CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

08 Bijlage 5 Voorlopig toetsingsadvies

Raadsvergadering 15 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Wijkevoort4.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Werklandschap Wijkevoort gemeente Tilburg Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 16 juni 2021 / projectnummer: 3533

Advies over het MER in het kort De gemeente Tilburg wil ten zuidwesten van Tilburg 80 hectare bedrijventerrein ‘Wijkevoort’ realiseren met daarin grote bedrijfskavels. Met dit voornemen wil de gemeente tegelijkertijd landschappelijke en natuurwaarden in het plangebied versterken en cultuurhistorische kwaliteiten een plek geven. De eerste fase van het voornemen is uitgewerkt in een ontwerpbestemmingsplan. Voor het besluit over dit bestemmingsplan is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente Tilburg heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie) gevraagd te adviseren over het MER. In dit

G

advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.

Wat blijkt uit het MER?

In het MER zijn twee inrichtingsalternatieven onderzocht voor de ontwikkeling van het

bedrijventerrein, te weten het alternatief ‘Wijkevoort compact’ en ‘Wijkevoort verspreid’. Bij

RL O PI

het alternatief ‘Wijkevoort compact’ beperkt het voornemen zich tot een kleiner gebied

volledig ten zuiden van de beek de Hultensche Leij. Bij het alternatief ‘Wijkevoort verspreid’ wordt de ontwikkeling meer over het plangebied verspreid, en wordt er een sprong gemaakt over de Hultensche Leij. Het MER laat zien dat beide alternatieven leiden tot meer

verkeersintensiteit en een hogere druk op het omliggende wegennet. Er is sprake van toename in geluid, emissies van stikstofdioxide en fijnstof en visuele hinder, maar volgens het MER worden de normen voor luchtkwaliteit en geluid niet overschreden. Beide

alternatieven leiden tot het verplaatsen van 14 huishoudens en aantasting van bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden, zoals het coulisselandschap, het Wijckemeer, het Wijckerbos, beschermde soorten en historische wegen als de weg Wijkevoort. Om de effecten van het voornemen te verminderen stelt het MER maatregelen voor als de herinrichting van omliggende kruispunten en natuurcompensatie. Door het aanleggen van een groenblauw raamwerk rondom het bedrijventerrein, wordt de ruimtelijke

O

kwaliteit verhoogd en worden positieve effecten verwacht op zowel bodemkwaliteit als waterkwaliteit en-kwantiteit.

VO

Wat is het advies van de Commissie? Het MER geeft een heldere beschrijving van de voorgeschiedenis van het plan. Hoewel het ontwerpbestemmingsplan in eerste instantie alleen de eerste fase van de ontwikkeling mogelijk maakt, wordt in het MER ook de effecten van latere fases onderzocht. Het MER heeft een duidelijke structuur en opbouw en geeft een goede beschrijving van het huidige landschap en de bestaande cultuurhistorie en archeologie. Daarnaast ligt er een volledig uitgewerkt bestemmingsplan met concrete regels en maatregelen voor duurzaamheid. Deze zijn gebaseerd op een groot aantal achtergrondstudies met daarin veel milieu-informatie die niet in het MER is verwerkt. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over Werklandschap Wijkevoort. Het gaat om de volgende tekortkomingen: •

Effecten voorkeursalternatief. De effecten van het voorkeursalternatief zoals opgenomen in het bestemmingsplan zijn niet beschreven. Daardoor is de link tussen het MER en het te nemen besluit moeilijk navolgbaar (§2.1)

-1-

•

Haalbaarheid doelen. De doelen voor klimaat, energie en mobiliteit zijn niet voldoende concreet uitgewerkt, zodat niet duidelijk is in hoeverre het VKA voldoet aan die doelstellingen. Er is ook niet getoetst in hoeverre alle voorgenomen doelen en ambities van het plan met elkaar te verenigen zijn. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat de doelen en ambities met betrekking tot natuur, landschap en duurzaamheid ook werkelijk gerealiseerd kunnen worden (§2.2).

•

Soortenbescherming. Het is onduidelijk welke maatregelen nodig zijn voor beschermde soorten, in relatie tot de effecten van het bestemmingsplan. De Commissie kan niet beoordelen of aannemelijk is of het plan uitvoerbaar is (§2.3).

•

Compensatie natuurnetwerk. De conclusie dat er geen compensatie nodig is voor effecten op Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe mantel is niet onderbouwd met een toets aan juridische kaders (§2.3).

•

Stikstofeffecten op Natura 2000. Significante effecten van het voornemen op Natura

G

2000-gebieden kunnen niet worden uitgesloten. In de passende beoordeling zijn de wegvakken met een toename van wegverkeer van minder dan 500 per etmaal niet meegenomen in de depositieberekeningen. Daarnaast is niet toegelicht of met de

RL O PI

uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de depositieberekeningen, de maximale

mogelijkheden van het plan in beeld zijn gebracht. Daardoor bevat het MER nu geen alternatief dat uitvoerbaar is binnen de kaders van de Wet natuurbescherming.

De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar

VO

O

oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.

Figuur 1. Het voorkeursalternatief (Bron: MER)

-2-

Aanleiding MER Het voornemen om een bedrijventerrein op de locatie Wijkevoort te ontwikkelen is eerder aan bod gekomen in plannen als de Ruimtelijke Structuurvisie 2020, Structuurvisie Zuidwest 2020 en de Omgevingsvisie Tilburg 2040. Voor de Structuurvisie Zuidwest 2020 is in 2011 een Plan-MER opgesteld. Er ligt momenteel een ontwerpbestemmingsplan ter inzage met het voorstel om Wijkevoort te ontwikkelen tot een bedrijventerrein met de nadruk op industrie en logistiek. Als bijlage aan het bestemmingsplan is er een ‘Ontwikkelleidraad’ opgenomen waarin de eisen en regels voor duurzaamheid zijn uitgewerkt waaraan bedrijven moeten voldoen. De initiatiefnemer voor het plan is het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Tilburg. De ontwikkeling van Werklandschap Wijkevoort wordt in het Besluit m.e.r. beschouwd als de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject en als industrieterrein, waarvoor een bestemmingsplan moet worden vastgelegd. Met het realiseren van maximaal 80 ha bedrijventerrein (netto) wordt de drempelwaarde van

G

200.000m2 en meer dan 75 ha overschreden. Daarnaast kan het initiatief belangrijke nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. Om deze redenen is voor de besluitvorming over het

bestemmingsplan een gecombineerd plan/project-milieueffectrapport opgesteld. De gemeente Tilburg is

RL O PI

het bevoegd gezag voor de het bestemmingsplan en de m.e.r. procedure. Zij heeft de Commissie gevraagd over het milieueffectrapport te adviseren. Rol van de Commissie

De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval Gemeente Tilburg besluit over het bestemmingsplan.

De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3533

O

op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op het advies

VO

In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de Gemeente Tilburg. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Het voorkeursalternatief Het MER beschrijft effecten van twee inrichtingsalternatieven ‘Wijkevoort compact’ en ‘Wijkevoort verspreid’ en varianten daarop die betrekking hebben op 80 ha bedrijventerrein1. Dit resulteert in de formulering van het voorkeursalternatief (VKA) dat grotendeels lijkt op het

1

De onderzochte varianten verschillen in de verhoudingen waarin zij logistieke of industriële bedrijven mogelijk maken zich te vestigen op Wijkevoort, met de combinaties 80% industrie en 20% logistiek of omgekeerd en 100% industrie of logistiek. Er is ook een variant onderzocht waarbij enkel 30 ha bedrijventerrein wordt ontwikkeld.

-3-

alternatief ‘Wijkevoort compact’, minus de sprong over de beek Hultensche Leij ten noordwesten en zuidoosten van het Wijckermeer. Het bestemmingsplan maakt de eerste fase van de ontwikkeling van het VKA mogelijk. Daarin wordt 44,6 ha bestemd als bedrijventerrein en 75 ha als natuur, groen en agrarisch. Hoewel dit aantal uit te geven hectares valt binnen de onderzochte bandbreedte, gaat het MER niet in op het VKA. Daardoor blijft onduidelijk wat de specifieke effecten zijn van 44,6ha bedrijventerrein (met het type bedrijven) dat het bestemmingsplanmogelijk maakt2 op verkeer, gezondheid, landschap, natuur, leefomgeving, klimaat, energie en water en bodem. Het wordt bijvoorbeeld niet duidelijk wat het effect is van 44,6 ha bedrijventerrein op beschermde soorten. Er is nu al sprake van geluidsbelasting binnen het bestaande Natuurnetwerk Brabant (MER pagina 80). Het MER laat niet kwantitatief zien hoe de nu al niet

G

optimale akoestische kwaliteit van het natuurnetwerk in het voornemen verandert ten opzichte van de referentiesituatie, en wat de mogelijke effecten daarvan zijn op

verstoringsgevoelige beschermde soorten. Ook is onduidelijk wat de geluidsbelasting is op

RL O PI

de omgeving bij het uitgeven van 44,6 ha bedrijventerrein, en hoeveel woningen daarbij

binnen de industriecontour zullen vallen. De Commissie merkt op dat de effect beoordeling van de variant 30 ha bedrijventerrein op geluidhinder als ‘beperkt negatief’ niet is

onderbouwd. De effecten van deze variant zijn of niet meegenomen in het akoestisch onderzoek, of niet gepresenteerd in het MER.

De Commissie wijst erop dat als een bestemmingsplan m.e.r.- plichtig is, ook de

milieueffecten van de niet m.e.r.-plichtige onderdelen in beschouwing moeten worden genomen. Dit geldt ook voor het 75 ha terrein dat bestemd wordt als (tijdelijk) natuur, water en agrarisch, waarin ook het groenblauwe raamwerk gerealiseerd gaat worden. Het valt de Commissie op dat de effectbeschrijving voor natuur (en deels ook landschap) vooral is gebaseerd op de component ‘bedrijfsterrein’. De mogelijk positieve effecten van

extensivering en het creëren van nieuwe natuur/water binnen de 75ha zijn niet beschreven.

O

Ook zijn de gevolgen van een aantal mitigerende maatregelen zoals aanpassingen van kruispunten of waterberging niet onderzocht. Doordat de precieze effecten van het volledige voornemen niet helder in beeld zijn gebracht,

VO

en de informatie tussen het MER en bestemmingsplan niet altijd overeenkomen, 3 is de Commissie van mening dat link tussen het MER en het te nemen besluit moeilijk navolgbaar is.

De Commissie adviseert, voorafgaand aan de besluitvorming over het bestemmingsplan, in een aanvulling op het MER; •

de negatieve en positieve effecten van het VKA te beschrijven, inclusief de niet m.e.r. plichtige onderdelen en mitigerende maatregelen.

2

Het bestemmingsplan bestemt Wijkevoort voor bedrijven in de milieucategorie 3.1 en 3.1. Het plan maakt ook het binnenplans afwijken mogelijk, waardoor bedrijven in de zwaardere milieucategorie 4.1 en 4.2 zich ook op Wijkevoort kunnen vestigen.

3

Zo geeft het MER bijvoorbeeld aan dat de status van het Wijckermeer als onderdeel van Natuurnetwerk Brabant waarschijnlijk komt te vervallen, terwijl in het bestemmingsplan daar geen sprake lijkt te zijn. Ook refereert het MER aan verschillende vormen van recreatie terwijl in het bestemmingsplan enkel extensieve recreatie mogelijk wordt gemaakt.

-4-

Doelen en doelbereik Het behalen van de integrale doelstellingen In het totale plangebied zijn er in de huidige situatie verschillende functies aanwezig zoals wonen, natuur, water, landbouw en recreatie4. Naast economische groei, is de verweving met en het versterken van deze aanwezige landschappelijke en natuurwaarden een belangrijk doel voor het werklandschap. Ook cultuurhistorische elementen zullen volgens het MER een plek moeten krijgen in het werklandschap. De Commissie staat positief tegenover deze integrale benadering van de doelstelling maar mist in het MER een toets van in hoeverre de verschillende doelen met het plan worden

G

behaald, en in welke fase van de ontwikkeling dat precies gebeurt. Zo is de verwachting dat het negatieve effect op de visueel-ruimtelijke beleving beperkt kan worden door het

ontwikkelen van een groenblauwe raamwerk rondom het bedrijventerrein5. Het is echter niet duidelijk hoelang het duurt voordat deze groenstroken deze functie werkelijk kunnen

RL O PI

vervullen6. Er is ook geen toets om te bezien in hoeverre de verschillende subdoelen binnen het integrale doel met elkaar te verenigen zijn. Dit roept vragen op zoals: •

Doet de invulling van het bedrijventerrein, of het recreatief medegebruik rondom het Wijckermeer en langs de beekdalen, afbreuk aan de bestaande natuurwaarden?

•

En hoe verhoudt het aanzicht op grote logistieke gebouwen zich tot de belevingswaarde van het beoogde landschap en natuur?

•

Gaan de duurzaamheidsambities op gebied van klimaat, energie en mobiliteit goed samen?

Door in te gaan op deze vragen, zou het MER inzicht moeten geven in waar synergie zit tussen de doelen economische groei, het behoud en versterken van landschappelijke-en natuurwaarden en duurzaamheidsambities, en waar zij juist conflicteren. De Commissie is daarom van mening dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de doelen met betrekking tot

O

natuur en landschap ook werkelijk gerealiseerd kunnen worden.

Het bereiken van duurzaamheidsambities

VO

Klimaatadaptatie

In het MER wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie (omgaan met hitte, droogte en piekbuien) maar dit wordt niet uitgewerkt in concrete doelen. De effecten en mogelijke oplossingen zijn in het MER kwalitatief weergegeven (MER §4.7.1.). Daaruit blijkt dat het groenblauwe raamwerk een belangrijke rol zal spelen bij mitigatie. Uit het MER wordt echter

4

Het plangebied omvat de beken de Hultensche Leij en de Groote Leij, het Wijckerbos en het Wijckermeer die allen behoren tot Natuurnetwerk Brabant. In het plangebied zijn ook verschillende agrarische bedrijven aanwezig, het Buurtschap Berkeind en cultuurhistorische structuren als het erf van de boerderij Prinsenhoef, de historische wegen en paden als de Hultensche Weg, Wijkevoort en Klein Tilburg.

5

De beken Hultensche Leij en Groote Leij zijn allebei aangewezen als ecologische verbindingszones die verschillende natuurgebieden aan elkaar gaan verbinden. De gemeente is van plan om beide zones verder te ontwikkelen om de natuur in het gebied te versterken. De verbindingszone (25meter als autonome ontwikkeling) komt rondom het bedrijventerrein te liggen en het voornemen voegt daar 25 meter groen aan toe. Dit zones vormen straks een buffer tussen het terrein en de omgeving.

6

Ook de Gemeenteraad Gilze en Rijen wijst in hun zienswijze op de aantasting van het kleinschalige agrarische landschap door de ontwikkeling. Zij wijzen erop dat het nog dertig jaar kan duren voordat er sprake is van een groenblauwe inkleding van het bedrijventerrein.

-5-

niet duidelijk hoe het groenblauwe raamwerk gaat functioneren als klimaatadaptatie maatregel. Er ontbreekt ook een (semi-)kwantitatieve onderbouwing om aan te tonen dat met de voorgestelde inrichting en mitigatie maatregelen (MER pagina 97-98) de opvang, berging en afvoer van water, ook in extreme weeromstandigheden, goed is geregeld. Dit is vooral van belang omdat er momenteel in het plangebied sprake is van verdroging en het verharden van grote aaneengesloten oppervlakten van meer dan 5 ha voor distributiecentra dit proces kan versterken. De Commissie is van mening dat het MER overtuigend moet laten zien dat verdere verdroging in het gebied wordt voorkomen en dat de opvang, berging en afvoer van water tijdens piekbuien goed is geregeld. In de Ontwikkelleidraad (onderdeel van het bestemmingsplan) zijn eisen opgenomen waaraan toekomstige bedrijven moeten voldoen (klimaatplan). Hoewel de Commissie de inhoudelijke vereisten voor het klimaatplan adequaat lijken, mist zij in het MER een

G

onderbouwing van de keuze voor en een toets van de haalbaarheid van deze vereisten.

Energieneutraliteit

RL O PI

De gemeente Tilburg heeft de ambitie om Wijkevoort te ontwikkelen tot een energieneutraal bedrijventerrein waarbij maximaal wordt ingezet op duurzame energieopwekking7. Alle alternatieven en varianten worden hierop positief beoordeeld. De Commissie constateert echter dat deze conclusies niet zijn onderbouwd. In het MER ontbreekt een (semi)

kwantitatieve analyse om aan te tonen dat een energieneutraal Wijkevoort aannemelijk is voor zowel het VKA als de volledige ontwikkeling8. Het MER geeft bijvoorbeeld aan dat 15ha zonnepanelen nodig is en dat dit haalbaar is met een slimme opstelling, maar geeft geen nadere uitleg over de mogelijkheden en de beperkingen9.

Het bestemmingsplan bevat duidelijke regels voor energie en klimaatadaptatie waaraan toekomstige bedrijven moeten voldoen. Deze regels zijn uitgewerkt in de Ontwikkelleidraad (het energieplan). Hoewel de inhoudelijke vereisten van het energieplan de Commissie adequaat lijken, mist er in het MER een onderbouwing van deze vereisten en een toets van

O

hun haalbaarheid. Bij grote hallen spelen daken een belangrijke rol bij wateropvang,

energieopwekking en klimaatbeheersing. Het MER had bijvoorbeeld een beschouwing kunnen geven waaruit blijkt dat de combinatie van groene daken (eventueel witte daken) en grootschalige plaatsing van zonnepanelen aan alle wensen uit de Ontwikkelleidraad kan

VO

voldoen, en welke eisen voor aanleg en beter beheer noodzakelijk zijn. Het MER zou ook in kaart moeten brengen wat de mogelijke milieueffecten zijn van grootschalige warmte-en koude opslag (WKO) en mogelijke inzet van biomassa (o.a. biomassa stook in houtkachels (MER, pagina 99).

Tot slot, het valt op dat er in het MER geen verwijzing wordt gemaakt naar de Regionale Energie en Klimaat Strategie Midden-Brabant (REKS) waarin de energieambities voor het plangebied verder gaan dan het voornemen zelf. In de REKS wordt Wijkevoort aangewezen als mogelijke leverancier van duurzame energie aan de omgeving. Het wordt uit het MER niet duidelijk in hoeverre het voornemen bij zal dragen aan de REKS.

7

Het MER gaat in op mogelijkheden om een volledig duurzaam en gasloos Wijkevoort te ontwikkelen, door onder andere warmtepompen in combinatie met warmte- en koudeopslag (WKO), lokale biogasopwekking, zonnestroom, eventueel bedrijfsmatig opgewerkt en ondersteund door parkmanagement en lokale coöperaties waar nodig (MER pagina 98-99).

8

De Energieverkenning Wijkevoort (2017) biedt hiervoor bouwstenen. Actualisatie hiervan is nodig, mede in context van de Regionale Energie en Klimaat Strategie (REKS 2021).

9

In de zienswijze van de Provincie Noord-Brabant wordt er bijvoorbeeld op gewezen dat het oprichten van zonnepanelen op het Wijckermeer niet samengaat met de ligging van het waterplas in Natuurnetwerk Brabant.

-6-

Mobiliteit De ambities voor een duurzamere en schonere mobiliteit voor Tilburg zijn uitgewerkt in de ‘Mobiliteitsaanpak Tilburg samen op weg naar 2040’. Hoewel het MER de effecten op bereikbaarheid en verkeersveiligheid beschrijft, gaat het totaal niet in op het mobiliteitsbeleid van de gemeente en hoe het voornemen aan dit beleid en gestelde ambities bijdraagt. De ambitie om Wijkevoort te ontwikkelen tot een hoogwaardig, modern en aantrekkelijk werklandschap vraagt om een heldere uitwerking en toetsing van de gestelde doelen en ambities. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER het volgende: •

Werk de duurzaamheidsdoelen op het gebied van klimaat, energie en mobiliteit verder uit. Laat in het MER zien in hoeverre de integrale doelen en duurzaamheidsambities

G

•

gerealiseerd worden met het voorgestelde plan en in welke fasen dat precies gebeurt. Maak daarbij inzichtelijk wat de onderlinge wisselwerking is tussen de doelen en ambities en in hoeverre deze elkaar versterken of juist tegenwerken.

Onderbouw in het MER de vereisten die in de Ontwikkelleidraad worden gesteld voor

RL O PI

•

energie en klimaat en toets de haalbaarheid van deze vereisten. •

Maak inzichtelijk in hoeverre dit plan bijdraagt aan mobiliteitsdoelen en beleid van de gemeente Tilburg.

Natuur

Beschermde soorten

In het plangebied komen diverse soorten voor die beschermd zijn onder de Wet

natuurbescherming. Het MER wijst uit dat bij alle alternatieven negatieve tot zeer negatieve effecten te verwachten zijn op essentiële leefgebieden van verschillende van deze soorten zoals vleermuizen, steenuil en kerkuil. Het MER geeft aan dat mitigatie en compensatie nodig

O

zijn en dat de ontwikkeling van Wijkevoort alleen doorgang kan vinden als voor een aantal soorten10 ontheffing wordt verkregen in het kader van de Wet natuurbescherming.

VO

Waarschijnlijk is dit ook aan de orde voor het voorkeursalternatief, maar zoals eerder gezegd (§2.1) zijn de effecten daarvan niet in het MER opgenomen. Het MER gaat in algemene termen in op maatregelen, die de effecten beogen te mitigeren en te compenseren, zodat de gunstige staat van instandhouding van soorten kan worden gewaarborgd. Het is echter onduidelijk welke maatregelen concreet nodig zijn voor het voorkeursalternatief, en of daarmee sprake is van een uitvoerbaar bestemmingsplan. Ook het soortenmanagementplan, wat onderdeel is van het bestemmingsplan, laat dit niet zien, hoewel dit plan wel concrete soort specifieke maatregelen voorstelt. Daardoor kan de Commissie niet beoordelen in hoeverre aannemelijk is dat een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming verleend kan worden.

Natuurnetwerk Brabant In het plangebied liggen het Wijckermeer, het Wijckerbos en de beken Hultensche Leij en Groote Leij die allen behoren tot het Natuurnetwerk Brabant. Daarnaast heeft de provincie

10

Het MER geeft op pagina 84 aan dat het hier om 8 soorten gaat, waaronder steenuil en kerkuil. Het is niet duidelijk bij welke alternatieven dit aan de orde is.

-7-

gebieden grenzend aan Natuurnetwerk Brabant aangewezen die behoren tot de Groenblauwe mantel11. Een deel van het plangebied maakt deel uit van deze Groenblauwe mantel12. Het MER wijst uit (pagina 80) dat de variant 30h geen effect heeft op Natuurnetwerk Brabant en de Groenblauwe mantel qua ruimtebeslag. Het is niet duidelijk of deze conclusie ook geldt voor 44,6 ha bedrijventerrein. Het MER concludeert dat er geen compensatie nodig is, maar deze conclusie is niet navolgbaar. Daarmee ontbreekt in het MER een onderbouwing dat het plan voldoet aan de vereisten van de omgevingsverordening Noord-Brabant.

Biodiversiteit Het (gedeeltelijk) omvormen van 75 ha in een groenblauwe structuur zou de natuurwaarden in het gebied kunnen vergroten ten opzichte van de referentiesituatie. Het MER maakt echter

G

niet inzichtelijk in hoeverre de beoogde ontwikkeling van deze structuur bedoeld is als compensatie voor de negatieve effecten van het voornemen, en in hoeverre de groenblauwe structuur daarnaast ook kansen biedt voor de ontwikkeling van ‘extra’ nieuwe natuur. Daarmee wordt niet duidelijk wat de netto-effecten van het voornemen zijn voor

RL O PI

biodiversiteit.

Daarbij valt op te merken dat door toename van geluid-en lichthinder als gevolg van bedrijvigheid (MER, pagina 80), alsook door de beoogde toename van recreatief

medegebruik, de kwaliteit van de natuurwaarden in het plangebied minder hoog kan zijn dan beoogd. Dit geldt zowel voor gebieden die onderdeel zijn van Natuurnetwerk Brabant, als het te creëren groenblauwe raamwerk. Het MER gaat niet in op dit mogelijke effect van het voornemen.

De Commissie adviseert het volgende op te nemen in een aan vulling op het MER: •

Een beschrijving van de effecten van het voorkeursalternatief (VKA), inclusief de (positieve) effecten van het creëren van nieuwe natuur binnen het overige 75 ha terrein en de recreatieve ontwikkelingen in het plangebied. Beschrijf daarbij de effecten van het

O

voornemen op het Natuurnetwerk Brabant, waaronder de effecten op geluidsgevoelige soorten;

•

Leg uit welke maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding

VO

van beschermde soorten te waarborgen en de uitvoerbaarheid daarvan.

Stikstof in relatie tot Natura 2000 In de omgeving van het plangebied liggen stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden zoals: •

Regte Heide & Riels Laag (3,5 km)

•

Loonse en Drunense Duinen en Leemkuilen (10,7km)

•

Kampina en Oisterwijkse Bossen en Vennen (11,5km)

•

Ulvenhoutse bos (9 km)

Het MER laat zien dat alle alternatieven leiden tot een toename in stikstofdepositie en concludeert dat zonder mitigerende of compenserende maatregelen, significante gevolgen op deze Natura 2000-gebieden niet op voorhand zijn uit te sluiten. Er is een Passende beoordeling uitgevoerd van het ontwerpbestemmingsplan voor 44,6 bedrijventerrein. De conclusies daaruit zijn niet opgenomen in het MER. De Commissie

11

Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en ontwikkeling van natuur, watersysteem en het landschap.

12

Op dit moment een agrarisch beheerd gebied in het beekdal van de Hultensche Leij.

-8-

constateert dat de Passende beoordeling aansluit bij het bestemmingsplan. Bij de berekening van de maximaal mogelijke emissie is uitgegaan van 65% oppervlak met categorie 3 en 35% oppervlak met categorie 4 bedrijvigheid. Het ontwerpbestemmingsplan maakt via een afwijkingsbevoegdheid categorie 4 mogelijk over de volledige oppervlakte, maar bakent de aard van deze bedrijvigheid af tot de sectoren smart-logistics en smart-industry (planregel 4.5.7). De Commissie adviseert om toe te lichten dat met deze uitgangspunten (gegeven de voorgeschreven type bedrijvigheid in het bestemmingsplan) de maximale mogelijkheden van het plan in beeld zijn gebracht13. De Passende beoordeling concludeert dat het plan zonder externe saldering als mitigerende maatregel niet vergund kan worden. Na externe saldering14 worden significante effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. In de depositieberekeningen is deze conclusie onderbouwd. In deze berekeningen wordt alleen de emissie van verkeerstoename ten gevolge

G

van het voornemen op wegvakken waar deze toename kleiner is dan 500 voertuigen per etmaal, niet meegenomen. Een onderbouwing voor deze afkap ontbreekt15.

RL O PI

De Commissie wijst op de mogelijkheid dat er op korte afstand van Natura 2000-gebieden wegvakken kunnen liggen met een kleinere toename aan wegverkeer dan 500 per etmaal. In dat geval kan er sprake zijn van een groter depositietoename ten gevolge van het voornemen dan nu is berekend. Omdat de Passende beoordeling deze mogelijkheid niet heeft

beschouwd, kan de Commissie niet op voorhand de conclusie onderschrijven dat significante effecten van het plan op Natura 2000-gebieden met de beoogde saldering worden voorkomen.

In de huidige versie van AERIUS worden depositietoenames op meer dan 5 km afstand ten gevolge van verkeer niet meegenomen in de berekeningen16. Bij de Passende beoordeling is daarom in het deelrapport Stikstofdepositie (pagina 12) een verkennende rekensom gemaakt naar de mogelijke depositietoenames van verkeer op 4980 m afstand. Daaruit blijkt dat de berekende depositie op Natura 2000-gebied van wegverkeerstoename op deze afstand van

O

het bedrijventerrein niet groter is dan 0,0 mol N/ha/jaar. De Commissie wijst er op dat op het moment van planvaststelling gebruik moet worden gemaakt van de meest actuele versie van het AERIUS-model waarin niet meer gerekend wordt met de 5 km afstand voor verkeer.

VO

De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER het volgende op te nemen: •

Een AERIUS berekening van de depositietoename op Natura 2000-gebieden die uitgaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, en die juist niet uitgaan van een afkap van 500 voertuigen per etmaal. Ga op basis van de uitkomsten een nieuwe berekening na in hoeverre de beoogde externe saldering toereikend is voor de depositietoename.

13

Daarbij merkt de Commissie op dat in een volgende fase waarin de overige 35,4 ha wordt ontwikkeld, een ADC-toets mogelijk noodzakelijk zal zijn.

14

In de planregels (4.5.4) is vastgelegd dat het voornemen alleen kan doorgaan indien het houden van vee op 2 agrarische bedrijven in het gebied definitief is beëindigd.

15

De invoer in AERIUS gebiedt niet de toepassing van een dergelijke afkap.

16

Zie uitspraak De Commissie Hordijk (15 Juni 2020 het rapport ‘Meer meten robuuster rekenen’): daarin wordt geconcludeerd dat de onzekerheid van extra depositie op Nature 2000-gebieden bij de gehanteerde ruimtelijke schaal in AERIUS calculator vele malen hoger is dan de beoordelingsdrempel. AERIUS moet worden aangepast maar de aanpassing om te komen tot een nieuwe versie heeft nog niet plaatsgevonden. Tot die tijd, blijft de huidige AERIUS versie een juridisch valide basis om vergunningen te verlenen.

-9-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website.

Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Jan Bakker Leyla Özay MSc (secretaris)

RL O PI

Marja van der Tas (voorzitter)

G

Samenstelling van de werkgroep

ir. Ruud Westerhof

drs. Gerrit de Zoeten

Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld

Het ontwerpbestemmingsplan Wijkevoort van de gemeente Tilburg. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld?

Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit D11.3 (industrieterrein) en D11.2 (stedelijke ontwikkelingsproject). Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven.

O

Daarom is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit

VO

De gemeenteraad van Tilburg. Initiatiefnemer besluit

Het College van Burgemeesters en Wethouders van de gemeente Tilburg. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 31 mei 2021 heeft toegestuurd. Ze heeft de zienswijzen in haar advies verwerkt, tot zover deze relevant waren voor het MER.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3533 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10731260/1