archeologisch graafwerk.
2815247100
VMEC-VMED
Oude Toren: vondst van twee gedraaide (VMEC-VMED) fragmenten aardewerk. Aangetroffen bij niet-archeologisch graafwerk.
2957962100
BRONSL-ROM
Enschotse Akkers: vondst van een onbekend aantal handgevormde (BRONSL-ROM) fragmenten aardewerk. Verwervingswijze niet te bepalen.
3133414100
IJZ-NTA
Kerkhof: vondst van twee handgevormde (IJZ) en een onbekend aantal gedraaide (VMECLMEB) fragmenten aardewerk, een onbekend aantal fragmenten tufsteen (ME), een onbekend aantal ijzerslakken (ME) en vier metalen munten (LMEB-NTA). Aangetroffen bij niet-archeologisch graafwerk.
3220181100
PALEO-NTC
Oude Toren: vondst van een handgevormd (NEOV-NTC) fragment aardewerk, een messing munt (NTA) en een fragment bot (PALEO-NTC). Verwervingswijze niet te bepalen.
Tabel 4: Vondstmeldingen in het onderzoeksgebied.
Vijf van de zes vondstmeldingen binnen 500 m rond het plangebied zijn gedaan ten noorden ervan, binnen de bebouwde kom van Berkel-Enschot. Eén melding, ter plaatse van de Enschotse Akkers (de oorspronkelijke benaming voor het gebied waar ook het plangebied toe behoort), is juist ten zuiden ervan geregistreerd nabij de kruising van de Streepstraat met de Spoordijk. Het gaat voornamelijk om fragmenten aardewerk, zowel handgevormd alsook gedraaid. De fragmenten tufsteen zijn niet verrassend, gezien hun vondstlocatie bij de Oude Toren en het kerkhof. Een vuurstenen schrabber bij de toren is de oudste vondst uit het onderzoeksgebied, met een mesolithische datering. Archeologische onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied staat in ARCHIS3 27 onderzoeksmeldingen geregistreerd (Bijlage 4, figuur 15).
14
ZaakID
Toponiem
Verwerving
Jaar
2043008100
Enschotsebaan
archeologisch: boring
2003
2120663100
Enschotsebaan
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2006
2143327100
Noordoosttangent
archeologisch: boring
1994
2143935100
Korenbloemstraat
archeologisch: (veld)kartering
1998
2156555100
Kom
archeologisch: bureauonderzoek
2007
2164047100
Burgemeester Starimanslaan
archeologisch: boring
2007
2232792100
Enschotsebaan-Zuid
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2009
2259700100
Bosscheweg 84
archeologisch: boring
2009
2267241100
Enschotsebaan-Zuid
archeologisch: opgraving
2009
2290180100
Dijkweg
archeologisch: boring
2010
2392110100
Streepstraat
archeologisch: boring
2012
2405127100
Streepstraat
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2013
2439407100
Streepstraat
archeologisch: boring
2014
2448414100
Bosscheweg 57
archeologisch: boring
2015
2485172100
Bosscheweg
archeologisch: bureauonderzoek
2015
2683711100
Bosscheweg 77
archeologisch: bureauonderzoek
2015
3982960100
Streepstraat
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2016
3983251100
Bosscheweg 57
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2016
3995548100
Bosscheweg
archeologisch: boring
2016
3998189100
Streepstraat
archeologisch: opgraving
2016
4547295100
Kerkstraat/Klaproosstraat 2a
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2017
4613682100
Kerkstraat 16
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2018
15
4648983100
Bosscheweg 33
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2018
4656759100
Bosscheweg 33
archeologisch: opgraving
2018
4678459100
Streepstraat 1a
archeologisch: opgraving
2019
4679796100
Enschotsebaan-Zuid 3
archeologisch: bureauonderzoek
2019
4749317100
Enschotsebaan-Zuid 3
archeologisch: proefputten/proefsleuven
2019
Tabel 5: Onderzoeksmeldingen in het plangebied.
Kijkend naar de lijst met onderzoeksmeldingen valt gelijk op dat er aan en rond de Streepstraat al behoorlijk veel archeologisch onderzoek is uitgevoerd, waaronder meerdere proefsleuvenonderzoeken en opgravingen. Tezamen geven de resultaten van die onderzoeken vooral een goed beeld van de bewoning in dit gebied tijdens de Vroege en Late Middeleeuwen. Zo werden aan de Bosscheweg 57 – ‘De Lange Akker’, een kleine 60 m ten westen van het plangebied – tijdens proefsleuvenonderzoek en de daaropvolgende doorstart naar een opgraving drie bewoningsfasen onderscheiden: drie opeenvolgende huizen dateerden uit de periode 600-750 na Chr., een nagenoeg compleet erf en diens nauwelijks bewaard gebleven opvolger (enkel een waterput resteerde) uit de periode 950-1050 na Chr. en een mogelijk hallehuis uit de Late Middeleeuwen.19 Aan de Streepstraat 11-13, circa 90 m ten zuidoosten van het plangebied, werd met sleuven en een opgraving een opeenvolging van structuren ontdekt: twaalf grotere structuren (huizen en bijgebouwen), vijf structuren bestaande uit enkel een palenrij, verschillende spiekers en vier waterputten.
De meeste hiervan dateren uit de Vroege Middeleeuwen A/B (de Merovingische periode), maar de vijf palenrijen werden op basis van elders in het opgravingsgebied aangetroffen vondstmateriaal voorzichtig gedateerd in de periode Bronstijd – Vroege IJzertijd.20 Naast de hierboven beschreven site ‘Streepstraat-Zuid’, is er ook een ‘Streepstraat-Noord.’ Dit is de vindplaats die direct aan de overzijde van de weg, tegenover het plangebied, werd opgegraven aan de Streepstraat 1-3. Het onderzoek daar bracht niet alleen aardewerk uit het Neolithicum aan het licht, maar ook middeleeuwse plattegronden van negen zekere huizen, twee mogelijke huizen, vier bijgebouwen, een waterput, een waterkuil en negen greppels uit de Merovingische en de Karolingische Tijd (tot het midden van de 11e eeuw). Mogelijk was er sprake van twee erven, waarvan één wellicht omgreppeld was. Het middeleeuwse maaiveld werd middels vlakmetingen vastgesteld op 11,5-11,8 m NAP, ruwweg 20 cm boven de onderkant van het daar aanwezige plaggendek. Een hypothetische fasering van de middeleeuwse bewoning hier is weergegeven in Bijlage 4, figuur 16.21 Gelet op de oriëntatie van de middeleeuwse bewoning op de vindplaatsen Streepstraat-Noord en Streepstraat-Zuid op de Streepstraat zelf, wordt de kans groot geacht dat ter plaatse van de huidige straat in de Middeleeuwen al een pad liep. 19
Alma e.a., 2021. Jezeer, 2019. 21 Huijbers, 2018. 20
16
Conclusie archeologische informatie Met ettelijke nederzettingssporen uit de Middeleeuwen aan weerszijden van de Streepstraat én aanwijzingen voor bewoning/activiteit in het Neolithicum en de periode Bronstijd – Vroege IJzertijd is de verwachting op vergelijkbare en mogelijk met de reeds bekende vindplaatsen samenhangende archeologische resten in onderhavig plangebied, afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem ter plaatse, dan ook zonder meer zeer hoog te noemen.
17
Cultuurhistorische informatie Inleiding cultuurhistorische informatie De cultuurhistorische ontwikkeling in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd kan van grote invloed zijn op het specificeren van de archeologische verwachting in het plangebied. Niet alleen gaat het om dynamische archeologische perioden, maar bebouwing en landschapsingrepen zoals ontginningen en ruilverkavelingen kunnen voor (soms grootschalige) bodemverstoringen hebben gezorgd. Hierdoor kan de verwachting op archeologische waarden uit eerdere perioden dan de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd mogelijk lager worden. Echter, er werd vanaf de Middeleeuwen ook veelvuldig gebouwd en vele cultuurhistorische relicten zijn met bewoning en activiteit in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd in verband te brengen, waardoor de archeologische verwachting voor deze specifieke periode juist hoger kan worden. Beknopte lokale en regionale geschiedenis De dorpen Berkel, Enschot en Heukelom ontstonden in de Vroege Middeleeuwen. Ze behoorden tot de heerlijkheid Tilburg, totdat deze in het begin van de 13e eeuw in het bezit kwam van de hertog van Brabant. Kerkelijk vielen Berkel, Heukelom en ook Udenhout onder de parochie Oisterwijk. Enschot en Tilburg hadden beide een eigen parochie, maar ze werden vanaf de 14e eeuw bediend door dezelfde pastoor, die op Huize Moerenburg woonde.
Mogelijk was de Sint Michielskerk van Enschot de moederkerk van die te Tilburg. De Oude Toren is het enige dat er nog van resteert, want als gevolg van langdurige verwaarlozing door de protestanten moest de kerk in 1839 gesloopt worden. Op de plaats van de Enschotse schuurkerk verrees in 1898 de Sint Caeciliakerk (Sint Job). In Berkel stond vanaf de Middeleeuwen op de plaats van de huidige kerk een aan Sint Willibrord gewijde kapel. Heukelom, bestaande uit de buurtschappen Hoog en Laag Heukelom, heeft nooit een eigen kerk of kapel gehad. Tot aan de Franse tijd waren Berkel, Enschot en Heukelom voor juridische aangelegenheden aangewezen op de schepenbank van Oisterwijk, maar bestuurlijk waren het drie zelfstandige dorpen. In 1811 werden ze samengevoegd tot één gemeente, die aanvankelijk Enschot heette, maar vanaf rond 1850 Berkel c.a. (cum annexis) werd genoemd. Berkel-Enschot was altijd in hoofdzaak een agrarische gemeente. Wel werden er stenen gebakken in veldovens, en van 1897 tot 1931 was er een steenfabriek in Berkel. Op dezelfde werd in 1960 de fabriek van Jurgens Textiel gevestigd. Van 1898 tot 1938 was er een station aan de spoorlijn Tilburg-Den Bosch. In 1941 ontstond de naam Berkel-Enschot. Vanaf omstreeks 1960 nam de bevolking van Berkel-Enschot sterk toe, deels door migratie vanuit Tilburg.
Berkel-Enschot behoort sinds 1997 tot de gemeente Tilburg, met uitzondering van Heukelom, dat naar Oisterwijk ging.22 Wat betreft de oorlogsgeschiedenis kunnen in en rond het plangebied resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. Deze verwachting geldt voor heel Nederland, daar waar geen sprake is van bijzondere locaties. Er zijn geen inslaglocaties van V1- of V2-raketten bekend in het onderzoeksgebied.23
22 23
wikimiddenbrabant.nl/Berkel-Enschot. ikme.nl; vergeltungswaffen.nl.
18
Historisch kaartmateriaal De ontwikkeling van een plan- en onderzoeksgebied is te volgen op historisch kaartmateriaal, zoals kadastrale minuutplannen en topografische (militaire) kaarten, maar soms ook oudere bronnen, zeker daar waar het om historische stadskernen gaat. Uit het begin van de 19e eeuw (1811-1832) hebben we de kadastrale verzamelplannen, alsook de meer gedetailleerde minuutplannen en hun bijbehorende Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel (OAT), die een gedetailleerd beeld van bebouwing en eigendomssituatie van percelen geeft. Op het minuutplan Berkel, Enschot en Heukelom, Noord Brabant, sectie D, blad 01 (MIN10016D01) staat het plangebied weergegeven.24 Volgens de OAT waren de betreffende percelen 67 en 68 destijds in gebruik als bouwland, onderdeel van de Enschotse Akkers ten zuiden van de kern Enschot. De Streepstraat is in deze periode al aanwezig, als ‘Het Streepstraatje’, wat dan reeds een verbindingsweg is tussen drie parallel aan elkaar liggende routes: de ‘Groote Weg van Tilburg naar ’s Bosch’ (tegenwoordig de Bossscheweg), het ‘voetpad van Tilburg naar Oisterwijk’ (tegenwoordig tot aan de Streepstraat nog altijd voetpad) en de ‘Lage Baan van Tilburg naar Oisterwijk’ (tegenwoordig de Oisterwijksebaan).
In wezen is het ruimtelijk weefsel van de omgeving van het plangebied, inclusief de infrastructuur, heden ten dage niet bijster anders dan in de vroege 19e eeuw. Gelet op de eerder behaalde archeologische onderzoeksresultaten aan de Streepstraat is het goed mogelijk dat ‘Het Streepstraatje’ al eeuwen min of meer dit tracé heeft gevolgd, wellicht tot in de Middeleeuwen aan toe. In de decennia die volgen ontwikkelde de omgeving van het plangebied zich zeer geleidelijk. Op het kaartbeeld van 1900 is de spoorlijn aangelegd, tussen het voetpad en de weg naar Oisterwijk. Ter plaatse van het plangebied stond tot op heden geen bebouwing, afgaande op het kaartmateriaal. Het kaartbeeld van 1950 toont ten oosten van het plangebied ‘De Lange Akker’, een rijksmonumentale villa die in 1921 is gebouwd naar een ontwerp van architect F.A. Warners25, op naar we nu weten een site met middeleeuwse bewoningsresten (Bosscheweg 57, zie vorig hoofdstuk). Zowel aan de Bosscheweg en de Streepstraat verschijnt bebouwing, wat op het kaartbeeld van 2000 nog iets in aantal is toegenomen. In het plangebied zelf heeft blijkens de bestudeerde kaartbeelden nooit bebouwing gestaan. De genoemde kaarten zijn weergegeven in Bijlage 5, figuren 17-21.
Conclusie cultuurhistorische informatie Uit de lokale/regionale geschiedenis en het geraadpleegde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied zich bevindt op de Enschotse Akkers, te midden van een agrarisch landschap met infrastructuur die minimaal tot in de 19e eeuw teruggaat. Het plangebied is al die tijd onbebouwd gebleven.
24 25
beeldbank.cultureelerfgoed.nl. monumententilburg.nl/monumenten/villa-de-lange-akker.
19
Verwachtingsmodel, conclusie en advies Verwachtingsmodel Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied een lage verwachting geldt voor alle periodes. Deze verwachting is gebaseerd op de bewonings- en gebruiks(on)mogelijkheden die het landschap bood, specifiek met betrekking tot de ligging in een dekzandgebied, het verdrinken van dit landschap in de latere prehistorie, het ontbreken van bekende archeologische waarden in het onderzoeksgebied en de ligging van het plangebied in een veen(heide)gebied dat in de Nieuwe Tijd werd ontgonnen en bebouwd raakte – maar niet in het plangebied zelf.
Stratigrafische positie en prospectiekenmerken Op basis van beschouwde gegevens over de landschapsgenese wordt verwacht dat de bodemopbouw voornamelijk bestaat uit eolische/periglaciale afzettingen behorende tot de Formatie van Boxtel, al dan niet het daarbinnen te onderscheiden Laagpakket van Wierden. Het primaire archeologische niveau wordt gevormd door de top van het pleistocene niveau, dat wil zeggen van het dekzand, dat reeds vanaf maaiveld aangetroffen kan worden. Blijkens eerder archeologisch onderzoek aan de Streepstraat lag daar het middeleeuwse niveau op 11,5-11,8 m NAP. De maaiveldhoogte in het plangebied varieert van 12,1 m tot 12,4 m NAP, wat betekent dat het middeleeuwse niveau op circa 30-90 cm -Mv aangetroffen zou kunnen worden.
Archeologische indicatoren en complextypen In het plangebied worden voornamelijk resten van bewoning en landinrichting verwacht, alhoewel begravingen niet uit te sluiten zijn. Nederzettingen uit de Steentijd manifesteren zich voornamelijk als vondstconcentraties en –strooiingen van vuursteen, maar kunnen zich ook manifesteren als grondsporen (met name haardkuilen). Vanaf het Neolithicum kunnen daarbij (meer) grondsporen en concentraties aardewerk worden aangetroffen. Archeologisch relevante ophogingslagen uit de Middeleeuwen, al dan niet met vondstmateriaal, alsook grondsporen van (uit hout opgetrokken) bebouwing en erfgerelateerde structuren als waterputten uit de periode Middeleeuwen, worden met name verwacht. Uit alle perioden kunnen daarnaast losse vondsten of sporen worden aangetroffen, die verband houden met tijdelijk landgebruik of eenmalige activiteiten.
Beperkingen Sporen van kortstondige bewoning kenmerken zich door (kleinschalige) grondsporen in plaats van door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Derhalve kan over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen enkel een verwachting worden uitgesproken op basis van inzicht in de opbouw en de mate van intactheid van de bodem.
Confrontatie verwachtingsmodel met geplande bodemingrepen en bekende verstoringen In het plangebied zijn bodemingrepen gepland, die waarschijnlijk tot minimaal circa 80 cm -Mv zullen reiken. Daarmee zal verstoring plaatsvinden van het primaire archeologische niveau, mocht dit nog intact aanwezig zijn. Het is niet bekend of en in welke mate er reeds sprake is van bodemverstoring ter plaatse.
20
De samenvatting van het verwachtingsmodel is aldus:
Datering
Laat-Paleolithicum – Romeinse Tijd (middelhoge verwachting) Middeleeuwen (hoge verwachting) Nieuwe Tijd (middelhoge verwachting)
Complextype
Nederzetting, landinrichting, begraving
Omvang
500-2000 m2 (huisplaatsen)
Diepteligging
Vanaf circa 30 cm -Mv
Gaafheid en conservering
Waarschijnlijk slechte conservering van onverbrand organisch materiaal, gelet op naar verwachting lage grondwaterstand (met uitzondering van diep ingegraven sporen zoals waterputten)
Locatie
Gehele plangebied, indien intact
Uiterlijke kenmerken
Sporenvlak, vondstmateriaal (strooiingen en/of concentraties)
Mogelijke verstoringen
Onbekend
Tabel 6: Samenvatting verwachtingsmodel voor het plangebied.
Conclusie en advies Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied een hoge verwachting geldt voor de Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor de andere periodes. Hoewel de aard van de bodemopbouw en de mate van eventuele bodemverstoring niet op basis van bureauonderzoek kan worden vastgesteld, is er ons inziens vanwege de landschappelijke gesteldheid van het plangebied in relatie tot de eerder behaalde archeologische onderzoeksresultaten in de directe omgeving (Streepstraat-Noord, Streepstraat-Zuid, Bosscheweg 57) meer dan voldoende aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Op basis van het bureauonderzoek wordt dan ook geadviseerd om de archeologische verwachting uit dit bureauonderzoek te toetsen middels een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-P), met een dekkingsgraad van 10% van het gehele plangebied. Om dit onderzoek uit te kunnen voeren dient op voorhand een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en goed te worden gekeurd door de bevoegde overheid (gemeente Tilburg). Uitvoering van het proefsleuvenonderzoek (en een mogelijk daaropvolgende opgraving) zal plaatsvinden binnen het traject van de toekomstige omgevingsvergunning. In het nieuwe bestemmingsplan dient dan ook een passende archeologische dubbelbestemming met bijbehorende planregels en toelichting te worden opgenomen.
Zie Bijlage 6 (figuur 22) voor de advieskaart in deze. Bovenstaande betreft een onafhankelijk tot stand gekomen advies, op basis van bekende informatie en de kwaliteitsnormen van de beroepsgroep archeologie. Naar aanleiding van dit advies zal de bevoegde
21
overheid (de gemeente Tilburg) een eigen besluit nemen. In dat besluit kan en mag de bevoegde overheid beredeneerd afwijken van het advies. Mocht het plangebied in dat besluit worden vrijgegeven door de bevoegde overheid en er worden onverhoopt toch archeologische waarden aangetroffen tijdens de geplande graafwerkzaamheden, dan geldt op basis van de Erfgoedwet de plicht deze zogenaamde toevalsvondsten te melden bij het Rijk. Uit praktische overweging is het aan te bevelen deze melding te doen bij de bevoegde overheid (de gemeente Tilburg). Aan bovenstaand advies kunnen, behoudens opzet of grove nalatigheid onzerzijds, geen rechten worden ontleend, noch eventuele schade die daaruit kan voortvloeien, worden geclaimd. Selectiebesluit bevoegde overheid De gemeente Tilburg proefsleuvenonderzoek.26
26
onderschrijft
bovenstaand
Mail d.d. 18-10-2022 van G. van den Eynde, gemeente Tilburg.
22
advies
tot
vervolgonderzoek
middels
Bronnen Documenten •
Alma, X.J.F., W. Roessingh & P. Valentijn, 2021. Tilburg – Enschot – Bosscheweg 57. Een
•
Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van Proefsleuven (IVO-P) en Archeologische Opgraving (DO). ADC Rapport 4844. Amersfoort. Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland.
• • • •
In: Boor en Spade. Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. Gemeente Tilburg, 2007. Grond voor verleden. Archeologische monumentenzorg in Tilburg. Tilburg. Heunks, E., 2013. Toelichting op de paleogeografische kaart van de regio Tilburg, schaal 1:25.000. Utrecht. Huijbers, A.M.J.H, 2018. Een opgraving aan de Streepstraat in Berkel-Enschot, gemeente