CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting met bijlagen-b001

Raadsvergadering 18 juli 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel BP Bgb De Zandleij 2012, 18e herz. (Waalwijkseweg 10A)27.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.9 Geur 4.9.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

17

ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen industriele bedrijven met een significante geur-emissie. Daarmee vormt industriele geur geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.9.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing.

Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In de directe omgeving van het plan bevinden zich een aantal agrarische bedrijven met een relevante geuremissie. Twee van deze bedrijven (Waalwijkseweg 2 en Waalwijkseweg 10a (eigen bedrijf)) stoppen met hun agrarische activiteiten. Daarmee wordt de geuremissie van deze twee bedrijven beeindigd en niet meer meegenomen in de beoordeling van dit plan. Daarmee resteren de volgende agrarische bedrijven met een geuremissie in de omgeving van dit plan: <0000> Molenhoefstraat 15 (varkens) <0000> Kuil 29 (melkvee) <0000> Kuil 31 (varkens) De geurcirkels van deze bedrijven liggen niet over het plangebied.

Met het verdwijnen van de geuremissie van de Waalwijkseweg 2 en 10a (deelnemers warme sanering varkenshouderijen) zal ook het achtergrondniveau van geur voldoen aan de eisen voor wat betreft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ter onderbouwing is in de bijlage een geuronderzoek opgenomen dat is uitgevoerd ten behoeve van de recente ontwikkeling aan Waalwijkseweg 12 (Agel Adviseurs, “Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout (versie D02)”, d.d. 21 januari 2020, projectnummer 20190274). In dat onderzoek is de geuremissie van Waalwijkseweg 10a nog wel meegenomen. Als deze uit de resultaten wordt weggelaten blijkt dat agrarische geur geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling oplevert.

4.10 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. Er is geen actuele bodemonderzoek aangeleverd doch voor de bestemmingsplanwijziging zijn er voldoende bodemgegevens aanwezig vanuit de directe omgeving, zoals van het nabijgelegen perceel Waalwijkseweg 6 en

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

18

ook van nummer 10. Deze worden behandeld in navolgend onderdeel 'Bodemkwaliteit plangebied'. Voor de omgevingsvergunningsaanvraag voor de bouw van 3 woningen dient een bodemonderzoek conform bovengenoemd onderzoeksprotocol te worden aangeleverd. Voor de sloop van de opstallen dient mogelijk een asbestinventarisatie te worden overlegd aan het bevoegd gezag voorafgaand aan de sloop. Bodemkwaliteit Plangebied Een viertal geraadpleegde onderzoeken van de omgeving laat een éénduidig beeld zien: tot ten hoogste licht verhoogde gehalten aan één of meer metalen, in zowel grond als grondwater. Deze verhoogde gehalten zijn in Brabant eerder regel dan uitzondering, zo ook in Udenhout e.o. E.e.a. wordt aangemerkt als verhoogde achtergrondwaarden. Tevens is het huidige perceel altijd braakliggend geweest waardoor de kans op eventuele verontreinigingen minimaal zal zijn. Voor een Wabo-omgevingsvergunningsactiviteit '(ver-)bouwen van bouwwerk', zal echter een verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 (VO) worden verlangd. Conclusie Op grond van een viertal onderzoeken van de omgeving kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geschikt zal zijn voor de genomen herbestemming/gebruik: de naar verwachting tot ten hoogste licht verhoogde gehalten aan één of meer metalen, in zowel grond als grondwater, vormen geen belemmering voor de herbestemming c.q.

voor het genomen toekomstig gebruik 'Wonen', al dan niet met tuin. Deze stoffen en verhogingen worden aangemerkt als verhoogde achtergrondwaarden. Er zijn geen actuele risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Er zijn geen gebruiksbeperkingen. Voor een Wabo-omgevingsvergunningsactiviteit '(ver-)bouwen van bouwwerk', zal echter minimaal een verkennend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 (VO) worden verlangd. Dit onderzoek kan het beste na sloop van eventuele panden worden uitgevoerd, aangezien sloop als bodembedreigende activiteit wordt gezien. Ook verdachte deellocaties zoals opslag brandstoffen (nabij de stallen 2 tanks) moeten in dit onderzoek worden onderzocht. Zoals eerder in het advies aangegeven kan voor het instemmen met de sloopvergunning een asbestinventarisatie worden gevraagd. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

19

beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.

Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.11.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op relatief korte afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, ligt op 0,7 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand kunnen direct verstorende effecten worden uitgesloten. Aangezien de ontwikkeling leidt tot een sterke vermindering van stikstofuitstoot kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

20

Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 0,65 km van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Achterberg Ecologie, 2021). Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusie vermeld. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Gezien de ligging in intensief gebruikt agrarisch landschap en de inrichting en gebruik van de gebouwen en het terrein is er weinig geschikt biotoop en voedsel aanwezig voor de meeste planten en dieren. Beschermde en/of zeldzame planten, amfibieën en reptielen zijn niet waargenomen of te verwachten in of rond de gebouwen. Van de waarschijnlijk of mogelijk in de stallen broedende soorten vogels zijn de nesten beschermd in het broedseizoen als ze in gebruik zijn. Veilige grenzen voor het broedseizoen van de aanwezige soorten zijn 1 maart tot en met 15 augustus.

In die periode kan sloop van de gebouwen alleen plaats vinden als kort van te voren door een ervaren ecoloog is vastgesteld dat er geen broedende vogels (meer) aanwezig zijn in een gebouw. De zwarte roodstaart is een vogel die jaarlijks terugkeert naar hetzelfde nest maar voldoende flexibel is om bij verdwijnen van de nestplaats een ander nest te bouwen. Er zijn voldoende andere gebouwen in de omgeving met geschikte nestgelegenheid. Het is onwaarschijnlijk dat er beschermde soorten in de stallen of de directe invloedssfeer van de sloopwerkzaamheden voorkomen. Anders dan algemene soorten waarvoor een vrijstelling geldt zoals huisspitsmuis en bosmuis. De te slopen stallen zijn weinig tot niet geschikt voor vleermuizen. De zijgevels zijn te laag voor vleermuizen om bij het uitvliegen weg te vallen en voldoende snelheid te bereiken om te kunnen vliegen. Kopgevels hebben praktisch geen openingen om binnen te komen. Onder de daken zijn niet echt geschikte ruimten om als verblijfplaats te dienen. In de zomer is het onder het dak snel te warm, zonder een mogelijkheid een koelere plek te bereiken. In de winter zijn de gebouwen niet temperatuur- en vochtigheidsstabiel genoeg om als winterverblijf geschikt te zijn. Conclusie Er zijn geen ecologische bezwaren tegen het slopen van de stallen. Vanwege broedende vogels in de stallen is slopen buiten het broedseizoen noodzakelijk.

Er zijn geen soorten te verwachten waarvoor een ontheffing van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk is. Negatieve effecten van het slopen van de stallen op beschermde gebieden zijn eveneens niet te verwachten.

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

21

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. In de huidige situatie is op het perceel een agrarisch bedrijf met (bij)gebouwen en erfverharding aanwezig. Kenmerk In plangebied Stroomgebied Zandleij Waterbeheerders Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Bruto oppervlakte ca. 11.260 m2 Terreinhoogte ca 11,7 m+NAP Gemiddelde hoogste Ca 10,1 m+NAP grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Meer dan 1 m Bodem Zwakzandige leemlenzen dikker dan 1 meter Riolering Drukriool (alleen vuilwater) Afkoppelgebied Niet van toepassing Oppervlaktewater Ten noorden en westen wordt het perceel begrensd door een B-watergang. Aan de Waalwijkseweg ligt een A-watergang. Keur beschermde gebieden Niet van toepassing Tabel 1; Gebiedskenmerken In de huidige situatie is het perceel deels bebouwd en verhard. Regenwater dat valt op verharde oppervlakken wordt in het perceel verwerkt of stroomt af naar de ten westen en noorden van het perceel gelegen watergang. Regenwater dat valt op onverharde oppervlakken infiltreert naar het grondwater. Het perceel is aangesloten op drukriolering. Afvalwater wordt getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam watersysteem Het bestemmingsplan maakt de bouw van drie Ruimte voor ruimte woningen mogelijk. De oppervlakte van deze woningen is nog niet bekend. De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte;

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

22

<0000>

<0000>

<0000> <0000>

de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden, wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding. Alle beetjes helpen, andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.

Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Omdat de omvang van het toekomstige verharde oppervlak nog niet bekend is kan de waterberging nog niet berekend worden. Dat moet nog gedaan worden. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. Aanbevelingen en advies voor een duurzame invulling van het watersysteem: <0000> Stel op basis van veldonderzoek vast of het plangebied geschikt is voor het toepassen van infiltratievoorzieningen; <0000> Beperk de hoeveelheid verharde oppervlakte; <0000> Pas groene daken toe, een combinatie van een groendak met zonnepanelen is goed mogelijk en leidt tot een hoger rendement van de panelen; <0000> Voer (een deel van) de terreinverhardingen zoals parkeervakken uit in een halfverharding/grastegels; <0000> Pas voor de resterende opgave ondergrondse waterberging toe in een centraal elementensysteem of een waterbergende verhardingsfundering. Een overloop van de waterbergingsvoorziening(en) dient in overleg met waterschap te worden aangesloten op het oppervlaktewater. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.

Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijke afvalwater van het perceel dient te worden ingezameld en afgevoerd naar de aanwezige drukriolering.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

23

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

24

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg 7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 11 december 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro PM

7.3 Omgevingsdialoog In januari 2021 heeft initiatiefnemer omwonenden ingelicht over de ontwikkeling. De enige vermeldenswaardige reactie betrof de te handhaven loods en het uitzicht daarop. De desbetreffende buren kunnen zich (kennelijk) niet verenigen met dit uitzicht. Initiatiefnemer heeft deze reactie naast zich neergelegd, het handhaven van de bestaande loods is een essentieel onderdeel van het plan.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009). INVULLEN (per genummerde zienswijze een inhoudelijk oordeel, met conclusie dat zienswijze geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is).

Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a)

25

Bijlage bij toelichting Bijlage 1 Geuronderzoek (Waalwijkseweg 12) Geuronderzoek (Waalwijkseweg 12)

Bijlage 2 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording Inventarisatie risicobronnen en verantwoording

Bijlage 3 Quick Scan Ecologie Quick Scan Ecologie

Bijlage 4 Parkeernormen Tilburg 2017 Parkeernormen Tilburg 2017

Bijlage bij toelichting Bijlage 1 Geuronderzoek (Waalwijkseweg 12) Geuronderzoek (Waalwijkseweg 12)

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Memo Datum

:

21 januari 2020

Bestemd voor

:

Bureau Broeders

Van

:

mw. ing. G.J. Andries

Projectnummer

:

20190274

Betreft

:

Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout (versie D02)

1

Paraaf :

INLEIDING

In het kader van de RO procedure voor een ruimtelijke ontwikkeling aan de Waalwijkseweg 12 te Udenhout dient een onderzoek op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) te worden uitgevoerd. De procedure omvat de realisatie van een nieuwe woning. Bureau Broeders heeft AGEL adviseurs opdracht gegeven voor het uitvoeren van het onderzoek. In het kader van de RO procedure wordt de woning aangemerkt als een ruimte-voor-ruimte woning. Het betreft echter een gekochte titel, niet afkomstig van een veehouderij op het perceel waar de woning is gepland. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij moet de woning derhalve worden beoordeeld als een nieuwe woning. 2

SITUERING PLANGEBIED

Het plangebied is gelegen aan de Waalwijkseweg 12 te Udenhout. In figuur 1 is de voorlopige situering van de woning binnen het plangebied weergegeven. Het rood omrande vlak betreft het bouwvlak waarbinnen planologisch gezien de woning mogelijk wordt gemaakt.

Pagina 1 van 8 Postbus 4156 4900 CD Oosterhout Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout

t. 0162 - 456481 f. 0162 - 435588 e. info@ageladviseurs.nl i. www.ageladviseurs.nl

Op alle door ons aanvaarde opdrachten en verrichte werkzaamheden zijn de ‘De rechtsverhouding opdrachtgever-architect, ingenieur en adviseur DNR 2011 herzien (juli 2013)’ van toepassing. De DNR 2011 herzien (juli 2013) wordt op verzoek toegezonden. Btw nr. NL800203823B01 - IBAN NL72ABNA0594482291 - BIC ABNANL2A - KvK Breda 20051141

A G E L adviseurs D02; 21 januari 2020 Betreft: Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout

20190274 blad 2

Figuur 1: Voorlopige situering woning binnen plangbied (bouwvlak rood omrand)

3 3.1

TOETSINGSKADER Algemeen

Bij een ruimtelijke ontwikkeling met geurgevoelige objecten dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro) en dat de omliggende veehouderijen niet (aanvullend) worden beperkt in hun mogelijkheden (Wro).

Pagina 2 van 8

ruimte infra bouw milieu

A G E L adviseurs D02; 21 januari 2020 Betreft: Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout

3.2

ruimte infra bouw milieu

20190274 blad 3

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)

Geurgevoelig object

Binnen de Wgv wordt onderscheidt gemaakt tussen 5 typen geurgevoelige objecten, te weten:  Type 1, ruimte-voor-ruimte woningen (of ander geurgevoelig object);  Type 2, bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij;  Type 3, voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij;  Type 4, voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die al voor 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij;  Type 5, alle woningen (of ander geurgevoelig object) die niet vallen onder type 1 tot en met type 4. In de voorliggende situatie is sprake van type 5 zodat de volgende normen van toepassing zijn:  Algemeen geldende vaste afstanden;  Vaste afstand voor veehouderijen met dieren zonder emissiefactor;  Maximale geurbelasting ten gevolge van veehouderijen met dieren met een emissiefactor. Onderstaand worden de normen uit de Wgv nader toegelicht. Afwijking van de normen uit de Wgv is mogelijk indien door de gemeente een geurbeleid is vastgesteld. Door de gemeente Tilburg is geen geurbeleid vastgesteld.

3.2.1

Algemeen geldende vaste afstanden

3.2.2

Vaste afstanden voor veehouderijen met dieren zonder emissiefactor

Voor alle gevallen gelden vaste afstanden, deze zijn opgenomen in art. 5 lid 1 Wgv. De afstanden worden gemeten van de gevel van het dichtstbijzijnde dierverblijf tot de gevel van het geurgevoelig object en bedragen:  50 meter binnen de bebouwde kom;  25 meter buiten de bebouwde kom. De ligging van het geurgevoelig object is bepalend voor het onderscheid tussen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. In de voorliggende situatie is sprake van de realisatie van een nieuwe woning buiten de bebouwde kom zodat getoetst moet worden aan een vaste afstand van 25 meter. Voor veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor gelden vaste afstanden. Deze afstanden worden gemeten van het emissiepunt van het dichtstbijzijnde dierverblijf tot de gevel van het geurgevoelig object en bedragen:  100 meter binnen de bebouwde kom;  50 meter buiten de bebouwde kom; De ligging van het geurgevoelig object is bepalend voor het onderscheid tussen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. In de voorliggende situatie is sprake van de realisatie van een nieuwe woning buiten de bebouwde kom zodat getoetst moet worden aan een vaste afstand van 50 meter.

Pagina 3 van 8

A G E L adviseurs D02; 21 januari 2020 Betreft: Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout

3.2.3

ruimte infra bouw milieu

20190274 blad 4

Geurbelasting veehouderijen met dieren met emissiefactor

De maximaal toegestane geurbelasting ten gevolge van een intensieve veehouderij ter plaatse van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging van het geurgevoelig object in een concentratie gebied of een niet concentratie gebied. De gemeente Tilburg is gelegen in een zogenaamd concentratiegebied. Voor concentratiegebieden gelden de volgende normen:  3 OUE/m3 binnen de bebouwde kom;  14 OUE/m3 buiten de bebouwde kom. In de berekeningen wordt het emissiepunt op de grens van het bouwvlak van de veehouderij gelegd, op kortste afstand tot het geurgevoelig object. Uitzondering hierop vormt de situatie dat reeds sprake is van een overbelaste situatie. In die situatie wordt uitgegaan van de werkelijke (vergunde) situatie. 3.3

Wet ruimtelijke ordening (Wro)

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in het kader van een goede ruimtelijke ordening, de geurbelasting en daarmee het woon- en leefklimaat inzichtelijk te worden gemaakt ter plaatse van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast moet worden onderzocht of de omliggende veehouderijen niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering.

Woon- en leefklimaat

Het woon- en leefklimaat wordt bepaald aan de hand van de milieukwaliteitscriteria die de RIVM hanteert. Hierbij is een vertaalslag gemaakt van de geurbelasting (OUE/m3) naar de kans op geurhinder (uitgedrukt in percentages) en naar de beoordeling van het woon- en leefklimaat. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten in een concentratiegebied en geurgevoelige objecten in een niet-concentratiegebied. Het voorliggend plangebied bevindt zich in een concentratie gebied. Tabel 1 geeft voor een concentratiegebied, de beoordeling van de geurbelasting en de daarbij horende beoordeling van het woon- en leefklimaat. Tabel 1: Beoordeling woon- en leefklimaat op basis van geurbelasting (OUE/m3), concentratiegebied Voorgrond

Achtergrond

Mogelijke kans op

Beoordeling

Geurhinder (%)

Leefklimaat

< 1,5

< 3,0

<5%

Zeer goed

1,5 - 3,5

3,0 - 7,0

5 - 10 %

Goed

3,5 - 6,5

7,0 - 13,0

10 - 15 %

Redelijk goed

6,5 - 10,0

13,0 - 20,0

15 - 20 %

Matig

10,0 - 14,0

20,0 - 28,0

20 - 25 %

Tamelijk slecht

14,0 - 19,0

28,0 - 38,0

25 - 30 %

Slecht

19,0 - 25,0

38,0 - 50,0

30 - 35 %

Zeer slecht

25,0 - 32,0

50,0 - 65,0

35 - 40 %

Extreem slecht

Pagina 4 van 8

A G E L adviseurs D02; 21 januari 2020 Betreft: Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout

ruimte infra bouw milieu

20190274 blad 5

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de hoogste geurbelasting bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. Onder de achtergrondbelasting wordt verstaan de geurbelasting als gevolg van de werkelijke situatie van alle intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 km rond het geurgevoelig object. Beperking omliggende veehouderijen De toetsing Wro omvat tevens dat moet worden onderzocht of de omliggende veehouderijen als gevolg van de nieuwe ontwikkeling niet aanvullend worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Indien zich tussen de nieuwe ontwikkeling en de veehouderij reeds een geurgevoelig object bevindt of indien reeds sprake is van een overbelastte situatie, zal de nieuwe ontwikkeling niet aanvullend beperkend zijn voor de bedrijfsvoering van de veehouderij. Indien dit niet het geval is, moet worden onderzocht of de veehouderij uitbreidingsmogelijkheden heeft en in hoeverre deze worden beperkt door de nieuwe ontwikkeling. 4

BEOORDELING

Bijlage 1 geeft een overzicht van alle veehouderijen binnen een straal van 2 km rond de planlocatie met de geuremissie van de veehouderij. Een emissie van 0 OUE/s betekent dat sprake is van een veehouderij met dieren zonder emissiefactor. 4.1

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)

4.1.1

Algemeen geldende vaste afstanden

4.1.2

Vaste afstanden voor veehouderijen met dieren zonder emissiefactor

4.1.3

Geurbelasting veehouderijen met dieren met emissiefactor

In de voorliggende situatie is sprake van de realisatie van een nieuwe woning buiten de bebouwde kom zodat getoetst moet worden aan een vaste afstand van 25 meter. Binnen een afstand van 25 meter van de grens van het bouwvlak bevindt zich geen dierverblijf, zodat voldaan wordt aan de algemeen geldende vaste afstand. De dichtstbij gelegen veehouderij met dieren zonder emissiefactor betreft de veehouderij aan de Waalwijksebaan 9a. De afstand van de gevel van het dierverblijf tot de grens van het bouwvlak van de nieuwe woning bedraagt 65 meter. De positie van het emissiepunt van deze veehouderij is bepalend voor de toetsing. Deze valt zeker binnen het dierverblijf zodat kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de eis van 50 meter uit de Wgv. De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom van de Udenhout. Het gebied bevindt zich in een concentratie gebied zodat een norm geldt van 14 OUE/m3. De gemeente Tilburg heeft geen geurverordening vastgesteld. Indien de berekende geurbelasting lager is dan deze norm staat dit de realisatie van het geurgevoelig object niet in de weg.

Pagina 5 van 8

A G E L adviseurs D02; 21 januari 2020 Betreft: Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout

ruimte infra bouw milieu

20190274 blad 6

Binnen een straal van 2 km rond het nieuwe geurgevoelig object bevinden zich diverse intensieve veehouderijen. In de voorliggende situatie is de intensieve veehouderij op het adres Waalwijkseweg 10A bepalend. Deze veehouderij heeft een geuremissie van 25047 OUE/s. De berekeningen zijn uitgevoerd naar de grens van het bouwvlak van het nieuwe geurgevoelig object. Figuur 2 geeft de positie van de rekenpunten. Figuur 2: Planlocatie met daarin aangegeven de rekenpunten (bron: Google Maps)

3

4

2

5

6

1 8

7

Gelet op de situatie kan niet worden uitgesloten dat ter plaatse van de bestaande woningen reeds sprake van een overbelastte situatie. In die situatie mag voor de nieuwe woning uitgegaan worden van de werkelijke situatie. In dit kader is in eerste instantie de geurbelasting ter plaatse van de bestaande woningen als gevolg van de vergunde situatie van de veehouderij aan de Waalwijkseweg 10A, inzichtelijk gemaakt. De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma V-Stacks Gebied versie 2010.1. Bijlage 2 geeft de invoergegevens van de berekeningen, bijlage 3 de rekenresultaten. Tabel 2 geeft de voor de bestaande woningen berekende geurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Waalwijkseweg 10A.

Pagina 6 van 8

A G E L

ruimte infra bouw milieu

adviseurs D02; 21 januari 2020 Betreft: Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout

20190274 blad 7

Tabel 2: Rekenresultaten geurbelasting intensieve veehouderijen Waalwijkseweg 10A ter plaatse van de bestaande woningen Adres veehouderij

Nr. 8a OUE/m3

Nr. 8b OUE/m3

10 OUE/m3

12 OUE/m3

Waalwijkseweg 10A

7,3

5,2

15,6

5,7

Uit tabel 2 Blijkt dat ter plaatse van de woning Waalwijkseweg 10 sprake is van een overbelaste situatie zodat voor de beoordeling van de geurbelasting ter plaatse van de nieuwe woning uitgegaan mag worden van de werkelijke situatie. Tabel 3 geeft voor de rekenpunten op de grens van het bouwvlak van de nieuwe woning de geurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Waalwijkseweg 10A (vergunde situatie). Tabel 3: Rekenresultaten geurbelasting intensieve veehouderijen Waalwijkseweg 10A ter plaatse van de bestaande woningen Adres veehouderij

1 OUE/m3

2 OUE/m3

3 OUE/m3

4 OUE/m3

5 OUE/m3

6 OUE/m3

7 OUE/m3

8 OUE/m3

Waalwijkseweg 10A

5,2

6,9

9,2

9,7

9,7

7,2

5,6

5,4

Uit tabel 3 blijkt dat de geurbelasting ter plaatse van de grens van het bouwvlak maximaal 9,7 OUE/m3 bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de eis uit de Wgv van 14 OUE/m3. 4.2

Wet ruimtelijke ordening (Wro)

In het kader van de toets ruimtelijke ordening is de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van de grens van het bouwvlak berekend. Voor de voorgrondbelasting is de veehouderij aan de Waalwijkseweg 10A bepalend. Ten behoeve van de achtergrondbelasting zijn alle intensieve veehouderijen binnen een straal van 2 km rond het plangebied, in de beoordeling meegenomen. Tabel 4 geeft voor de rekenpunten op de grens van het bouwvlak de maximaal berekende voorgrondbelasting, de achtergrondbelasting en de daaruit voorvloeiende beoordeling van het woonen leefklimaat ter plaatse van het bouwvlak van het nieuwe geurgevoelig object. Tabel 3: Beoordeling woon- en leefklimaat nr

Voorgrond

Achtergrond

Mogelijke kans op

Beoordeling

Geurhinder (%)

Leefklimaat

1

5,2

6,9

10 – 15 %

Redelijk goed

2

6,9

10,3

15 – 20 %

Matig

3

9,2

14,8

15 – 20 %

Matig

4

9,6

16,4

15 – 20 %

Matig

5

9,7

16,1

15 – 20 %

Matig

6

7,2

10,3

15 – 20 %

Matig

7

5,6

7,4

10 – 15 %

Redelijk goed

8

5,4

7,3

10 – 15 %

Redelijk goed

Pagina 7 van 8

A G E L adviseurs D02; 21 januari 2020 Betreft: Onderzoek geurhinder en veehouderij, Waalwijkseweg 12 te Udenhout

ruimte infra bouw milieu

20190274 blad 8

Uit tabel 3 blijkt dat ter plaatse van het bouwvlak van het nieuwe geurgevoelig object sprake is van een beoordeling van “redelijk goed” tot “matig”. Uit figuur 1 blijkt dat de voorlopige positionering van de woning meer aan de zuidzijde van het bouwvlak is. Dit betekend dat de voorlopige positionering van de woning binnen het bouwvlak voor het milieuaspect geur en veehouderij de beste optie is. Aan de zuidzijde van het bouwvlak is overwegend sprake van een “redelijk goed” woon- en leefklimaat. Tussen de veehouderij aan de Waalwijkseweg 10A en de nieuwe woning bevinden zich geen bestaande woningen. Uit dat oogpunt zou sprake kunnen zijn van een aanvullende beperking voor de veehouderij. Er is echter reeds sprake van een overbelastte situatie hetgeen betekend dat uitbreiding van de veehouderij ook zonder deze nieuwe woning niet mogelijk is. De nieuwe woning geeft derhalve geen aanvullende beperking. 5

CONCLUSIE

Voor de realisatie van een woning aan de Waalwijkseweg 12 te Udenhout is een onderzoek geur en veehouderij uitgevoerd. Bureau Broeders heeft AGEL adviseurs hiervoor opdracht gegeven. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Ter plaatse van de bestaande woningen is voor de veehouderij aan de Waalwijkseweg 10A sprake van een overbelastte situatie zodat voor de berekening van de geurbelasting ter plaatse van het bouwvlak van de nieuwe woning uitgegaan mag worden van de werkelijke (vergunde) situatie. In die situatie wordt ter plaatse van de grens van het bouwvlak voldaan aan de eis van 14 OUE/m3 uit de Wgv. Verder is onderbouwt dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende veehouderijen niet aanvullend worden beperkt in hun mogelijkheden. Geconcludeerd kan worden dat de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling niet stuit op beperkingen ten aanzien van het milieuaspect geur en veehouderij.

BIJLAGEN 1 2 3

Veehouderijen binnen een straal van 2 km; Invoergegevens berekeningen; Rekenresultaten.

Pagina 8 van 8

BIJLAGE 1 VEEHOUDERIJEN BINNEN EEN STRAAL VAN 2 KM

Geur Emisiekaart

Legenda Veehouderijen Bedrijven in buffer Buffer (2km) Plangebied

Projectnaam: Waalwijkseweg 12 te Udenhout Projectnummer: 20190274-00 Datum: 18-11-2019 Schaal: 1:25.000 Formaat: A4

BIJLAGE 2 INVOERGEGEVENS BEREKENNGEN

GGO bestand

Invoergegevens Waalwijkseweg 10A

Invoergegevens achtergrondbelasting

BIJLAGE 3 REKENRESULTATEN

Berekeningsresultaten Waalwijkseweg 10A, vergunde situatie

Berekeningsresultaten achtergrondbelasting

A G E L

adviseurs Postbus 4156 4900 CD Oosterhout Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout

ruimte infra bouw milieu

0162 - 456481 info@ageladviseurs.nl www.ageladviseurs.nl

Bijlage 2 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording Inventarisatie risicobronnen en verantwoording

Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico – Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a), Udenhout 1. Inleiding Het plan heeft betrekking op het realiseren van 3 RvR-woningen ter plaatse van het huidige varkensbedrijf aan Waalwijkseweg 10A. Initiatiefnemer neemt deel aan de warme sanering varkenshouderijen, de varkens verdwijnen dus. Er resteert geen agrarisch bedrijf. Wat resteert is een loods voor opslag en beperkte timmeractiviteiten.

2. Wettelijk kader a. Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's overwogen moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in de ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. b. Wettelijk kader De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. De gemeente Tilburg heeft naast bovengenoemde wettelijke toetsingskaders ook een gemeentelijk toetsingskader vastgesteld, namelijk een beleidsvisie externe veiligheid getiteld: "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan vier kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, het plasbrandaandachtsgebied en de verantwoording. Een nadere toelichting voor deze begrippen zijn beschreven in de laatste paragraaf van dit document, onder het kopje begrippenkader. 3.

Inventarisatie risicobronnen Hieronder volgt de inventarisatie van de risicobronnen die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Elke ontwikkeling die ligt binnen het invloedsgebied van een risicobron moet worden verantwoord. Per risicobron wordt beoordeeld of het plangebied binnen het invloedsgebied ligt en deze relevant is voor de verantwoording. Inrichtingen (bedrijven) De bestemmingsplanherziening maakt het planologisch niet mogelijk om risicovolle inrichtingen op te richten binnen het plangebied. In en rond het plangebied bevinden zich tevens geen risicovolle inrichtingen waarvan het invloedsgebied reikt tot het plangebied. Een momenteel nog aanwezige propaantank wordt geamoveerd tegelijk met de sloop van de stallen. Deze vormt dus geen belemmering voor de plannen. Transport gevaarlijke stoffen Het invloedsgebied van de transportassen over de weg en het spoor met gevaarlijke stoffen verschilt per transportas. In onderstaande tabel is een overzicht van de wegen en sporen met de stofcategorie die zorgt voor het grootste invloedsgebied. Transportas Lokale transportroute Spoor Tilburg - Vught

Bepalende stof invloedsgebied Stof (code) Naam (typering van de stof) GF3 Brandbaar gas D4 Zeer toxische vloeistof

Invloedsgebied 355 m > 4.000 m

Afstand tot plangebied > 1.560 m > 775 m

Rijksweg A65/N65 Spoor Tilburg - Boxtel Spoor Breda - Tilburg Rijksweg A58

LT2 B2 D4 GT4

Toxische vloeistoffen Toxisch gas Zeer toxische vloeistof Vloeistof verdicht gas

880 m 995 m > 4.000 m > 4.000 m

> 2.430 m > 3.180 m > 4.120 m > 5.620 m

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, ligt het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg – Vught over het plangebied. Gezien de afstand tussen het plangebied en deze transportroute gevaarlijke stoffen wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Een nadere beschouwing van het groepsrisico in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling is niet nodig (afstand is groter dan 200 meter). Plasbrandaandachtsgebieden (PAG) Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden moet voor bepaalde (spoor)wegen rekening worden gehouden met de zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden. Het gaat hier om (spoor)wegen waarover veel transport van brandbare vloeistoffen plaatsvindt zoals benzine. Voor Tilburg is dit het spoor Breda-Tilburg, Tilburg – Vught en de A58. Het spoor vanaf de splitsing richting Vught en de A65 kent geen plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is een gebied van 30 meter uit de rand van een rijstrook van een weg dan wel 30 meter van de buitenste spoorstaaf op het spoor. Binnen plasbrandaandachtsgebieden moeten de effecten van een plasbrand meegenomen worden in de verantwoording. Daarnaast gelden binnen het plasbrandaandachtsgebied aanvullende bouwvoorschriften voor nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Het spoor Tilburg – Vught kent geen PAG.

Hogedruk aardgasleidingen en K1,K2,K3-vloeistofleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden de veiligheidsaspecten geregeld van hogedruk buisleidingen. Er ligt geen invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding of K1,K2,K3-vloeistofleiding over het plangebied. Verder bevindt een deel van het plangebied zich binnen het zoekgebied van de Structuurvisie buisleidingen. Binnen het zoekgebied van 250 meter aan weerszijden van het voorkeurstracé gelden geen speciale verplichtingen of beperkingen. Het zoekgebied is alleen bedoeld om binnen bepaalde ruimtelijke marges gemeenten de gelegenheid te bieden de ligging van het voorkeurstracé beperkt aan te passen. Een nadere onderbouwing hieromtrent wordt niet nodig geacht. Conclusies Het plangebied maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen de plaatsgebonden risicocontour van een Beviinrichting, transportas en/of hogedruk aardgasleiding. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg – Vught. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de groepsrisicoverantwoording ingevuld.

4. Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.

5. Verantwoording groepsrisico Buitengebied De Zandleij 2012, 18e herziening (Waalwijkseweg 10a), Udenhout De gevolgen van het onderhavige bestemmingsplan voor het groepsrisico zijn bekend en vormen samen met de aanwezige mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit en

de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van in de nabijheid aanwezige personen de basis voor de verantwoording groepsrisico. De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid moet op twee aspecten worden beoordeeld: Is het rampscenario te bestrijden Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren. Gezien de afstand tussen het plangebied en de relevante transportroute (> 700 meter) is enkel het toxisch scenario relevant en nader beschouwd. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagon lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Opkomsttijd brandweer De aanrijtijd voor deze locatie bedraagt 9 minuten vanaf de brandweerkazerne in Udenhout (binnen de zorgnorm voor nieuwbouwwoningen). Aan de Waalwijkseweg liggen ter hoogte van de inrit naar nummer 10A twee brandkranen. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen.

De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies bedoeld voor groepen nietzelfredzame personen opgenomen. Vluchtmogelijkheden Het plangebied wordt via de bestaande wegenstructuur (Waalwijkseweg, Molenhoefstraat) goed ontsloten, waardoor het gebied goed te ontvluchten is. Ventilatie Bij blootstelling aan een toxisch gas is ‘schuilen’ vaak de beste wijze van zelfredzaamheid. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Conform het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.31 – regelbaarheid) moet de mechanische ventilatie uitgeschakeld kunnen worden. Met name zich als een calamiteit met een gifwolk voor doet.

Alarmering De dichtstbijzijnde WAS-paal bevindt zich op 1,7 kilometer; buiten gehoorsafstand. Voor alarmering zal gebruik moeten worden gemaakt van digitale mogelijkheden zoals NL Alert. Daarmee kunnen bewoners gealarmeerd worden en wordt het gewenste handelingsperspectief aangedragen in geval van een calamiteit. Risicocommunicatie Door actief te communiceren over risico’s zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De brandweer Midden- en West-Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico’s wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden niet gezien als verminderd zelfredzaam.

6. Conclusies Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg – Vught. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen de genoemde invloedsgebieden is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording is het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: - De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; Aangezien het plan op >750 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; De bereikbaarheid van het plangebied is goed; Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; Het plangebied ligt buiten het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem). Er moet gebruik gemaakt worden van NL-Alert.

Dit instrument biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Het bouwwerk dient voorzien te zijn van een afsluitbare mechanische ventilatie. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

Begrippenkader Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan worden weergegeven met zogeheten risicocontouren; lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kan niet op de kaart worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waarbij de kans (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij wettelijk anders geregeld), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Plasbrandaandachtsgebieden In de regeling Basisnet zijn rijkswegen en spoordelen aangewezen waar rekening gehouden moet worden met de zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden. Voor Tilburg is dit het spoor Breda-Tilburg- Eindhoven en de A58. Het spoor vanaf de splitsing richting Den Bosch en de A65 kent geen plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is een gebied van 30 meter uit de rand van een rijstrook van een weg dan wel 30 meter van de buitenste spoorstaaf op het spoor. Binnen plasbrandaandachtsgebieden moeten de effecten van een plasbrand meegenomen worden in de verantwoording. Daarnaast gelden aanvullende bouwvoorschriften voor nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Verantwoordingsplicht In de wetgeving (Bevi, Bevt en Bevb) is een verplichting opgenomen het groepsrisico te verantwoorden. Deze verantwoording houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In de wetgeving zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording moet voldoen. (beperkt) Kwetsbaar object/ Bijzonder kwetsbaar object De (beperkt) kwetsbaarheid van objecten is vastgelegd in wet en regelgeving.

Bijzonder Kwetsbaar is geen definitie uit de regelgeving, bijzonder kwetsbaar is gedefinieerd in de beleidsvisie externe veiligheid "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Een kwetsbaar object is vastgelegd in regelgeving; woningen, woonschepen en woonwagens, met een dichtheid van meer dan 2 per hectare gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten zoals: o Ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; o Scholen; o Gebouwen of een gedeelte daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; Gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot deel van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren; o Kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object; o Complexen, waarin meer dan vijf winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; Kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11684282/1