CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting met bijlagen-b001

Raadsvergadering 3 oktober 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Bt Vossenberg 2008, 9e herz. (Dongenseweg 75)21.004 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen.

Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones.

Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75)

18

4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Loonse en Drunense Duinen op 6,3 kilometer afstand. Aangezien het een reeds bestaande situatie is, zijn bij gelijkblijvend gebruik van de aanwezige bebouwing, negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied uitgesloten. Om het gelijkblijvend gebruik te garanderen zijn beroep aan huis, bedrijf aan huis en flexibiliteitsbepalingen, die kunnen leiden tot publiek en verkeer aantrekkende functies en/of het vergroten van het bestemmingsvlak voor wonen, in de planregels uitgesloten. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied ligt in het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Door de reeds bestaande situatie en gebruik, zijn negatieve en externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, redelijkerwijs uit te sluiten. De eigenaar van het perceel dient hierbij de regels en beheermaatregelen behorende bij het aanwezige natuurtype in acht te nemen. Soortenbescherming Het perceel blijft bestemd en in gebruik als bos. Achter op het perceel worden een paar bouwwerken gesloopt. Er wordt geen beplanting verwijdert.

De te slopen bouwwerken zijn in potentie geschikt als voortplantings- of rustplaats voor marterachtigen. Daarnaast is er in de directe omgeving een waarneming gedaan van de rugstreeppad. Voor de sloop van de opstallen dient voorafgaand aan de sloop een quick scan uitgevoerd te worden naar het voorkomen van beschermde soorten. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten dienen aanvullende maatregelen genomen te worden en zal er een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd moeten worden. Conclusie Het plangebied is reeds jaren in gebruik als woning met aangrenzende tuin. Deze functie zal met de wijziging van de bestemming gecontinueerd worden. Om het gelijkblijvend gebruik te garanderen zijn beroep aan huis, bedrijf aan huis en flexibiliteitsbepalingen, die kunnen leiden tot publiek en verkeer aantrekkende functies en/of het vergroten van het bestemmingsvlak voor wonen, in de planregels uitgesloten. Daarnaast borgt het plan dat achterop het perceel gelegen bebouwing wordt geamoveerd, waar wat betreft het NNB een positief effect vanuit gaat. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op aanwezige natuurgebieden en geen belemmeringen om voor dat deel de bestemming te wijzigen in de bestemming Wonen-Buitengebied. De bestemmingswijziging heeft ook geen negatieve effecten op aanwezige (beschermde) soorten.

Wel kunnen bij het slopen van de aanwezige opstallen mogelijk verblijfplaatsen van enkele beschermde soorten worden aangetast. Voor aanvang van de sloop dient te worden onderzocht of negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten kunnen worden.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75)

19

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Kenmerk In plangebied Waterbeheerders Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta Stroomgebied Donge Bruto oppervlakte Ca. 1,94 hectare planlocatie Terreinhoogte Tussen NAP+ 10,30 m en NAP+11,50 m Gemiddelde Hoogste Tussen NAP+8,20 m en NAP+8,6 m Grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Tussen 1,7 m en 3,3 m Bodem Sterk lemig, matig fijn zand Riolering Vuilwater op drukriolering Oppervlaktewater Geen oppervlaktewater in de directe omgeving van het plangebied, zie afbeelding 1 Keur beschermde gebieden Plangebied ligt binnen het volledig beschermd gebied waterhuishouding, zie afbeelding 2 Tabel 1; Gebiedskenmerken

Afbeelding 1; Locatie plangebied ten opzichte van oppervlaktewater. Met een rode vorm is het plangebied weergegeven

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75)

20

Afbeelding 2; Locatie plangebied (rode vorm) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur

5.2 Beleidskader Het waterschap De Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico’s beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Het plan is gericht op het bereiken van de volgende doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang.

In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam watersysteem Het plan heeft geen impact op de waterhuishouding. Een waterparagraaf en een wateradvies van de waterbeheerder, waterschap Brabantse Delta, zijn derhalve niet relevant. Echter, bij verbouwing, nieuwbouw of ruimtelijke ontwikkelingen die wel een impact heeft op de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan, dient de initiatiefnemer rekening te houden met bovengenoemde wet- en regelgeving die verbetering van de bestaande situatie inhoudt en/of compensatie vereist bij veranderingen in de waterhuishouding.

5.4 Watertoets Deze bestemmingsplanwijziging heeft geen impact op het watersysteem. Het plan valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het waterbeleid. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75)

21

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75)

22

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg 7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 5 november 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het waterschap reageert formeel op het ontwerpbestemmingsplan, zie ook Hoofdstuk 5 van deze toelichting. Het concept-ontwerpbestemmingsplan is daarnaast zoals in Hoofdstuk 1 al werd opgemerkt reeds in juni 2021 met de provincie voorbesproken en door de provincie akkoord bevonden. Vervolgens is het plan na het afronden van het concept op 24 december 2021 digitaal aangemeld bij de provincie. In haar vooroverlegreactie maakt de provincie een aantal technische opmerkingen. Naar aanleiding daarvan zijn in de plantoelichting de teksten van (sub)paragraaf 2.2.2 en 4.10 aangevuld. In de planregels zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen met betrekking tot de natuurcompensatie en het amoveren van buiten het bestemmingsvlak Wonen-Buitengebied gelegen bebouwing, is in regelonderdeel 4.1 onder d. het woordje 'bestaande' toegevoegd en is op de planverbeelding en in de regels de aanduiding "te verwijderen NNB" opgenomen.

7.3 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft omwonenden bij brief van 30 november 2021 ingelicht over het plan. In de brief is een termijn van twee weken gegeven om op het plan te reageren. Er zijn geen reacties ingekomen bij initiatiefnemer. Omwonenden hebben evenmin contact gezocht met de gemeente naar aanleiding van de brief.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009). INVULLEN (per genummerde zienswijze een inhoudelijk oordeel, met conclusie dat zienswijze geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is).

Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75)

23

Bijlagen bij toelichting

Bijlage 1 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico

Bijlage 2 Parkeernormen Tilburg 2017 Parkeernormen Tilburg 2017

Bijlagen bij toelichting

Bijlage 1 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico

Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording groepsrisico Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75) 1. Inleiding Het plangebied van bestemmingsplan Bedrijventerrein Vossenberg 2008, 9e herziening (Dongenseweg 75) bevindt zich in Tilburg (zie figuur 1). De ontwikkeling betreft een planologische wijziging voor reeds bestaande (legale) bewoning op perceel Dongenseweg 75. Dit was tot op heden alleen in het bestemmingsplan met een aanduiding geregeld, en niet met een volwaardig bestemmingsvlakje Wonen-Buitengebied. Dat wordt nu, met instemming van de provincie, alsnog geregeld. Verder verandert er niets, het perceel blijft verder bestemd als Bos. Kleine bouwwerken achterop het perceel verdwijnen.

Figuur 1: Planverbeelding

2. Wettelijk kader a. Algemeen Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's overwogen moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in de ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. b. Wettelijk kader De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. De gemeente Tilburg heeft naast bovengenoemde wettelijke toetsingskaders ook een gemeentelijk toetsingskader vastgesteld, namelijk een beleidsvisie externe veiligheid getiteld: "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan vier kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, het plasbrandaandachtsgebied en de verantwoording. Een nadere toelichting voor deze begrippen zijn beschreven in de laatste paragraaf van dit document, onder het kopje begrippenkader.

3. Inventarisatie risicobronnen Hieronder volgt de inventarisatie van de risicobronnen die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Elke ontwikkeling die ligt binnen het invloedsgebied van een risicobron moet worden verantwoord. Per risicobron wordt beoordeeld of het plangebied binnen het invloedsgebied ligt en deze relevant is voor de verantwoording. Inrichtingen (bedrijven) De bestemmingsplanherziening maakt het planologisch niet mogelijk om risicovolle inrichtingen op te richten binnen het plangebied. Het invloedsgebied van Bevi-inrichtingen ID Logistics Benelux B.V. en Versteijnen Logistic Services B.V. (gelegen op bedrijventerrein Vossenberg) reiken tot het plangebied. Gezien de afstand tussen het plangebied en deze bedrijven wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Gelet op deze afstand (meer dan 1.000 meter) zal de geprojecteerde ontwikkeling geen gevolgen hebben voor het groepsrisico van deze bedrijven. Transport gevaarlijke stoffen Het invloedsgebied van de transportassen over de weg en het spoor met gevaarlijke stoffen verschilt per transportas. In onderstaande tabel is een overzicht van de wegen en sporen met de stofcategorie die zorgt voor het grootste invloedsgebied. Transportas Spoor Tilburg - Vught Lokale transportroute Rijksweg A65/N65 Spoor Tilburg - Boxtel Spoor Breda - Tilburg Rijksweg A58

Bepalende stof invloedsgebied Stof (code) Naam (typering van de stof) D4 Zeer toxische vloeistof GF3 Brandbaar gas LT2 Toxische vloeistoffen B2 Toxisch gas D4 Zeer toxische vloeistof GT4 Vloeistof verdicht gas

Invloedsgebied > 4.000 m 355 m 880 m 995 m > 4.000 m > 4.000 m

Afstand tot plangebied > 6.200 m > 850 m > 7.600 m > 6.000 m > 2.400 m > 5.500 m

Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, ligt het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg - Breda over het plangebied. Gezien de afstand tussen het plangebied en deze transportroute gevaarlijke stoffen wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Een nadere beschouwing van het groepsrisico in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling is niet nodig (afstand is groter dan 200 meter). Plasbrandaandachtsgebieden (PAG) Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden moet voor bepaalde (spoor)wegen rekening worden gehouden met de zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden. Het gaat hier om (spoor)wegen waarover veel transport van brandbare vloeistoffen plaatsvindt zoals benzine. Voor Tilburg is dit het spoor Breda-TilburgBoxtel en de A58. Het spoor vanaf de splitsing richting Vught en de A65 kent geen plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is een gebied van 30 meter uit de rand van een rijstrook van een weg dan wel 30 meter van de buitenste spoorstaaf op het spoor. Binnen plasbrandaandachtsgebieden moeten de effecten van een plasbrand meegenomen worden in de verantwoording. Daarnaast gelden binnen het plasbrandaandachtsgebied aanvullende bouwvoorschriften voor nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Het plangebied ligt niet binnen een PAG, vanuit het bouwbesluit gelden dan ook geen aanvullende voorwaarden.

Hogedruk aardgasleidingen en K1,K2,K3-vloeistofleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen worden de veiligheidsaspecten geregeld van hogedruk buisleidingen. Er ligt geen invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding of K1,K2,K3-vloeistofleiding over het plangebied.

Conclusies Het plangebied maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen de plaatsgebonden risicocontour van een Beviinrichting, transportas en/of hogedruk aardgasleiding. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van ID Logistics Benelux B.V., Versteijnen Logistic Services B.V. en de spoorlijn Tilburg - Breda. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de groepsrisicoverantwoording ingevuld.

4. Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid.

5. Verantwoording groepsrisico Dongenseweg 75 Via de herziening van het bestemmingsplan wordt de bewoning van een bestaande woning correct in het bestemmingsplan opgenomen. De gevolgen van het onderhavige bestemmingsplan voor het groepsrisico zijn bekend en vormen samen met de aanwezige mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van in de nabijheid aanwezige personen de basis voor de verantwoording groepsrisico. De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid moet op twee aspecten worden beoordeeld: Is het rampscenario te bestrijden Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren. Gezien de afstand tussen het plangebied en de relevante transportroute (>2.400 meter) is enkel het toxisch scenario relevant en nader beschouwd. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagon lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk.

Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te

behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Opkomsttijd brandweer De opkomsttijd van de brandweer bedraagt vier minuten. Daarmee wordt voldaan aan de zorgnorm voor nieuwe situaties (twaalf minuten). Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies bedoeld voor groepen nietzelfredzame personen opgenomen. Vluchtmogelijkheden Het plangebied wordt via de bestaande wegenstructuur (Dongenseweg, Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg en aanliggende wegen) goed ontsloten, waardoor het gebied goed te ontvluchten is. Ventilatie Bij blootstelling aan een toxisch gas is ‘schuilen’ vaak de beste wijze van zelfredzaamheid. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.

De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Conform het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.31 – regelbaarheid) moet de mechanische ventilatie (bij nieuwbouw) uitgeschakeld kunnen worden. Met name zich als een calamiteit met een gifwolk voor doet. Alarmering Van belang is dat bewoners in geval van een incident tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie. Daarnaast is mobiele alarmering via NL-Alert mogelijk. Risicocommunicatie Door actief te communiceren over risico’s zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De brandweer Midden- en West-Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico’s wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden niet gezien als verminderd zelfredzaam.

6. Conclusies Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van twee risicovolle inrichtingen en één transportroute gevaarlijke stoffen. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van ID Logistics Benelux B.V., Versteijnen Logistic Services B.V. en de spoorlijn Tilburg - Breda is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording is het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: - De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; Aangezien het plan op >2.400 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; De bereikbaarheid van het plangebied is goed; Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;

-

-

Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), dit biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan.

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

Begrippenkader Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan worden weergegeven met zogeheten risicocontouren; lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 -6-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kan niet op de kaart worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waarbij de kans (f) wordt afgezet tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij wettelijk anders geregeld), ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Plasbrandaandachtsgebieden In de regeling Basisnet zijn rijkswegen en spoordelen aangewezen waar rekening gehouden moet worden met de zogenaamde plasbrandaandachtsgebieden. Voor Tilburg is dit het spoor Breda-Tilburg- Eindhoven en de A58. Het spoor vanaf de splitsing richting Den Bosch en de A65 kent geen plasbrandaandachtsgebied. Het plasbrandaandachtsgebied is een gebied van 30 meter uit de rand van een rijstrook van een weg dan wel 30 meter van de buitenste spoorstaaf op het spoor. Binnen plasbrandaandachtsgebieden moeten de effecten van een plasbrand meegenomen worden in de verantwoording. Daarnaast gelden aanvullende bouwvoorschriften voor nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Verantwoordingsplicht In de wetgeving (Bevi, Bevt en Bevb) is een verplichting opgenomen het groepsrisico te verantwoorden. Deze verantwoording houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In de wetgeving zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording moet voldoen. (beperkt) Kwetsbaar object/ Bijzonder kwetsbaar object De (beperkt) kwetsbaarheid van objecten is vastgelegd in wet en regelgeving.

Bijzonder Kwetsbaar is geen definitie uit de regelgeving, bijzonder kwetsbaar is gedefinieerd in de beleidsvisie externe veiligheid "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Een kwetsbaar object is vastgelegd in regelgeving; woningen, woonschepen en woonwagens, met een dichtheid van meer dan 2 per hectare gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten zoals: o Ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; o Scholen; o Gebouwen of een gedeelte daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; Gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot deel van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren; o Kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m² per object; o Complexen, waarin meer dan vijf winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m² bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m² per winkel, voor zover in die complexen of die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd; Kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar;

Beperkt kwetsbaar object o Verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare; o Dienst -en bedrijfswoningen van derden Kantoorgebouwen, voor zover zij er geen sprake is van een kwetsbaar object; Winkels, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object; Sporthallen sportterreinen en speeltuinen Kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinde, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object Bedrijfsgebouwen, voor zover er geen sprake is van een kwetsbaar object; Objecten die gelijkgesteld kunnen worden met de hierboven genoemde objecten gezien de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval tenzij er sprake is van een kwetsbaar object. Objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval. Bijzonder kwetsbaar object Er zijn mensen, die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking of een zeer jonge leeftijd.

Het is niet wenselijk dat deze niet-zelfredzame mensen nabij risicovolle activiteiten wonen of verblijven. We definiëren de objecten waarin dergelijke mensen wonen of verblijven als bijzonder kwetsbare objecten.

Bijlage 2 Parkeernormen Tilburg 2017 Parkeernormen Tilburg 2017

Parkeernormen Tilburg 2017 Gemeente Tilburg

November 2017

Auteurs:

John Swaans / Rogier Kuypers (Ruimte)

Datum:

8 november 2017

Inhoudsopgave 1.

Parkeernormen voor bouwontwikkelingen in Tilburg

3

1.1

Gemeentelijke kijk op parkeernormering

3

1.2

Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

3

2.

Vaststellen parkeerbehoefte

4

2.1

Parkeernormen

4

2.2

Berekening parkeerbehoefte

4

2.3

Beïnvloeden parkeerbehoefte

6

2.4

Gebiedsgerichte parkeeroplossing bij grote ontwikkeling

7

2.5

Richtlijn stallingsvoorzieningen fiets

7

3.

Vaststellen van de parkeereis

8

3.1

Voldoen aan de parkeereis

8

3.2

Vrijstelling parkeereis

9

3.3

Afkoopregeling

10

3.4

Afwijken van de parkeereis

11

4.

Uitvoeringsregels

12

4.1

Acceptabele loopafstanden

12

4.2

Afmetingen parkeerplaatsen

12

4.3

Waarborgen gebruik parkeervoorziening

12

4.4

Registratie parkeren op eigen terrein

12

5.

Juridisch-planologische inbedding

14

5.1

Bestemmingsplan

14

5.2

Inwerkingtreding

14

Bijlage 1: Parkeernormen

15

Bijlage 2: Zone-indeling parkeernormen

18

Bijlage 3: Spelregels afkoopregeling Parkeereis

19

Bijlage 4: Beleidsregel Toepassing Parkeernormen Tilburg 2017

20

1. Parkeernormen voor bouwontwikkelingen in Tilburg 1.1 Gemeentelijke kijk op parkeernormering Parkeerdruk en -overlast in de openbare ruimte leidt tot leefbaarheidsproblemen in een straat. Met deze nota Parkeernormen stuurt de gemeente Tilburg op de leefbaarheid en het gebruik van de openbare ruimte voor parkeren en hebben we als gemeente een middel in handen om bij nieuwe ontwikkelingen toekomstige parkeeroverlast te voorkomen. Het doel bij parkeernormen is ervoor te zorgen dat een nieuwe (her)ontwikkeling niet leidt tot parkeeroverlast in de omgeving. Het basisprincipe is dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, tenzij er mogelijkheden zijn om hiervan af te wijken waarbij geen parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat. De Nota Parkeernormen 2017 speelt in op deze mogelijkheden. De focus is verschoven van de normen zelf en naar de wijze waarop we omgaan met de normen. Er wordt meer aandacht besteed aan een flexibele invulling van de parkeerbehoefte zoals het benutten van bestaande capaciteit en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door het bieden van aantrekkelijke mobiliteitsarrangementen, deelauto’s of goede fietsfaciliteiten.

1.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: • • •

•

•

Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROWrichtlijn te hanteren; In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.

3

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

2. Vaststellen parkeerbehoefte 2.1 Parkeernormen De parkeernorm wordt beschouwd als een getal dat een zo goed mogelijke inschatting geeft van de te verwachte parkeerbehoefte van een bouwontwikkeling. De Tilburgse parkeernorm is afgeleid van de parkeerkencijfers van het Kennisplatform CROW zoals deze beschikbaar zijn via de CROW Kennisbank bij de "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Bij het hanteren van de parkeernormen gaan wij uit van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Met het uitgangspunt om uit te gaan van een minimale parkeerbehoefte voorkomen wij dat parkeren een onnodige druk op een bouwplan legt. Niet meer dan minimaal noodzakelijk. Het is aan de initiatiefnemer om zo nodig meer parkeerplaatsen te realiseren. De parkeernorm is inclusief het parkeren van de bezoekers van de functie. Het ‘aandeel bezoek’ geeft het deel van de norm aan dat beschikbaar en toegankelijk moet zijn voor bezoekers. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernormen. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, hebben wij ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

Wanneer een specifieke functie niet voor komt in deze nota stelt de gemeente, gebaseerd op de kencijfers van het CROW of ervaringscijfers bij andere gemeenten, naar redelijkheid een parkeernorm vast. In bijlage 1 zijn de door de gemeente gehanteerde parkeernormen per functie voor verschillende zones in Tilburg weergegeven.

2.2 Berekening parkeerbehoefte 2.2.1 Rekenen met dubbelgebruik De parkeernormen zijn onderverdeeld in functies en geven per functie een indicatie van de omvang van het benodigde aantal parkeerplaatsen. In sommige situaties vindt een combinatie van functies plaats. In dat geval dient gekeken te worden naar de momenten in de week waarop per functie de parkeervraag zich voordoet. Omdat de parkeerbehoefte van een specifieke functie zich slechts op bepaalde momenten voordoet is soms dubbelgebruik met andere functies te realiseren, hetgeen uit het oogpunt van kostenbesparing en optimaal gebruik van spaarzame ruimte voor alle partijen wenselijk is. De aanwezigheidspercentages kunnen alleen worden toegepast wanneer de parkeergelegenheid toegankelijk is voor de verschillende beoogde doelgroepen. Bij het rekenen met dubbelgebruik dient de vindbaarheid van de parkeerlocatie en de maximaal acceptabele loopafstanden voor de verschillende doelgroepen in acht te worden genomen.

4

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

woningen bewoners woningen bezoekers kantoor/bedrijven commerciële dienstverlening detailhandel grootschalige detailhandel supermarkt sportfuncties binnen sportfuncties buiten bioscoop/theater/podium/etc. sociaal medisch: arts/maatschap/terapheut/consultatiebureau verpleeg/verzorgingstehuis/aanleuningwoning ziekenhuis patienten inclusief bezoekers ziekenhuis medewerkers dagonderwijs avondonderwijs

werkdag werkdag werkdag koopochtend middag avond avond 50% 50% 90% 80% 10% 20% 80% 70% 100% 100% 5% 5% 100% 100% 50% 75% 30% 60% 10% 75% 30% 60% 70% 80% 30% 60% 40% 80% 50% 50% 100% 100% 25% 25% 50% 50% 5% 25% 90% 90% 100% 75% 10% 10%

werkdag zaterdag zaterdag zondagnacht middag avond middag 100% 60% 80% 70% 0% 60% 100% 70% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 100% 0% 0% 0% 100% 0% 30% 0% 100% 40% 30% 0% 100% 100% 75% 0% 100% 25% 100% 0% 40% 100% 40% 0% 10% 10% 10%

50%

50%

100%

100%

25%

100%

100%

100%

60% 75% 100% 0%

100% 100% 100% 0%

60% 40% 0% 100%

60% 40% 0% 100%

5% 25% 0% 0%

60% 40% 0% 0%

60% 40% 0% 0%

60% 40% 0% 0%

TABEL 1. AANWEZIGHEIDSPERCENTAGES VOOR HET VASTSTELLEN VAN DUBBELGEBRUIK

In bovenstaande tabel is een overzicht met aanwezigheidspercentages over de specifieke delen van de week opgenomen voor in deze nota voorkomende functies. Deze aanwezigheidspercentages zijn afgeleid van de richtlijnen van het CROW en worden toegepast in de parkeerbalans. De gemeente stuurt op het beschikbaar zijn en openbaar toegankelijk houden van parkeerplaatsen voor dubbelgebruik voor de verschillende doelgroepen. Bijzondere of lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat voor specifieke projecten maatwerk moet worden toegepast. Dit is ter beoordeling aan de gemeente.

2.2.2 Rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen In een toekomstige woonwijk met veel garages en (dubbele) opritten zijn in theorie mogelijk voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. In de praktijk is gebleken dat een deel van het theoretisch aanbod niet wordt gebruikt. Dit leidt ertoe dat auto’s van bewoners op de openbare weg worden geparkeerd op plaatsen die voor bezoekers bestemd zijn. De gemeente hanteert bij een ontwikkeling groter dan 10 woningen de correctiefactoren voor parkeerplaatsen op eigen terrein zoals opgenomen in de volgende tabel.

Parkeervoorzieningen

Theoretisch aantal

Berekenings- Opmerkingen aantal

Enkele oprit zonder garage

1 of 2

1,0

oprit min. 5 m diep

Garage met enkele oprit

2

1,0

oprit min. 5 m diep

Garagebox (niet bij woning)

1

0,7

Garage zonder oprit (bij woning)

1

0,5

Dubbele oprit met of zonder garage

2–4

2,0

Dubbele oprit zonder garage

2

1,7

oprit min. 4,5 meter breed

TABEL 2. CORRECTIEFACTOR BIJ PARKEERPLAATSEN OP EIGEN TERREIN

5

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

2.2.3 Regeling 'oud voor nieuw' Bij functiewijzigingen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, wordt op basis van de parkeernormen de parkeerbehoefte berekend. Daarbij hoeft niet gecompenseerd te worden voor een eventueel parkeertekort uit het verleden. Ook hier blijft het uitgangspunt dat door de bouwontwikkeling de parkeerdruk op het maatgevende moment in de directe omgeving niet nadelig wordt beïnvloed. Op basis van de actuele parkeernormen wordt berekend wat in de bestaande en toekomstige situatie de parkeerbehoefte is. Het betreft een normatieve vergelijking die op het maatgevende moment van de week het verschil in parkeerbehoefte tussen de oude en nieuwe functie inzichtelijk maakt. De voorwaarde om deze verrekensystematiek toe te passen is dat de bestaande of voorgaande functie tenminste 5 jaar geleden nog actief is geweest, waarbij de meest recente actieve functie leidend is.

2.3 Beïnvloeden parkeerbehoefte Er zijn mogelijkheden om de behoefte naar parkeren te beïnvloeden door het bieden en/of stimuleren van alternatieve vervoerswijze. Door het bieden van vervoersalternatieven wordt het autobezit en/of het autogebruik beïnvloed, wat zijn effect heeft op de parkeerbehoefte. Voorbeelden zijn zoals door de inzet van mobiliteitsmaatregelen bij bedrijven, het bieden van "Mobility as a Service"-concepten of door parkeerregulering (betaald parkeren) sturen op het autobezit en -gebruik. Enkele voorbeelden die effect hebben op het autobezit en autogebruik worden hieronder genoemd.

2.3.1 Sturen door regulering Op een aantal plekken In en rondom het centrum van Tilburg geldt parkeerregulering in de vorm van betaald parkeren in combinatie met parkeervergunningen voor bewoners en bedrijven. Hierdoor parkeren doelgroepen op de juiste plaats. Met de uitgifte van vergunningen aan bewoners en bedrijven heeft de gemeente een middel in handen om te sturen in het gebruik van de openbare parkeerruimte. Er zijn restricties op het verkrijgen van vergunningen. Op deze manier is het mogelijk om de omgeving te beschermen tegen parkeeroverlast. Zie hiervoor de nulvergunningregeling in paragraaf 3.2.3.

2.3.2 Woningbouw: Mobility as a Service Mobility as a Service staat voor een mobiliteitsconcept, waarbij de consument mobiliteit inkoopt, in plaats van te investeren in transportmiddelen. Een essentiële verandering hierin is het concept van denken in service levels. Nieuwe services zullen een combinatie vormen tussen openbaar vervoer, vraag gestuurd vervoer en privé voertuigen. Steeds vaker worden "Mobility as a Service"-concepten ingezet bij woningbouwprojecten. Het inzetten van bijvoorbeeld deelauto's of zelfs deelscooters bij een (grootschalig) appartementencomplex is van invloed op het autobezit en daarmee de parkeerbehoefte. Op dit moment is het nog onduidelijk welk effect deze "Mobility as a Service"-concepten hebben op het autobezit onder toekomstige bewoners. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwplan dient de initiatiefnemer te onderbouwen op welke wijze deze "Mobility as a Service"- concepten worden ingezet en welk verwacht effect dit heeft op de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners. Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate de parkeerbehoefte wordt beïnvloed.

6

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

2.3.3 Bedrijven: mobiliteitsplannen Door het bieden en stimuleren van alternatieve vervoerwijzen beïnvloeden we het mobiliteitsgedrag van medewerkers en kan de parkeerbehoefte worden beperkt. Te denken valt aan: -

Inzetten op stimuleren fiets, lopen en/of het openbaar vervoer;

-

Samenwerken met andere werkgevers op het gebied van de mobiliteit van medewerkers (community);

-

Inzetten op poolauto's/deelauto's, carsharing door medewerkers.

Een uitgewerkt, onderbouwd en uitvoerbaar mobiliteitsplan kan van invloed zijn op de uiteindelijk benodigde parkeerbehoefte en kan dus leiden tot een reductie van de parkeerbehoefte. In het mobiliteitsplan dient onderbouwd te worden hoe de maatregel van invloed is op het autogebruik en wat dit betekent voor de berekende parkeerbehoefte op basis van de parkeernorm. Een dergelijk mobiliteitsplan maakt vervolgens onderdeel uit van de vergunningaanvraag. Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate de parkeerbehoefte wordt beïnvloed.

2.4 Gebiedsgerichte parkeeroplossing bij grote ontwikkeling Grote gebiedsontwikkelingen binnen de gemeente vragen om anders om te gaan met de parkeerbehoefte. Bij dergelijke grote ontwikkelingen geven de parkeernormen een bestguess van de te verwachten parkeerbehoefte, maar hier kan in de praktijk anders mee worden omgegaan. Bij deze ontwikkelingen kan door de initiatiefnemer(s) een parkeervisie voor het betreffende gebied worden opgesteld welke als uitgangspunt dient voor het voorzien in de (toekomstige) parkeerbehoefte. Indien een dergelijke visie de goedkeuring van het stadsbestuur heeft gekregen, worden aanvragen van een omgevingsvergunning niet aan deze nota, maar op basis van deze parkeervisie getoetst. Het uitgangspunt in dergelijke gebiedsontwikkelingen blijft dat de omgeving wordt beschermd tegen overlast door uitwijkgedrag. Dit vereist afspraken over hoe bij deze ontwikkelingen op een gebiedsgerichte manier met het parkeervraagstuk wordt omgegaan. De Spoorzone is een voorbeeld van hoe de gebiedsgerichte parkeeroplossing tot stand kan komen bij een grote gebiedsontwikkeling.

2.5 Richtlijn stallingsvoorzieningen fiets Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Bij een bouwontwikkeling dient een inschatting van de behoefte aan stallingsvoorzieningen te worden gemaakt op basis van de kencijfers uit de Leidraad Fietsparkeren van de CROW (zie de CROW Kennisbank). Deze verwachte stallingbehoefte beschouwen wij als een richtlijn. Bij het indienen van een vergunningsaanvraag voor een bouwplan dient de initiatiefnemer aan te geven op welke manier wordt voorzien in voldoende fietsstallingsvoorzieningen. Daarbij kunnen openbare collectieve stallingsvoorzieningen in de nabijheid van de ontwikkeling een rol vervullen in het voorzien van de (toekomstige) stallingbehoefte. . Het blijft aan de gemeente om op basis van de onderbouwing bij een vergunningaanvraag te beoordelen in welke mate in de stallingsbehoefte wordt voorzien.

7

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

3. Vaststellen van de parkeereis De parkeereis wordt vastgesteld op basis van de berekende parkeerbehoefte, waarbij afronding naar een heel getal plaatsvindt. Enkele standaard vrijstellingsregels zijn van toepassing op kleine ontwikkelingen en ontwikkelingen in de binnenstad. Bij bouwontwikkelingen waarbij bestaande parkeercapaciteit verloren gaat moet het verlies van deze capaciteit worden gecompenseerd. Dit geldt zowel voor capaciteit op eigen terrein als in openbaar gebied. Het verlies aan parkeercapaciteit moet binnen het project zodanig worden gecompenseerd dat er geen structureel nadelig effect is op de parkeerdruk in de directe omgeving.

3.1 Voldoen aan de parkeereis Het basisprincipe is dat een ontwikkeling in de parkeereis voorziet op eigen terrein. Wanneer niet (volledig) aan dit basisprincipe kan worden voldaan, moet de initiatiefnemer aantonen waarom realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval dient te worden bezien of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere oplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis op eigen terrein. In voorkomende gevallen kan het fysiek onmogelijk of onwenselijk zijn om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar bestaat wel de mogelijkheid om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. Wanneer op een andere wijze dan op eigen terrein aan de parkeereis wordt voldaan, moet de initiatiefnemer aangegeven hoe dit gebeurt.

a. Alternatieve private parkeeroplossing

De parkeerbehoefte kan binnen een acceptabele loopafstand van het bouwplan worden opgelost op een privaat terrein of in een private parkeervoorziening. Aangetoond moet worden dat deze parkeerplaatsen ten behoeve van het betreffende bouwplan worden aangewend. Hierbij vragen wij een overeenkomst voor het gebruik van de private parkeervoorziening voor een periode van ten minste 10 jaar voor de betreffende ontwikkeling.

b. Benutten restcapaciteit omgeving Als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost dan is het mogelijk te onderzoeken of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% blijft. Onder de directe omgeving wordt in dit verband verstaan binnen een straal van 250 meter van de ontwikkeling. Van belang is dat hierbij niet alleen gekeken wordt naar de parkeerbehoefte van de bouwontwikkeling op de verschillende momenten van de week, maar dat tevens helder is wat de structurele beschikbare restcapaciteit in de omgeving is op de verschillende momenten van de week. De initiatiefnemer dient hiervoor voor eigen rekening een onderzoek te laten uitvoeren door een gespecialiseerd onafhankelijk bureau.

8

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

3.2 Vrijstelling parkeereis 3.2.1

Vrijstellingsregel kleine ontwikkelingen

Voor kleine bouwontwikkelingen in Tilburg wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Onder kleine bouwontwikkelingen wordt verstaan ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen. Indien de (toename van de) parkeerbehoefte bij een bouwontwikkeling niet meer dan 3 parkeerplaatsen bedraagt op het maatgevend moment volgt geen parkeereis. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. Indien dit wordt besloten kan sprake zijn van plaatsing op de nulvergunningenlijst (paragraaf 3.2.3).

3.2.2

Vrijstellingsregel bezoekersparkeren binnenstad

De binnenstad van Tilburg heeft een ruim aanbod aan collectieve gemeentelijke en private parkeergarages. Deze parkeergarages zijn bedoeld voor het faciliteren van de bezoekers aan de binnenstad en bewoners en bedrijven uit de binnenstad. Deze garages hebben op dit moment voldoende restcapaciteit en die zetten wij in om een extra parkeerbehoefte op te vangen. Daarom stellen wij geen parkeereis voor het bezoekersparkeren bij toekomstige ontwikkelingen binnen de ‘invloedssfeer’ van de openbare parkeergarage. Deze parkeervoorzieningen zijn beschikbaar voor de bezoekers wanneer de loopafstanden naar de eindbestemming acceptabel zijn. Voor wat betreft de vrijstellingsregel voor bezoekersparkeren hanteren wij een maximale loopafstand, uitgedrukt in een straal van 250 meter rondom de openbare parkeergarages. Deze vrijstellingsregel is mogelijk omdat: -

door het faciliteren van het bezoekersparkeren in de collectieve en gemakkelijk vindbare openbare parkeergarages wordt voorkomen dat het parkeeraanbod voor bezoekers van Tilburg versnipperd raakt, waardoor onduidelijkheid voor de bezoeker en daardoor (onnodig) zoekverkeer ontstaat.

-

het leidt tot een betere bezetting van de parkeergarages (benutten bestaande restcapaciteit);

-

bij bezoekersparkeren eenvoudig dubbelgebruik is te realiseren (flexibel en geen plaatsgarantie), het leidt tot het benutten van restcapaciteit en een betere exploitatie van de parkeergarages.

De restcapaciteit in de gemeentelijke parkeervoorzieningen wordt jaarlijks met behulp van de parkeerbalans voor de binnenstad geëvalueerd. Deze vrijstelling is daarom van toepassing zolang uit deze parkeerbalans blijkt dat de parkeerdruk in de gebouwde voorzieningen op een acceptabel niveau blijft.

9

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

AFBEELDING 3. INVLOEDSFEER OPENBARE PARKEERGARAGES BINNEN GEREGULEERD GEBIED (PER MEDIO 2017).

3.2.3

Nulvergunningregeling in gereguleerd gebied

Soms geven initiatiefnemers aan dat zij functies (zoals woningen) realiseren voor een doelgroep die geen of nauwelijks autobezit heeft. De parkeereis zet de haalbaarheid van sommige gewenste ontwikkeling onder druk en leidt in deze gevallen tot ongebruikte parkeerplaatsen. Om meer flexibiliteit te bieden in de parkeeroplossing kan in het gereguleerde gebied gebruik worden gemaakt van de "nulvergunningregeling". Dit betekent dat toekomstige gebruikers (en/of hun bezoekers) worden uitgesloten van het verkrijgen van parkeervergunningen. In lijn met de centrale gedachte wordt daarmee voorkomen dat de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen wordt afgewenteld op de omgeving. Deze nulvergunningregeling kan alleen van toepassing zijn in gereguleerd gebied omdat het parkeren in die zone (Zone A) gereguleerd is. (zie bijlage 2: zone-indeling parkeernormen). In die zone is de keuze aan de initiatiefnemer om de ontwikkeling doorgang te laten vinden met of zonder (voldoende) parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor woonfuncties biedt dit uiteindelijke kopers de mogelijkheid tussen een goedkopere woning zonder parkeerplaats of een duurdere woning met (gebouwde) parkeerplaats. Dergelijke bouwontwikkelingen worden geplaatst op de nulvergunninglijst en hebben vrijstelling van het voorzien in (voldoende) parkeerplaatsen op eigen terrein.

3.3 Afkoopregeling Er zijn ontwikkelingen denkbaar waarbij het niet mogelijk is om parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren en waar geen beschikbaar alternatief in de omgeving kan worden gevonden. Dan zal de parkeervraag moeten worden opgelost in een nog te realiseren openbare parkeervoorziening. Dit kan in het openbaar gebied zijn of in een gebouwde parkeervoorziening, al dan niet door de gemeente geëxploiteerd.

10

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

Indien een bouwplan niet in de parkeereis voorziet en er geen alternatieve mogelijkheden in de omgeving zijn betaalt de initiatiefnemer voor de niet gerealiseerde parkeerplaatsen een bedrag ter compensatie aan de gemeente. De hoogte van het afkoopbedrag is vergelijkbaar met de gemiddelde kosten van het realiseren van een parkeerplaats op maaiveld of in een gebouwde voorziening. Dit is afhankelijk van de betreffende zone waarin het bouwplan wordt gerealiseerd en of het een maatschappelijke of commerciële ontwikkeling betreft. Het tarief voor afkoop wordt jaarlijks vastgesteld in het Tarievenbesluit. De tariefsopbouw voor afkoop is weergegeven in de volgende tabel. Parkeerzone Tarief

Indicatie (prijspeil 2018) Maatschappelijk

Commercieel

Basis van het afkoopbedrag

Zone A

Hoog

€ 10.000

€ 15.000

Uitgaande van een mix van de realisatiekosten van een gebouwde parkeervoorziening (onder- en bovengronds).

Zone B

Middel € 5.000

€ 7.500

Uitgaande van een mix van een gebouwde parkeervoorziening en een maaiveldterrein.

Zone C en D

Laag

€ 4.000

Uitgaande van parkeerplaatsen op terreinen en op straat

€ 2.000

TABEL 4. BEDRAGEN AFKOOPREGELING VOOR MAATSCHAPPELIJKE EN COMMERCIËLE BOUWPROJECTEN. (PRIJSPEIL 2018)

De gemeente hanteert hierbij het uitgangspunt dat de tarieven voor de afkoopregeling gelden volgens commerciële bouwprojecten tenzij door de initiatiefnemer gemotiveerd wordt aangetoond dat er sprake is van een maatschappelijk bouwproject met een openbaar belang en zonder winstoogmerk. De afkoop vindt eenmalig plaats bij het verlenen van de omgevingsvergunning van het betreffende bouwplan. De gemeente verplicht zich om met het afkoopbedrag binnen 10 jaar binnen een straal van 600 meter daadwerkelijk extra parkeerplaatsen te realiseren. Uit jurisprudentie blijkt dat voldoende aannemelijk dient te worden gemaakt dat het afkoopbedrag ook daadwerkelijk wordt aangewend om te voorzien in een oplossing voor het betreffende bouwplan. Dit betekent dat indien er sprake is van afkoop, er gezocht wordt naar passende oplossingen voor het bouwplan. Daarbij valt te denken aan het realiseren van extra parkeerplaatsen, het voor openbaar gebruik beschikbaar maken van afgesloten terreinen, het realiseren van fietsenstallingen of het geschikt maken van terreinen voor Park & Ride.

3.4 Afwijken van de parkeereis Afwijken van de parkeereis kan alleen indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aantoont dat de parkeereis niet (volledig) kan worden opgelost. De bevoegdheid voor het afwijken van de parkeereis of afwijken van de tarieven volgens de afkoopregeling ligt bij het college.

11

PARKEERNORMEN TILBURG, NOVEMBER 2017

4. Uitvoeringsregels 4.1 Acceptabele loopafstanden Als maat voor de situering van de parkeerplaatsen ten opzichte van de functies dienen de maximaal acceptabele loopafstanden zoals weergegeven in tabel 5. De acceptatie van die loopafstand hangt af van de parkeerduur en van het motief van het bezoek aan het bestemmingsadres. De acceptatie van loopafstanden vertoont marges en wordt medebepaald door de aantrekkelijkheid van de looproute, de prijsstelling en de concurrentiekracht van alternatieven. Maximaal acceptabele loopafstanden

Functie

Binnenstad

Buiten de binnenstad

250 - 300 meter

100 - 200 meter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11865669/1