CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting met bijlage - b001 Loven-Bosscheweg

Hamerraad 1 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herz (Bosscheweg 158)29.778 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-MER als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op ruime afstand ca. 2,3 en 5 km van gebieden die wel als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn geen negatieve effecten op de nabijgelegen NNB (voorheen EHS) en Natura2000-gebieden te verwachten. Ook tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase zullen niet aan de orde zijn. Significante gevolgen kunnen daarom worden uitgesloten. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf Natuur/ecologie. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; <0000> belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 Wet milieubeheer.

De criteria betreffen: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. Toetsing: 1.

Fysieke kenmerken van het plan/project

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

20

Het plan heeft betrekking op de bouw van 11 grondgebonden woningen. De locatie is nu in gebruik als paardenwei en tuin bij een vrijstaande woning. Het perceel waarop gebouwd wordt grenst aan een bestaande straat. 2.

Plaats van het project Het plan/project wordt uitgevoerd op een locatie die nu in gebruik is als paardenwei en gebruikt gaat worden als woonlocatie.

3.

Kenmerken van de potentiële effecten Het plan/project betreft het realiseren van woningen. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieuen omgevingsaspecten. Bodem Door Lankelma is op 8 september 2020 een bodemonderzoek afgerond. Er blijken geen belemmeringen voor de geplande nieuwbouw op de locatie. Archeologie en cultuurhistorie In 2020 is ter voorbereiding op dit initiatief door BAAC een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd: Tilburg, Plangebied ten westen van Bosscheweg 158, BAAC Rapport V-20.0129, E.A.M. de Boer. Er wordt geadviseerd om bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm –mv (buffer van minimaal 20 cm) een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. In de regels van het bestemmingsplan wordt hiervoor een dubbelbestemming archeologie opgenomen. Water Door het bouwplan neemt de hoeveelheid verharding toe. Alle hemelwater op de locatie wordt ter plaatse geïnfiltreerd. Per saldo neemt de kans op verdroging niet toe Natuur/Ecologie Door Van Helvoirt is een quickscan flora en fauna (28 oktober 2020) uitgevoerd. Daaruit blijkt dat zich geen natuurwaarden op de locatie bevinden. Mogelijk passeren er marterachtigen. Bij de inrichting van de publieke ruimte wordt voorzien in een habitat die geschikt is voor marterachtigen. Het bureau heeft ook een boomeffectanalyse (8 september 2020) uitgevoerd.

Er bevinden zich geen bomen met een beschermde status op of aan de locatie. Uit de conclusies blijkt dat de wortelgroei van enkele (3) aanwezige bomen beperkt hinder kunnen ondervinden van de bebouwing. Er worden maatregelen genomen om de wortels te beschermen. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabijgelegen gebied betreft het gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. Die liggen op circa 2,3 kilometer afstand. Veel Natura 2000 gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. In een Aerius berekening (Van Empel, 22 september 2020) is berekend dat gelet op de beperkte ingreep (woningbouw) en de grote afstand tot het Natura-2000 gebied, er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op het natuurgebied. Geluid De locatie blijkt geluidbelast door spoorweglawaai (onderzoek Physibuild d.d. 8 september 2020). Door de bouw van de woningen neemt de geluidbelasting niet toe. De woningen gaan voldoen aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot geluidbelasting in de woningen. Luchtkwaliteit De luchtkwaliteit wordt niet beïnvloed door de toevoeging van de 11 woningen. Geurhinder Het bouwplan veroorzaakt geen geurhinder. Externe veiligheid

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

21

Uit onderzoek van Kragten (1 oktober 2020) blijkt een toename van het groepsrisico. De toename is blijkens de opgestelde verantwoording aanvaardbaar. De aanwezigheid van een buisleiding heeft geen invloed op de plaatsgebonden risicocontour. 4.

Mogelijke gevolgen tgv de verwachte residuen en emissies, de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Deze zijn niet van toepassing

Conclusies en advies Het doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van het project Moerenburcht te Tilburg. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure voor dit project.

4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (de binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De projectlocatie bevindt zich niet binnen de richtafstand van omliggende bedrijven. Binnen het plan worden enkel een woning en appartementen gerealiseerd. Daarmee is er vanuit Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering voor dit plan. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht.

Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (waaronder bestemmingsplannen) moet ook aan de zogenaamde omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: 1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; 2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; 3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's;

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

22

4. 5.

nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. De projectlocatie bevindt zich grotendeels buiten de 2km zone van de meest nabijgelegen geitenhouderij. Enkel het meest oostelijke puntje van het perceel bevindt zich binnen de zone van het geitenmoratorium. De bouwvlakken voor de woning en de appartementen bevinden zich geheel buiten de 2km zone. Daarmee is het geitenmoratorium geen beperking voor de bouw van de woning en appartementen.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.

Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde quick scan externe veiligheid (d.d. 3 februari 2020) bijlage 18en Verantwoording groepsrisico Moerenburcht Tilburg, WND706, 1-10-2020 (bijlage 3) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Breda-Tilburg-Vught/Boxtel, ondergrondse buisleiding Z-522-01 en de Rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. Voor de spoorlijn en de buisleiding is een groepsrisicoberekening uitgevoerd door Bureau Kragten getiteld ‘BOS - Kragten - Risico buisleidingen – 201001’ (bijlage 4) en ‘BOS - Kragten - Externe veiligheid spoor – 201001’ (bijlage 5). Beide QRA’s zijn is op 16 november 2020 goedgekeurd door R. Kouwen, gemeente Tilburg. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportgebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk. <0000> Combinatie met gemengd of intensief gebied is mogelijk. <0000> Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten.

<0000> Beheersbaarheid spoor en gemeentelijke wegen op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda-Tilburg-Vught/Boxtel, ondergrondse buisleiding Z-522-01 en de Rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

23

blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Verantwoording groepsrisico Moerenburcht Tilburg, WND706, 1-10-2020 . De brandweer Midden- en West-Brabant heeft d.d. 16 november 2020 advies uitgebracht (zie bijlage 6). De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De berekende hoogte van het groepsrisico voor de spoorlijn is laag (minder dan 0,1 maal de oriënterende waarde) en in de toekomstige situatie is slechts sprake van een marginale toename. Voor de buisleiding geldt dat – zowel in de huidige als de toekomstige situatie – het groepsrisico minder bedraagt dan 10% van de oriëntatiewaarde.

Voor de A58 is een groepsrisicobeschouwing niet aan de orde (afstand tot transportroute bedraagt > 200 meter); <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Bewoners kunnen gealarmeerd worden via de WAS-palen of NL-Alert; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied redelijk goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij gebruik van mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> De brandweer voldoet wat de opkomsttijd betreft aan de normen van het dekkings- en spreidingsplan.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

24

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeers- en spoorweglawaai De nieuwe woningen zijn: <0000> gelegen binnen de zone van een weg zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betreft de Bosscheweg waar een snelheidsregiem geldt van maximaal 50 km/uur. <0000> gelegen binnen het aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder. Dit betreft de spoorlijn Tilburg-’s-Hertogenbosch en Tilburg-Boxtel. Daarom is voor de oprichting van de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het akoestisch rapport opgesteld door PhysiBuild d.d. 9 augustus 2020 met rapportnummer W132-RA-01 (zie bijlage 7). Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat: <0000> de voorkeurgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai voor de Bosscheweg met 2 dB wordt overschreden.

De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een binnenstedelijke situatie wordt niet overschreden; <0000> de voorkeurgrenswaarde van 55 dB voor spoorweglawaai op alle rekenpunten wordt overschreden. Op een deel van het plangebied wordt tevens de maximale ontheffingswaarde van 68 dB overschreden; <0000> spoorweglawaai dominant is bij het bepalen van de gecumuleerde geluidbelasting; <0000> maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting terug te brengen tot aan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB (weg) respectievelijk 55 dB (spoor) niet doelmatig zijn. Om de woningen akoestisch mogelijk te maken: <0000> is het noodzakelijk om hogere grenswaarden vast te stellen voor de Bosscheweg en de spoorlijnen Tilburg-’s-Hertogenbosch en Tilburg-Boxtel; <0000> heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarde besluit genomen dat bij het bestemmingsplan is gevoegd (zie bijlage 8). 4.6.2 Gemeentelijk geluidbeleid Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluidbelaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon- en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen.

Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen berekend volgens de Wet geluidhinder meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai respectievelijk 60 dB voor spoorweglawaai. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen t.g.v. spoorlawaai hoger is dan 60 dB. Dit betekent dat er aanvullende voorwaarden aan de nieuwe woningen gesteld zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening te borgen. Dit betekent dat elke woning over een geluidluwe buitenruimte en een geluidluwe gevel moet beschikken. Om aan deze voorwaarden te kunnen voldoen is in het bouwkundig ontwerp rekening gehouden dat alle woningen op de begane grond aan de spoorkant van een afsluitbare loggia worden voorzien. Daar waar de maximale ontheffingswaarde van 68 dB voor spoorweglawaai wordt overschreden, worden of aanvullende gebouwgebonden maatregelen getroffen of worden de gevels(delen) doof uitgevoerd. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht.

Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. Het plangebied zelf is niet gelegen binnen de 50 dB(A) contour van een gezoneerd industrieterrein respectievelijk de 50 dB(A) contour van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is opgesteld.

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

25

4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.7 Trilling De nieuwe woningen komen op korte afstand van het spoor te liggen (< 100 meter). Hierdoor is trillingshinder niet of niet volledig uit te sluiten. Daarom is er een trillingsonderzoek uitgevoerd door Greten Raadgevende Ingenieurs. Voor de uitgangspunten en de rekenresultaten wordt verwezen naar het rapport d.d. 30 november 2020 met documentnummer Rtri109aaA0.hg, revisie 2 (zie bijlage 9). Uit het onderzoek blijkt dat: <0000> de streefwaarden A1 en A2 (voor Vmax) en A3 (voor Vper) voor de functie wonen voor een nieuwe situatie, zoals bedoeld in tabel 2 van de Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, welke gelden voor herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd worden overschreden; <0000> de streefwaarden A1 en A2 (voor Vmax) voor de functie wonen voor een nieuwe situatie, zoals bedoeld in tabel 3 van de Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, welke gelden voor herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd worden overschreden. De trillingssterkte over de beoordelingsperiode Vper voldoet aan de streefwaarde A3; <0000> op basis van het onderzoek niet onomstotelijk of dat er in de geprojecteerde situatie sprake is van een goed of acceptabel woon- en leefklimaat. In het onderzoek wordt globaal ingegaan op trillingsreducerende maatregelen (b.v.

de toepassing van vloeren met een massa van 800 kg/m2) maar deze zijn nog niet concreet uitgewerkt op basis van het definitief ontwerp van de woningen. Naar verwachting is een vloer met een dergelijke massa echter zodanig stijf dat opslingering en trillingshinder kan worden voorkomen. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat bij de aanvraag Wabo onderdeel bouwen een trillingsonderzoek moet worden uitgevoerd waaruit blijkt dat de streefwaarden voor een nieuwe situatie, zoals bedoeld in tabel 2 van de Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden. In afwijking hiervan is het bouwen van bouwwerken voor de functie wonen ook toegestaan op voorwaarde dat alle doelmatige en kosteneffectieve maatregelen om de trillingssterkte te verminderen worden getroffen én uit een berekening blijkt dat tenminste de streefwaarden voor wonen in een bestaande situatie, zoals bedoeld in tabel 3 van de SBR - Richtlijn deel B, niet wordt overschreden.

Indien niet voldaan kan worden aan de streefwaarden voor een nieuwe situatie respectievelijk voor een bestaande situatie kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het binnenplans afwijken indien de te treffen trillingsreducerende maatregelen om te voldoen aan de streefwaarden onevenredig zijn in relatie tot de beperking van de trillingshinder als gevolg van deze maatregelen én er sprake is van een zeer bijzondere omstandigheden. Ernstige trillinghinder dient hierbij te allen tijde te worden voorkomen. Ernstige hinder is een situatie waarbij de maximale trillingssterkte Vmax > 3,2 re 1 mm/s is.

4.8 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de oprichting van maximaal 13 woningen waardoor het plan wordt gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast worden er geen luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) gerealiseerd. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.9 Geur 4.9.1 Industriële geurhinder Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

26

Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante (industriële) geuremissie. Industriële geur is daarmee geen belemmering voor dit plan. 4.9.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. De planlocatie bevindt zich niet binnen de richtafstand van agrarische bedrijven met een geuremissiefactor. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor dit plan.

4.10 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar. Het bestemmingsplangebied ligt aan de Bosscheweg 158 te Tilburg en is kadastraal bekend als TBG sectie V nummer 86. Het perceel is momenteel braakliggend, op een garage in de noordoostelijke hoek na. Voor de realisatie van de beoogde bouw van maximaal 11 woningen zal de garage worden gesloopt. De gronden zijn reeds voorzien van een bestemming 'Wonen'. 4.10.1 Bodembeleid gemeente Tilburg Naast het bovengenoemde, landelijk erkende onderzoeksprotocol zijn voor de beoogde functiewijziging nog de volgende gemeentelijke beleidskaders van belang. Nota "In goede aarde" In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg).

In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord-Brabant, zo ook in Tilburg, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

27

hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd, ruimte en samenstelling variëren. Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu. Bodembeheerplan (bodemkwaliteitskaart) Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Landbouw en natuur' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren dat wil zeggen, er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit. Grond uit deze zone kan worden toegepast in alle zones mits niet verontreinigd ("schoon"). Uitdrukkelijk wordt verwezen naar het de 'Nota bodembeheer gemeente Tilburg'. Daarin staat beschreven wat de (on-)mogelijkheden en uitzonderingen zijn van de toepassing of hergebruik van gebiedseigen grond van een mindere kwaliteit. De actuele/werkelijke grondkwaliteit wordt behandeld in de volgende subparagraaf 'Bodemkwaliteit Plangebied'.

4.10.2 Bodemkwaliteit plangebied Door Lankelma Geo-milieu en funderingstechniek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie (zie bijlage 10). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de geplande nieuwbouw op deze locatie. Als gevolg hiervan is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Daarnaast is door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). De conclusie is dat in het kader van de Wet bodembescherming geen aanvullende procedures noodzakelijk zijn. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande nieuwbouw op deze locatie.

4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

28

<0000>

<0000> <0000> <0000>

<0000>

Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.11.2 Analyse plangebied Voor de geplande ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Van Helvoirt Groenprojecten, 2020, zie bijlage 11). Tevens is voor het onderdeel Natura 2000-gebieden een voortoets Wet Natuurbescherming met AERIUS-berekening uitgevoerd (Van Empel Milieuadvies, 2020, zie bijlage 12, 13 en 14). Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen en conclusies vermeld. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar de bijlagen. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op 2,3 km afstand van het plangebied. Gezien deze Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

29

afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten (behalve stikstofdepositie) op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Om negatieve effecten door stikstofdepositie te kunnen uitsluiten zijn berekeningen uitgevoerd in het rekenprogramma AERIUS. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In beide situaties bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie in de aanlegfase en de gebruiksfase geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Er is geen passende beoordeling noodzakelijk. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het dichtstbijzijnde gebied dat tot het Natuurnetwerk Brabant behoort, betreft het Wilhelminakanaal (ecologische verbindingszone) op circa 400 meter van het plangebied.

Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Tijdens de ingreep moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van vogels met cat. 5 beschermde nesten en algemene broedvogels. Bij het eventueel verwijderen van bomen, struikbeplantingen of de autoberging bestaat de kans dat nesten worden beschadigd of vernield, wanneer ze in gebruik zijn. Indien de ingreep binnen het broedseizoen plaatsvindt, moeten de werkzaamheden worden voorafgegaan door een broedvogelinspectie. De periode waarin dit noodzakelijk is moet afgestemd zijn op de vogelsoorten die op en rond het traject te verwachten zijn. De autoberging biedt mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuizen. Deze gaan niet verloren, omdat de autoberging ongemoeid wordt gelaten of indien deze toch verdwijnt, er in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de vrijstaande woning, nader onderzoek nodig is. Het projectgebied is mogelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en in de directe omgeving zijn mogelijke vliegroutes aanwezig. De ingreep heeft op dit vlak echter geen wezenlijke invloed op het functioneren van het leefgebied van vleermuizen.

Het projectgebied kan onderdeel uitmaken van het functionele leefgebied van enkele marterachtigen (wezel, bunzing en steenmarter). Het zal daarbij altijd onderdeel zijn van een groter functioneel leefgebied. Het verdwijnen van een deel van het functioneel leefgebied zal redelijkerwijs niet leiden tot overtreding van de Wet Natuurbescherming, doordat in het plangebied maatregelen worden genomen ten gunste van de genoemde marterachtigen. Specifiek gaat het daarbij om de aanleg van groene erfafscheidingen in de vorm van inheemse haagbeplanting. Het gebied wordt mogelijk sporadisch bezocht door de eekhoorn, maar maakt geen deel uit van het essentieel leefgebied. Ook overige beschermde, niet-vrijgestelde soorten worden niet verwacht. Tenslotte zijn wel algemene soorten te verwachten (zoogdieren, amfibieën) die zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming. Hierop is wel de zorgplicht van toepassing. Conclusie Het plan kan in overeenstemming met natuurwetgeving en beleid worden uitgevoerd, mits: <0000> rekening worden gehouden met broedvogels bij ingrepen aan potentiële broedlocaties. Dit kan door te werken buiten kwetsbare periodes, of als dat niet mogelijk is vooraf een broedvogelinspectie uit te voeren; <0000> rondom het plangebied groene erfafscheidingen worden gerealiseerd.

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

30

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1: gebiedskenmerken

Afbeelding: locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van oppervlaktewater

Afbeelding: locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden Keur Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

31

In de bestaande situatie is het plangebied grotendeels onverhard. Een klein deel is voorzien van een garage en terreinverharding. In de Bosscheweg op circa 80 meter van het plangebied is gemengd riool aanwezig. In de huidige situatie is geen sprake van vuilwaterafvoer. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem. Regenwater van de verharde oppervlakken wordt deels opgevangen en voert af naar omliggende onverharde terreindelen.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Toekomstige situatie De ontwikkeling bestaat uit 2 delen. Deel 1 betreft de sloop van de garage en de bouw van één vrijstaande woning en deel 2 betreft de bouw van maximaal 12 woningen met een collectieve tuin en een collectief bijgebouw. Voor de nieuwe situatie wordt uitgegaan van de volgende gegevens:

Tabel 2: afboerende oppervlakken in de plansituatie * Bron: tekening verbeelding Grondwater De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

32

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen: andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.

Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen maximaal afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld van minimaal 145 m³. Uitgangspunt hierbij is dat alle aangenomen verharde oppervlakken volledig afwateren. Door de toepassing van groene daken, halfverhardingen en verhardingen die rechtstreekse afwateren op groenzones in het plangebied kan de werkelijk afwaterende oppervlakte en de bijbehorende bergingsopgave worden bepaald. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, watergang, greppel en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. De percelen aan de noord, zuid en westzijde rondom het plangebied zijn in de huidige situatie hoger gelegen dan het onverharde deel van het plangebied. Door te kiezen voor watergangen/greppels rondom het plangebied kan gecombineerd invulling worden gegeven aan de bergingsopgave en wordt eventueel oppervlakkig afstromend water naar het plangebied opgevangen zodat dit niet tot schade kan leiden. Er is geen overloop beschikbaar voor het teveel aan water. Door infiltratie van water in de grond dient de voorziening weer beschikbaar te komen. Er wordt geadviseerd extra ruimte voor water te creëren voor een situatie van extreme neerslag.

Bijvoorbeeld door de waterbergende voorziening te ontwerpen op een groter aanbod dan 60 mm neerslag of om hiervoor lagere terreindelen in te richten die bij extreme neerslag kunnen inunderen. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater De invulling van de afvoer van huishoudelijk afvalwater van de nieuwe woningen moet in overleg met gemeente Tilburg worden vastgesteld. De voorgenomen oplossing is een drukrioolunit op eigen terrein en in eigen beheer. De afvoerende persleiding krijgt een aansluiting op de gemengde riolering in de Bosscheweg.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

33

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Goot- en bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: a. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; b. hoofdstructuur nieuwe gebieden; c. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling. Voor het onderhavige plan wordt voor de aaneengebouwde woningen in de binnenring een maximale bouwhoogte van 7 m opgenomen en in de buitenring een maximale goothoogte van 4 m en maximale bouwhoogte van 7 m opgenomen. Voor de vrijstaande woning geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter. 6.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a.

oppervlakte: 1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2; 4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2; b. bouwhoogte: 1. maximaal 3m bij plat dak; 2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

34

3. bouwhoogte maximaal 4,5m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: a. 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²; b. 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²; c. 200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²; terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.

6.3 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Wonen-1 Binnen deze bestemming is de volgende aanduidingen gebruikt:Erf <0000> Wonen-2 Binnen deze bestemming is de volgende aanduiding gebruikt: bijgebouwen Daarnaast is de volgende dubbelbestemmingen aanwezig: <0000> Waarde-Archeologie

6.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

35

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Bedrijventerrein Loven, Bosscheweg e.o. 2008, 5e herziening (Bosscheweg 158)

36

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 5 juni 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept-ontwerpbestemmingsplan is verzonden naar de volgende organisaties: Instantie Provincie Noord-Brabant Directie ROH Prorail Beheer en instandhouding regio Zuid

Datum Datum ontvangst Opmerkingen? verzending reactie 26 maart 26 april 2021 geen 2021 31 maart 8 april 2021 geen 2021

Deze paragraaf is gereserveerd voor de resultaten uit het vooroverleg.

8.3 Omgevingsdialoog In september 2020 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog burgerparticipatie gevoerd. Vanwege Corona is er voor gekozen om omwonenden via een brief te informeren. In de brief is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het bestemmingsplan. Daarnaast is een indicatieve schets opgenomen van het bouwplan. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Op de verstrekte informatie zijn vijf reacties binnengekomen. Deze zijn in het verslag van de omgevingsdialoog beantwoord (zie bijlage 17). De aard van de schriftelijke reacties was zodanig dat er voor gekozen is om alsnog een gesprek te organiseren. Dat vond plaats op 27 januari 2021. Hier is een verslag van gemaakt dat eveneens in de bijlage is opgenomen (zie bijlage 17). Er zijn onder meer reacties ingediend over de volgende onderwerpen: 1. er wordt een stuk natuurschoon volgebouwd De locatie is in gebruik als paardenwei. De natuurwaarde is beperkt. Bebouwing betekent uiteraard dat het groene karakter voor een deel gaat verdwijnen. Inzet is dat de volwassen bomen op (en nabij) de locatie behouden blijven. Rondom de woningen is een gemeenschappelijke tuin voor de bewoners gepland. Bij de aanleg is er nadrukkelijk aandacht voor het bevorderen van biodiversiteit. Daarnaast is uiteraard onderzoek gedaan naar flora en fauna. 2.

andere mensen mogen ook niet op hun grond woningen bouwen, dus dan hier ook niet. Elk initiatief wordt op zijn eigen merites beoordeeld.

3.

de bouw van rijtjes woningen komt niet overeen met de andere bebouwing aan de Bosscheweg. Dat komt het straatbeeld niet ten goede. Er wordt terecht geconstateerd dat de voorgestelde bebouwing afwijkt van de villabouw elders aan de Bosscheweg. De plek heeft een ander karakter dan de rest van de Bosscheweg. Feitelijk is het het einde van een doodlopende aftakking van de Bosscheweg, die bovendien ligt tussen twee hoogsporen. De vorm van de bebouwing reageert op dit bijzondere karakter. Door de gekozen opstelling is er maximaal zicht vanuit de woningen op het fietspad. Dit verhoogt de sociale veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10724852/1