04 Toelichting met bijlagen
Tekst van het document
4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
18
verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.
De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Analyse plangebied Het plangebied bestaat uit een particulier perceel waarop een woonhuis staat. De rest van het perceel is in gebruik als tuin, terras of oprit. Het woonhuis is gebouwd uit deels gemetselde, deels houten gevels. Het pand bevat een dak bestaande uit dakpannen. De tuin is aangeplant met deels gras en deels struiken/kruiden. Er geen grote bomen aanwezig in het plangebied. De initiatiefnemer is voornemens om het bestaande pand te slopen en er nieuwbouw te plegen. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op een afstand van 480 meter ten opzichte wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse & Drunense Duinen. Door de beperkte afstand ten opzichte van dit Natura 2000-gebied is voor de ontwikkeling een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hiermee is aangetoond dat het voornemen geen negatieve effecten op deze Natura 2000-gebieden als gevolg van de uitstoot van stikstof heeft.
Negatieve effecten op Natura 2000 als gevolg van fysieke aantasting of verstorende effecten als gevolg van trillingen, geluid en licht zijn op voorhand uit te sluiten vanwege het zeer kleinschalige en lokale karakter van de ingreep. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Fysieke effecten op het NNN als gevolg van de ingreep zijn dan ook uit te sluiten. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op meer dan 250 meter van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Tussen het plangebied en de beschermde NNN-gebieden liggen enkele andere woningen en bedrijven. Hierdoor is een barrière aanwezig
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
19
welke de verstorende effecten van de ingreep op NNN-gebieden opvangt. Externe effecten op NNN-gebieden zijn dan ook uit te sluiten. Soortenbescherming Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna opgesteld. In deze quickscan worden enkele conclusies gegeven welke conform het gangbare wettelijke traject niet stand houden. Met de gemeente is echter afgesproken om vooruitlopend op de aankomende gebiedsgerichte ontheffing te werken conform de stappen van een dergelijke ontheffing. Voor de soorten waarvoor deze ontheffing gaat gelden, wordt hieronder kort ingegaan welke stappen genomen dienen te worden. Eerst wordt echter ingegaan op andere soortgroepen. Conform de quickscan is de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en andere ongewervelden op basis van de kenmerken van het plangebied uit te sluiten. Hoewel de onderbouwing hiervoor minimaal is, kopt deze conclusie. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater kan de aanwezigheid van voortplantingswater en leefgebied van amfibieën, vissen en libellen uitgesloten worden. Voor grondgebonden zoogdieren zijn geen geschikte verblijfplaatsen aangetroffen. Geschikt habitat voor vlinders, reptielen en ander ongewervelden is er in het plangebied evenmin.
Hoewel er in de quickscan niets over beschermde flora wordt benoemd, is het voorkomen van deze soorten ook uit te sluiten. Een tuin bevat geen geschikte standplaatsen voor beschermde soorten. Vleermuizen Het pand dat in het plangebied aanwezig is, bevat geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Hoewel het pand niet geschikt is als kraamverblijf of massawinterverblijfplaats, kunnen mogelijk paar-, zomer- en solitaire winterverblijfplaatsen van deze soorten aanwezig zijn. In tegenstelling tot wat er in de quickscan staat, dient normaliter onderzocht te worden of deze soorten ook daadwerkelijk aanwezig zijn, of dat deze uitgesloten kunnen worden. Vooruitlopend op de aankomende gebiedsgerichte ontheffing voor Berkel-Enschot en Udenhout, wordt de initiatiefnemer de ruimte geschonken om al conform de voorwaarden van een dergelijke ontheffing te werken. Voor de Oude stad Tilburg is reeds een gebiedsgerichte ontheffing afgegeven waardoor al duidelijk is aan welke voorwaarden voldaan moet worden. Omdat het pand geschikt is bevonden voor vleermuizen, dienen enkele stappen ondernomen te worden, te weten: <0000> Het werken conform een door de gemeente opgesteld werkprotocol; <0000> Het uitvoeren van de werkzaamheden onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog; <0000> Het inbouwen van voor vleermuizen geschikte verblijfplaatsen in de nieuwe woning.
Een en ander dient voorafgaand aan de werkzaamheden met de gemeente besproken te worden. De gemeente geeft daarop goedkeuring voor het gebruik van de ontheffing en het door de gemeente opgestelde werkprotocol. De initiatiefnemer en de ingeschakelde ecoloog zijn hierbij verplicht om de gemeente op de hoogte te houden van de vorderingen rondom de nieuw geplaatste voorzieningen voor vleermuizen en de ecologische begeleiding rondom het initiatief. De gemeente dient voorafgaand aan de werkzaamheden definitief goedkeuring te geven op het werken conform de gebiedsgerichte ontheffing. Broedvogels In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.
Het is dan ook aan te raden om voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op in gebruik zijnde nesten uit te voeren. Zo kunnen negatieve effecten op in gebruik zijnde nesten voorkomen worden. Naast nesten die gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn, bestaan er ook jaarrond beschermde nesten. Dit zijn nesten van broedvogels die slecht een eigen nest kunnen bouwen of jaarlijks terugkeren naar dezelfde nestplaats. In de voor het initiatief geschreven quickscan wordt de aanwezigheid van deze jaarrond beschermde nesten uitgesloten. Echter, de bebouwing in het plangebied is ogenschijnlijk wel geschikt als nestplaats voor de huismus. Zeker gezien de soort in de omgeving en ook tijdens de quickscan is
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
20
waargenomen. Andere soorten met een jaarrond beschermd nest zijn, uitgaande van de eisen die deze soorten aan de nestplaats stelt en de kenmerken van het plangebied niet te verwachten. Voor de huismus kan, vooruitlopend op de gebiedsgerichte ontheffing voor Berkel-Enschot en Udenhout, eveneens conform enkele maatregelen gewerkt worden. Omdat het pand geschikt is als nestplaats voor de huismus, dienen de volgende stappen doorlopen te worden: <0000> Het werken conform een door de gemeente opgesteld werkprotocol; <0000> Het uitvoeren van de werkzaamheden onder begeleiding van een ter zake kundige ecoloog; <0000> Het inbouwen van voor huismussen geschikte nestplaatsen in de nieuwe woning. Een en ander dient voorafgaand aan de werkzaamheden met de gemeente besproken te worden. De gemeente geeft daarop goedkeuring voor het gebruik van de ontheffing en het door de gemeente opgestelde werkprotocol. De initiatiefnemer en ingeschakelde ecoloog zijn hierbij verplicht om de gemeente op de hoogte te houden van de vorderingen rondom de nieuw geplaatste voorzieningen voor huismussen en de ecologische begeleiding rondom het initiatief. De gemeente dient voorafgaand aan de werkzaamheden definitief goedkeuring te geven op het werken conform de gebiedsgerichte ontheffing.
Conclusie Het voornemen om de huidige bebouwing te slopen en een nieuwe woning te bouwen conform de Nederlandse natuurwetgeving is uitvoerbaar: <0000> omdat negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden uitgesloten zijn; <0000> omdat negatieve effecten op beschermde NNN-gebieden uitgesloten zijn; <0000> omdat negatieve effecten op beschermde flora, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden uit te sluiten zijn; <0000> indien conform de door de gemeente opgestelde regels gewerkt wordt voor een gebiedsgerichte ontheffing. Dat wil zeggen dat: <0000> voor vleermuizen en huismussen inbouwvoorzieningen worden opgenomen in de nieuw te bouwen woning; <0000> er conform een ecologisch werkprotocol wordt gewerkt; <0000> de werkzaamheden begeleid worden door een ecologisch deskundige. Indien het uitvoeren van de regels conform een gebiedsgerichte ontheffing niet uitvoerbaar is, dient nader onderzoek naar vleermuizen en huismussen uitgevoerd te worden. Alleen door uitvoeren van gedegen vleermuis- en huismusonderzoek kan aannemelijk gemaakt worden dat deze soorten niet in het plangebied voorkomen. Indien ze wel in het plangebied voorkomen zijn de voorgeschreven maatregelen uit de gebiedsgerichte ontheffing toch nodig of is een ontheffing op maat nodig.
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
21
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Kenmerk Stroomgebied Waterbeheerders
Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden
In plangebied Zandleij Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Tussen NAP+9,5 m en NAP+9,8 m Ca. NAP+9,0 m 0,5 à 0,8 m Zwakzandige leemlenzen dikker dan 1 meter Gescheiden riolering Niet van toepassing Verschillende watergangen Het plangebied valt in beperkt invloedsgebied Natura 2000, zie afbeelding 2
Tabel 1 - Gebiedskenmerken In de omgeving van het plangebied was in het verleden sprake van een B-watergang langs de Teunisbloem, zie figuur 3. Deze watergang is bij de ontwikkeling van het gebied vervangen door een regenwaterriool op de locatie van deze watergang. Ten westen van het plangebied en ook in Schoorstraat liggen er verschillende watergangen, behorend bij de detailafwatering van deze natte omgeving.
Figuur 3 - Locatie plangebied (rode ovaal) ten opzichte van oppervlaktewater
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
22
Figuur 4 - Locatie plangebied (rode ovaal) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur In de bestaande situatie is het plangebied in gebruik als achtererf van Schoorstraat 11. Het plangebied bestaat uit het dak van een bijgebouw, terreinverhardingen en onverhard terrein. In de Schoorstraat en de Teunisbloem is gescheiden riool aanwezig. Afvalwater wordt getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem. Regenwater van de verharde oppervlakken wordt deels opgevangen en voert af naar omliggende regenwaterriolen.
5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
5.3 Toekomstige situatie De ontwikkeling betreft het aanpassen van de percelen behorend aan Schoorstraat 11 waarmee een zelfstandig perceel aan de Teunisbloem ontstaat waarop de bouw van woning wordt mogelijk gemaakt. Voor de nieuwe situatie wordt uitgegaan van de volgende gegevens: Oppervlakken *
Oppervlak Verharding Afvoerend (m²) (%) (m²) Daken 250 100 250 Erf achterzijde 265 30 80 Erf voorzijde 100 30 30 Totaal (m²) 615 360 Tabel 2 - Afvoerende oppervlakken in de plansituatie *bron: verbeelding
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
23
Grondwater De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van het terrein / vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> Voldoende ontwateringdiepte; <0000> De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden/overeen te komen lozingspunten; <0000> Aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. Voor het te ontwikkelen perceel voldoet niet aan de minimale ontwateringdiepte voor de functies. Om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen wordt een minimale terreinhoogte geadviseerd op NAP+9,90 m voor het te ontwikkelen deel van het perceel. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Natura 2000 (zie afbeelding 2). Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden zijn nieuwe grondwateronttrekkingen niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.
Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen maximaal afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld van minimaal 22 m³. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. De voorziening(en) worden voorzien van een overloop op het regenwaterriool in de Teunisbloem. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de woningen voert af op het vuilwaterriool in de Teunisbloem.
5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
24
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
6.2.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a. oppervlakte: 1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 500m2 en niet meer dan 900m2 bedraagt; 4. 150m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 900m2 en niet meer dan 3.000m2 bedraagt; 5. 200m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 3.000m2 en niet meer dan 5.000m2 bedraagt; 6. 250m2 indien de oppervlakte van het erf meer dan 5.000m2 bedraagt. b. bouwhoogte: 1. maximaal 3m bij plat dak; 2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; 3. bouwhoogte maximaal 4,5m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden. Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen.
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
25
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
26
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11) op 28 februari 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Omgevingsdialoog Op 22 februari 2020 heeft de initiatiefnemer ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog persoonlijk een brief verspreid onder zes omwonenden van het plangebied. In de brief heeft de initiatiefnemer het plan voor de nieuwe woning beschreven en verbeeld door middel van ontwerptekeningen. Daarnaast heeft de initiatiefnemer het plan mondeling toegelicht. Omwonenden hebben twee weken de tijd gekregen om een eventuele reactie in te dienen. Alle omwonenden hebben positief gereageerd. Er zijn geen bezwaren geuit en het plan is dan ook niet aangepast naar aanleiding van de omgevingsdialoog. Een kopie van de verspreide brief is toegevoegd in Bijlage 3 Brief omgevingsdialoog
8.3 Zienswijzen PM.
Udenhout Beschermd Dorpsgezicht, 5e herziening (Schoorstraat 11)
27
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Nota parkeernormen Tilburg 2017 Nota Parkeernormen Tilburg 2017
Bijlage 2 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico
Bijlage 3 Brief omgevingsdialoog Brief omgevingsdialoog
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Nota parkeernormen Tilburg 2017 Nota Parkeernormen Tilburg 2017
Bijlage 2 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico
Bijlage 3 Brief omgevingsdialoog Brief omgevingsdialoog