04 Nota van zienswijzen Bedrijventerrein Spinder partiele herziening
Tekst van het document
Nota van zienswijzen bestemmingsplan Bedrijventerrein Spinder 2017, partiele herziening Het ontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein Spinder 2017, partiele herziening heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 13 februari 2023 tot en met maandag 27 maart 2023. Er zijn zienswijzen ingediend. Het plan is nu gereed om te worden vastgesteld, met inachtneming van de onderstaande reactie op de zienswijzen, die hieronder samengevat worden weergegeven, maar integraal zijn beoordeeld. Zienswijzen op ontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein Spinder 2017, partiele herziening: Zienswijze 1 – Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Zienswijze 2 – VTTI Bio-Energy Tilburg B.V. Zienswijze 3 – Deponie Zuid BV
Zienswijze 1 – Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Zienswijze 1.1 De Gedeputeerde Staten van Noord Brabant verzoeken om het bestemmingsplan niet verder in procedure te brengen. De provincie stelt dat het bestemmingsplan in strijd is met het provinciaal mestbeleid, provinciaal verstedelijkingsbeleid en leidt tot onaanvaardbare precedentwerking. De provincie stelt dat met het in procedure gebrachte bestemmingsplan het provinciaal mestbeleid onaanvaard wordt belemmerd, omdat het plan leidt tot afname van geschikte, beschikbare én noodzakelijke plancapaciteit voor mestbewerking. Gesteld wordt dat uit de Interim omgevingsverordening (IOV) volgt dat de provincie mestbewerking beschouwd als industriële activiteit (een vorm van afvalverwerking) welke thuishoort op een geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein. Daarnaast verwijst de provincie naar haar uitgangspunten in de IOV dat vanuit zorgvuldig ruimtegebruik een dringende noodzaak bestaat om geschikte (middel) zware bedrijventerreinen beschikbaar te houden voor middelzware en zware bedrijvigheid, zoals mestbewerking. De provincie stelt dat Spinder een geschikte locatie voor mestbewerking is gelet op dat zij reeds ruimte ten behoeve van mestbewerking op Spinder heeft vergund.
De provincie stelt het onacceptabel te vinden, gelet vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en haar mestbeleid dat de mestbewerking op Spinder wordt wegbestemd. Hierna stelt de provincie dat op basis van haar mestbeleid dat een dringende noodzaak bestaat om de beschikbare en geschikte (uitbreidingsruimte voor) mestbewerkingscapaciteit te handhaven. Gesteld wordt dat mestbewerking een belangrijke stap is voor het sluiten van kringlooplandbouw en het bereiken van een positief effect op de leefomgeving. Middels de mestbewerking wordt het gebruik van fossiele kunstmest verminderd, wordt een bijdrage geleverd aan het behoud van waardevolle grondstoffen en wordt een sterke vermindering aan emissies bereikt. Daarnaast wordt gewezen op de grote stijgende Europese behoefte aan bewerkte dierlijke mest (Renure) vanwege het aankomend tekort aan mineralen uit mest, mede door de slinkende veestapel. In Europees verband loop een procedure om Renure te gebruiken ter vervanging van kunstmest uit het oogpunt van energiebesparing en
1
verduurzaming. Gesteld wordt dat op basis van de Uitvoeringsagenda Mest en vergunde bewerkingscapaciteit voor 2030 de noodzaak bestaat om meer bewerkingscapaciteit voor mest te realiseren. Gesteld wordt dat het wenselijk is de benodigde bewerkingscapaciteit grotendeels te realiseren op reeds geschikt bevonden locaties zoals de Spinder om onnodig aansnijden van nieuwe locaties te voorkomen. Middels het voorliggend bestemmingsplan wordt de toekomstig (noodzakelijke) uitbreidingsruimte voor mestbewerking onmogelijk gemaakt. De provincie stelt dit op basis van haar mestbeleid onacceptabel te vinden. Tot slot stelt de provincie het gemeentelijk standpunt niet te kunnen volgen dat mestbewerking niet passend is op de Spinder gelet op de beleidsdoelstellingen van de gemeente. De provincie stelt dat de ontwikkeling van de mestvergistingsinstallatie de beschreven beleidsdoelen van de gemeente niet in de weg staat. De provincie stelt dat de mestbewerkingsfabriek juist bijdraagt aan de gemeentelijke doelstellingen voor verduurzaming en de energietransitie. Daarnaast draagt de fabriek bij aan het realiseren van een substantiële stikstof en broeikasgasreductie in de tótale keten ten opzichte van een referentiescenario waarbij mest niet verwerkt wordt. Standpunt gemeentebestuur
Hoeveel mestbewerking en waar in de provincie Noord-Brabant deze moet plaatsvinden, is al enige tijd onderwerp van onderzoek in de door de provincie nog steeds op te starten procedure milieueffectrapportage. Al in 2019 adviseerde de onafhankelijke commissie m.e.r. aan de provincie om eerst inzichtelijk te maken hoeveel mest nog moet worden bewerkt en wat de invloed op die opgave is- van andere vormen van mestbewerking; anders dan centraal. De in 2019 door de provincie opgestarte procedure milieueffectrapportage is in 2021 gestaakt, omdat eerst nader onderzoek naar de opgave nodig was. De provincie geeft sinds 2022 (Uitvoeringsagenda Mest) aan te verwachten dat er nog een forse opgave is naar de toekomst toe. De gemeente Tilburg, en ook andere gemeenten, verwachten op basis van landelijke kengetallen en (Rijks)beleid dat is gericht op afwaartse beweging van te houden vee, dat de opgave en daarmee ook het aantal locaties beduidend minder is dan nu begroot. Hoe het ook zij; de locatie Spinder is niet geschikt voor grootschalige mestbewerking, of het nu staand provinciaal of toekomstig provinciaal beleid betreft. Doelstellingen Landschapspark Pauwels De locatie Spinder is onderdeel van Landschapspark Pauwels. In Landschapspark Pauwels werken negen partners, waaronder de provincie en gemeente Tilburg aan verschillende opgaven in het gebied.
Het vergroten van de kracht, impact en aantrekkelijkheid van de natuurgebieden en het maximaal verduurzamen van de landbouw zijn in het gebied twee belangrijke opgaven (uit: Masterplan Pauwels 2019). In Pauwels wordt gestreefd naar een duurzame vorm van natuur inclusieve landbouw, waarbij de nadruk ligt op het verminderen van de effecten op Natura 2000 gebied de Loonse en Drunense Duinen, de Brand en Leemkuilen. De realisatie van een mestfabriek in dit landschapspark doet afbreuk hieraan. Ruimtelijke visie op het gebied Geheel in lijn met de doelstellingen in Landschapspark Pauwels, wordt de bestemming van locatie de Spinder meer in overeenstemming gebracht met de ruimtelijke visie op het gebied. Deze locatie, dicht tegen natuurgebied Huis ter Heide is een belangrijke schakel in de verbinding van natuurgebieden. Dit blijkt ook uit de aanleg van de recropassage nabij het terrein Spinder. Het klopt dat het terrein daarnaast een rioolwaterzuiveringsinstallatie, afvalbewerking, en windenergie faciliteert. Op dit moment wordt ook aan een hoogspanningsstation van TenneT gewerkt in het gebied. Dat de gemeente op deze locatie duurzaamheids- en energiedoelstellingen helpt verwezenlijken, zoals de provincie stelt, wordt niet bestreden. Dat een mestfabriek op deze locatie zou bijdragen aan reductie van stikstof en broeikas in de totale keten, bestrijdt de gemeente wel.
2
Geen concentratiegebied van veehouderijen Zoals ook blijkt uit het kaartje dat de provincie als bijlage bij de zienswijze toevoegt, is de stedelijke regio Tilburg een regio met relatief weinig mestproductie. Dat bevestigt ook het toegevoegde kaartje met daarop aangeduid het aantal veehouderijen in een straal van 25 km rond Tilburg; dat zijn er niet zoveel. Hoewel Tilburg dus niet de regio is waar de mest geproduceerd wordt, is deze regio met de realisatie van de mestfabriek wel in beeld voor een forse stikstofuitstoot van zo’n 4 mol/ha/jr alleen vanwege de mestfabriek. Daarbij is het verkeer dat van en naar de locatie moet rijden nog niet volledig meegerekend. Dat een mestfabriek op deze locatie zou bijdragen aan stikstofreductie wordt hierom stellig bestreden. Sterker nog; met deze uitstoot komen de doelstellingen en investeringen in Landschapspark Pauwels en de Gebiedsgerichte Aanpak van Natura 2000 gebied Loonse en Drunense Duinen en de schil, sterk onder druk te staan. Locatie past niet in mestbeleid Dat de Spinder geen geschikte locatie is, volgt niet alleen uit voorgaande ruimtelijke beleid, maar ook uit het provinciale mestbeleid. Volgens het provinciaal mestbeleid worden bedrijventerreinen die volgens database IBIS over voldoende ruimte beschikken aangemerkt als geschikte locaties voor centrale mestbewerkingsinstallaties. In het IBIS wordt gesproken over werklocaties.
Volgens de definities is een bedrijventerrein een verbijzondering van een werklocatie. Volgens het IBIS vallen enkele specifieke werklocaties niet onder de definitie van een bedrijventerrein. Een terrein bedoeld voor afvalstort is er hier een van. Dit is geen bedrijventerrein in de zin van het provinciaal (mest)beleid. Deze provinciale visie van de provincie op de bestemming van Spinder sluit ook aan bij de gemeentelijke ruimtelijke visie op het gebied; als de afvalberg op Spinder in de toekomst vol is en zal worden afgedekt, ligt een meer natuurlijke, landschappelijke of recreatieve functie passend binnen de doelstellingen van Landschapspark Pauwels in ’t verschiet. Een industrieel bedrijf als de mestfabriek die wordt gerealiseerd, past en paste niet in de visie van de gemeente op locatie Spinder. Er wordt slecht gebruik gemaakt van juridisch beschikbare ruimte die nooit bedoeld is geweest te verstrekken voor een niet-passende functie als een mestfabriek. Zie over het ontstaan en de bedoeling van deze ruimte de toelichting bij zienswijze 2. Conclusie
Zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het plan. Zienswijze 2 – VTTI Bio-Energy Tilburg B.V. Zienswijze 2.1 De besloten vennootschap VTTI Bio-Energy Tilburg B.V. (verder: VBT) stelt zich niet te kunnen vinden in het ontwerpplan en de motieven welke ten grondslag liggen aan de bestemmingsplan herziening. Verder stelt zij dat de vaststelling van het bestemmingsplan niet verdraagt met de wettelijke regels en de daarover gewezen jurisprudentie. VBT verzoekt daarom aan de raad om van de voorgenomen planherziening af te zien. VBT heeft kenbaar gemaakt belanghebbende te zijn bij de herziening van het bestemmingsplan. VBT is, op basis van een onherroepelijke omgeving- en natuurvergunning, in 2021 gestart met de realisatie van een mestverwerkingsinstallatie op de gronden van Attero ten westen van de Vloeiveldweg op het Industrie terrein De Spinder, die zij na voltooiing zal exploiteren. VBT is voornemend met behulp van een voor de buitenlucht afgesloten vergistingsproces groen gas te produceren. Voor dit proces gaat mest afgenomen worden van omliggende agrarische bedrijven.
VBT stelt dat de gemeenteraad op 19 december 2011 reeds heeft ingestemd met de planologische inpassing van de mestverwerkingsinstallatie op de Spinder in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen voor de verlening van een omgevingsvergunning met afwijking van het destijds vigerende bestemmingsplan
3
Spinder 1994. Standpunt gemeentebestuur
Zowel de provincie als VTTI Bio Energy Tilburg B.V. stellen ten onrechte dat de gemeenteraad van Tilburg op 19 december 2011 heeft ingestemd met de planologische inpassing van de mestfabriek op Spinder. Op 12 maart 2012 is door de provincie een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een Bio Energie Centrale (BEC), Biomass Conversion Centre (BCC) en bioen koolzuurgas centrale (LBM) binnen de inrichting van Attero op Spinder. De gemeenteraad van Tilburg heeft hieraan voorafgaand, in 2011, een verklaring van geen bedenkingen afgegeven ten aanzien van de bio-energieproductie op het voorterrein van de inrichting van Attero op Spinder. De verklaring van geen bedenkingen is afgegeven voor het vergisten van VGI-materiaal (reststromen uit de voeding- en genotmiddelenindustrie), mest en slachtafval. Via nog een veranderingsvergunning in 2014 is op 4 april 2018 door de provincie een veranderingsvergunning verleend voor een mestvergister en hierbij is de in 2012 vergunde Bio Energie Centrale (BCC) komen te vervallen. De gemeente Tilburg diende een zienswijze in bij de provincie in het kader van deze vergunningprocedure.
Anders dan provincie en VTTI stellen ligt de oorspronkelijke toestemming van de gemeenteraad van Tilburg om mest (net als slachtafval) als bijproduct in een biomassa vergistingsinstallatie te verwerken genuanceerder en zijn de huidige vergunningen voor de mestfabriek gebaseerd op de ruim 10 jaar geleden geboden juridische ruimte ten behoeve van een wezenlijk ander type installatie dan nu wordt opgericht. Het nu voorliggende bestemmingsplan herstelt in die zin het planologisch kader en brengt dit in overeenstemming met de doelstellingen voor het gebied op het vlak van natuur en landschap en duurzaamheid en energie; biomassavergisting is en blijft toegestaan op Spinder.
Conclusie Zienswijze 2.2.
Standpunt gemeentebestuur
De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. VBT stelt dat ten onrechte de omgevingsdialoog achterwege kan blijven, omdat niet aangetoond is dat vanuit de omgeving veel verzet is tegen de mestverwerkingsinstallatie. VBT herkent zich niet in het beeld dat er een breed gedragen verzet van groeperingen zou bestaan tegen de bouw en ingebruikname van de installatie. VBT stelt voorop waarde te hechten aan een goede relatie met haar omgeving. VBT stelt tijdens de voortgang van de bouw contact te houden met de wijkraden van omliggende woongebieden en de wijkraden en wethouders uit te nodigen om de in aanbouw zijnde installaties te bekijken. VBT stelt al een aantal bewoners rondgeleid te hebben en hun vragen zo goed mogelijk beantwoord te hebben. Het is bij het betreffende bedrijf bekend dat niet alleen het gemeentebestuur de komst van een mestfabriek op deze locatie in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening, maar ook de omwonenden deze mening zijn toegedaan. Zij vrezen te worden beperkt in hun woon- en leefklimaat vanwege de milieueffecten van de mestfabriek.
Het is om die reden dat de wijkbewoners vertegenwoordigd via de twee wijkraden in Tilburg Noord zich, met andere maatschappelijke, natuur-en milieuorganisaties, hebben verenigd in ’t Groene Schild die via juridische procedures poogt de bouw van de fabriek stil te leggen, en helderheid te krijgen over wat die effecten precies zijn. Het nu voorliggende bestemmingsplan is een logisch vervolg op eerdere besluiten van het gemeentebestuur, die weer in lijn zijn met hoe de omgeving naar de komst van de fabriek kijkt. Het voeren van een dialoog met de omgeving maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. De door de gemeente vastgestelde richtlijn omgevingsdialoog heeft tot doel om inwoners van de gemeente Tilburg in een vroeg stadium te betrekken bij de voorbereiding van ruimtelijke ontwikkelingen in hun
4
Conclusie Zienswijze 2.3.
Standpunt gemeentebestuur
Conclusie Zienswijze 2.4.
Standpunt gemeentebestuur
conclusie Zienswijze 2.5.
Standpunt gemeentebestuur
Conclusie Zienswijze 2.7.
omgeving. Het doel van dit plan is om de vestiging van een mestbewerkingsbedrijf te voorkomen. Dit is geen ruimtelijke ontwikkelingen maar juist het tegengaan er van. Het voeren van een omgevingsdialoog over dit plan had derhalve geen toegevoegde waarde. De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het plan. VBT stelt dat niet vaststaat dat binnen de geldigheidsperiode van het nieuw vast te stellen, de gemeente voornemend is om de aanwezige mestverwerkingsinstallatie te beëindigen en te verwijderen. En dat daarom de aanwezige mestverwerkingsinstallatie in beginsel positief bestemd moet blijven. Op dit moment is er nog sprake van een vergunning voor het bedrijf. De gemeente heeft ten aanzien van deze vergunning een intrekkingsverzoek ingediend omdat de mestverwerkingsbedrijf niet past in het beleid van de gemeente en in deze omgeving. De procedure m.b.t. dit intrekkingsverzoek is nog niet afgerond. Het is vaste jurisprudentie dat een gemeenteraad bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan een vergunde situatie niet zomaar kan weg bestemmen. Daarvoor dient de raad in ieder geval aannemelijk te maken dat de bestaande / vergunde situatie binnen de planperiode van tien jaar zal worden beëindigd. In dat geval kan het bestaande / vergunde bouwwerk en/of het gebruik in beginsel onder het overgangsrecht worden gebracht.
Die zekerheid bestaat met betrekking tot de mestfabriek op dit moment nog niet. Zodra het intrekkingsverzoek m.b.t. de vergunning gehonoreerd is, is daar wel sprake van. Dan zal er een nieuwe planologische procedure gestart worden. Op dit moment is het juridisch nog niet mogelijk om de mestfabriek onder het overgangsrecht te brengen. Naar aanleiding van deze zienswijze wordt het plan gewijzigd vastgesteld. De op basis van de onherroepelijk vergunning vergunde activiteiten worden in het bestemminsplan toegestaan. Nieuwvestiging of uitbreiding van mestbewerkingsactiviteiten worden met dit bestemmingsplan uitgesloten. Deze zienswijze is gegrond en leidt tot aanpassing van de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast stelt VBT dat geen overtuigende beleidsmatige inzichten zijn aangedragen waarmee een inbreuk op de gevestigde rechten, specifiek van het bedrijf op locatie De Spinder te rechtvaardigen zijn. De Spinder is onderdeel van het Landschapspark Pauwels. De afvalverwerking die op Spinder plaatsvindt is eindig. Nadat de afvalverwerking is afgerond zal dit gebied teruggegeven worden aan de natuur. Het vestigen van een mestverwerking installatie is met dit streven strijdig. Dit belang van natuurontwikkeling rechtvaardigt het wegbestemmen van uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf. Zie ook het gestelde onder het standpunt gemeente bij zienswijze 1.
Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan VBT stelt dat uit de financiële uitvoerbaarheid niets blijkt van het voornemen om de mestverwerkingsinstallatie weg te bestemmen. VBT stelt dat uit de paragraaf over de financiële uitvoerbaarheid van het plan moet blijken hoe de gemeente financiële uitvoerbaarheid van het plan voorneemt. Het beperken van de bouw en gebruiksmogelijkheden van zal onder meer leiden tot omzetderving. Ook ontbreekt enige onderbouwing van een vergoeding voor de investeringskosten voor de bouw van de installatie. Onder zienswijze 2.3. is aangegeven dat naar aanleiding van de zienswijze het bestemmingsplan wordt aangepast en dat de vergunde situatie vooralsnog positief wordt bestemd. Eventuele uitbreidingsmogelijkheden worden met dit plan wegbestemd. Er is dus geen sprake van de noodzaak tot vergoeding van kosten voor omzetderving of een vergoeding van de investeringskosten. De eventuele planschade die de beperking van de uitbreiding oplevert zal uit gemeentelijke middelen betaald worden. Deze zienswijze is deels gegrond en leidt tot aanvulling van de paragraaf financiële uitvoerbaarheid. VBT stelt dat door het niet uitvoeren van het wettelijk vooroverleg met de provincie als
5
beschreven in artikel 3.1.1. van de Bro in strijd met de wet is gehandeld en het niet uitvoeren van dit wettelijk verplichte vooroverleg zal leiden tot een onzorgvuldig voorbereid plan. Standpunt Naar onze mening kon het formele vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro gemeentebestuur achterwege blijven omdat de gemeente en de provincie meermaals over deze aangelegenheid overleg hebben gevoerd. (zie de bijgevoegde brief van de provincie Noord-Brabant d.d. 15 juli 2022 kenmerk C2291602/ 5107622). In de zienswijze van de Provincie wordt ook aangeven dat de provincie precies op de hoogte is van het standpunt van de gemeente in deze. Daarnaast is bij de gemeente ook het standpunt van de provincie bekend. Dus de provinciale belangen waren bij de opstelling van het ontwerp bestemmingsplan bekend en zijn daarbij afgewogen. De belangen van de provincie zijn niet geschaad. Het raadsvoorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan zal onverwijld aan de provincie gestuurd worden zodat de provincie de mogelijkheid heeft om de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen te gebruiken. Conclusie De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zienswijze 2.8. Tot slot wordt gesteld dat de overgangsregels in het plan niet overeenstemmen met de wettelijk bepaalde overgangsregels van het Bro.
En dat van deze wettelijke overgangsregels in deze casu niet mag worden afgeweken. Standpunt De nummering van het overgangsrecht m.b.t. bouwen (artikel 12.1.) is door een gemeentebestuur technische fout niet correct in het ontwerp bestemmingsplan opgenomen. Inhoudelijk komt de bepaling overeen met de wettelijk voorgeschreven bepaling in artikel 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Conclusie De zienswijze is deels gegrond en leidt tot hernummering van artikel 12.1 van het bestemmingsplan. Zienswijze 3 – Deponie Zuid BV Zienswijze 3.1.
Standpunt gemeentebestuur Conclusie Zienswijze 3.2. Standpunt gemeentebestuur Conclusie
Deponie Zuid BV heeft kenbaar gemaakt belanghebbende te zijn bij de herziening van het bestemmingsplan. Deponie Zuid kan zich als grondeigenaar niet met de voorgenomen herziening verenigen en verzoekt om af te zien van de vaststelling van het bestemmingsplan. Deponie Zuid stelt dat mestverwerking, onder andere door vergisting ten behoeve van de opwekking van duurzame energie past uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening op locatie Spinder. Deponie Zuid stelt dat locatie Spinder geen onderdeel uitmaakt van het Landschapspark Pauwels en dat derhalve de visie over het Landschapspark Pauwels geen aanleiding geeft voor de herziening van het bestemmingsplan. Verwezen wordt naar het standpunt bij zienswijze 1 Deze zienswijze is ongegrond. Verder verwijst en onderschrijft Deponie Zuid BV de ingediende zienswijze van VBT. Verwezen wordt naar het standpunt bij zienswijze 2. Zie conclusie bij zienswijze 2.
6