07 Bijlage 2 Projectinformatie
Tekst van het document
MEMO Aan : Gemeente Tilburg Van : Agrifirm NWE BV Exlan Advies Datum : 19-01-2024 Betreft : Projectinformatie aanvraag herziening bestemmingsplan locatie Vierbundersweg 64 te Tilburg - aangevulde versie 3 Inleiding Ter plaatse van de locatie Vierbundersweg 64 te Tilburg is een intensieve varkenshouderij gevestigd. De varkenshouder heeft de gemeente Tilburg verzocht om een gedeeltelijke herziening van de geldende bestemmingsplannen ten behoeve van een vergroting van het ter plaatse opgenomen bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’. Deze vergroting is nodig om de legaal tot stand gekomen bestaande situatie in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan en uitbreiding van het agrarisch bedrijf ter plaatse planologisch mogelijk te maken. Geldend bestemmingsplan Ter plaatse geldt ten eerste het bestemmingsplan ‘Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010’. Het gedeelte van de locatie waar het grootste gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing en erfverharding aanwezig is, heeft volgens dit plan de bestemming ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dit gedeelte is in de afbeelding hierna rood omkaderd. Voor het andere gedeelte geldt de bestemming ‘Agrarisch’.
Volgens de regels van het bestemmingsplan zijn alleen gronden met de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ mede bestemd voor een intensieve veehouderij. Daardoor zijn bouwwerken (zoals bedrijfsgebouwen, één bedrijfswoning of (mest)silo’s) en erfverharding ten behoeve hiervan enkel ter plaatse van deze gronden toegestaan. Ter plaatse geldt daarnaast nog het bestemmingsplan ‘Tilburg, parapluplan agrarische bedrijven’. Dit plan bevat aanvullende regels om het gemeentelijke bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met de ruimtelijke regels uit de provinciale verordening. De
1/13
regels voor de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ zijn onder andere aangevuld met betrekking tot: Uitbreiding. De aanvullende regel bepaalt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij alleen toegestaan is mits: o sprake is van een zorgvuldige veehouderij; o de oppervlakte van het bestemmingsvlak max. 1,5 hectare bedraagt; o sprake is van een goede leefomgeving; o er voldaan wordt aan de normen voor cumulatieve geurhinder en fijnstofconcentratie; o de landschappelijke inpassing min. 10% van het bestemmingsvlak omvat; o er een zorgvuldige dialoog is gevoerd. Staldering. De aanvullende regel bepaalt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij alleen toegestaan is indien verzekerd is dat er elders een oppervlakte dierenverblijf wordt gesaneerd, gelijk aan 110% van de te bouwen of de in gebruik te nemen oppervlakte. Deze regels gelden zowel bij de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw als ingebruikname van een bestaand gebouw als dierenverblijf. Bestaande situatie De intensieve varkenshouderij is gevestigd op het perceel, kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie G, nr. 335. Dit is een locatie in buitengebied De Uiterste Stuiver, dat in het uiterste noordwestelijke deel van Tilburg en net ten zuidwesten van Dongen is gelegen.
De locatie ligt ten zuiden van de Vierbundersweg en op een paar honderd meter ten noorden van het Wilhelminakanaal. De Vierbundersweg is een verbindingsweg van Tilburg naar Dongen. De ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij heeft een geldende omgevingsvergunning milieu (d.d. 29 juli 2014) en een geldende vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (d.d. 8 juni 2015). De hiermee vergunde situaties komen niet helemaal overeen, zie ook de als bijlage bijgevoegde diertabel. De met de vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunde situatie is echter bestaand aanwezig, alle met deze vergunning vergunde dierplaatsen en stalsystemen zijn feitelijk gerealiseerd en aanwezig. Op de locatie zijn bestaand vier stallen, één bedrijfswoning, een aantal silo’s en één mestsilo aanwezig. Rondom deze bestaande bedrijfsbebouwing ligt erfverharding en er zijn twee in-/uitritten van en naar de Vierbundersweg. De erfafscheiding bestaat voor het grootste gedeelte uit ca. één meter hoge hagen. Voor op het erf staan nog verschillende solitaire bomen. Bijlagen: Diertabel situatie bestaand (datum: 30 juni 2020), tekening situatie bestaand (datum: 12 december 2014). Zoals ook blijkt uit bovenstaande afbeelding, is de bestaande feitelijke situatie niet in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan. Een gedeelte van de meest oostelijk ge-
2/13
legen bestaande stal en de bestaande erfverharding tussen deze stal en de oostelijke perceelsgrens liggen buiten het vlak met de bestemming ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’, en zo op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’. Deze afwijking van het geldend bestemmingsplan is een omissie. Een eerder verleende vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning voor het uitbreiden van de intensieve varkenshouderij ter plaatse zijn niet verwerkt zijn in het bestemmingsplan ‘Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010’. Voor de meest oostelijke bestaande stal is op 11 september 2009 een bouwvergunning verleend. Ten behoeve hiervan is op grond van artikel 19, lid 2 WRO vrijstelling verleend van het toen ter plaatse geldend bestemmingsplan. Deze vrijstelling had naast de bouw van stallen ook betrekking op een vergroting van het bestemmingsvlak voor de ter plaatse al toegestane intensieve veehouderij. Door de omissie valt het buiten dit vlak gelegen gedeelte van de stal nu onder het overgangsrecht van het geldend bestemmingsplan. Nieuwe situatie Om de legaal tot stand gekomen bestaande situatie ter plaatse in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan, is een vergroting nodig van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Dit tot de grootte die al is toegekend met de in 2009 verleende vrijstelling van het bestemmingsplan.
De grens van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ wordt met de bestemmingsplanherziening zo naar het oosten verschoven dat de meest oostelijke bestaande stal volledig binnen dit vlak gaat vallen. Met deze vergroting van bestemmingsvlak en aanduiding worden ook de uitbreidingsplannen planologisch mogelijk, die de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij heeft in het kader van aanpassing van de stalsystemen. De beoogde nieuwe bedrijfsbebouwing kan dan helemaal worden gebouwd binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. Het betreft de plannen om de oudste stal uit te breiden door het plaatsen van een nieuwe, grotere kap, de meest oostelijke stal uit te breiden door hem aan de achterkant te verlengen en beide stallen te voorzien van luchtwassers. Hiermee neemt de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdierhouderij toe met ca. 625 m2. Reden van deze uitbreidingsplannen is dat de varkenshouder in verband met de versnelde transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Noord-Brabant genoodzaakt is om de verouderde stalsystemen te gaan aanpassen als hij ook in de komende jaren ter plaatse een intensieve varkenshouderij wil kunnen blijven voeren. Een noodzakelijke aanpassing is alle stallen te gaan voorzien van luchtwassers.
In de bestaande situatie is dit bij de oudste stal en de meest oostelijke stal nog niet het geval. Door het plaatsen van luchtwassers te combineren met een uitbreiding van deze stallen, wordt het mogelijk gelijktijdig met de milieuhygiënische verbetering ook in bedrijfseconomisch opzicht een verbetering te realiseren. De beoogde uitbreidingen van deze stallen voorzien in extra stalruimte voor extra dierplaatsen voor kraamzeugen, opfokzeugen en gespeende biggen. Daarmee is het aantal extra dierplaatsen te realiseren, dat benodigd is voor een betere interne logistiek. Om een aantal redenen is het gewenst om de noodzakelijke vergroting van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ nu te combineren met een gewenste verdere vergroting. Het is ten eerste belangrijk dat ook de
3/13
gronden tussen de meest oostelijke stal en oostelijke perceelsgrens deze bestemming en aanduiding krijgen, want de hier aanwezige erfverharding staat ook ten dienste van de intensieve varkenshouderij ter plaatse. Daarnaast heeft dit bedrijf ook uitbreidingsplannen op het gedeelte van de locatie, dat verder naar achter ligt en nog onbebouwd en onverhard is. Er is behoefte aan een nieuw bedrijfsgebouw van 15 m breed en 50 m diep voor stalling en opslag en het houden van overig rundvee en een klein aantal paarden en een tweede mestsilo. Door de bestaande inrichting, eigendomssituatie, andere uitbreidingsplannen en benodigde ruimte is er geen alternatieve plek voor dit gebouw en die mestsilo. Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw is mede bedoeld als een voorziening voor inpandige opslag en stalling van materieel. De tweede mestsilo is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. De bestaand aanwezige mestsilo en mestkelders onder elke stal voorzien niet in genoeg opslagcapaciteit om alle door het eigen bedrijf geproduceerde mest af te voeren in de periode van het jaar waarin dit in bedrijfseconomisch opzicht het meest voordelig is. In de nieuwe situatie neemt de mestproductie bovendien nog toe, aangezien er als gevolg van de beoogde uitbreidingen van de oudste en de meest oostelijke stal en het beoogde nieuwe bedrijfsgebouw meer dieren zullen worden gehouden.
De afbeelding hierna geeft de beoogde nieuwe begrenzing van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ ten behoeve van de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij weer. Dit komt neer op een vergroting van de oppervlakte van dit bestemmingsvlak van ca. 0,80 ha tot ca. 1,5 ha.
4/13
Een klein gedeelte van de vergroting is hierbij noodzakelijk om de bij uitbreiding verplichte landschappelijke inpassing van min. 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ te kunnen realiseren. De nieuwe beplanting waar deze landschappelijke inpassing mee tot stand wordt gebracht, is zoals in de afbeelding hierboven is weergegeven voorzien aan de randen van het vergrote bestemmingsvlak en sluit zo aan op de al bestaande inpassing die aanwezig is aan de noord- en westzijde van de locatie. Omdat de bestaande hagen, bomen en houtwallen langs de voorste en westelijke perceelsgrens een oppervlakte van ca. 540 m2 beslaan, dient in de nieuwe situatie nog ca. 960 m2 grond invulling te krijgen met nieuwe hagen, bomen, houtwallen e.d. om aan het minimum van 1.500 m2 te voldoen. De locatie van de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij blijft in de nieuwe situatie via de twee bestaande in-/uitritten ontsloten. Parkeren vindt ook in de nieuwe situatie volledig op eigen terrein plaats. Bijlagen: Diertabel situatie nieuw, tekening situatie nieuw, landschappelijk inpassingsplan. Onderzoeken In dit geval zijn de volgende onderzoeken niet noodzakelijk geacht: Bodemonderzoek. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Archeologisch onderzoek.
De volgende onderzoeken zijn noodzakelijkerwijs uitgevoerd en als afzonderlijke bijlage ingediend: Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij; Vormvrije m.e.r.-beoordeling; Stikstofberekening; Geurrapport; Fijnstofrapport; Ecologische quickscan; Akoestisch onderzoek industrielawaai. Voor de aspecten geur, fijnstof en gezondheid wordt naar aanleiding van de beoordelingsnotitie van de OMWB van 1 december 2020 de volgende nadere informatie gegeven. Geur Voorgrondbelasting Wet- en regelgeving In de Wet geurhinder en veehouderij zijn toetsingskaders opgenomen voor het aspect geur. Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderij in de voorgrond op een geurgevoelig object mag veroorzaken. Tevens gelden er vaste afstanden tot woningen van derden. De voorgrondbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunningen. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wet geurhinder en veehouderij afwijken.
5/13
Het bestemmingsplan heeft betrekking op uitbreiding van de intensieve varkenshouderij aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg. In de omgeving van deze veehouderij zijn een aantal geurgevoelige objecten gelegen. In de beoogde situatie vindt vanuit de in het plangebied uitgeoefende veehouderij een geuremissie plaats van maximaal 37.862,1 odour units. In de vergunde situatie voor milieu is er een geuremissie van maximaal 28.868,4 odour units. Dit betekent een toename van 8.993,7 odour units. De beoogde situatie voorziet tevens dieren in dieren, waar geen geuremissiefactoren voor zijn vastgesteld. Het betreft paarden van 3 jaar en ouder (RAV code K1.100) en overig rundvee ouder dan 2 jaar (RAV code A7.100). Voor deze dieren is daardoor geen geurbelasting te berekenen. Voor deze dieren geldt dat er voldaan moet worden aan de vaste afstanden volgens artikel 4, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij. Deze afstanden zijn: 100 meter voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom; 50 meter voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Hierbij geldt dat leidend is of het geurgevoelig object binnen of buiten de bebouwde kom ligt, de ligging van de veehouderij is niet van invloed op de afstand waaraan getoetst moet worden. De afstand is de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van het geurgevoelig object.
Toetsing Met de voorgenomen wijzigingen wordt de bestaande varkenshouderij uitgebreid (in dieraantallen) en wordt het bedrijf fors gemoderniseerd. Ondanks dat er sprake is van een aanmerkelijke toename van het aantal dieren, neemt dankzij investeringen in geurreducerende (en emissiearme) stalsystemen de totale geurbelasting afkomstig van het bedrijf toch slechts beperkt toe. Onderstaande tabel geeft een vergelijk tussen de geldende geurnorm voor de voorgrondbelasting op geurgevoelige objecten en de in het als bijlage bijgevoegde geurrapport berekende voorgrondbelasting op relevante geurgevoelige objecten en andere relevante punten. Geurgevoelig object of ander relevant punt
Geurnorm Geurbelasting vergund
Geurbelasting beoogd
Woning Vierbundersweg 125
14,0
8,8
9,6
Hoekpunt woonbestemming Vierbundersweg 125
14,0
9,2
9,9
Woning Oude Baan 150
14,0
9,7
10,8
Hoekpunt woonbestemming Oude Baan 150
14,0
11,6
12,7
Lijsterlaan 20
3,0
2,0
2,3
Lijsterlaan 22
3,0
2,0
2,3
Tabel: Overzicht voorgrondbelasting
Blijkens het vergelijk leidt de beoogde situatie ten opzichte van de vergunde situatie tot een beperkte toename van de voorgrondbelasting. Het vergelijk laat echter ook zien dat dit geen overschrijdingen van de geldende geurnormen voor de voorgrondbelasting tot
6/13
gevolg heeft en dat er ook in de beoogde situatie met een behoorlijke marge wordt voldaan aan de geurnormen als gesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. De 5 paarden en 74 stuks overig rundvee die in de beoogde situatie gehouden gaan worden, zullen gehuisvest worden in de nieuw te bouwen loods. De afstand van de loods tot aan geurgevoelige objecten in de omgeving van de projectlocatie dient te voldoen aan de voornoemde vaste afstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij. De (burger)woningen aan de Vierbundersweg 125 en Oude Baan 150 te Dongen zijn de dichtstbij de projectlocatie gelegen geurgevoelige objecten. Deze zijn buiten de bebouwde kom gelegen en dus geldt dat voor de minimale afstand tussen het emissiepunt van de loods en de gevels van deze woningen de vaste afstand van 50 meter uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing is.
Afbeelding: Afstanden verblijf dieren zonder geuremissiefactoren en geurgevoelige objecten
Zoals weergegeven in bovenstaande afbeelding, bedraagt de kleinste afstand tussen enig emissiepunt van de loods en de gevel van de woning aan de Vierbundersweg 125 (volgnr. 4) ca. 190 meter. De afstand van enig emissiepunt van de loods tot het hoekpunt van de woonbestemming ten behoeve van deze woning (volgnr. 8) is ca. 186 meter. De kleinste afstand tussen enig emissiepunt van de loods en gevel van de woning aan de Oude Baan 150 (volgnr. 5) bedraagt ca. 179 meter, en de afstand van enig emissiepunt van de loods tot het hoekpunt van de woonbestemming voor deze woning (volgnr. 9) ca. 158 meter. Met hiervoor genoemde werkelijke onderlinge afstanden wordt wat betreffende geurgevoelige objecten betreft ruim voldaan aan de vanuit de Wet geurhinder en veehouderij benodigde afstand van 50 meter. Gezien uit bovenstaande afbeelding afgeleid kan worden dat andere geurgevoelige objecten op nog grotere werkelijke afstanden van enig emissiepunt van de loods zijn gelegen dan de hiervoor genoemde, valt te constateren dat ook wat andere geurgevoelige objecten betreft wordt voldaan aan de vaste afstand van 50 danwel 100 meter uit de Wet geurhinder en veehouderij.
7/13
Op basis van het voorgaande kan gesteld worden dat in de beoogde situatie ook ruim wordt voldaan aan de in de Wet geurhinder en veehouderij gestelde vaste afstanden die minimaal aanwezig moeten zijn tussen dierenverblijven voor dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor en geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom. De afstand van de te bouwen nieuwe loods voor huisvesting van 74 stuks overige rundvee ouder dan 2 jaar (RAV code A7.100) en 5 paarden (RAV code K1.100) tot geurgevoelige objecten in de omgeving van de projectlocatie is ruim groter dan de benodigde 50 danwel 100 meter. De beoogde situatie voldoet zodoende wat voorgrondbelasting betreft aan het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Achtergrondbelasting Wet- en regelgeving Cumulatie van geurbelasting (achtergrondbelasting) vormt op grond van het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij geen onderdeel van toetsing. Sinds 2014 zijn er wel richtwaarden vastgelegd voor de achtergrondbelasting in provinciale regelgeving, eerst in de Verordening Ruimte Noord-Brabant en nu in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In deze regelgeving is bepaald dat maximaal 12% van de omwonenden binnen een bebouwde kom geurhinder mag ervaren om te kunnen oordelen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Ten aanzien van omwonenden in het buitengebied geldt wat dit betreft een percentage van max. 20%. Het voorgaande komt in concentratiegebieden neer op een richtwaarde voor de achtergrondbelasting van 10,0 OUE/m3 voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom, en van 20,0 OUE/m3 voor een geurgevoelig object in het buitengebied. Onderstaande tabel geeft de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten en andere relevante punten in de omgeving van de het plangebied in de beoogde situatie weer, zoals berekend in het als bijlage bijgevoegde geurrapport. Geurgevoelig object of ander relevant punt
Richtwaarde achtergrond- Berekende achtergrondbelasting (OUE/m3) belasting (OUE/m3)
Vierbundersweg 125
20,0
10,9
Hoekpunt woonbestemming Vierbundersweg 125
20,0
11,4
Oude baan 150
20,0
12,7
Hoekpunt woonbestemming Oude Baan 150
20,0
13,7
Lijsterlaan 20
10,0
4,3
Lijsterlaan 22
10,0
4,6
Tabel: Overzicht achtergrondbelasting
Blijkens de tabel is in de beoogde situatie, ondanks de toename van de geurbelasting in de voorgrond, geen sprake van overschrijding van de richtwaarden volgens de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant voor de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom danwel het buitengebied. De berekende achtergrondbelasting ligt nog steeds ruim beneden de richtwaarde.
8/13
In de huidige situatie voldoet de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied aan de richtwaarden zoals vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Blijkens tabel 2 blijft dit in de beoogde situatie het geval. Dit betekent dat de beoogde situatie er niet toe leidt dat in het gebied rond het plangebied meer dan 12% van de binnen de bebouwde kom woonachtige omwonenden geurhinder gaat ervaren. Ook heeft de beoogde situatie niet tot gevolg dat in het gebied rond het plangebied meer dan 20% van de in het buitengebied woonachtige omwonenden geurhinder gaat ervaren. Dit betekent weer dat beoordeeld naar de in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgelegde richtwaarden, in de beoogde situatie voor omwonenden in de omgeving van het plangebied sprake is en blijft van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering inhoudt voor de beoogde ontwikkeling van de varkenshouderij in het plangebied aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg. Volgens de in het geurrapport gemaakte berekeningen heeft deze ontwikkeling een situatie tot gevolg, waarin er nog steeds wordt voldaan aan de in wet- en regelgeving opgenomen eisen en richtwaarden omtrent de voorgrond- en achtergrondgeurbelasting.
Fijnstof Wet- en regelgeving De belangrijkste regels ten aanzien van luchtkwaliteit - stofconcentraties in de lucht - zijn opgenomen in de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit. De belangrijkste stoffen in de wet- en regelgeving over luchtkwaliteit zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Volgens genoemde wet dient er voornamelijk rekening te worden gehouden met de hierin gestelde grenswaardes voor fijnstof. De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Een project of plan is uit oogpunt van luchtkwaliteit toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project is opgenomen in of passend binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project of plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.
Projecten of plannen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de in de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit vervatte grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen. In de ‘Handreiking fijnstof en veehouderijen’ (VROM, mei 2010) is een vuistregel opgenomen, waarmee bepaald kan worden of bij een uitbreiding van een veehouderij sprake is van NIBM. Zie onderstaande tabel. De vuistregel is gebaseerd op de NIBM-grens: een project, plan of een activiteit draagt maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM10) en/of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 μg/m3 voor zowel PM10 als NO2. 9/13
Tabel: Vuistregel bijdrage uitbreiding/oprichting veehouderij NIBM
De tabel geeft grenswaarden voor de hoeveelheid totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Indien op een bepaalde afstand totaal niet méér geëmitteerd wordt dan in de tabel is opgenomen, dan is de uitbreiding of oprichting van de betreffende veehouderij zeker NIBM. Het bestemmingsplan heeft betrekking op uitbreiding van de intensieve varkenshouderij aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg. In de omgeving van deze veehouderij zijn een aantal milieugevoelige objecten gelegen. De stofemissies vanuit de in het plangebied uitgeoefende veehouderij betreffen fijnstofemissies vanuit de bedrijfsgebouwen, bestaande uit huid-, mest- en voerdeeltjes die met de ventilatielucht naar buiten komen. De emissie van fijnstof als gevolg van transportbewegingen over het terrein van de projectlocatie is, gelet op de lage snelheid van de bewegingen (< 10 km/uur) en het beperkt aantal bewegingen, verwaarloosbaar ten opzichte van de continue emissies uit de ventilatielucht. Voor het overige treden er geen emissies op naar de buitenlucht in de vorm van broeikasgassen, zware metalen, vluchtige organische stoffen, carcinogene stoffen e.d. Voor fijnstof zijn de volgende wettelijke grenswaarden van toepassing: 40 µg/m³ wat betreft de jaargemiddelde concentratie; 35 dagen voor het aantal overschrijdingsdagen.
Cumulatie van fijnstofbelasting vormt op grond van het Activiteitenbesluit geen onderdeel van toetsing. In het als bijlage bijgevoegde fijnstofrapport wordt desondanks aan de hand van de voorgenomen wijzigingen in het plangebied ingegaan op de cumulatieve effecten qua fijnstof. NIBM Met de voorgenomen wijzigingen wordt de bestaande varkenshouderij ter plaatse van het plangebied uitgebreid (in dieraantallen) en wordt het bedrijf fors gemoderniseerd. Een nadere toelichting van de wijzigingen, inclusief de wijzigingen qua fijnstofemissie is te vinden in het als bijlage bijgevoegde fijnstofrapport. In de beoogde situatie treedt er vanuit de in het plangebied uitgeoefende veehouderij nog een fijnstofemissie op van 162.335 gram per jaar. Aangezien er in de vergunde situatie voor milieu een fijnstofemissie van 268.500 gram per jaar is, betekent de beoogde situatie een afname in de fijnstofemissie van 106.165 gram per jaar. Nu als gevolg van de voorgenomen wijzigingen in de beoogde situatie sprake is van een afname van de fijnstofemissie van de gehele inrichting ter plaatse, is het niet noodzakelijk om de voorgenomen uitbreiding van de bestaande varkenshouderij op de projectlocatie te toetsen aan de in de ‘Handreiking fijnstof en veehouderijen’ opgenomen vuistregel voor veehouderijen. De op de projectlocatie voorgenomen ontwikkeling kan zeker worden aangemerkt als NIBM. 10/13
Fijnstofbelasting Onderstaande tabel 3 geeft de resultaten weer van de berekening van de fijnstofbelasting op de relevante milieugevoelige objecten en andere relevante punten, zoals die met het verspreidingsmodel ISL3A-versie 2020-1 is gemaakt in het als bijlage bijgevoegde fijnstofrapport. Blijkens deze tabel is er geen sprake van overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor fijnstof en wordt wat dit betreft dus voldaan aan wet- en regelgeving.
Tabel: Fijnstofbelasting milieugevoelige objecten inclusief zeezout correctie
Cumulatieve fijnstofbelasting Het rapport Monitoringsrapportage NSL 2020; Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit bevat afbeeldingen die het aantal toetsingslocaties weergeven, waarbij het aantal overschrijdingsdagen van fijnstof (PM10) wordt overschreden. Deze zijn overgenomen in onderstaande afbeelding. Onderstaande afbeelding laat zien dat voor de gemeente Tilburg geldt, dat er geen toetsingslocaties zijn geregistreerd met een overschrijding van het aantal overschrijdingsdagen van fijnstof (PM10).
Afbeelding: Aantal overschrijdingsdagen van de etmaalnorm PM10 voor 2020
11/13
De cumulatieve fijnstofbelasting (achtergrondbelasting) wat betreft fijnstof (PM10) in de gemeente Tilburg is in detail weergegeven in de afbeelding hierna. Hieruit blijkt dat er ter plaatse en in de omgeving van het plangebied sprake is van een achtergrondbelasting van fijnstof (PM10) tussen 18-20 µg/m3. In de hele gemeente Tilburg en Dongen is geen sprake van een achtergrondbelasting hoger dan 26 µg/m3.
Afbeelding: Achtergrondbelasting fijnstof (bron: geodata.rivm.nl/gcn)
Een uitgebreide fijnstofberekening is alleen verplicht bij veehouderijen die een situatie beogen met een totale fijnstofemissie van meer dan: 500 kg per jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3; 800 kg per jaar ongeacht de achtergrondconcentratie. De relevante omliggende veehouderijen waarmee rekening moet worden gehouden zijn beperkt tot de veehouderijen met een fijnstofemissie van: Minimaal 500 kg per jaar in het geval het plangebied ligt in een gebied met een achtergrondconcentratie hoger dan 27 µg/m3; Minimaal 800 kg per jaar in alle andere gevallen. De fijnstofemissie vanuit de in het plangebied uitgeoefende veehouderij komt in de beoogde situatie zoals eerder aangegeven uit op 162.335 gram per jaar, wat overeenkomt met 162 kg per jaar. Op basis van bovenstaande gegevens en bovengenoemde eisen ten aanzien van wanneer het uitvoeren van een cumulatieve fijnstofberekening noodzakelijk is, valt te concluderen dat deze in dit geval niet uitgevoerd hoeft te worden. Binnen een straal van 500 meter rondom de projectlocatie bevinden zich drie actieve veehouderijen. Deze veehouderijen hebben ook een fijnstofemissie die aanzienlijk lager is dan 800 kg per jaar. Zie hiervoor onderstaande afbeelding. 12/13
Afbeelding: Fijnstofemissie omliggende veehouderijbedrijven (bron: kaartbank.brabant.nl)
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect fijnstof geen belemmering inhoudt voor de beoogde ontwikkeling van de varkenshouderij in het plangebied aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg. Volgens de uitgevoerde toetsing en gemaakte berekening heeft deze ontwikkeling een situatie tot gevolg, waarmee geen sprake is van overschrijding van de in weten regelgeving opgenomen grenswaarden omtrent luchtkwaliteit. Gezondheid Voor het volledig geurrapport wordt verwezen naar de afzonderlijk ingediende bijlage. De locatie Mosstraat 19 te Rijen is de dichtstbij het plangebied gelegen locatie waar een geitenhouderij is gevestigd. De afstand tussen deze geitenhouderij en de intensieve varkenshouderij op de locatie Vierbundersweg 64 te Tilburg bedraagt circa 2 kilometer. Overig Er zijn geen kavelgrenscorrecties nodig in verband met de bestemmingsplanherziening en uitbreidingsplannen van de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij. Hetzelfde geldt voor voorzieningen van openbaar nut. Er is in dit geval ook geen sprake van kabels, leidingen of riolering welke een belemmering kunnen vormen.
13/13