05 Regels met bijlagen-b001
Tekst van het document
Zowel in de 3 Omgevingsvisie als de eerder vastgestelde Stedelijke Ontwikkelingsstrategie leggen we prioriteit bij het realiseren/afmaken van de grote gebiedsontwikkelingen Spoorzone en Piushaven. Dat blijft zo. In belang van de e ontwikkeling van de binnenstad 21 eeuw, ook benoemd in de Omgevingsvisie, geven we ook prioriteit aan realisatie van de huidige woningbouwplannen in de Binnenstad. Daarnaast staan voor de komende jaren nog een aantal zeer grote plannen op de planning (bijv. Stadsrand Dalem, Koningsoord) óf wordt gewerkt aan de afronding van grotere gebiedsontwikkelingen (bijv. Den Bogerd, Overhoeken Berkel Enschot, Stappegoor, Koolhoven, Verbunt, Oostkamer, Puijacker). We willen deze plannen in lijn met de ambities die we hebben voor onze stad en voortkomend uit afspraken met ontwikkelende partijen afmaken. We zien geen noodzaak om de plannen voor Akker (in de Omgevingsvisie opgenomen als gebied waar verstedelijking afweegbaar is en in de woningbouwprogrammering opgenomen voor realisatie na 2025) nu te versnellen. In Berkel-Enschot zijn nog diverse woningbouwplannen in uitvoering c.q. voorbereiding. Omdat het goed is voor de ontwikkeling van het dorp willen we in Berkel Enschot daarom prioriteit leggen bij de ontwikkeling van het winkelcentrum en de woningbouw in Koningsoord.
Niet meewerken aan versnelling van Akker heeft ook te maken met het feit dat nu nog geen budget beschikbaar is om de flinke infrastructurele investeringen die dit plan vragen te dekken. Voor Udenhout geldt dat we naast de verdere ontwikkeling van den Bogerd tempo willen maken met de herontwikkeling van Vincentius. Dit gelet op de ligging van het cultuurhistorisch waardevolle vastgoed en de mogelijkheden om in specifieke woningbouwopgaven vanuit het dorp te kunnen voorzien. 1.4. Op termijn zullen we meer plannen aan onze programmering moeten toevoegen Er zijn in totaal nog niet voldoende (harde en zachte) plannen in beeld om de behoefte op langere termijn (tot 2035) op te vangen. Dit alles is ook nog afhankelijk van de precieze ontwikkeling van de behoefte na 2025. De eerste schattingen geven aan dat het als we alle huidige plannen (inclusief de zoekgebieden voor verstedelijking) 1
Woonvisie en Begroting Woningbouwprogrammering 3 Raadsbesluit 2012 2
meetellen niet om grote aantallen gaat: naar schatting ongeveer 2.500 woningen tussen nu en 2035 zijn nog niet ingevuld. Grotere planontwikkelingen vragen een flink aantal jaren voorbereidingstijd. Toch zien we nu geen noodzaak om alle zoekgebieden verstedelijking waar woningbouw mogelijk zou zijn en die in de planning staan voor realisatie na 2025 versneld in ontwikkeling te nemen. Anderzijds zetten we de stad zeker niet op slot: e (binnenstedelijke) plannen die bijdragen aan het realiseren van onze ambities voor de Binnenstad 21 eeuw of die bijdragen aan specifieke opgaven blijven welkom. 2.1. We sturen op realisatie van de volgende kwalitatieve opgaven Uit zowel beleidskaders, onderzoeken als eerdere keuzes volgen de volgende opgaven: Woningtype/omgeving A. Er is behoefte aan woonbuurten met ofwel een centrumstedelijk karakter of een uitgesproken groen karakter (groenstedelijk, dorps of landelijk) B. De vraag naar eengezinswoningen (koop) blijft groot C. Ruimte voor hoogstedelijke ontwikkeling (rode/blauwe doelgroep), creëren van aantrekkelijke woonmilieus om specifieke doelgroepen (hoger opgeleiden, kenniswerkers, pas afgestudeerden) aan de stad te binden. Ook de groeipotentie van Tilburg University speelt hierin een rol. D. versiteit in de binnenstad, naast appartementen ook grondgebonden woningen realiseren Prijsklasse E.
Betaalbaarheid (sociaal en lage middeldure huur) - Opgave betaalbaar wonen Vanuit het convenant Wonen is eerder de opgave voor toevoeging van 800 extra nieuwbouwwoningen tot 2020 benoemd. Inmiddels hebben de corporaties in overleg met de gemeente vastgesteld dat in de periode tot 2025 de behoefte bestaat aan toevoeging van in totaal 1600 woningen in het sociaal segment - Behoefte aan meer (lagere) middeldure huur (met name segment 700 - 900 euro) Bijzondere vormen 4 F. Huisvesting arbeidsmigranten, o.a. in semi-permanente woonvormen G. Ruimte voor sociaal/maatschappelijke wooninitiatieven als gevolg van o.a. extramuralisering maar ook maatschappelijke ruimte voor bijv. kunstenaars/ateliers H. Combinatie van diverse opgaven vraagt om meer gemengde - short en midstay - wooncomplexen voor huisvesting spoedzoekers, tijdelijke eenpersoonshuishoudens, expats, studenten etc. I. Studentenhuisvesting (beperkte opgave). Afhankelijk van ontwikkelperspectief Tilburg University bepalen wat nodig is om kwalitatieve doelstellingen te halen Overig J. Vertalen van duurzaamheidsambities in nieuwbouw oa. CO2 neutraal/aardgasvrij/klimaatadaptatie 2.2. Aanpak mismatch tussen huidige planvoorraad en opgaven gewenst Alhoewel we qua aantallen geen nieuwe plannen hoeven op te pakken zien we kwalitatief (zie 2.1.) nog flink wat opgaven.
We constateren ook dat de huidige plannen onvoldoende rekening houden met deze opgaven. Er is dus een mismatch tussen kwantiteit en kwaliteit in het huidige aanbod van woningen. Slechts een zeer beperkt aantal plannen biedt nog ruimte voor bijsturing. Dat heeft te maken met het stadium waarin die plannen zich bevinden of de overeenkomsten die er voor de plannen zijn gesloten. Dat betekent dat we vooral bij nieuwe plannen in moeten zetten op het realiseren van onze kwalitatieve opgaven. Om voldoende "volume" te creëren voor deze specifieke opgaven zullen we naast de kleinere initiatieven die zich regulier aandienen ook in moeten zetten op een paar grotere gebiedsontwikkelingen. Om flexibel in te spelen op een veranderende marktvraag vinden we het van belang dat de stad over een divers aanbod van ontwikkellocaties beschikt. Dat betekent dat de locaties moeten variëren in omvang, type en spreiding over de stad. Naast grote ontwikkelingen geven we dus ook ruimte aan kleinere ontwikkelingen, die vaak ook oplossingen bieden voor specifieke ruimtelijke of bijv. maatschappelijke opgaven (zorg). 2.2.1. Stedelijke opgaven zien we met name landen in het prioritaire gebied Spoorzone waar de nieuwe stedenbouwkundige opzet een basis biedt voor de uitwerking van plannen. Binnen dit gebied is ruimte voor gestapelde woningbouw en vooral ook in het middeldure segment.
Maar ook voor de binnenstad en de Spoorzone blijft aandacht voor diversiteit in het programma gewenst. Waar mogelijk zullen we dus juist ook hier (bijvoorbeeld 4
(Provincie: Regionaal Kader Huisvesting Bijzondere Doelgroepen)
in de Spoorzone en Magazijnkwartier) moeten kijken naar het realiseren van grondgebonden programma met een stedelijk karakter. Daarnaast blijft het van belang om in de woningtypologie aan te sluiten bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie waarbij we de doelgroep van o.a. hoger opgeleiden/rode leefstijl willen boeien en binden aan de binnenstad. Dit betekent dat we geen aanleiding zien om de plannen voor appartementen in de binnenstad te beperken. We kiezen er voor om nieuwe ontwikkelingen in de vorm van appartementencomplexen/hoogbouw bij voorkeur in het centrum of op (kennis) knooppunten (omgeving Universiteit) te realiseren. Dat sluit niet uit dat sommige locaties om een "maatwerk" oplossing zullen vragen, bijvoorbeeld als het gaat om markante plekken in de stad of wanneer we alleen door een gestapeld programma bij kunnen dragen aan een specifieke opgave (denk bijv. aan betaalbaar wonen, zorg). 2.2.2. De opgaven voor groenstedelijk wonen kunnen we vooral realiseren in de wijken buiten het centrum en in de dorpen. Op dit moment is nog een flink aantal grotere plannen (o.a. Dalem, Stappegoor, Verbunt, Koningsoord, Bogerd) in voorbereiding waaraan we prioriteit geven.
In combinatie met de opgaven voor het betaalbare en middeldure segment, de huisvesting van specfieke doelgroepen en koopwoningen zien we echter aanvullende ruimte voor een groenstedelijk milieu op de locaties Smarius en Stappegoor (gevangenisterrein en omgeving). Ook de mogelijkheden voor Kouwenberg willen we verkennen. Alhoewel feitelijk niet direct onderdeel van Tilburg Noord bestaat er wel de wens (Manifest Nieuw Noord) om in de directe omgeving meer diversiteit in het woningaanbod te realiseren en zo bij te dragen aan een positieve ontwikkeling van dit stadsdeel. Met een mix van - grondgebonden - huur en koopwoningen, waar mogelijk ondersteund door voorzieningen, kunnen we mogelijk vanuit Kouwenberg een bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling van Noord. Omdat we hiermee afwijken van de huidige programmering waarin ontwikkeling van dit gebied pas na 2025 staat gepland zullen we hiervoor een voorstel ter besluitvorming door de raad voorbereiden. Rugdijk staat in de omgevingsvisie ook genoemd als mogelijk gebied voor verstedelijking. We weten inmiddels dat reguliere woningbouw van omvang voor het totale ontwikkelgebied niet mogelijk zal zijn vanwege de beperkingen die de hoogspanningsmasten met zich mee brengen. In de komende periode zullen we verkennen of en in welke vorm dit gebied (op termijn) mogelijkheden biedt voor woningbouw.
Dit zullen we doen in samenhang met de ontwikkelmogelijkheden van Kouwenberg. 2.2.3. Betaalbaar en middelduur programma zijn denkbaar op een relatief groot aantal locaties in de stad. We streven naar een ongedeelde stad en zullen dus bijvoorbeeld in Noord eerder kiezen voor het toevoegen van middeldure/dure huurwoningen en woningen in het koopsegment. Het gaat dan zowel om grondgebonden als gestapeld programma en waar mogelijk ook in een groenstedelijke omgeving te realiseren. Om daadwerkelijk tot betaalbaar programma te komen zullen we ook op locaties buiten het centrum, mits dat o.a. ruimtelijk verantwoord is, gestapeld bouwen overwogen. Voor betaalbaar programma zien we mogelijkheden op de locatie Smarius en in de omgeving Stappegoor/Apennijnenweg. Middeldure ontwikkelingen passen meer in de Spoorzone, omgeving Universiteit, Kouwenberg maar ook op het Smariusterrein. 2.2.4. Specifieke opgaven - arbeidsmigranten. De huisvesting van arbeidsmigranten is een grote opgave voor Tilburg. Een aantal succesvolle initiatieven voorkomt niet dat het moeilijk is - grootschalige - voorzieningen voor arbeidsmigranten te realiseren. Samen met de regio wordt een aanpak voorbereid om meer huisvesting te organiseren.
De gemeente zal in dit proces vooral een faciliterende rol spelen, actief kijken naar de mogelijkheden om locaties beschikbaar te maken/krijgen voor deze huisvesting en waar nodig initiatiefnemers ondersteunen. Bij de huisvesting van arbeidsmigranten kunnen we denken aan tijdelijke maar ook aan permanente huisvesting, al dan niet met een tijdelijk karakter. In dit verband spreken we vaak over de short stay en midstay oplossingen, al dan niet gecombineerd met bewoning door andere doelgroepen. Ook bij een tijdelijke oplossing zullen we rekening moeten houden met financiële haalbaarheid; in algemene zin lijkt ook dan een periode van circa 10 jaar beschikbaarheid noodzakelijk te zijn. Voor tijdelijk gebruik denken we aan locaties die pas op langere termijn in ontwikkeling zullen komen, waarbij maar gezien de opgave zullen we ook met creatieve oplossingen moeten komen. We staan daarom open voor initiatieven op zowel gemeentegrond als particuliere locaties, in diverse gebieden al dan niet binnen het stedelijk gebied, in leegstaand vastgoed en op (gemengde) bedrijventerreinen. In ieder geval zal het moeten gaan om locaties waar we ook kunnen voldoen aan de voorwaarden voor een goed woonklimaat.
- Door de extramuralisering van de zorg zien we een toenemend aantal vragen voor huisvesting van inwoners met een zorgvraag in de wijk. In het belang zowel de betrokkenen als de omgeving hanteren we een zorgvuldige procedure om huisvesting af te wegen. In deze overwegingen betrekken we onder andere het wijkprofiel. Het aantal locaties dat nu een maatschappelijke functie (o.a. kerken, scholen, wijkgebouwen, zorginstellingen) heeft staat onder druk. We verwachten op middellange termijn toenemende leegstand voor een aantal van deze panden. Niet zelden wordt gevraagd herontwikkeling in de vorm van louter een woonbestemming mogelijk te maken. Per keer zullen we gezien de aanhoudende vraag naar locaties met een maatschappelijke bestemming kritisch afwegen of we daadwerkelijk mee willen werken aan een transformatie. De belangen van (kleinere) zorgaanbieders maar bijvoorbeeld ook maatschappelijke organisaties en/of de creatieve sector houden we daarbij in beeld. - Studentenhuisvesting is op orde in Tilburg. Rondom de start van het nieuwe collegejaar zien we de druk op de mogelijkheden om - met name buitenlandse - studenten te huisvesten. De ambities van de Tilburg University voor groei vragen mogelijk binnen een aantal jaren om uitbreiding van het aantal studentenwoningen. In plannen kunnen we daar nu al rekening mee houden.
We vinden de omgeving van de Universiteit/Kennisknoop en binnenstad/Spoorzone in eerste instantie de plekken waar deze woningbouw gewenst is. Uit de groei van de Universiteit volgt ongetwijfeld ook een afgeleide vraag voor bijv. huisvesting van expats en andere kenniswerkers. - We staan open voor andere, bijzondere woonconcepten (o.a. Tiny Houses) en zullen daar waar mogelijk en volgens afspraak actief de ruimte bieden (gronduitgifte burgerinitiatieven) 2.3. We kunnen selectief zijn in meewerken aan ontwikkelingen Gezien de huidige planvoorraad bestaat er - kwantitatief - geen noodzaak om nu nieuwe ontwikkelingen op te pakken die niet bijdragen aan onze kwalitatieve opgaven. We kunnen dus kritisch zijn in onze afwegingen. In onze keuzes voor medewerking kunnen we ook andere - ruimtelijke, maatschappelijke of sociale - belangen betrekken. In basis gaat de voorkeur uit naar binnenstedelijke ontwikkeling, herontwikkeling van locaties en bestaand vastgoed en vraaggericht ontwikkelen. We streven naar een realistisch en flexibel planaanbod maar moeten wellicht ook wat vaker overwegen om even pas op de plaats te maken. We kunnen daarbij meer aandacht besteden aan duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik.
Maar ook is het slim af en toe af te wachten of en hoe - al redelijk intensief bebouwde gebieden zich ontwikkelen en welke functies daar op termijn mogelijk meer ruimte vragen dan woningbouw. Denk daarbij bijv. aan de Reeshof. Maar ook andersom: welke functies/locaties/vastgoed komen mogelijk op termijn vrij en bieden ruimte voor hergebruik in de vorm van woningbouwontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn kantoorlocaties, zorginstellingen of de minder florerende bedrijventerreinen zonder toekomst. Te snelle beslissingen kunnen een goede stedelijke ontwikkeling op termijn belemmeren. 2.4. Raad wordt betrokken in afweging start en uitvoering grotere gebiedsontwikkelingen Voor de grotere projecten en gebiedsontwikkelingen hebben we afspraken over de betrokkenheid van de raad in diverse fasen van het proces. Voordat we concrete besluitvorming aan de raad voor kunnen leggen werken we eerst aan de verkenning van de wenselijkheid en haalbaarheid van de plannen, zowel programmatisch, ruimtelijk als financieel. Daar waar we deze verkenningen niet uit kunnen voeren op basis van dienstverleningsovereenkomsten (mandaat college/organisatie) zullen we de raad vragen om een voorbereidingskrediet. 2.5. Beoordeling bijdrage woningbouwplannen op basis van verschillende criteria Of en waar een initiatief wenselijk is wordt bepaald door verschillende factoren.
Sinds een aantal jaren kijkt de 5 gemeente bij plannen die vragen om een bestemmingsplanherziening al in een vroeg stadium naar de wenselijkheid van het initiatief. Dat geeft meer sturing aan onze programmering en voorkomt dat zowel initiatiefnemer als gemeente werken aan plannen die we niet wenselijk vinden. Criteria die meespelen in de beoordeling zijn bijv. de bijdrage op stedelijk niveau, mogelijke concurrentie met andere woningbouwplannen, leveren van bijdrage aan een specifieke woningbouwopgave maar ook de situering in de stad en de wijk. Zo kan bijvoorbeeld ook het voorkomen of oplossen van sociale problematiek een rol spelen (ongedeelde stad, heterogene buurten in homogene wijken). Ook stedenbouwkundige overwegingen, het belang van natuur, water, duurzaamheid én monumenten tellen mee. Deze werkwijze, vastgelegd binnen de keten stedelijke ontwikkeling, biedt een goede basis om nieuwe initiatieven ook in de komende jaren te beoordelen. In de weging hanteren we de uitgangspunten zoals vastgelegd in deze strategie als richtlijn. 5
Werkwijze vastgelegd in Stedelijke ontwikkelingsstrategie (raadsbesluit 2012) en proces Keten Stedelijke Ontwikkeling.
3.1. We actualiseren onze opgaven op basis van onderzoeken en ontwikkelingen in de woningbouwmarkt Deze woningbouwopgave is gebaseerd op het beeld van de markt anno 2017. Nieuwe inzichten over de stand van de woningmarkt leiden tot een andere woningbouwopgave. Het ligt voor de hand om bij het beschikbaar komen 6 van nieuwe onderzoeksuitkomsten, zoals een nieuw Kwalitatief Woning Behoefte Onderzoek dat eventuele veranderingen in consumentenvoorkeuren waarneemt, een nieuwe bevolkingsprognose en marktontwikkelingen de actualiteit van de woningbouwopgave tegen het licht te houden. Daarbij past dan ook te kijken naar in welke gebieden de te verwachten groei van de stad het best kan landen en welk effect dat zou kunnen hebben op de verhoudingen tussen de gewenste ontwikkeling van de stad versus het karakter en de vitaliteit van de dorpen Berkel-Enschot en Udenhout. 3.1. Daar waar mogelijk zetten we middelen in om kwalitatieve opgaven te stimuleren Deze update van de strategie geeft aan hoe we vanuit gemeentelijk perspectief de komende jaren de woningbouwontwikkeling op willen pakken. Het speelveld van de woningbouwmarkt is echter veel ruimer, denk aan ontwikkelaars, grondeigenaren etc. Waar we als gemeente de koers uit willen zetten betekent dat niet dat de markt zich altijd overeenkomstig ontwikkelt. Verschillende belangen, waaronder financiële, spelen hierin een rol.
Uiteindelijk bepaalt de markt wat er daadwerkelijk in Tilburg gerealiseerd wordt. Als gemeente kunnen we deze sturing echter wel op een aantal manieren proberen te beïnvloeden: - we kunnen besluiten niet mee te werken aan ongewenste planontwikkelingen door medewerking aan wijziging van een bestemmingsplan te weigeren - in bestemmingsplannen kunnen we vastleggen dat in het plan betaalbare en middeldure huurwoningen opgenomen moeten worden. - we stimuleren de ontwikkeling van bepaalde (betaalbare) segmenten woningen door financiële middelen beschikbaar te stellen: 7 - 11 miljoen voor de realisatie van 800 betaalbare nieuwbouwwoningen tot 2020 8 - 1 miljoen voor de realisatie van een bijzondere woonvorm 9 - 1 miljoen voor atelierbeleid, eventueel in combinatie met woonvoorziening Verder zetten we ook in overlegvormen met externen in op bijzondere doelgroepen: - bestaande overeenkomsten met beleggende partijen Syntrus Achmea, Vesteda en Patrizia met ambitie middeldure huurwoningen te realiseren - taskforce betaalbaar wonen (samenwerkingsverband tussen gemeente Tilburg, woningbouwcorporaties WonenBreburg, TBV, Tiwos en 't Heem) - taskforce middeldure huur (in ontwikkeling)
Vervolg -
-
De Update stedelijke Ontwikkelingsstrategie geeft richting aan de beoordeling van nieuwe initiatieven door de Stuurgroep Stedelijke Ontwikkeling en de start van de (verdere) verkenning naar woningbouwontwikkeling op de locaties Smarius, Stappegoor, Kouwenberg. Uitgewerkte voorstellen voor de grotere projecten zullen volgens reguliere afspraak worden voorgelegd aan de raad (o.a. voorbereidingskrediet) Na vaststelling door het college wordt de raad geïnformeerd door een samenvattende raadsbrief. Daarin vermelden we dat we voor de nieuwe raad een informatiebijeenkomst plannen waarin de programmering wordt toegelicht.
Portefeuillehouder: Wethouder De Vries Behandelend ambtenaar: Ruimte, Hedwig Harks, telefoon 013 542 8600 6
Regionaal onderzoek, vooralsnog resultaten gepland in 2019 Begroting 2026/17 8 Begrotingsvoorstel 2018 9 Begrotingsvoorstel 2018 7
Bijlage 2 Staat van bedrijfsactiviteiten Staat van Bedrijfsactiviteiten
Toelichting bij de Staat van bedrijfsactiviteiten •
Richtafstandenlijsten
De tabellen zijn een selectie uit de lijsten zoals deze door het VNG is opgenomen in 'Bedrijven en milieuzonering, Handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk, editie 2009'. De lijst is gescreend op ruimtelijke wenselijkheid voor de specifieke bestemming waaraan de lijst gekoppeld is. •
Hoofdindeling
De lijst bij dit bestemmingsplan gaat uit van bedrijfsactiviteiten, gerangschikt naar SBI-codes van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Voor elke activiteit zijn milieuaspecten en richtafstanden vermeld, rekening houdend met de normaliter bij deze bedrijven voorkomende opslagen en installaties. Bij activiteiten kunnen daarnaast specifieke opslagen en installaties voorkomen. •
Richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar
De lijsten vermelden richtafstanden voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen (zie hierna). De richtafstanden voor de onderscheiden bedrijfstypen zijn afgeleid van: •
in Nederland aanvaarde normen voor de emissies door milieubelastende activiteiten;
•
in Nederland voorgeschreven of aanvaarde grens- en richtwaarden voor de immissies bij woningen en andere milieugevoelige bestemmingen;
•
ervaringen en waarnemingen met betrekking tot de omvang en schadelijkheid van emissies door activiteiten.
De activiteiten zijn zodanig gedefinieerd en geclusterd dat er in het licht van de soorten milieubelasting (geur, stof, geluid, gevaar) sprake is van een zekere uniformiteit. In de praktijk zal binnen een activiteit variatie in de milieubelasting voorkomen. In de tabel is de grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar vermeld. Deze grootste afstand is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De volgende tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie: milieucategorie
richtafstand
milieucategorie
richtafstand
1
10 m
5.1
500 m
2
30 m
5.2
700 m
3.1
50 m
5.3
1.000 m
3.2
100 m
6
1.500 m
4.1
200 m
Mocht een bedrijf meerdere SBI-codes kennen, dan moet voor elk aspect de grootste afstand worden genomen. Dat geldt ook voor de gebruikte installaties en opslagen. Opgemerkt dient te worden dat de methodiek in de eerste plaats is ontwikkeld om in nieuwe situaties een vestigingsplaats voor een bedrijf vast te stellen en niet voor toetsing van bestaande situaties. Daarom wordt bij bestaande situaties uitgegaan van de maatregelen, die voor een nieuwe vestiging van een dergelijk bedrijfs-/activiteitstype redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Verder gelden de afstanden alleen in relatie tot rustige woonwijken gelegen in zuivere woongebieden, dus niet voor woningen die in gebieden liggen met een andere bestemming of kwalificatie. Voor de toepassing van deze methodiek op bestaande situaties is het zeker niet zo dat elk bedrijf, dat is gevestigd op kortere afstand tot aaneengesloten woonbebouwing dan de wenselijke, zonder meer onaanvaardbaar is. Wel geeft de gewenste afstand een maat voor de potentiële hinder, gevaar of schade. •
Geluid: continu (C) en zonering (Z)
Bij bepaalde activiteiten is na de afstand voor geluid de letter C van 'continu' aangegeven. Hiermee is aangegeven dat bij de betreffende milieubelastende activiteiten de voor geluid bepalende activiteiten meestal continu (dag en nacht) in bedrijf zijn. Voorts is bij bepaalde activiteiten na de afstand voor geluid de letter Z van 'zonering' opgenomen. Het gaat hierbij om inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken in de zin van de Wet geluidhinder (vroeger ook wel A-inrichtingen genoemd) en die als zodanig zijn aangewezen in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningen besluit milieubeheer. Indien dergelijke bedrijven in het bestemmingsplan voorkomen of in het bestemmingsplan zijn toegestaan, moet in dat plan een geluidszone worden opgenomen. •
Gevaar: risico (R) en vuurwerk (V)
In de kolom 'gevaar' is een richtafstand aangegeven, die bij een gemiddelde activiteit van dat type aangehouden kan worden. Het betreft alle gevaarsaspecten, inclusief brandgevaar en stofexplosies. Als de letter R van 'risico' is aangegeven, kunnen activiteiten onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vallen of gaan vallen. Voor deze activiteiten dient altijd te worden nagegaan of het Bevi van toepassing is. Voor activiteiten waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is, is de letter V van 'vuurwerk' opgenomen. Voor deze activiteiten dient altijd te worden getoetst aan de veiligheidsafstanden uit het Vuurwerkbesluit. •
Milieucategorie: divers (D)
Bij de bepaling van de richtafstanden voor de onderscheiden bedrijfstypen is uitgegaan van een 'gemiddeld' moderne activiteit met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. Bij alle activiteiten dient daarom rekening te worden gehouden me een zekere variatie. Voor activiteiten met een grote variatie in productieprocessen is de letter D van 'divers' opgenomen. Deze activiteiten kunnen een groter variatie in milieubelasting vertonen. Dit dient per geval nader te worden bezien. •
Index voor verkeersaantrekkende werking: goederenvervoer (G) en personenvervoer (P)
Naast de genoemde milieuaspecten kan ook de verkeersaantrekkende werking van belang zijn voor de toelaatbaarheid van de activiteit op een bepaalde locatie. Dit aspect kan niet worden vertaald naar afstanden, maar is weergegeven met een kwalitatieve index die loopt van 1 tot en met 3, met de volgende betekenis: 1: potentieel geringe verkeersaantrekkende werking; 2: potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking; 3: potentieel zeer grote verkeersaantrekkende werking. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen goederenveroer (G) en personenvervoer (P) De index voor verkeersaantrekkende werking is van belang in combinatie met de verkeersontsluiting van en naar de inrichting. Het kan een indicator zijn voor eventuele verkeers- en parkeerhinder in de omgeving. •
Overige aandachtspunten: visuele hinder, bodemverontreiniging (B) en luchtverontreiniging (L)
Het aspect visueel hinder is een indicator voor de visuele inpasbaarheid van activiteiten. Zo hebben hoge omvangrijke bedrijfsbouwwerken index 3 en kleine(re) kantoorgebouwen index 1. De bepaling van de index is subjectief en niet eenduidig. Het betreft slechts een signaalfunctie. De index voor bodemverontreiniging (B) kan een hulpmiddel zijn bij de selectie van toelaatbare inrichtingen op gevoelige gronden, zoals bodembeschermingsgebieden. Deze index is opgenomen als een activiteit een verhoogde kans op bodemverontreiniging geeft, bijvoorbeeld door calamiteiten, incidenten of 'sluimerende' lekkages. De uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht is niet te vertalen in een richtafstand die bij voorkeur tot woningen (of andere gevoelige locaties) in acht genomen zou moeten worden. Toch kan de uitstoot van schadelijke stoffen naar de lucht in planologisch opzicht relevant zijn. Denk aan neerslag van geëmitteerde schadelijke stoffen op gevoelige bodems, gewassen enflora; bijvoorbeeld verzurende stoffen op natuurgebieden en zware metalen op groentes. Bij het gebruik van ontsmettings- en bestrijdingsmiddelen in de land- en tuinbouw doen zich in de praktijk regelmatig problemen voor met de afstand tot woningen. Bij activiteiten waar dit mogelijk relevant is, is de letter L van 'luchtverontreiniging' opgenomen. •
Gebruikte afkortingen
De volgende afkortingen worden in de lijsten gebruikt, in aanvulling op de hiervoor genoemde en verklaarde afkortingen: -
:
niet van toepassing of niet relevant
p.c.
:
productiecapaciteit
<
:
kleiner dan
p.o.
:
productieoppervlak
>
:
groter
b.o.
:
bedrijfsoppervlak
=
:
gelijk aan
v.c.
:
verwerkingscapaciteit
cat.
:
categorie
u
:
uur
e.d.
:
en dergelijke
d
:
dag
kl.
:
klasse
w
:
week
n.e.g.
:
niet elders genoemd
j
:
jaar
o.c.
:
opslagcapaciteit
LIJST 1 - ACTIVITEITEN
GEUR
STOF
GELUID
GEVAAR
GROOTSTE AFSTAND
CATEGORIE
VERKEER
VISUEEL
INDICES
nummer
AFSTANDEN IN METERS
10, 11 1052 1071
- VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN 2 - consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m² 1 - v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens
10 30
0 10
30 30 C
0 10
30 30
2 2
1 G 1 G
1 1
10821 10821 1102 t/m 1104
3 - cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. <= 200 m² 6 - suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m² Vervaardiging van wijn, cider e.d.
30 30 10
10 10 0
30 30 30 C
10 10 0
30 30 30
2 2 2
1 G 1 G 1 G
1 1 1
14 141
-
VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer)
10
10
30
10
30
2
2 G
2
16 162902
-
HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken
10
10
30
0
30
2
1 G
1
58 18129 1814 1814 1813 1814 182
UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen A Grafische afwerking B Binderijen Grafische reproduktie en zetten Overige grafische aktiviteiten Reproduktiebedrijven opgenomen media
10 0 30 30 30 0
0 0 0 0 0 0
30 10 30 10 30 10
0 0 0 10 10 0
30 10 30 30 30 D 10
2 1 2 2 2 1
1 P 1 G 2 G 2 G 2 G 1 G
1 1 1 1 1 1
20 2011 2120
- VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN 0 Vervaardiging van industriele gassen: 2 - verbandmiddelenfabrieken
10
10
30
10
30
2
2 G
1
23 232, 234 232, 234
- VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN 0 Aardewerkfabrieken: 1 - vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW
10
10
30
10
30
2
1 G
1
26, 28, 33 26, 28, 33
- VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS A Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie
30
10
30
10
30
2
1 G
1
26, 27, 33 293
-
30
10
30
10
30
2
1 G
1
-
LUCHT
OMSCHRIJVING
SBI-2008
BODEM
Bijlage 1 Richtafstandenlijsten
-
VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie n.e.g.
B
B B
L
LIJST 1 - ACTIVITEITEN
OMSCHRIJVING
GROOTSTE AFSTAND
CATEGORIE
VERKEER
VISUEEL
-
26, 32, 33
A Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie
30
0
30
0
30
2
1 G
1
31 9524 321 322 32991
- VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. 2 Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 Fabricage van munten, sieraden e.d. Muziekinstrumentenfabrieken Sociale werkvoorziening
0 30 30 0
10 10 10 30
10 10 30 30
0 10 10 0
10 30 30 30
1 2 2 2
1 P 1 G 2 G 1 P
1 1 2 1
35 35 35 35 35 35 35
- PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER C0 Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: C1 - < 10 MVA D3 - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A D4 - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C E0 Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt: E2 - blokverwarming
0 0 0
0 0 0
30 C 10 C 30 C
10 10 10
30 10 30
2 1 2
1 P 1 P 1 P
1 1 1
10
0
30 C
10
30
2
1 P
1
36 36 36
- WINNING EN DITRIBUTIE VAN WATER B0 Waterdistributiebedrijven met pompvermogen: B1 - < 1 MW
0
0
30 C
10
30
2
1 P
1
41, 42, 43 41, 42, 43
- BOUWNIJVERHEID 3 - aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²
0
10
30
10
30
2
1 G
1
B
45, 47 451, 452, 454 45204 453
HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven B Autobeklederijen Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires
10 0 0
0 0 0
30 10 30
10 10 10
30 10 30
2 1 2
2 P 1 G 1 P
1 1 1
B
46 461 4622 4634 4635 4636 4637 4638, 4639
-
0 10 0 10 10 30 10
0 10 0 0 10 10 10
10 30 30 30 30 30 30
0 0 0 0 0 0 10
10 30 30 30 30 30 30
1 2 2 2 2 2 2
1 P 2 G 2 G 2 G 2 G 2 G 2 G
1 1 1 1 1 1 1
BODEM
GEVAAR
26, 32, 33
-
nummer
GELUID
INDICES
STOF
AFSTANDEN IN METERS
GEUR
SBI-2008
VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN
B
B
-
GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING Handelsbemiddeling (kantoren) Grth in bloemen en planten Grth in dranken Grth in tabaksprodukten Grth in suiker, chocolade en suikerwerk Grth in koffie, thee, cacao en specerijen Grth in overige voedings- en genotmiddelen
LUCHT
Bijlage 1 Richtafstandenlijsten
STOF
GELUID
GEVAAR
GROOTSTE AFSTAND
CATEGORIE
VERKEER
VISUEEL
LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING Cateringbedrijven
INDICES
GEUR
nummer Grth in overige consumentenartikelen Grth in vuurwerk en munitie: - consumentenvuurwerk, verpakt, opslag < 10 ton - munitie Grth inhout en bouwmaterialen: - algemeen: b.o. <= 2000 m² zand en grind: - algemeen: b.o. <= 200 m² Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur: - algemeen: b.o. < = 2.000 m² Grth in kunstmeststoffen Grth in overige intermediaire goederen 0 Grth in machines en apparaten: Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.
0 1 5 0 2 4 6 0 2
AFSTANDEN IN METERS
10
10
30
10
30
2
2 G
1
10 0
0 0
30 30
10 V 30
30 30
2 2
2 G 2 G
1 1
0
10
30
10
30
2
1 G
1
0
10
30
0
30
2
1 G
1
0 30 10
0 30 10
30 30 30
0 30 R 10
30 30 30
2 2 2
1 G 1 G 2 G
1 1 2
0
0
30
0
30
2
2 G
1
10
0
30 C
10
30
2
1 G/P 1
55 562
-
49 491, 492 493 495
- VERVOER OVER LAND 0 Spoorwegen: Taxibedrijven Pomp- en compressorstations van pijpleidingen
0 0
0 0
30 C 30 C
0 10
30 30 D
2 2
2 P 1 P
1 1
52 52242 52109
- DIENSTVERLENING T.B.V. HET VERVOER 0 Laad-, los- en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart: B Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)
0
0
30 C
10
30
2
2 G
1
53 531, 532 61 61 61 61
POST EN TELECOMMUNICATIE Post- en koeriersdiensten A Telecommunicatiebedrijven B0 zendinstallaties: B2 - FM en TV B3 - GSM en UMTS-steunzenders (indien bouwvergunningplichtig)
0 0
0 0
30 C 10 C
0 0
30 10
2 1
2 P 1 P
1 1
0 0
0 0
0 C 0 C
10 10
10 10
1 1
1 P 1 P
2 2
77 7711 772
-
10 10
0 10
30 30
10 10
30 30 D
2 2
2 P 2 G
1 2
62
-
-
VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN Personenautoverhuurbedrijven Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g. COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE
B
LUCHT
OMSCHRIJVING
SBI-2008
464, 46733 46499 46499 46499 4683 4673 46735 46735 4674 4674 46752 4676 466 466, 469
LIJST 1 - ACTIVITEITEN
BODEM
Bijlage 1 Richtafstandenlijsten
LIJST 1 - ACTIVITEITEN
GEUR
STOF
GELUID
GEVAAR
GROOTSTE AFSTAND
CATEGORIE
VERKEER
VISUEEL
63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82 74203 82992
INDICES
nummer
62 58, 63
AFSTANDEN IN METERS
A Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. B Datacentra
0 0
0 0
10 30 C
0 0
10 30
1 2
1 P 1 P
1 1
10 0
0 0
30 C 10
10 0
30 10
2 1
2 G 2 P
1 1
30
0
10 C
0
30
2
1 P
1
10
10
30
30 R
30
2
1 G
1
-
OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING Foto- en filmontwikkelcentrales Veilingen voor huisraad, kunst e.d.
37, 38, 39 3700 3700 382 382
- MILIEUDIENSTVERLENING A0 RWZI's en gierverwerkingsinricht., met afdekking voorbezinktanks: B rioolgemalen A0 Afvalverwerkingsbedrijven: A7 - verwerking fotochemisch en galvano-afval
59 931 931 931
- CULTUUR, SPORT EN RECREATIE 0 Schietinrichtingen: 11 - buitenbanen met voorzieningen: boogbanen 2 - binnenbanen: boogbanen
0 0
0 0
30 10 C
30 10
30 10
2 1
1 P 1 P
1 1
96 96012 96013
OVERIGE DIENSTVERLENING Chemische wasserijen en ververijen A Wasverzendinrichtingen
30 0
0 0
30 30
30 R 0
30 30
2 2
2 G 1 G
1 1
LUCHT
OMSCHRIJVING
SBI-2008
BODEM
Bijlage 1 Richtafstandenlijsten
B
B
L
B
L
-
Bijlage 3 Boomwaardekaart Boomwaardekaart
20
6 0 / 8 1 1 0 / 8 1 12296
4 0 / 0 2 1 0 / 0 2
8 1 / 8 1 7 0 / 8 1
06 m 22 / 22t
12348
12534 12535
12533
4 2
Beschermwaardige Boom
12531 6 2
Plangebied
7555
Plangebiedgrens
11734
8 2
Centrum-Zuid 2008, 5e herziening (Bisschop Zwijsenstraat 18-26)
afdeling Ruimte
11487
bijlage bij:
0 3 schaal:
1:500
formaat:
A3
model:
Boomwaardekaart
Boomwaardekaart
Tel. nr: 14013
bestandsnaam: NL.IMRO.0855.BSP2020034-a001.dgn
Postbus 90155
datum:
5000 LH Tilburg
26 maart 2021
paraaf gemeente:
paraaf initiatiefnemer:
Bijlage 4 Luchtverkeerszone Luchtverkeerszone
160, 67 160
155
150
145
160
155
150
145
140
135
Bisschop Zwijsenstraat 18-26
160, 16067
155
7
160, 6
Centrum-Zuid 2008,
Plangebied
5e herziening (Bisschop Zwijsenstraat 18-26)
Plangebiedgrens
afdeling Ruimte
bijlage bij:
Meters weergegeven in boven NAP
schaal:
1:500
formaat:
A3
model:
Funnel
Luchtvaartverkeerszone
Tel. nr: 14013
bestandsnaam: NL.IMRO.0855.BSP2020034-a001.dgn
Postbus 90155
datum:
5000 LH Tilburg
26 februari 2021
paraaf gemeente:
paraaf initiatiefnemer:
Bijlage 5 Parkeernormen Tilburg 2017 Parkeernormen Tilburg 2017
Parkeernormen Tilburg 2017 Gemeente Tilburg
November 2017
Auteurs:
John Swaans / Rogier Kuypers (Ruimte)
Datum:
8 november 2017
Inhoudsopgave 1.
Parkeernormen voor bouwontwikkelingen in Tilburg
3
1.1
Gemeentelijke kijk op parkeernormering
3
1.2
Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016
3
2.
Vaststellen parkeerbehoefte
4
2.1
Parkeernormen
4
2.2
Berekening parkeerbehoefte
4
2.3
Beïnvloeden parkeerbehoefte
6
2.4
Gebiedsgerichte parkeeroplossing bij grote ontwikkeling
7
2.5
Richtlijn stallingsvoorzieningen fiets
7
3.
Vaststellen van de parkeereis
8
3.1
Voldoen aan de parkeereis
8
3.2
Vrijstelling parkeereis
9
3.3
Afkoopregeling
10
3.4
Afwijken van de parkeereis
11
4.
Uitvoeringsregels
12
4.1
Acceptabele loopafstanden
12
4.2
Afmetingen parkeerplaatsen
12
4.3
Waarborgen gebruik parkeervoorziening
12
4.4
Registratie parkeren op eigen terrein
12
5.
Juridisch-planologische inbedding
14
5.1
Bestemmingsplan
14
5.2
Inwerkingtreding
14
Bijlage 1: Parkeernormen
15
Bijlage 2: Zone-indeling parkeernormen
18
Bijlage 3: Spelregels afkoopregeling Parkeereis
19
Bijlage 4: Beleidsregel Toepassing Parkeernormen Tilburg 2017
20
1. Parkeernormen voor bouwontwikkelingen in Tilburg 1.1 Gemeentelijke kijk op parkeernormering Parkeerdruk en -overlast in de openbare ruimte leidt tot leefbaarheidsproblemen in een straat. Met deze nota Parkeernormen stuurt de gemeente Tilburg op de leefbaarheid en het gebruik van de openbare ruimte voor parkeren en hebben we als gemeente een middel in handen om bij nieuwe ontwikkelingen toekomstige parkeeroverlast te voorkomen. Het doel bij parkeernormen is ervoor te zorgen dat een nieuwe (her)ontwikkeling niet leidt tot parkeeroverlast in de omgeving. Het basisprincipe is dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, tenzij er mogelijkheden zijn om hiervan af te wijken waarbij geen parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat. De Nota Parkeernormen 2017 speelt in op deze mogelijkheden. De focus is verschoven van de normen zelf en naar de wijze waarop we omgaan met de normen. Er wordt meer aandacht besteed aan een flexibele invulling van de parkeerbehoefte zoals het benutten van bestaande capaciteit en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door het bieden van aantrekkelijke mobiliteitsarrangementen, deelauto’s of goede fietsfaciliteiten.
1.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: • • •
•
•
Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROWrichtlijn te hanteren; In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
3
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
2. Vaststellen parkeerbehoefte 2.1 Parkeernormen De parkeernorm wordt beschouwd als een getal dat een zo goed mogelijke inschatting geeft van de te verwachte parkeerbehoefte van een bouwontwikkeling. De Tilburgse parkeernorm is afgeleid van de parkeerkencijfers van het Kennisplatform CROW zoals deze beschikbaar zijn via de CROW Kennisbank bij de "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Bij het hanteren van de parkeernormen gaan wij uit van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Met het uitgangspunt om uit te gaan van een minimale parkeerbehoefte voorkomen wij dat parkeren een onnodige druk op een bouwplan legt. Niet meer dan minimaal noodzakelijk. Het is aan de initiatiefnemer om zo nodig meer parkeerplaatsen te realiseren. De parkeernorm is inclusief het parkeren van de bezoekers van de functie. Het ‘aandeel bezoek’ geeft het deel van de norm aan dat beschikbaar en toegankelijk moet zijn voor bezoekers. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernormen. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, hebben wij ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.
Wanneer een specifieke functie niet voor komt in deze nota stelt de gemeente, gebaseerd op de kencijfers van het CROW of ervaringscijfers bij andere gemeenten, naar redelijkheid een parkeernorm vast. In bijlage 1 zijn de door de gemeente gehanteerde parkeernormen per functie voor verschillende zones in Tilburg weergegeven.
2.2 Berekening parkeerbehoefte 2.2.1 Rekenen met dubbelgebruik De parkeernormen zijn onderverdeeld in functies en geven per functie een indicatie van de omvang van het benodigde aantal parkeerplaatsen. In sommige situaties vindt een combinatie van functies plaats. In dat geval dient gekeken te worden naar de momenten in de week waarop per functie de parkeervraag zich voordoet. Omdat de parkeerbehoefte van een specifieke functie zich slechts op bepaalde momenten voordoet is soms dubbelgebruik met andere functies te realiseren, hetgeen uit het oogpunt van kostenbesparing en optimaal gebruik van spaarzame ruimte voor alle partijen wenselijk is. De aanwezigheidspercentages kunnen alleen worden toegepast wanneer de parkeergelegenheid toegankelijk is voor de verschillende beoogde doelgroepen. Bij het rekenen met dubbelgebruik dient de vindbaarheid van de parkeerlocatie en de maximaal acceptabele loopafstanden voor de verschillende doelgroepen in acht te worden genomen.
4
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
woningen bewoners woningen bezoekers kantoor/bedrijven commerciële dienstverlening detailhandel grootschalige detailhandel supermarkt sportfuncties binnen sportfuncties buiten bioscoop/theater/podium/etc. sociaal medisch: arts/maatschap/terapheut/consultatiebureau verpleeg/verzorgingstehuis/aanleuningwoning ziekenhuis patienten inclusief bezoekers ziekenhuis medewerkers dagonderwijs avondonderwijs
werkdag werkdag werkdag koopochtend middag avond avond 50% 50% 90% 80% 10% 20% 80% 70% 100% 100% 5% 5% 100% 100% 50% 75% 30% 60% 10% 75% 30% 60% 70% 80% 30% 60% 40% 80% 50% 50% 100% 100% 25% 25% 50% 50% 5% 25% 90% 90% 100% 75% 10% 10%
werkdag zaterdag zaterdag zondagnacht middag avond middag 100% 60% 80% 70% 0% 60% 100% 70% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 100% 0% 0% 0% 100% 0% 30% 0% 100% 40% 30% 0% 100% 100% 75% 0% 100% 25% 100% 0% 40% 100% 40% 0% 10% 10% 10%
50%
50%
100%
100%
25%
100%
100%
100%
60% 75% 100% 0%
100% 100% 100% 0%
60% 40% 0% 100%
60% 40% 0% 100%
5% 25% 0% 0%
60% 40% 0% 0%
60% 40% 0% 0%
60% 40% 0% 0%
TABEL 1. AANWEZIGHEIDSPERCENTAGES VOOR HET VASTSTELLEN VAN DUBBELGEBRUIK
In bovenstaande tabel is een overzicht met aanwezigheidspercentages over de specifieke delen van de week opgenomen voor in deze nota voorkomende functies. Deze aanwezigheidspercentages zijn afgeleid van de richtlijnen van het CROW en worden toegepast in de parkeerbalans. De gemeente stuurt op het beschikbaar zijn en openbaar toegankelijk houden van parkeerplaatsen voor dubbelgebruik voor de verschillende doelgroepen. Bijzondere of lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat voor specifieke projecten maatwerk moet worden toegepast. Dit is ter beoordeling aan de gemeente.
2.2.2 Rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen In een toekomstige woonwijk met veel garages en (dubbele) opritten zijn in theorie mogelijk voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. In de praktijk is gebleken dat een deel van het theoretisch aanbod niet wordt gebruikt. Dit leidt ertoe dat auto’s van bewoners op de openbare weg worden geparkeerd op plaatsen die voor bezoekers bestemd zijn. De gemeente hanteert bij een ontwikkeling groter dan 10 woningen de correctiefactoren voor parkeerplaatsen op eigen terrein zoals opgenomen in de volgende tabel.
Parkeervoorzieningen
Theoretisch aantal
Berekenings- Opmerkingen aantal
Enkele oprit zonder garage
1 of 2
1,0
oprit min. 5 m diep
Garage met enkele oprit
2
1,0
oprit min. 5 m diep
Garagebox (niet bij woning)
1
0,7
Garage zonder oprit (bij woning)
1
0,5
Dubbele oprit met of zonder garage
2–4
2,0
Dubbele oprit zonder garage
2
1,7
oprit min. 4,5 meter breed
TABEL 2. CORRECTIEFACTOR BIJ PARKEERPLAATSEN OP EIGEN TERREIN
5
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
2.2.3 Regeling 'oud voor nieuw' Bij functiewijzigingen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, wordt op basis van de parkeernormen de parkeerbehoefte berekend. Daarbij hoeft niet gecompenseerd te worden voor een eventueel parkeertekort uit het verleden. Ook hier blijft het uitgangspunt dat door de bouwontwikkeling de parkeerdruk op het maatgevende moment in de directe omgeving niet nadelig wordt beïnvloed. Op basis van de actuele parkeernormen wordt berekend wat in de bestaande en toekomstige situatie de parkeerbehoefte is. Het betreft een normatieve vergelijking die op het maatgevende moment van de week het verschil in parkeerbehoefte tussen de oude en nieuwe functie inzichtelijk maakt. De voorwaarde om deze verrekensystematiek toe te passen is dat de bestaande of voorgaande functie tenminste 5 jaar geleden nog actief is geweest, waarbij de meest recente actieve functie leidend is.
2.3 Beïnvloeden parkeerbehoefte Er zijn mogelijkheden om de behoefte naar parkeren te beïnvloeden door het bieden en/of stimuleren van alternatieve vervoerswijze. Door het bieden van vervoersalternatieven wordt het autobezit en/of het autogebruik beïnvloed, wat zijn effect heeft op de parkeerbehoefte. Voorbeelden zijn zoals door de inzet van mobiliteitsmaatregelen bij bedrijven, het bieden van "Mobility as a Service"-concepten of door parkeerregulering (betaald parkeren) sturen op het autobezit en -gebruik. Enkele voorbeelden die effect hebben op het autobezit en autogebruik worden hieronder genoemd.
2.3.1 Sturen door regulering Op een aantal plekken In en rondom het centrum van Tilburg geldt parkeerregulering in de vorm van betaald parkeren in combinatie met parkeervergunningen voor bewoners en bedrijven. Hierdoor parkeren doelgroepen op de juiste plaats. Met de uitgifte van vergunningen aan bewoners en bedrijven heeft de gemeente een middel in handen om te sturen in het gebruik van de openbare parkeerruimte. Er zijn restricties op het verkrijgen van vergunningen. Op deze manier is het mogelijk om de omgeving te beschermen tegen parkeeroverlast. Zie hiervoor de nulvergunningregeling in paragraaf 3.2.3.
2.3.2 Woningbouw: Mobility as a Service Mobility as a Service staat voor een mobiliteitsconcept, waarbij de consument mobiliteit inkoopt, in plaats van te investeren in transportmiddelen. Een essentiële verandering hierin is het concept van denken in service levels. Nieuwe services zullen een combinatie vormen tussen openbaar vervoer, vraag gestuurd vervoer en privé voertuigen. Steeds vaker worden "Mobility as a Service"-concepten ingezet bij woningbouwprojecten. Het inzetten van bijvoorbeeld deelauto's of zelfs deelscooters bij een (grootschalig) appartementencomplex is van invloed op het autobezit en daarmee de parkeerbehoefte. Op dit moment is het nog onduidelijk welk effect deze "Mobility as a Service"-concepten hebben op het autobezit onder toekomstige bewoners. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwplan dient de initiatiefnemer te onderbouwen op welke wijze deze "Mobility as a Service"- concepten worden ingezet en welk verwacht effect dit heeft op de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners. Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate de parkeerbehoefte wordt beïnvloed.
6
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
2.3.3 Bedrijven: mobiliteitsplannen Door het bieden en stimuleren van alternatieve vervoerwijzen beïnvloeden we het mobiliteitsgedrag van medewerkers en kan de parkeerbehoefte worden beperkt. Te denken valt aan: -
Inzetten op stimuleren fiets, lopen en/of het openbaar vervoer;
-
Samenwerken met andere werkgevers op het gebied van de mobiliteit van medewerkers (community);
-
Inzetten op poolauto's/deelauto's, carsharing door medewerkers.
Een uitgewerkt, onderbouwd en uitvoerbaar mobiliteitsplan kan van invloed zijn op de uiteindelijk benodigde parkeerbehoefte en kan dus leiden tot een reductie van de parkeerbehoefte. In het mobiliteitsplan dient onderbouwd te worden hoe de maatregel van invloed is op het autogebruik en wat dit betekent voor de berekende parkeerbehoefte op basis van de parkeernorm. Een dergelijk mobiliteitsplan maakt vervolgens onderdeel uit van de vergunningaanvraag. Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate de parkeerbehoefte wordt beïnvloed.
2.4 Gebiedsgerichte parkeeroplossing bij grote ontwikkeling Grote gebiedsontwikkelingen binnen de gemeente vragen om anders om te gaan met de parkeerbehoefte. Bij dergelijke grote ontwikkelingen geven de parkeernormen een bestguess van de te verwachten parkeerbehoefte, maar hier kan in de praktijk anders mee worden omgegaan. Bij deze ontwikkelingen kan door de initiatiefnemer(s) een parkeervisie voor het betreffende gebied worden opgesteld welke als uitgangspunt dient voor het voorzien in de (toekomstige) parkeerbehoefte. Indien een dergelijke visie de goedkeuring van het stadsbestuur heeft gekregen, worden aanvragen van een omgevingsvergunning niet aan deze nota, maar op basis van deze parkeervisie getoetst. Het uitgangspunt in dergelijke gebiedsontwikkelingen blijft dat de omgeving wordt beschermd tegen overlast door uitwijkgedrag. Dit vereist afspraken over hoe bij deze ontwikkelingen op een gebiedsgerichte manier met het parkeervraagstuk wordt omgegaan. De Spoorzone is een voorbeeld van hoe de gebiedsgerichte parkeeroplossing tot stand kan komen bij een grote gebiedsontwikkeling.
2.5 Richtlijn stallingsvoorzieningen fiets Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Bij een bouwontwikkeling dient een inschatting van de behoefte aan stallingsvoorzieningen te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW (zie de CROW Kennisbank). Deze verwachte stallingbehoefte beschouwen wij als een richtlijn. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwplan dient de initiatiefnemer aan te geven op welke manier wordt voorzien in voldoende fietsstallingsvoorzieningen. Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte. . Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate in de stallingsbehoefte wordt voorzien.
7
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
3. Vaststellen van de parkeereis De parkeereis wordt vastgesteld op basis van de berekende parkeerbehoefte, waarbij afronding naar een heel getal plaatsvindt. Enkele standaard vrijstellingsregels zijn van toepassing op kleine ontwikkelingen en ontwikkelingen in de binnenstad. Bij bouwontwikkelingen waarbij bestaande parkeercapaciteit verloren gaat moet het verlies van deze capaciteit worden gecompenseerd. Dit geldt zowel voor capaciteit op eigen terrein als in openbaar gebied. Het verlies aan parkeercapaciteit moet binnen het project zodanig worden gecompenseerd dat er geen structureel nadelig effect is op de parkeerdruk in de directe omgeving.
3.1 Voldoen aan de parkeereis Het basisprincipe is dat een ontwikkeling in de parkeereis voorziet op eigen terrein. Wanneer niet (volledig) aan dit basisprincipe kan worden voldaan, moet de initiatiefnemer aantonen waarom realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval dient te worden bezien of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere oplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis op eigen terrein. In voorkomende gevallen kan het fysiek onmogelijk of onwenselijk zijn om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar bestaat wel de mogelijkheid om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. Wanneer op een andere wijze dan op eigen terrein aan de parkeereis wordt voldaan, moet de initiatiefnemer aangegeven hoe dit gebeurt.
a. Alternatieve private parkeeroplossing
De parkeerbehoefte kan binnen een acceptabele loopafstand van het bouwplan worden opgelost op een privaat terrein of in een private parkeervoorziening. Aangetoond moet worden dat deze parkeerplaatsen ten behoeve van het betreffende bouwplan worden aangewend. Hierbij vragen wij een overeenkomst voor het gebruik van de private parkeervoorziening voor een periode van ten minste 10 jaar voor de betreffende ontwikkeling.
b. Benutten restcapaciteit omgeving Als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost dan is het mogelijk te onderzoeken of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 meter van de ontwikkeling. Van belang is dat hierbij niet alleen gekeken wordt naar de parkeerbehoefte van de bouwontwikkeling op de verschillende momenten van de week, maar dat tevens helder is wat de structurele beschikbare restcapaciteit in de omgeving is op de verschillende momenten van de week. De initiatiefnemer dient hiervoor voor eigen rekening een onderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerd onafhankelijk bureau.
8
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
3.2 Vrijstelling parkeereis 3.2.1
Vrijstellingsregel kleine ontwikkelingen
Voor kleine bouwontwikkelingen in Tilburg wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Onder kleine bouwontwikkelingen wordt verstaan ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen. Indien de (toename van de) parkeerbehoefte bij een bouwontwikkeling niet meer dan 3 parkeerplaatsen bedraagt op het maatgevend moment volgt geen parkeereis. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. Indien dit wordt besloten kan sprake zijn van plaatsing op de nulvergunningenlijst (paragraaf 3.2.3).
3.2.2
Vrijstellingsregel bezoekersparkeren binnenstad
De binnenstad van Tilburg heeft een ruim aanbod aan collectieve gemeentelijke en private parkeergarages. Deze parkeergarages zijn bedoeld voor het faciliteren van de bezoekers aan de binnenstad en bewoners en bedrijven uit de binnenstad. Deze garages hebben op dit moment voldoende restcapaciteit en die zetten wij in om een extra parkeerbehoefte op te vangen. Daarom stellen wij geen parkeereis voor het bezoekersparkeren bij toekomstige ontwikkelingen binnen de ‘invloedssfeer’ van de openbare parkeergarage. Deze parkeervoorzieningen zijn beschikbaar voor de bezoekers wanneer de loopafstanden naar de eindbestemming acceptabel zijn. Voor wat betreft de vrijstellingsregel voor bezoekersparkeren hanteren wij een maximale loopafstand, uitgedrukt in een straal van 250 meter rondom de openbare parkeergarages. Deze vrijstellingsregel is mogelijk omdat: -
door het faciliteren van het bezoekersparkeren in de collectieve en gemakkelijk vindbare openbare parkeergarages wordt voorkomen dat het parkeeraanbod voor bezoekers van Tilburg versnipperd raakt, waardoor onduidelijkheid voor de bezoeker en daardoor (onnodig) zoekverkeer ontstaat.
-
het leidt tot een betere bezetting van de parkeergarages (benutten bestaande restcapaciteit);
-
bij bezoekersparkeren eenvoudig dubbelgebruik is te realiseren (flexibel en geen plaatsgarantie), het leidt tot het benutten van restcapaciteit en een betere exploitatie van de parkeergarages.
De restcapaciteit in de gemeentelijke parkeervoorzieningen wordt jaarlijks met behulp van de parkeerbalans voor de binnenstad geëvalueerd. Deze vrijstelling is daarom van toepassing zolang uit deze parkeerbalans blijkt dat de parkeerdruk in de gebouwde voorzieningen op een acceptabel niveau blijft.
9
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
AFBEELDING 3. INVLOEDSFEER OPENBARE PARKEERGARAGES BINNEN GEREGULEERD GEBIED (PER MEDIO 2017).
3.2.3
Nulvergunningregeling in gereguleerd gebied
Soms geven initiatiefnemers aan dat zij functies (zoals woningen) realiseren voor een doelgroep die geen of nauwelijks autobezit heeft. De parkeereis zet de haalbaarheid van sommige gewenste ontwikkeling onder druk en leidt in deze gevallen tot ongebruikte parkeerplaatsen. Om meer flexibiliteit te bieden in de parkeeroplossing kan in het gereguleerde gebied gebruik worden gemaakt van de "nulvergunningregeling". Dit betekent dat toekomstige gebruikers (en/of hun bezoekers) worden uitgesloten van het verkrijgen van parkeervergunningen. In lijn met de centrale gedachte wordt daarmee voorkomen dat de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen wordt afgewenteld op de omgeving. Deze nulvergunningregeling kan alleen van toepassing zijn in gereguleerd gebied omdat het parkeren in die zone (Zone A) gereguleerd is. (zie bijlage 2: zone-indeling parkeernormen). In die zone is de keuze aan de initiatiefnemer om de ontwikkeling doorgang te laten vinden met of zonder (voldoende) parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor woonfuncties biedt dit uiteindelijke kopers de mogelijkheid tussen een goedkopere woning zonder parkeerplaats of een duurdere woning met (gebouwde) parkeerplaats. Dergelijke bouwontwikkelingen worden geplaatst op de nulvergunninglijst en hebben vrijstelling van het voorzien in (voldoende) parkeerplaatsen op eigen terrein.
3.3 Afkoopregeling Er zijn ontwikkelingen denkbaar waarbij het niet mogelijk is om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren en waar geen beschikbaar alternatief in de omgeving kan worden gevonden. Dan zal de parkeervraag moeten worden opgelost in een nog te realiseren openbare parkeervoorziening. Dit kan in het openbaar gebied zijn of in een gebouwde parkeervoorziening, al dan niet door de gemeente geëxploiteerd.
10
PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017
Indien een bouwplan niet in de parkeereis voorziet en er geen alternatieve mogelijkheden in de omgeving zijn betaalt de initiatiefnemer voor de niet gerealiseerde parkeerplaatsen een bedrag ter compensatie aan de gemeente. De hoogte van het afkoopbedrag is vergelijkbaar met de gemiddelde kosten van het realiseren van een parkeerplaats op maaiveld of in een gebouwde voorziening. Dit is afhankelijk van de betreffende zone waarin het bouwplan wordt gerealiseerd en of het een maatschappelijke of commerciële ontwikkeling betreft. Het tarief voor afkoop wordt jaarlijks vastgesteld in het Tarievenbesluit. De tariefsopbouw voor afkoop is weergegeven in de volgende tabel. Parkeerzone Tarief
Indicatie (prijspeil 2018) Maatschappelijk
Commercieel
Basis van het afkoopbedrag
Zone A
Hoog
€ 10.000
€ 15.000
Uitgaande van een mix van de realisatiekosten van een gebouwde parkeervoorziening (onder- en bovengronds).